Stikstof, MBA's, afvalstoffen, mestfraude, Tata Steel, EVOA, klimaatzaken — de volledige milieuportefeuille, ook strafrechtelijk en Europees waar relevant.
Bij besluit van 14 november 2023 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister) de door [appellante] te betalen CO2-vergoeding voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 16.124,75. [appellante] exploiteert een glastuinbouwbedrijf op zes verschillende locaties in de gemeente Westland. [appellante] drijft daarmee een inrichting die behoort tot de inrichtingen waarop een systeem van kostenverevening van toepassing is als bedoeld in artikel 15.51, eerste lid, van de Wm. Het gaat daarbij om verevening van kosten die zijn verbonden aan het in een kalenderjaar overschrijden van de voor die inrichtingen gezamenlijk vastgestelde hoeveelheid CO2-emissies (het CO2-emissieplafond). Indien de inrichtingen als bedoeld in artikel 15.51, eerste lid, gezamenlijk het CO2-emissieplafond overschrijden, dan is elk van die inrichtingen een vergoeding verschuldigd als bedoeld in artikel 15.52 van de Wm. Die vergoeding wordt berekend aan de hand van de formule in artikel 3 van het Besluit.
Bij besluiten van 13 augustus 2019 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg, voor zover van belang, aan [appellant A] als drijver van de inrichtingen aan de [locatie 1] in Brunssum en de [locatie 2] in Roermond (de inrichtingen), onder aanzegging van kostenverhaal een aantal lasten onder bestuursdwang opgelegd. Het college heeft deze besluiten ook aan [appellant B] als eigenaar van de inrichtingen bekend gemaakt. De inrichtingen worden gedreven door [appellant A] op grond van omgevingsvergunningen die bij besluiten van 27 mei 2008 aan een andere drijfster zijn verleend (de vergunningen). [appellant B] is eigenaar van de inrichtingen. In de inrichtingen vindt onder andere opslag plaats van PMD-afval. Dit afval behoort tot de categorie gemengde verpakkingen die in de Europese afvalstoffenlijst (Eural) wordt aangeduid met Euralcode 15 01 06. Volgens het college is binnen de inrichtingen alleen de acceptatie en opslag van niet-geuremitterende afvalstoffen met Euralcode 15 01 06 vergund.
Bij besluit van 26 oktober 2020 hebben de minister van Economische Zaken en Klimaat en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister) de door [appellant A] te betalen CO2-vergoeding voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op € 15.531,20. [appellant A] en anderen exploiteren een glastuinbouwbedrijf op zes verschillende locaties in de gemeente Westland. [appellant A] en anderen drijven daarmee een inrichting die behoort tot de inrichtingen waarop een systeem van kostenverevening van toepassing is als bedoeld in artikel 15.51, eerste lid, van de Wm. Het gaat daarbij om verevening van kosten die zijn verbonden aan het in een kalenderjaar overschrijden van de voor die inrichtingen gezamenlijk vastgestelde hoeveelheid CO2-emissies (het CO2-emissieplafond). Indien de inrichtingen als bedoeld in artikel 15.51, eerste lid, gezamenlijk het CO2-emissieplafond overschrijden, dan is elk van die inrichtingen een vergoeding verschuldigd als bedoeld in artikel 15.52 van de Wm. Die vergoeding wordt berekend aan de hand van de formule in artikel 3 van het Besluit.
Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. Verlengd toelatingsbesluit Gazelle. Time-reinforced toxicity (TRT) bij bijen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het Ctgb op dit moment voldoende heeft gemotiveerd waarom (nog) geen TRT-beoordeling is uitgevoerd en wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende bezwaar af.
Afwijzing subsidie voor melkveehouderij omdat de stikstofvracht die de locatie veroorzaakt op een overbelast Natura 2000-gebied niet boven de drempelwaarden uit de Lbv uitkomt. De minister mocht de afwijzing baseren op de uitkomst van de AERIUS Check. Het gebruik van de AERIUS Check als rekeninstrument in de Lbv is niet ontoelaatbaar en kan de (terughoudende) exceptieve toetsing aan algemene rechtsbeginselen doorstaan. Geen strijd met het vertrouwensbeginsel.
Bij besluit van 7 december 2022 hebben provinciale staten van Overijssel het inpassingsplan "Bergvennen en Brecklenkampse Veld" gewijzigd vastgesteld. Het inpassingsplan maakt een aantal interne en externe maatregelen voor het beheer en herstel van het Natura 2000-gebied juridisch mogelijk. In het Natura 2000 beheerplan "Bergvennen & Brecklenkampse Veld" zijn verschillende maatregelen beschreven die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat Natura 2000-gebied te behalen. Het inpassingsplan maakt een deel van die maatregelen mogelijk. Daarbij gaat het met name om maatregelen die tot vernatting van percelen in en nabij het Natura 2000-gebied leiden. Deze maatregelen zijn opgenomen in een bij de regels van het inpassingsplan behorend inrichtingsplan. Landschap Overijssel is eigenaar van het overgrote deel van de gronden in het plangebied. Appellanten zijn grondeigenaren en omwonenden met gronden in de (directe) omgeving van het plangebied. Zij zijn het niet eens met het plan, met name omdat zij vrezen voor vernatting van hun gronden.
