De Afdeling bevestigt de herroeping van beide dwangsomlasten; de burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Raad van State · 30 sep 2026 ECLI:NL:RVS:2026:5816
De Afdeling verklaart het hoger beroep van de burgemeester van Haarlem ongegrond, waardoor de dwangsomlasten voor [wederpartij A] en [wederpartij B] herroepen blijven. De burgemeester mocht artikel 125 van de Gemeentewet niet gebruiken om toekomstige beëindigingsopdrachten voor demonstraties op niet-openbare plaatsen met dwangsommen af te dwingen. De preventieve lasten beperken het betogingsrecht door hun afschrikkende werking. De gekozen grondslag en het stelsel van de Wom bieden daarvoor geen bevoegdheid. Ten overvloede overweegt de Afdeling dat een dwangsomlast niet kan worden opgelegd voor gedrag dat nog niet verboden is. De burgemeester moet € 1.955,90 aan proceskosten vergoeden; daarnaast wordt € 559 griffierecht geheven.
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De burgemeester mag [horeca-inrichting] tot 3 oktober 2026 12:00 uur gesloten houden. Het optreden van [artiest] kan derhalve niet plaatsvinden.
ECLI:NL:RBROT:2026:13520· Bestuursrecht
03
Expertteam Evenementen·Raad van State·30 sep 2026relevant
Bij besluiten van 1 oktober 2022 heeft de burgemeester van Haarlem aan [wederpartijen] lasten onder dwangsom opgelegd inhoudende dat zij demonstraties op niet-openbare plaatsen direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe opdracht geeft. Op 1 oktober 2022 hebben [wederpartijen] deelgenomen aan een demonstratie van Extinction Rebellion in de Albert Heijn aan het Soendaplein in Haarlem. Zij hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van de manager van de winkel om de winkel te verlaten. De burgemeester heeft daarom op 1 oktober 2022 aan [wederpartijen] een last onder dwangsom opgelegd op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht. De last houdt kort gezegd in dat [wederpartijen] een demonstratie op een niet-openbare plaats direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe de opdracht geeft op grond van artikel 8 van de Wet openbare manifestaties. [wederpartijen] verbeuren € 1.000,00 per keer dat zij geen gehoor geven aan de opdracht van de burgemeester, tot een maximum van € 5.000,00. In de besluiten op bezwaar heeft de burgemeester, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, zich op het standpunt gesteld dat de last voldoende concreet en duidelijk is. Daarnaast is volgens de burgemeester geen begunstigingstermijn nodig, omdat de begunstigingstermijn afhankelijk zal zijn van de opdracht van de burgemeester.
Politie-inzet en openbare orde
ECLI:NL:RVS:2026:5814· Bestuursrecht
04
Expertteam Evenementen·Raad van State·30 sep 2026relevant
Bij besluit van 22 februari 2021 heeft de burgemeester van Breda de op 26 oktober 2015 aan Sumo Breda 2 B.V. verleende Drank- en horecawetvergunning ingetrokken. De burgemeester heeft op 26 oktober 2015 aan OMUS een Drank- en horecawetvergunning verleend voor de exploitatie van het restaurant Sumo Oriental Japanese & Asian dining in het pand aan de Nieuwe Ginnekenstraat 7 in Breda. Deze vergunning heeft met ingang van 1 juli 2021 te gelden als een vergunning op grond van de Alcoholwet. Op 5 juli 2018 hebben [persoon A] en [persoon B] hun aandelen in OMUS overgedragen aan hun medeaandeelhouders en een medewerker van OMUS. De burgemeester heeft op 9 juli 2018 aan OMUS laten weten dat hij een onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) gaat starten. De aanleiding voor dit onderzoek is een FIOD-inval bij OMUS in 2014 en mediaberichten over Bibob-onderzoeken naar Sumo-restaurants in andere gemeenten in 2018. De burgemeester heeft op 10 mei 2019 het Landelijk Bureau Bibob (het LBB) om advies gevraagd over een mogelijk zakelijk samenwerkingsverband tussen OMUS enerzijds en [persoon A], [persoon B] en het Sumo-concern anderzijds.
