De rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar; de minister moet opnieuw beslissen.s0020, s0021
De rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar; de minister moet opnieuw beslissen met inachtneming van deze uitspraak.s0020, s0021
Rechtbank Noord-Nederland · 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4270
De rechtbank verklaart het beroep van [eiser] gegrond en vernietigt het besluit waarmee de minister de watervergunning voor Recreatiepark [naam] handhaafde. De minister moet opnieuw op de bezwaren beslissen. Hij baseerde de vervangende bebouwing ten onrechte op eerder vergunde bouwruimte, zonder de feitelijk aanwezige bebouwing vast te stellen. Ook toetste hij de terreinophoging niet aan artikel 6 van de Beleidsregels grote rivieren. De rechtbank laat de rechtsgevolgen niet in stand en beslist niet zelf over de vergunningverlening. De minister moet daarnaast € 200 griffierecht en € 61,82 proceskosten aan eiser vergoeden.s0015, s0016, s0017, s0020, s0021
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De rechtbank beoordeelt de aanvraag onder de Waterwet zoals die vóór 1 januari 2024 gold, omdat vergunninghoudster de aanvraag in 2021 indiende. Ook de Beleidsregels grote rivieren van vóór 1 februari 2025 blijven van toepassing. Volgens de rechtbank vereist de gebruikte bepaling over sloop en vervanging dat bebouwing feitelijk aanwezig is. De minister had die bebouwing niet geïnventariseerd. Daarnaast moest hij de terreinophoging toetsen aan artikel 6 van de Beleidsregels. Hij had niet gesteld of onderbouwd dat een van de daarin genoemde belangen aan de orde was.s0005, s0015, s0016, s0017
Uit de uitspraak
Het gegronde beroep betekent niet dat alle bezwaren van [eiser] slagen. De minister mocht de reguliere voorbereidingsprocedure volgen en hoefde daarbij geen inspraak te bieden. De rechtbank vindt ook voldoende duidelijk dat de watervergunning 85 chalets omvat. Welke bouwwerken daadwerkelijk mogen worden gerealiseerd en in welke omvang, wordt onder meer door het Omgevingsplan geregeld. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand en draagt de minister op opnieuw op de bezwaren te beslissen.s0007, s0008, s0011, s0012, s0020, s0021
Duiding
Voor de verdere beoordeling van deze herinrichting vraagt de uitspraak om een onderbouwing die aansluit bij de gekozen vergunninggrondslag. Een vergelijking met eerder vergunde oppervlakten en volumes volstaat hier niet voor toepassing van de bepaling over sloop en vervanging. De feitelijk aanwezige bebouwing moet in beeld komen. Ook de ophoging vraagt een afzonderlijke toets aan artikel 6. Die opdrachten laten de uitkomst van het nieuwe besluit open.s0015, s0016, s0017, s0020
Grenzen van deze toelichting
- Deze uitspraak beoordeelt uitsluitend het besluit op bezwaar over de watervergunning uit 2023, niet de onherroepelijke watervergunning uit 2017 of de omgevingsvergunning voor het transformatorhuisje.
- De rechtbank bespreekt de overige gronden over de rivierkundige beoordeling niet, omdat die beoordeling mede berust op de gebrekkig beoordeelde bebouwing en ophoging.