ECLI:NL:RVS:2026:3168· Bestuursrecht
07
Expertteam Milieu·Rechtbank Gelderland·9 jun 2026sterk
De last onder dwangsom die Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland heeft opgelegd aan Tomassen Duck-To blijft gelden. Dat betekent Tomassen Duck-To de activiteiten van de eendenslachterij van het bedrijf in overeenstemming moet brengen met de omvang die haar activiteiten mogen hebben op basis van een vergunning uit 1992. Het bedrijf krijgt hier van de voorzieningenrechter nog 11 weken de tijd voor.
Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh) vastgesteld voor de nieuwe woningen in het plangebied van het bestemmingsplan "CPO-project en sportpark Den Hout". Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van 28 woningen in Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) ter plaatse van het hoofdveld van voetbalvereniging Irene ‘58 aan het Ruiterspoor in de kern Den Hout. De beroepen richten zich niet daartegen. Doordat het hoofdveld van de voetbalvereniging komt te vervallen, voorziet het plan ook in de aanleg van een nieuw hoofdveld (sportpark) aan het Ruiterspoor aan de zuidrand van Den Hout, naast het bestaande oefenveld. Milieuvereniging Oosterhout kan zich daar niet in vinden. Zij vindt onder meer dat er geen noodzaak bestaat voor de aanleg van een nieuw veld en dat dit leidt tot een aantasting van natuurwaarden. [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] wonen aan het [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]. Zij verwachten overlast te zullen ondervinden van het geluid van het parkeerterrein bij het sportpark, de extra voertuigbewegingen en het sportpark zelf.
Bij besluit van 24 juli 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer zijn beslissing om op 14 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met Artikel 10 lid 3 van de Afvalstoffenverordening gemeente Deventer en artikel 6 lid 3 van het Uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening gemeente Deventer aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een papieren tasje met papierafval, dat op 14 juli 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de Ceintuurbaan in Deventer. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] het papieren tasje met papierafval verkeerd heeft aangeboden, omdat in het tasje een kartonnen doos is gevonden met daarop haar adresgegevens. [appellante] stelt dat zij het papierafval in de ondergrondse papiercontainer heeft gedeponeerd. Zij voert aan dat de container al zeer vol was, maar dat zij desondanks meerdere papieren tasjes met papierafval in de container heeft kunnen plaatsen.
ECLI:NL:RVS:2026:3370· Bestuursrecht
10
Expertteam Milieu·College van Beroep voor het bedrijfsleven·9 jun 2026sterk
Hoger beroep. Bestuurlijke boete op grond van de Meststoffenwet aan intermediaire onderneming wegens overtreding van de mestverwerkingsplicht. Overtreding staat vast. Hoogte van de boete. Geen aanleiding om de opgelegde boete te matigen.
Bij tussenuitspraak van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:786 heeft de Afdeling de raad van de gemeente Helmond opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak het onder 11.7 omschreven gebrek in het besluit van 20 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "’t Hout - De Hoefkens" te herstellen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 11.7 geoordeeld dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of ter plaatse van de woningen in het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd zonder dat [appellante] onevenredig wordt beperkt in haar bedrijfsmogelijkheden. Gelet op wat de Afdeling in overweging 11.7 van de tussenuitspraak heeft overwogen, is het beroep van [appellante] tegen het besluit van 20 juni 2023 gegrond. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om het gebrek te herstellen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de raad het geconstateerde gebrek zou kunnen herstellen door bijvoorbeeld op basis van een akoestisch onderzoek alsnog deugdelijk te motiveren dat [appellante] niet in haar bedrijfsvoering wordt beperkt door de woningbouw.
ECLI:NL:RVS:2026:3345· Bestuursrecht
12
Expertteam Milieu·College van Beroep voor het bedrijfsleven·16 jun 2026sterk
Fosfaatrechtenstelsel. Verzoek om ontheffing van artikel 38, tweede lid, van de Msw. De minister mocht het ontheffingsverzoek afwijzen. Geen strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Bij besluit van 27 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente het wijzigingsplan "Buitengebied Hof van Twente, wijziging Zomerweg 3 Ambt Delden" (het wijzigingsplan) vastgesteld. Het perceel aan de Zomerweg 3 in Ambt Delden had in het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" (het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch" met een agrarisch bouwvlak en de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied". Deze aanduiding maakte een intensieve veehouderij mogelijk. De agrarische activiteiten zijn ter plaatse beëindigd. Het college heeft op verzoek van de initiatiefnemer gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020" en het wijzigingsplan vastgesteld. De initiatiefnemer is voornemens om een groepsaccommodatie te realiseren. [appellanten] wonen aan de [locatie B] in Ambt Delden en zijn het niet eens met het wijzigingsplan omdat zij vrezen voor geluidsoverlast.
ECLI:NL:RVS:2026:3365· Bestuursrecht
14
Expertteam Milieu·Raad van State·3 jun 2026relevant
Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel besloten tot invordering van de door [appellant] verbeurde dwangsommen van in totaal € 9.000,00. Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het college besloten tot invordering van de dwangsommen die volgens het college zijn verbeurd. [appellant] is het hier niet mee eens omdat hij van mening is dat hij de lasten wel heeft nageleefd. Hij heeft de invordering daarom aangevochten. Het besluit om tot invordering over te gaan is zowel in bezwaar als in beroep in stand gebleven. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat niet aan de lasten is voldaan. Ten aanzien van last 1 voert [appellant] aan dat de flessen niet werden opgeslagen, maar buiten stonden voor transport. Ten aanzien van last 2 voert [appellant] aan dat de apparatuur alleen voor onderhoud ter plaatse was, wat volgens [appellant] blijkt uit een leenovereenkomst en een gesprek met een productiemanager. Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat de compressor en aanverwante pompen afgekoppeld waren.
