Bij besluit van 31 maart 2020 heeft de minister voor Milieu en Wonen aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, onder 35, van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190/1; EVOA) zonder schriftelijke kennisgeving en toestemming overbrengen van partijen grond van Nederland naar Duitsland. [appellante] is sinds mei 2019 exploitant en eigenaar van een groeve in Havert, net over de grens in Duitsland. Uit de groeve wordt zand en grind gewonnen en de daardoor ontstane ruimte wordt vervolgens weer opgevuld met partijen grond die [appellante] ophaalt bij derden in Nederland. [appellante] betoogt dat zij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, onder 35, van de EVOA, niet heeft overtreden.
ECLI:NL:RVS:2026:4601· Bestuursrecht
02
Expertteam Milieurechthandhaving·College van Beroep voor het bedrijfsleven·4 aug 2026relevant
Aan de slachterij is een last onder dwangsom (dwangsombesluit) opgelegd waaraan geen looptijd was verbonden. Vlak voor de zitting heeft de minister de werking van het dwangsombesluit voor de toekomst opgeheven, omdat er inmiddels 1,5 jaar zijn verstreken, de slachterij maatregelen heeft genomen en er sindsdien geen overtredingen zijn vastgesteld. De slachterij heeft vanwege de opheffing van het dwangsombesluit het beroep ingetrokken met het verzoek om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht (artikel 8:75a Awb). Het College stelt vast dat met de opheffing van het dwangsombesluit aan dit besluit de werking voor de toekomst is ontnomen. Daarmee is de minister uit eigen beweging deels tegemoetgekomen aan de vervoerder. Dat de opheffing is ingegeven doordat er geruime tijd is verstreken na het dwangsombesluit en de slachterij zich in die tijd aan de last heeft gehouden, maakt dit niet anders. Ook is hier niet doorslaggevend of de tegemoetkoming (kennelijk) is gebaseerd op andere gronden dan de aangevoerde beroepsgronden. Omdat in dit geval niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden afgezien van een proceskostenveroordeling, zal het College de minister veroordelen in de door de vervoerder gemaakte proceskosten.
ECLI:NL:CBB:2026:361· Bestuursrecht
03
Expertteam Milieurechthandhaving·College van Beroep voor het bedrijfsleven·4 aug 2026relevant
Aan de vervoerder is een last onder dwangsom (dwangsombesluit) opgelegd waaraan geen looptijd was verbonden. Vlak voor de zitting heeft de minister het dwangsombesluit voor de toekomst opgeheven, omdat er inmiddels drie jaren waren verstreken en er in die tijd geen overtredingen zijn vastgesteld en dwangsommen verbeurd. De vervoerder heeft vanwege de opheffing van het dwangsombesluit het beroep ingetrokken met het verzoek om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht (artikel 8:75a Awb). Het College stelt vast dat met de opheffing van het dwangsombesluit aan dit besluit de werking voor de toekomst is ontnomen. Daarmee is de minister uit eigen beweging deels tegemoetgekomen aan de vervoerder. Dat de opheffing is ingegeven doordat er geruime tijd is verstreken na het dwangsombesluit en de vervoerder zich in die tijd aan de last heeft gehouden, maakt dit niet anders. Omdat in dit geval niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden afgezien van een proceskostenveroordeling, zal het College de minister veroordelen in de door de vervoerder gemaakte proceskosten.
ECLI:NL:CBB:2026:362· Bestuursrecht
04
Expertteam Milieurechthandhaving·Raad van State·12 aug 2026relevant
Bij besluit van 29 augustus 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas een bedrag van € 1.000.000,00 aan dwangsommen ingevorderd bij Oostappen. Oostappen is eigenaar van vakantiepark De Berckt (vakantiepark), gelegen aan de Napoleonsbaan Noord 4 te Baarlo, gemeente Peel en Maas. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Napoleonsbaan Noord 4A te Baarlo". Uit artikel 4.1 van de planregels volgt dat het huisvesten van arbeidsmigranten niet is toegestaan op gronden met de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie". Het college heeft bij besluit van 23 juni 2020 Oostappen gelast het huisvesten van arbeidsmigranten op terreindelen van het vakantiepark waar dat niet is toegestaan, te beëindigen en beëindigd te houden, onder aanzegging van een dwangsom van € 250.000,00 per week dat niet aan de last is voldaan met een maximum van € 1.000.000,00. In beroep is vast komen te staan dat een bedrag van € 1.000.000,00 aan dwangsommen is verbeurd. De rechtbank heeft overwogen dat de rechtsvordering tot invordering van de dwangsom niet is verjaard en dat het college mocht invorderen. Oostappen betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van het college tot invordering van de dwangsommen niet is verjaard.