Het hof vernietigt de ontruimingsveroordeling en wijst Holtri’s vorderingen af, zodat de huurders op grond van dit kort geding niet hoeven te vertrekken. Hoewel de gemeentelijke dwangsom voldoende spoed oplevert, staat onvoldoende vast dat een bodemrechter de huur zal beëindigen. Holtri heeft geen concreet plan om de recreatieve bestemming te verwezenlijken. Ook wegen de woonbelangen van de huurders zwaarder dan Holtri’s financiële belang. De permanente bewoning blijft in strijd met het omgevingsplan; het hof beslist niet definitief over beëindiging van de huur. Holtri moet de proceskosten van beide instanties betalen.
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Omgevingswet. Verzoeken om voorlopige voorziening hangende de beroepen tegen de oplegging van lasten onder dwangsom aan eisers in verband met de bewoning door arbeidsmigranten in een conferentiehotel. Van rechtswege ook beroep ontstaan tegen de wijzigingsbesluiten en invorderingsbesluiten. Kortsluiting. Beroepen zijn gegrond. Dwangsommen zijn te hoog. Besluiten zijn vernietigd. Zelf voorzien door de dwangsommen te halveren. Om deze geen reden om een voorziening te treffen. Wel toekenning proceskosten en griffierecht.
De Afdeling vernietigt de oorspronkelijke plandelen voor [locatie 1] en [locatie 3]; het herstelbesluit blijft in stand.
Raad van State · 30 sep 2026 ECLI:NL:RVS:2026:5808
De Afdeling vernietigt het oorspronkelijke bestemmingsplan voor [locatie 1] en [locatie 3], maar laat het herstelbesluit met toegevoegde geluidnormen in stand. Het beroep van Manege De Lourenshoeve B.V. tegen dat herstelbesluit is ongegrond; de beroepen van de overige appellanten zijn niet-ontvankelijk. De raad heeft de gekozen geluidnormen voldoende onderbouwd. Daarbij tellen de gebiedskenmerken, het tijdelijke verblijf in recreatiewoningen en de beperkingen aan evenementen mee. De Afdeling acht onaanvaardbare geluidoverlast bij de bedrijfswoning en recreatiewoningen niet aannemelijk. De toegestane activiteiten moeten wel aan de bindende geluidnormen voldoen.
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Volgens de staatssecretaris stond de educatieve boodschap niet centraal tijdens een concert in het Dolfinarium en heeft het Dolfinarium daarmee de dierentuinvergunning overtreden. De staatssecretaris heef een last onder dwangsom opgelegd. Het College is van oordeel dat aan het dwangsombesluit geen deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag ligt op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat het Dolfinarium het voorschrift uit artikel 2.2, onder c, van de dierentuinvergunning heeft overtreden. Schending zorgvuldigheidsbeginsel, vernietiging bestreden besluit, herroeping dwangsombesluit.
ECLI:NL:CBB:2026:477· Bestuursrecht
09
Expertteam Evenementen·Raad van State·7 okt 2026relevant
Bij besluit van 17 mei 2023 heeft de burgemeester van Arnhem geweigerd om Maansteen een terrasvergunning te verlenen. Maansteen heeft sinds 14 december 2021 een exploitatievergunning voor het exploiteren van een inrichting in het pand aan de Korenmarkt 42 in Arnhem. In dit pand, dat is gelegen aan het middenplein, was voorheen een filmhuis gevestigd dat geen terras had. Maansteen was voornemens om terrasruimte in gebruik te nemen, maar de volledige terrasruimte aan het middenplein was op dat moment al vergund aan exploitanten van andere openbare inrichtingen gevestigd aan het middenplein van de Korenmarkt. Om in het kader van de verdeling van schaarse vergunningen ruimte te maken voor Maansteen, startte de burgemeester in november 2021 een traject om samen met de exploitanten op de Korenmarkt te komen tot een nieuwe verdeling van de beschikbare terrasruimte. Dit traject moest leiden tot het nieuwe terrassenbeleid. Omdat het traject niet leidde tot een algeheel gedragen uitkomst, heeft de burgemeester zelf het nieuwe terrassenbeleid vastgesteld. Dit beleid is op 17 oktober 2023 in werking getreden.