ECLI:NL:RVS:2026:3162· Bestuursrecht
15
Expertteam Milieu·Raad van State·3 jun 2026relevant
Bij besluit van 26 september 2023 heeft de raad van de gemeente Beekdaelen het bestemmingsplan "Groevepark Silt" vastgesteld. Het plan heeft betrekking op het groevegebied gelegen ten zuidwesten van Nagelbeek en Schinnen, de zogenoemde Groeve Schinnen. Dit groevegebied is jarenlang gebruikt voor de winning van zand en grind. Als gevolg van de intensivering van landgebruik is de plateaurand van het groevegebied niet meer herkenbaar. Hierdoor is de verbinding tussen het groevegebied en de beekdalen verdwenen. Verder is het terrein ten oosten van het groevegebied jarenlang gebruikt als vuilstort. [bedrijf] is als initiatiefnemer volgens de plantoelichting voornemens om het groevegebied en de afgewerkte vuilstort te transformeren naar een plek waar de natuur en het (recreatieve) gebruik van de mens hand-in-hand samen komen. Het plan voorziet in een juridisch planologisch kader voor deze transformatie. Het plan voorziet in de aanleg van een recreatieplas en de bouw van maximaal 60 verblijfseenheden, met daaraan ondersteunend onder andere horeca, ondergeschikte detailhandel en een wellnessgebouw. Op de voormalige vuilstortplaats komt een zonneweide in de vorm van twee clusters zonnepanelen met daartussen een parkeerplaats voor de bezoekers van het recreatiepark.
ECLI:NL:RVS:2026:3193· Bestuursrecht
16
Expertteam Milieu·Raad van State·3 jun 2026relevant
Bij besluit van 29 december 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere de groenstrook aan de Daan Hoeksemastraat ter hoogte van de Flipjestraat in Almere, aangewezen voor het plaatsen van vier ondergrondse inzamelcontainers. In de gemeente Almere worden de aanwezige gezamenlijke inpandige afvalcontainers in hoogbouw-complexen vervangen door ondergrondse inzamelcontainers. Het college heeft in dat verband bij besluit van 29 december 2025 de locatie aan de Daan Hoeksemastraat aangewezen als locatie voor vier ondergrondse containers ten behoeve van de bewoners van het daar nabijgelegen appartementencomplex. Twee containers zijn bestemd voor restafval en plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drinkpakken (pmd), één is bestemd voor groente-, fruit- en tuinafval (gft) en de resterende is bestemd voor papier en karton. [appellant sub 1] en anderen wonen aan [locatie 1] en [locatie 2] en [appellant sub 2] woont aan [locatie 3]. Zij vinden de aangewezen locatie om verschillende redenen ongeschikt. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] is de alternatieve, initieel door het college beoogde locatie aan de Jochem Jofelstraat geschikter.
ECLI:NL:RVS:2026:3164· Bestuursrecht
17
Expertteam Milieu·Raad van State·3 jun 2026relevant
Bij besluit van 17 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning aan de [locatie 1] in Breukeleveen. [partij] is eigenaar van het perceel aan de [locatie 1] in Breukeleveen. Hij heeft een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning op het westelijke deel van het perceel. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Plassengebied Loosdrecht 2013". Op het perceel rusten, voor zover hier van belang, de bestemming "Wonen" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2". Verder is de gebiedsaanduiding "milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 1" aan het perceel toegekend. Het college is ervan uitgegaan dat de woning in overeenstemming is met het bestemmingsplan. [appellant] woont op het aangrenzende perceel aan de [locatie 2] en is het om verschillende redenen niet eens met de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van de woning. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld omdat hij een verdergaande vernietiging van het besluit op bezwaar wil bereiken. Volgens hem is de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de woning op meer punten in strijd is met het bestemmingsplan dan waarvan de rechtbank is uitgegaan.
Bij besluit van 12 juli 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 2 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 9 lid 1 Afvalstoffenverordening 2010 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 2 juli 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat er op de doos een adreslabel staat met daarop haar naam en adresgegevens. [appellante] betoogt dat de gemeente haar op 28 juli 2025 per e-mail heeft gevraagd of zij gebruik wilde maken van de mogelijkheid om telefonisch gehoord te worden. Zij stelt dat zij diezelfde dag op die e-mail heeft gereageerd en daarbij haar beschikbaarheid en haar telefoonnummer heeft doorgegeven.
ECLI:NL:RVS:2026:3202· Bestuursrecht
19
Expertteam Milieu·Raad van State·10 jun 2026relevant
Bij besluit van 25 juni 2025 heeft de raad van de gemeente Heusden het bestemmingsplan "[locatie], Hedikhuizen en Oude Haven 31a, Haarsteeg" vastgesteld. Het bestemmingsplan beoogt te voorzien in de uitbreiding van het bedrijf [partij]. [partij] is een aannemersbedrijf dat gespecialiseerd is in sloop- en grondwerken en in recycling van grondstoffen. Het bedrijf is op meerdere locaties gevestigd. Met het bestemmingsplan worden de bedrijfsactiviteiten geconcentreerd op de locatie [locatie] in Hedikhuizen. De locatie aan de Oude Haven in Haarsteeg is daardoor niet langer nodig. Deze locatie is in het bestemmingsplan bestemd voor woningen. Aan [locatie] voorziet het plan in een bestemmingsvlak voor het bedrijf en in de mogelijkheid om op het uitbreidingsvlak bebouwing te realiseren. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] zijn omwonenden en hebben beroep ingesteld tegen het deel van het bestemmingsplan dat gaat over [locatie], omdat zij met name vrezen voor de aantasting van hun woon- en leefklimaat. Volgens hen is de uitbreiding van het bedrijf onder meer in strijd met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) en gemeentelijk beleid en met een goede ruimtelijke ordening.