ECLI:NL:RVS:2026:4736· Bestuursrecht
05
Expertteam Milieurechthandhaving·Raad van State·5 aug 2026relevant
Bij besluit van 26 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Landerd het verzoek om een in twee fasen verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten milieu en bouwen ten behoeve van het oprichten van een varkenshouderij aan de [locatie] in Zeeland (de varkenshouderij) in te trekken of te wijzigen, afgewezen. Deze zaak draait om een verzoek om de eerder verleende omgevingsvergunning van de varkenshouderij in te trekken of te wijzigen. [appellant A] is de exploitant van de varkenshouderij en maakt daarbij gebruik van een combiluchtwasser. Uit een onderzoek van de Wageningen University & Research (WUR) uit 2018 is gebleken dat combiluchtwassers een veel lager geurreductiepercentage hebben dan eerst werd aangenomen. Naar aanleiding van dit onderzoek is de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) gewijzigd. Het geurreductiepercentage van de combiluchtwasser BWL 2009.12.V4 is verlaagd van 85% naar 45% en de bijbehorende geuremissiefactoren zijn verhoogd. Het college is ervan uitgegaan dat op twee adressen in de directe omgeving van de varkenshouderij een geurbelasting zal optreden van meer dan 30 odour units per m3 (Ou/m3) (berekend met het toen geldige model V-stacks 2010). Volgens de verzoekers moet de omgevingsvergunning van de varkenshouderij worden ingetrokken of gewijzigd, omdat deze hoge geurbelasting een ontoelaatbaar milieugevolg is.
Bij besluit van 4 juli 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor zover in deze zaak van belang, het saneringsplan "Rijkswegen West-Nederland Noord A7, A8, N9, A10" vastgesteld en een aantal geluidproductieplafonds verlaagd. Op grond van artikel 11.19 van de Wet milieubeheer bevinden zich langs rijkswegen referentiepunten waar, voor het geluid van het verkeer op de weg, geluidproductieplafonds gelden. De beheerder van de weg draagt ingevolge artikel 11.20 van de Wet milieubeheer zorg voor naleving van deze geluidproductieplafonds. Met de geluidproductieplafonds worden in de omgeving van de referentiepunten gelegen woningen en andere geluidsgevoelige objecten beschermd tegen geluidsbelasting vanwege de weg. [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] wonen in Zuidoostbeemster, aan weerszijden van het hiervoor genoemde stuk van de A7. Zij ervaren geluidsoverlast van deze rijksweg. Zij vinden de saneringsmaatregel niet toereikend om hun woningen te beschermen tegen geluidsoverlast. Ook vinden zij dat zij te lang zullen moeten wachten op de uitvoering van die maatregel. Bovendien is volgens hen onzeker of het project A7/A8 Amsterdam-Hoorn zal doorgaan.
ECLI:NL:RVS:2026:4568· Bestuursrecht
07
Expertteam Milieurechthandhaving·Rechtbank Midden-Nederland·14 aug 2026raakvlak
Eiser heeft verzocht om handhavend op te treden tegen een imkervereniging in Almere. Volgens eiser ondervinden hij en andere bewoners overlast vanwege de bijen van deze vereniging. Daarbij wijst eiser onder andere op de aanwezigheid van bijenzwermen en bijenpoep op ramen, tuinmeubilair en voertuigen. Dit verzoek heeft het college mogen afwijzen. Bij het verzoek slechts twee foto’s gevoegd; een van wat bijenpoep zou zijn op een tuinkussen en een van een bijenzwerm op straat. Dit zijn volgens de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de vermeende overtreding door de imkervereniging. Eiser niet meer informatie overgelegd, ook niet in beroep. Ook verder in het dossier geen aanknopingspunten voor de gestelde omvang van de overlast. Daarbij wijst de rechtbank op een controle van toezichthouders, voorafgaand aan het handhavingsverzoek, en op twee onderzoeken van een ecologisch adviesbureau dat de gemeente heeft laten uitvoeren.
Bij besluit van 31 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee aan [appellante] twee lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). [appellante] exploiteert een landbouwbedrijf aan de [locatie] in Dirksland. Aannemingsbedrijf [naam bedrijf] voerde eind 2019 wegwerkzaamheden uit aan het tracé van de provinciale weg N215 tussen Dirksland en Melissant. [bedrijf] gebruikte het landbouwperceel - met toestemming van [appellante] - om vrijgekomen materialen van de wegwerkzaamheden op te slaan. Naar aanleiding van een klacht constateerden toezichthouders van de gemeente dat op het landbouwperceel asfaltschollen en funderingsmateriaal waren opgeslagen. Volgens het verslag van de toezichthouders gaat het om meer dan 45.000 m3 aan bouw- en sloopafval, terwijl [appellante] niet beschikt over de vereiste vergunning om dit te mogen opslaan op haar landbouwperceel.