Bij besluit van 26 september 2022 heeft de burgemeester van Nijmegen de sluiting bevolen van het door [appellante] geëxploiteerde lunchcafé onder oplegging van een last onder bestuursdwang. [appellante] exploiteerde sinds 2019 twee in hetzelfde pand gevestigde horecagelegenheden aan het Jorens Ivensplein in Nijmegen. Het gaat om een cafetaria genaamd [cafetaria] en om een lunchcafé genaamd [lunchcafé]. Tot 1 maart 2022 waren [vennoot A] en [vennoot C] de vennoten van de vof. Zij beschikten voor het lunchcafé over een alcoholvergunning van 28 oktober 2019. Op 1 maart 2022 is [vennoot C] als vennoot uit de vof getreden. Op 22 maart 2022 is de zoon van [vennoot A], [vennoot B], als vennoot tot de vof toegetreden. Met het besluit van 26 september 2022 heeft de burgemeester bevolen het lunchcafé te sluiten onder oplegging van een last onder bestuursdwang. Door het uittreden van [vennoot C] en het intreden van [vennoot B] tot de vof is volgens de burgemeester sprake van een gewijzigde exploitatie, waardoor de alcoholvergunning niet langer geldig is. Volgens de burgemeester is daarmee artikel 3, eerste lid, van de Alcoholwet overtreden.
ECLI:NL:RVS:2026:5962· Bestuursrecht
12
Expertteam Evenementen·Raad van State·14 okt 2026relevant
Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft de burgemeester van Nijmegen, voor zover hier van belang, de sluiting bevolen van de door [vennoot] geëxploiteerde cafetaria onder oplegging van een last onder bestuursdwang. [vennoot] exploiteerde sinds 2019 twee in hetzelfde pand gevestigde horecagelegenheden aan het Jorens Ivensplein in Nijmegen. Het gaat om een cafetaria genaamd [cafetaria] en om een lunchcafé genaamd [lunchcafé]. Tot 1 maart 2022 waren [vennoot A] en [vennoot C] de vennoten van de vof. Zij hadden voor de cafetaria een exploitatievergunning van 10 januari 2019. Op 1 maart 2022 is [vennoot C] als vennoot uit de vof getreden. Op 22 maart 2022 is de zoon van [vennoot A], [vennoot B], als vennoot tot de vof toegetreden. Als gevolg van deze wijziging heeft de burgemeester op 21 juni 2022 aan [vennoot] het voornemen bekendgemaakt om de cafetaria onder oplegging van een last onder bestuursdwang te sluiten. Met het besluit van 18 augustus 2022 heeft de burgemeester de cafetaria gesloten, omdat [vennoot] niet langer in het bezit is van een exploitatievergunning. Volgens de burgemeester is de exploitatievergunning van [vennoot] door de uittreding van [vennoot C] uit de vof en de toetreding van de heer [vennoot] tot de vof van rechtswege vervallen in de zin van artikel 2.33b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Algemene Plaatselijke Verordening Nijmegen.
ECLI:NL:RVS:2026:5963· Bestuursrecht
13
Expertteam Evenementen·Raad van State·14 okt 2026relevant
Bij besluit van 31 juli 2023 heeft de burgemeester van Nijmegen de aanvraag van [appellante] voor een exploitatievergunning afgewezen. [appellante] exploiteerde sinds 2019 twee in hetzelfde pand gevestigde horecagelegenheden aan het Jorens Ivensplein in Nijmegen. Het gaat om een cafetaria genaamd [cafetaria] en om een lunchcafé genaamd [lunchcafé]. Tot 1 maart 2022 waren [vennoot A] en [vennoot C] de vennoten van de vof. Op 1 maart 2022 is [vennoot C] als vennoot uit de vof getreden. Op 22 maart 2022 is de zoon van [vennoot A], [vennoot B], als vennoot tot de vof toegetreden. Als gevolg van deze wijziging heeft de burgemeester de cafetaria bij besluit van 18 augustus 2022 gesloten, omdat [appellante] niet langer in het bezit was van een exploitatievergunning. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de burgemeester de aanvraag mocht afwijzen op de grond dat aangenomen moest worden dat de inrichting de woon- en leefsituatie en de openbare orde in de omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig zal beïnvloeden.