ECLI:NL:RVS:2026:3360· Bestuursrecht
20
Expertteam Milieu·Raad van State·10 jun 2026relevant
Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee het bestemmingsplan "Veegplan 2022" (het bestemmingsplan) vastgesteld. Met het bestemmingsplan wordt de geldende bestemming op delen van de percelen Kelderweg 17 en 18 in Ouddorp gewijzigd van "Tuin" naar "Natuur - 1" ter bescherming van de ter plaatse aanwezige bomen. [appellant] woont aan de [locatie A] en is het niet eens met het plan. Omdat de bomen een beschermde status krijgen, vreest hij voor beperkingen van de onderhoudsmogelijkheden. In het geval van de aan zijn perceel grenzende boom zal dit leiden tot nog meer overlast bij zijn woning en voor de tegenover zijn perceel staande bomen tot gevaar voor de omgeving. [appellant] betoogt dat het toekennen van een beschermde planologische status aan de aanwezige bomen niet noodzakelijk is. Hij voert aan dat de rij lindenbomen op het perceel aan de Kelderweg 18 reeds is opgenomen op de Bomenlijst Goeree-Overflakkee (de Bomenlijst) en dat die bomen daarmee al een beschermde status hebben.
ECLI:NL:RVS:2026:3366· Bestuursrecht
21
Expertteam Milieu·Raad van State·10 jun 2026relevant
Bij besluit van 25 november 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan Saanenhof voor schade die wilde zwijnen hebben toegebracht aan de door haar gepachte gronden een tegemoetkoming van € 2.799,20 toegekend. Saanenhof exploiteert een biologische geitenhouderij met een akkerbouwtak aan de Somerenseweg 39a in Heeze. Zij teelt onder meer (winter)tarwe als voer en stro voor de geiten. Sinds 1984 is Saanenhof een biologisch bedrijf en sinds 1998 een biologisch dynamisch bedrijf. Zij is SKAL- en Demeter gecertificeerd. Op 3 maart 2021 heeft Saanenhof schade door wilde zwijnen aan het gewas tarwe geconstateerd. Zij heeft voor de schade aan het gewas op 4 maart 2021 een tegemoetkoming aangevraagd. BIJ12, die de regeling voor faunaschade namens het college uitvoert, heeft een taxateur ingeschakeld. De taxateur heeft de percelen bezocht op 10 maart 2021. In zijn taxatierapport van 27 oktober 2021 heeft hij de schade op € 3.049,20 getaxeerd. De tegemoetkoming is voor schade die bestaat uit verminderde tarwe-opbrengst. Voor zover de schade bestaat uit verminderde stro-opbrengst heeft het college geen tegemoetkoming in de schade toegekend.
ECLI:NL:RVS:2026:3367· Bestuursrecht
22
Expertteam Milieu·Raad van State·10 jun 2026relevant
Bij besluiten van 9 november 2022, kenmerk TKA112478, 9 november 2022, kenmerk TKA119105, en 9 januari 2023, kenmerk TKA117902, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant de aanvragen van [appellante] om een tegemoetkoming in schade die wilde zwijnen hebben toegebracht aan de door haar gepachte gronden, afgewezen. [appellante] exploiteert een biologische geitenhouderij met een akkerbouwtak aan de [locatie] in Heeze. Zij teelt onder meer rogge als voer en stro voor de geiten. Sinds 1984 is [appellante] een biologisch bedrijf en sinds 1998 een biologisch dynamisch bedrijf. Zij is SKAL- en Demeter gecertificeerd. Op 12 augustus 2021 heeft [appellante] schade door wilde zwijnen aan het gewas grasland geconstateerd. Zij heeft voor de schade aan het gewas op 16 augustus 2021 een tegemoetkoming aangevraagd. BIJ12, die de regeling voor faunaschade namens het college uitvoert, heeft een taxateur ingeschakeld die de percelen heeft bezocht en die de schade heeft getaxeerd op € 7.318,60. De rechtbank heeft de besluiten van 10 juli 2023 vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Volgens de rechtbank had het college terecht actieve risicoaanvaarding tegengeworpen, maar dat niet deugdelijk gemotiveerd.
ECLI:NL:RVS:2026:3332· Bestuursrecht
23
Expertteam Milieu·College van Beroep voor het bedrijfsleven·2 jun 2026relevant
DEI+ subsidie verleend. In verband met het te subsidiëren project moet de onderneming haar elektriciteitsaansluiting laten verzwaren en een nieuwe elektrische infrastructuur aanleggen naar en op haar productielocatie. De minister heeft terecht slechts een deel van de kosten die de onderneming hiervoor moet maken gesubsidieerd. Beroep ongegrond.
ECLI:NL:CBB:2026:243· Bestuursrecht
24
Expertteam Milieu·College van Beroep voor het bedrijfsleven·11 jun 2026relevant
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een (spoedeisend) belang heeft bij een onmiddellijke beslissing op de vraag over haar belanghebbendheid bij een subsidie die is verleend aan RWE.