ECLI:NL:RVS:2026:4741· Bestuursrecht
09
Expertteam Milieurechthandhaving·Raad van State·5 aug 2026raakvlak
Bij besluit van 24 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede aan [bedrijf] een last onder dwangsom opgelegd om de overkapping en schuur op het perceel aan de [locatie 1] in Wekerom (het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden. [bedrijf] was ten tijde van het besluit van 24 mei 2022 eigenaar van het perceel dat is gelegen op het recreatiepark Berkenrhode (het recreatiepark). Het perceel ligt binnen het bestemmingsplan "Natuurgebied Veluwe omgeving Roekelseweg 44-48 Wekerom", zoals gewijzigd bij drie paraplubestemmingsplannen (het bestemmingsplan) en heeft de bestemming "Recreatie". Op het perceel staan een recreatiewoning met overkapping en een vrijstaande schuur. Het college heeft [bedrijf] gelast om de overkapping en schuur te verwijderen en verwijderd te houden. Het heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [bedrijf] in strijd handelt met het verbod in artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo op het in stand laten van bouwwerken die zonder omgevingsvergunning zijn gebouwd. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
ECLI:NL:RVS:2026:4586· Bestuursrecht
10
Expertteam Milieurechthandhaving·Raad van State·12 aug 2026raakvlak
Bij besluit van 18 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas een dwangsom ter hoogte van € 20.000,00 ingevorderd bij [appellant]. [appellant] woont op het perceel aan de [locatie] te Horst. Hij verricht daarop bedrijfsactiviteiten die mede zien op de handel in en reparatie van voertuigen, en de handel in bulkgoederen en materialen. Het college heeft bij besluit van 28 november 2022 [appellant] onder meer gelast het opslaan van materialen en bulkgoederen waar dat niet is toegestaan, vóór 1 februari 2023 te beëindigen en beëindigd te houden onder aanzegging van een dwangsom van € 20.000,00. Tegen het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt, zodat het besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Op verzoek van [appellant] heeft het college bij besluiten van 24 januari 2023 en 3 maart 2023 de begunstigingstermijn verlengd tot 1 mei 2023. Toezichthouders van de gemeente hebben bij controles op 15 mei 2023, 23 mei 2023, 26 mei 2023 en 15 juni 2023 geconstateerd dat er op het perceel van [appellant] opslag van diverse bulkgoederen en materialen, zoals pallets, stenen, metalen en huisraad, plaats vond.
ECLI:NL:RVS:2026:4742· Bestuursrecht
11
Expertteam Milieurechthandhaving·Raad van State·12 aug 2026raakvlak
Bij besluit van 6 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] medegedeeld dat van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven voor het bouwen van een trainingsruimte voor paarden aan de [locatie 1] in Liessel. [appellant] woont aan de [locatie 2] in Liessel tegenover het perceel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Weijers is het niet eens met deze vergunning, omdat hij vreest voor geuroverlast door het gebruik van de trainingsruimte voor paarden. Het geschil is beperkt tot de vraag of de trainingsruimte moet worden aangemerkt als dierenverblijf. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de trainingsruimte zodanig wordt gebruikt dat sprake is van een dierenverblijf in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. Volgens [appellant] is de trainingsruimte voor paarden wel aan te merken als dierenverblijf en is deze binnen de in artikel 3.5.1, onder g, van het wijzigingsplan "[locatie 1], Liessel" gestelde afstand op het bouwvlak voorzien, waardoor de omgevingsvergunning in strijd is met het wijzigingsplan.
Bij uitspraak van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1920, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 april 2020 in zaak nr. 19/47 ongegrond verklaard. [verzoekster] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. In de uitspraak van 25 augustus 2021 heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college bevoegd is om handhavend op te treden tegen de caravan, de overkapping, het meterhuisje en de containers op het perceel kadastraal bekend gemeente Sint Odiliënberg, [locatie] dat in mede-eigendom is van [verzoekster]. Er is namelijk sprake van een overtreding, omdat de bouwwerken op dat perceel zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn gebouwd dan wel zonder die omgevingsvergunning in stand worden gehouden. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college geen aanleiding had moeten zien om af te wijken van het handhavend optreden, omdat het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. In het verzoek stelt [verzoekster] dat zij bekend is geworden met het schriftelijk verslag van een klantencontact uit 2017 waarin door de toezichthouder van de gemeente is genoteerd dat de caravan en de stalling op het perceel mogen en dat dit moet leiden tot herziening van de uitspraak van 25 augustus 2021.
ECLI:NL:RVS:2026:4718· Bestuursrecht
13
Expertteam Milieurechthandhaving·Raad van State·12 aug 2026raakvlak
Bij besluit van 17 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zundert [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende het verwijderen en verwijderd houden van een stacaravan en de opslag van hout in kratten op het perceel aan de [locatie 1] in Rijsbergen. Aan de [locatie 1] in Rijsbergen is een perceel gelegen dat wordt bewoond door [wederpartij]. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Reparatieplan bestemmingsplan Buitengebied Zundert" rust op het perceel de bestemming "Bos". [appellant] is bewoner van het perceel aan de [locatie 2] in Rijsbergen. Hij heeft een handhavingsverzoek gedaan vanwege de volgens hem met het bestemmingsplan strijdige aanwezigheid van een caravan en opslag van hout op het perceel [locatie 1]. Het college heeft op 2 november 2022 geconstateerd dat er een caravan stond op het perceel en dat vrijgekomen hout van de kap van bomen op het perceel werd opgeslagen in kratten en te koop werd aangeboden aan particulieren. Daarom heeft het college [wederpartij] op 17 januari 2023 een last onder dwangsom opgelegd wegens het aanwezig zijn van de caravan en het opslaan van hout in kratten op het perceel.