ECLI:NL:CBB:2026:271· Bestuursrecht
25
Expertteam Milieu·Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden·16 jun 2026relevant
Prorogatie. Zijn in een situatie van agrarische erfpacht ook de regels over een eventuele verdeling van de aan een veehouder toegekende fosfaatrechten van overeenkomstige toepassing, zoals geformuleerd in de arresten ASR/Qualm die over pacht gaan? In beginsel niet, tenzij de voorwaarden voor de erfpacht aansluiten bij de dwingendrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op pachtovereenkomsten. Erfverpachter mag dit nader onderbouwen en erfpachter mag nog nader onderbouwen dat daar geen sprake van is omdat destijds een ‘insteek’ zou zijn betaald om de erfpacht te verkrijgen.
ECLI:NL:GHARL:2026:3928· Civiel recht
26
Expertteam Milieu·Rechtbank Noord-Nederland·12 jun 2026relevant
Deze uitspraak gaat over de eerste heffing die de Minister aan NAM op grond van artikel 15 van de Tijdelijke Wet Groningen (hierna: TwG) heeft opgelegd. Het gaat om kosten die het Instituut Mijnbouwschade Groningen (het Instituut) heeft gemaakt in verband met de afhandeling van fysieke schade aan gebouwen en werken over het derde en vierde kwartaal van 2020. Het gaat om een bedrag van ruim 268 miljoen euro. NAM is het niet eens met de wijze waarop de door het Instituut vergoede fysieke schade door de Minister is doorbelast aan NAM en voert daar – kort samengevat – tegen aan dat de Minister op grote schaal vergoedingen bij NAM in rekening heeft gebracht voor reguliere schades die niet zijn veroorzaakt door gaswinning. Volgens NAM ontbreekt de wettelijke basis voor de doorbelasting; alleen vergoedingen die in overeenstemming zijn met de civielrechtelijke aansprakelijkheid van NAM en de daaraan verbonden – en redelijke – uitvoeringskosten mogen worden doorbelast. NAM stelt dat de Minister niet alle kosten die “aan de voordeur” zijn uitgekeerd, aan “de achterdeur” kan doorbelasten, maar zelfstandig moet beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van mijnbouwschade. De rechtbank toetst in deze uitspraak of de gemaakte en doorbelaste kosten die gebaseerd zijn op het beleid en de werkwijze van het Instituut, passen binnen toepasselijke de bestuurs- en civielrechtelijke kaders. Bij haar beoordeling kijkt de rechtbank onder andere naar de wetsgeschiedenis, de civiele en bestuursrechtelijke rechtspraak en de beschikbare deskundigenrapporten. Twee van de belangrijkste geschilpunten zijn de afbakening van het effectgebied en de maatstaf voor weerlegging van het bewijsvermoeden. Hierover zijn door zowel NAM als de Minister diverse deskundigen benaderd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de door partijen hierover ingebrachte stukken, waaronder deskundigenberichten, en heeft -behalve het juridische debat op de zittingen van 16 en 19 maart 2026- op de zitting van 17 maart 2026 ook een hele dag met diverse deskundigen over deze onderwerpen gesproken. Alles overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat het Instituut de gekozen afbakening van het effectgebied kan hanteren en bij de maatstaf voor weerlegging van het bewijsvermoeden niet buiten de wettelijke kaders en de civiele rechtspraak hierover is getreden. Ook de beroepsgronden van NAM over zettingsschade, het causaliteitsonderzoek, toepassing overige regels uit het BW, het calculatiemodel, de uitvoeringskosten, het motiveringsbeginsel en artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM slagen niet. De rechtbank komt in deze uitspraak daarom tot het oordeel dat de Minister de door het Instituut uitgekeerde schadevergoedingen voor fysieke schade en de door het Instituut gemaakte uitvoeringskosten terecht heeft doorbelast aan NAM.
ECLI:NL:RBNNE:2026:2286· Bestuursrecht
27
Expertteam Milieu·Raad van State·3 jun 2026relevant
Bij besluit van 10 juli 2025 heeft de raad van de gemeente Amsterdam het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Intrekken 1e herziening exploitatieplan Bloemendalerpolder" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Amsterdam vastgesteld. Het besluit "1e herziening exploitatieplan Bloemendalerpolder" maakt op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow), in samenhang bezien met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder m, van de Invoeringswet Ow, deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Amsterdam. Stichting Park Muiderslotlaan en Stichting Bewonersbelangen Leeuw en Sluis komen op voor de belangen van eigenaren en bewoners van gebouwde of nog te bouwen woningen op gronden gelegen in het exploitatieplangebied. Stichting Flora & Faunabescherming komt op voor de natuurbelangen ter plaatse. De stichtingen vrezen dat met het wegvallen van het exploitatieplan woningen zullen worden gerealiseerd zonder (parallelle) aanleg van voldoende recreatief groen of speelvoorzieningen. Hun beroepen hebben daarmee betrekking op het niet-financiële deel van het (voormalige) exploitatieplan waarin, onder meer, regels over fasering van de bouw van woningen en (groen)voorzieningen zijn opgenomen.
ECLI:NL:RVS:2026:3180· Bestuursrecht
28
Expertteam Milieu·Raad van State·3 jun 2026relevant
Bij besluit van 22 juli 2024 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan Lawn Tennis Club Gorssel (tennisvereniging) een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verleend voor het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van een nest van een ooievaar door het verwijderen van een ooievaarspaal. De omgevingsvergunning is verleend voor het wegnemen van een nest van een ooievaar door het verwijderen van een ooievaarspaal op het terrein van de tennisvereniging. De omgevingsvergunning is verleend onder het voorschrift dat de ooievaarspaal op 35 meter van de oude locatie wordt geplaatst. [appellant] en anderen zijn omwonenden van het terrein van de tennisvereniging. Zij vinden dat hun woon- en leefomgeving wordt aangetast door het wegnemen van het nest van de ooievaar door de verwijdering en verplaatsing van de ooievaarspaal. De ooievaar is hierdoor uit hun woonomgeving verdreven en niet teruggekeerd.
Bij besluit van 13 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Someren het bestemmingsplan "De Hoofong." vastgesteld. Het plan maakt de realisatie van twee ruimte-voor-ruimte woningen aan De Hoof in Someren mogelijk. [appellant] woont tegenover het plangebied aan [locatie] en vreest met name voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat. [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (de IOV). Hij voert daarover aan dat het plan niet voldoet aan de verplichtingen voor ruimte-voor-ruimte woningen zoals genoemd in artikel 3.77 en 3.79 van de IOV. Volgens [appellant] gaat het bestemmingsplan onvoldoende in op de vraag of de woningen passen binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Ook voldoet de ontwikkelingsrichting niet aan de eisen zoals genoemd in artikel 3.77, eerste lid, van de IOV. Ook houdt het plan volgens [appellant] geen rekening met een goede omgevingskwaliteit zoals genoemd in artikel 3.5, tweede lid, van de IOV.
ECLI:NL:RVS:2026:3189· Bestuursrecht
30
Expertteam Milieu·Raad van State·10 jun 2026relevant
Bij besluit van 26 maart 2024 heeft de raad van de gemeente Altena het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Ontplofbare Oorlogsresten" vastgesteld. Het bestemmingsplan kent aan grote delen van de gemeente de aanduiding "Veiligheidszone - ontplofbare oorlogsresten" toe. Die aanduiding houdt in dat geen bouwwerken mogen worden gebouwd, tenzij bij de bouw van de bouwwerken geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,30 m onder het bestaande maaiveld. Die aanduiding houdt ook in dat bepaalde werkzaamheden, zoals het uitvoeren van sonderingen of het planten van een boom, onder bepaalde voorwaarden niet zonder een omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd. Van deze regels kan het college afwijken als wordt voldaan aan het beleid voor het onderzoeken en opsporen van mogelijk aanwezige ontplofbare oorlogsresten. De raad heeft hiervoor gekozen om het woon-, leef- en verblijfsklimaat te beschermen tegen mogelijk aanwezige ontplofbare oorlogsresten in de bodem. [appellant] woont in het gebied waarover de aanduiding "Veiligheidszone - ontplofbare oorlogsresten" zich uitstrekt. Hij is het niet eens met deze aanduiding. Volgens hem is de aanduiding onnodig en te belastend voor hem als initiatiefnemer van ruimtelijke ontwikkelingen.
ECLI:NL:RVS:2026:3327· Bestuursrecht
31
Expertteam Milieu·Raad van State·10 jun 2026relevant
Bij besluit van 9 juni 2021 heeft het college aan [vergunninghouders] een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van de agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning op [locatie] in Assendelft. De Taurushoeve exploiteert een melkveehouderij aan de Akere 7 in Assendelft. Het bestaande bedrijf valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij dit bedrijf horen twee bedrijfswoningen. De verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op de tweede (voormalige) bedrijfswoning, gelegen aan de [locatie], waarvan [vergunninghouders] eigenaar zijn en die in planologisch opzicht deel uitmaakt van de melkveehouderij. De Taurushoeve vreest in haar uitbreidingsmogelijkheden te worden beperkt als gevolg van de verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van deze bedrijfswoning als plattelandswoning.
ECLI:NL:RVS:2026:3356· Bestuursrecht
32
Expertteam Milieu·College van Beroep voor het bedrijfsleven·2 jun 2026raakvlak
Hoger beroep. Wet handhaving consumentenbescherming. Bestuurlijke boete van de ACM aan Volkswagen AG voor oneerlijke en misleidende handelspraktijken in verband met het gebruik van verboden manipulatiesoftware in dieselmotoren. Schending van het ne bis in idem-beginsel van artikel 50 van het Handvest. Het College oordeelt dat de feiten op grond waarvan Volkswagen door de ACM wordt beboet dezelfde zijn als die waarvoor Volkswagen in Duitsland door het Duitse openbaar ministerie is beboet. Boete wordt herroepen.
ECLI:NL:CBB:2026:227· Bestuursrecht
33
Expertteam Milieu·Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden·2 jun 2026raakvlak
Het hof wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen af, omdat niet is gebleken dat veroordeelde met het strafbaar handelen – het illegaal dumpen van drugsafval – zelf kosten heeft bespaard. Het hof gaat ervan uit dat de opdrachtgever(s) van veroordeelde deze kosten zou(den) hebben gedragen en dus ook de kosten hebben bespaard. Niet is vast te stellen dat het voordeel van de kostenbesparing aan verdachte is toegekomen.
ECLI:NL:GHARL:2026:3508· Strafrecht
34
Expertteam Milieu·Raad van State·3 jun 2026raakvlak
Bij besluit van 19 april 2022 heeft de raad van de gemeente Aalten het bestemmingsplan "Kern Aalten, uitbreiding bedrijventerrein 't Broek 2022" vastgesteld. De gecoördineerde besluiten voorzien in een aantal ontwikkelingen, waaronder het slopen van 2 woningen en het kappen van een aantal bomen. Het beroep van SNMA is gericht tegen het plan dat de bouw mogelijk maakt van een opslaghal voor ISG Lettink aan de Dinxperlosestraatweg 70 in Aalten en een opslag- en expeditiehal voor Kaemingk aan de Vierde Broekdijk 51 in Aalten en tegen de verleende omgevingsvergunning aan Kaemingk. SNMA betoogt dat een maximale bouwhoogte van 16,5 m die het plan mogelijk maakt voor de bedrijfshal van Kaemingk uit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar is. Een dergelijke bouwhoogte is een te grote aantasting van het landschap, ondanks de voorziene landschappelijke inpassing. Ook is volgens SNMA de toegestane bouwhoogte veel groter dan de hoogte van de andere gebouwen op het bestaande industrieterrein.
ECLI:NL:RVS:2026:3186· Bestuursrecht
35
Expertteam Milieu·Raad van State·10 jun 2026raakvlak
Bij besluit van 30 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leudal geweigerd om aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het aanleggen van een baan voor het trainen van paarden op het [perceel], ter hoogte van het perceel achter [locatie] in Haelen. [appellante] heeft op 27 februari 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden. Het gaat om de aanleg van een baan voor het trainen van paarden op het perceel. Het college heeft geweigerd om de omgevingsvergunning te verlenen. Aan deze weigering heeft het college ten grondslag gelegd dat de werkzaamheden in strijd zijn met het bestemmingsplan. Met het uitvoeren van de werkzaamheden worden volgens het college de aanwezige waarden (ernstig) aangetast.
Bij tussenuitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4756 heeft de Afdeling de raad van de gemeente Heeze-Leende opgedragen om: - binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat is overwogen onder 11, de daar omschreven gebreken in het besluit van 22 mei 2023 (het oorspronkelijke besluit) tot vaststelling van het bestemmingsplan "Langstraat 15a, 17 en 17a Leende" te herstellen, en - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij het herstelbesluit een nieuw gewijzigd bestemmingsplan vastgesteld. De raad heeft enkele planregels aangepast, de verbeelding gewijzigd en de plantoelichting aangevuld. Het herstelbesluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onderdeel van dit geding. De beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] zijn van rechtswege mede gericht tegen het herstelbesluit. [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] hebben zienswijzen over het herstelbesluit naar voren gebracht.
ECLI:NL:RVS:2026:3359· Bestuursrecht
37
Expertteam Milieu·Raad van State·10 jun 2026raakvlak
Bij besluit van 29 februari 2024 heeft de raad geweigerd het bestemmingsplan "[locatie] te [plaats]" vast te stellen. Het plangebied is gelegen aan [locatie] in [plaats] en ligt in het buitengebied op ongeveer 80 m van het stedelijk gebied van [woonplaats]. Momenteel geldt voor het perceel het bestemmingsplan "Buitengebied Midden-Drenthe", zoals gewijzigd door het bestemmingsplan "Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022". Het grootste gedeelte van de gronden heeft de bestemmingen "Bedrijf -Openbaar Nut" en "Waarde - Archeologie 2" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - rioolwaterzuiveringsinstallatie". Een strook grond aan de westkant van het perceel is bestemd voor "Agrarisch met waarden - 2" en "Waarde -Archeologie 2". Deze bestemmingen staan geen woningbouw toe. [appellant 1] en anderen zijn de initiatiefnemers van het plan en zijn voornemens om het perceel te herontwikkelen door de voormalige rioolwaterzuivering te vervangen door woningen. Het plan voorziet daarom onder andere in de toekenning van een woonbestemming aan een gedeelte van het perceel om twee vrijstaande woningen te kunnen realiseren.
ECLI:NL:RVS:2026:3354· Bestuursrecht
38
Expertteam Milieu·Raad van State·10 jun 2026raakvlak
Bij besluit van 3 juli 2024 heeft de raad van de gemeente Roerdalen geweigerd het bestemmingsplan "[locatie] Sint Odiliënberg" vast te stellen. [appellante] heeft een recht van erfpacht op de gronden van een voormalige agrarische bedrijfslocatie aan de [locatie] in Sint Odiliënberg. Deze gronden liggen sinds enkele jaren braak. [appellante] wil op deze locatie een stiltecentrum voor vrouwen, genaamd "Women’s International Center for Inner Happiness", oprichten. In het beoogde stiltecentrum zouden vrouwen met verschillende internationale en culturele achtergronden verblijven om hun persoonlijke groei te ontwikkelen door transcendente meditatietechniek. [appellante] betoogt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het bestemmingsplan in strijd is met de Omgevingsvisie. Zij voert hiertoe aan dat de Omgevingsvisie geen limitatieve opsomming van mogelijke vervolgfuncties voor vrijkomende agrarische bebouwing bevat.
ECLI:NL:RVS:2026:3357· Bestuursrecht
39
Expertteam Milieu·College van Beroep voor het bedrijfsleven·9 jun 2026raakvlak
Hoger beroep. Boete voor overschrijding maximaal toegestane bezettingsdichtheid pluimveestal. Beroep op overmacht (ontbreken verwijtbaarheid) gaat niet op. Geen matiging boete.
ECLI:NL:CBB:2026:250· Bestuursrecht
40
Expertteam Milieu·Rechtbank Noord-Nederland·12 jun 2026raakvlak
Deze uitspraak gaat over de aan NAM opgelegde heffingsbesluiten waarmee de door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (het Instituut) vergoede waardedaling van woningen in Q4 (vierde kwartaal) 2020 en 2021 aan haar is doorbelast. De rechtbank zal in deze uitspraak ingaan op de verschillende punten die partijen verdeeld houden. NAM heeft van 2014 tot 2020 waardedalingsschade afgehandeld via de Regeling waardedaling. Die regeling zag op verkochte woningen. Het belangrijkste geschilpunt in deze zaak gaat over de vraag of de door het Instituut gemaakte kosten in verband met vergoede waardedaling van onverkochte woningen kunnen worden doorbelast. Het Instituut heeft een regeling gemaakt voor het begroten van de waardedaling van woningen met als peildatum 1 januari 2019. Op basis van deze regeling is een vergoeding voor waardedaling uitgekeerd die in beginsel definitief is en niet kan worden teruggevorderd. De Minister vindt dat NAM dit moet betalen en wijst onder meer op het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2018, waartegen door NAM niet in cassatie is gegaan. NAM vindt dat de minister deze kosten niet kan doorbelasten, omdat de regeling verder gaat dan de civielrechtelijke aansprakelijkheid van NAM. NAM verwijst hiervoor onder meer naar een door de Hoge Raad op 19 juli 2019 genomen prejudiciële beslissing. De rechtbank zoekt bij haar oordeel aansluiting bij de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 juli 2019 en is van oordeel dat de wijze waarop de waardedaling nu voor wat betreft onverkochte woningen is doorbelast daarmee niet overeenstemt. De Hoge Raad heeft op 19 juli 2019 overwogen dat er nog geen sprake is van een voldoende stabiele toestand om waardedaling van onverkochte woningen te begroten. Dit betekent dat het doorbelasten van kosten aan NAM niet kan als de waardedaling is begroot met als peildatum 1 januari 2019. De Minister moet een nieuw besluit nemen. Als de Minister vindt dat er inmiddels wel sprake is van een voldoende stabiele toestand om de waardedaling van onverkochte woningen te begroten, is het aan de Minister om dat uit te leggen en te onderbouwen.
ECLI:NL:RBNNE:2026:2290· Bestuursrecht
41
Expertteam Milieu·Rechtbank Overijssel·4 jun 2026raakvlak
Bij besluit van 3 juli 2024 heeft de raad van de gemeente Nissewaard het bestemmingsplan "Ring 18a Simonshaven" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van 44 woningen mogelijk op gronden gelegen aan de Ring 18a in Simonshaven. Onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Simonshaven" had een gedeelte van de gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - Weidevogelgebied" en een gedeelte van de gronden de bestemming "Bedrijf". De gronden aan de zuidwestzijde van het plangebied hadden de bestemming "Sport". [appellant A] en anderen wonen aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Simonshaven. Hun percelen grenzen aan het plangebied. Zij komen op tegen de vaststelling van het plan omdat zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat en omdat zij investeringen hebben gedaan in en rondom hun woningen in de veronderstelling dat het vrije uitzicht behouden zou blijven.
ECLI:NL:RVS:2026:3348· Bestuursrecht
43
Expertteam Milieu·Raad van State·10 jun 2026raakvlak
Bij besluit van 22 juni 2023 heeft de raad van de gemeente Waalwijk het exploitatieplan "Haven VIII Oost afronding" vastgesteld. Het exploitatieplan hoort bij het bestemmingsplan "BP Haven 8 Oost-afronding", dat ook is vastgesteld bij besluit van 22 juni 2023. Het bestemmingsplan maakt bedrijventerrein Haven 8 Oost-afronding planologisch mogelijk. De raad heeft het exploitatieplan vastgesteld om de noodzakelijke juridische basis te leggen voor het kostenverhaal. Daarnaast wil de raad met het exploitatieplan het tijdvak en de fasering bepalen en eisen en regels stellen. [appellante] is eigenaar van een perceel in het exploitatieplangebied. [appellante] betoogt dat een zonnepark een bouwwerk van algemeen nut is in de zin van artikel 4.1, aanhef en onder g van de planregels van het bestemmingsplan en dat de raad daarom rekening had moeten houden met de opbrengsten uit een zonnepark.
ECLI:NL:RVS:2026:3353· Bestuursrecht
44
Expertteam Milieu·College van Beroep voor het bedrijfsleven·2 jun 2026raakvlak
Bij besluit van 5 juli 2022 heeft het college van Gedeputeerde Staten de aanvraag van [appellante] van een omgevingsvergunning afgewezen. [appellante] heeft op 13 november 2020 een vergunning aangevraagd op grond van de destijds geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het bouwen van een bouwwerk, het verrichten van werk of werkzaamheden, het handelen in strijd met het bestemmingsplan en het veranderen van een inrichting en handelingen met gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Het college heeft naar aanleiding van deze aanvraag een onderzoek gestart als bedoeld in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Het college heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) om een advies gevraagd. Het LBB heeft een advies uitgebracht op 31 januari 2022. Het college heeft op basis van dit advies de aanvraag van [appellante] afgewezen, omdat volgens het college ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob; de b-grond). De rechtbank is het college hierin gevolgd.