- De rechtbank bepaalt niet hoe het nieuwe besluit op bezwaar moet uitvallen.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Verleende watervergunning voor herinrichting recreatiepark aan de IJssel. Beleidsregels Grote Rivieren (BGR). Handreiking "Beleidslijn Grote Rivieren". Procedure op grond van de Waterwet. Inspraak op grond van de Habitatrichtlijn? Publicatie van de watervergunning. Wat is er vergund? Uitleg artikel 3, eerste lid, onder b, van de BGR. Artikel 3, eerste lid, onder b, van de BGR ziet op het vervangen van bestaande feitelijke bebouwing. Vergunde ophoging en toetsing aan artikel 6 BGR? Strijd met artikel 2, eerste lid, van de Waterwet? Specialiteitsbeginsel en belangenafweging.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht locatie Groningen zaaknummer: LEE 26/947 uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 2 oktober 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser, en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister, (gemachtigde: mr. B. Geveling). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster], gevestigd in [plaats], vergunninghoudster, (gemachtigde: mr. D. van Hijkoop). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit over de watervergunning die is verleend voor het herinrichten van het Recreatiepark [naam] ter plaatse van [adres] in [plaats] (het perceel). 1.1. Bij het primaire besluit van 25 mei 2023 heeft de minister aan vergunninghoudster een watervergunning verleend voor het herinrichten van Recreatiepark [naam]. De eerder verleende watervergunning van 3 februari 2017 en alle wijzigingsbeschikkingen zijn ingetrokken. Verder is met het primaire besluit aan vergunninghoudster een watervergunning verleend voor het gebruik maken van de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering de IJsseldijk. 1.2. Bij het bestreden besluit van 19 december 2025 heeft de minister de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit onder een aanvullende motivering gehandhaafd. 1.3. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank Gelderland heeft het beroep van eiser doorgezonden naar de rechtban
Bronpassage s0002
k Noord-Nederland omdat bij de rechtbank Noord-Nederland als eerste beroep is ingesteld tegen een besluit op bezwaar tegen de watervergunning. 1.4. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig behandeld met de beroepen met de zaaknummers LEE 24/3170, 25/1405, 25/1408 en 25/1409 op de zitting van 3 juni 2026. Eiser is in persoon verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. W.S. Klooster, mr. L.M. Bosselaar en J. Hendriks. Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door [naam]. 1.6. Deze uitspraak wordt gedaan in het zaaknummer LEE 26/947. In de zaaknummers LEE 24/3170, 25/1405, 25/1408 en 25/1409 wordt apart uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit over de verleende watervergunning aan de hand van de gronden die eiser heeft aangevoerd. 3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser gegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.1. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Feiten 4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 4.1. [naam] is een recreatiepark gelegen aan de [adres] in [plaats]. 4.2. Op 3 februari 2017 heeft de minister aan Camping-Restaurant [naam], een rechtsvoorganger van vergunninghoudster, een watervergunning verle
Bronpassage s0003
end voor het verrichten van handelingen in een watersysteem. Een eerder verleende watervergunning van 5 juni 1985 is daarbij ingetrokken. De handelingen moesten worden uitgevoerd en behouden conform de bij de vergunning behorende tekeningen ‘Wenssituatie Camping [naam] van 12 december 2016’ en ‘Riolering, kabels en leidingen van 18 januari 2017’. Met deze vergunning zijn de volgende werkzaamheden toegestaan: het ophogen van de bodem met 3.118 m3; het aanpassen/realiseren van een dijk op-/afrit haaks op de dijk; het aanleggen van parkeerplaatsen en het hebben en behouden van gebouwen waaronder stacaravans, groepsaccommodatie, trekkershutten en een receptie. 4.3. Op 18 februari 2020 heeft de minister een wijzigingsvergunning verleend. Hierbij is voorschrift 3.1.3, derde lid, zo gewijzigd dat de oppervlakte van de nieuw te realiseren stacaravans per caravan maximaal 75 m2 mag bedragen, in plaats van 35 m2. 4.4. Vergunninghoudster heeft op 23 november 2021 een aanvraag ingediend voor een watervergunning voor het herinrichten van het recreatiepark [naam] ter plaatse van het perceel in [plaats] bij de minister. Deze aanvraag ziet zowel op het gebruik van het rijkswaterstaatwerk de IJssel als op het gebruik maken van de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering de IJsseldijk. Het dagelijks bestuur van het waterschap Vallei en Veluwe (het waterschap) is het bevoegd gezag voor de primaire waterkering de IJsseldijk. 4.5. Het dagelijks bestuur van het waterschap heeft aan de
Bronpassage s0004
minister positief advies gegeven over de aanvraag voor handelingen binnen de kern- en de beschermingszone van de primaire waterkering de IJsseldijk. 4.6. Bij het primaire besluit heeft de minister aan vergunninghoudster een watervergunning verleend voor het herinrichten van Recreatiepark [naam]. De eerder verleende watervergunning van 3 februari 2017 en alle wijzigingsbeschikkingen zijn daarbij ingetrokken. Voor de volgende werkzaamheden is toestemming verleend: het aanleggen en verwijderen van verhardingen en vlonderpaden binnen beschermingszone A van de primaire waterkering; het verwijderen en aanleggen van chalets binnen beschermingszone A van de primaire waterkering; het verwijderen van een zwembad in beschermingszone A van de primaire waterkering; - het verwijderen en aanleggen van bomen in beschermingszone A van de primaire waterkering; - het verwijderen en aanleggen van kabels en leidingen binnen beschermingszone A van de primaire waterkering; - het verwijderen van een boom uit de kernzone van een primaire waterkering; - het ophogen van het rijkswaterstaatwerk de IJssel met 1.500 m3. 4.7. Tegen het primaire besluit heeft eiser bezwaar gemaakt bij de minister. 4.8. Bij het besluit op bezwaar van 19 december 2023 heeft de minister de bezwaren van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 4.9. Bij uitspraak van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank Gelderland het beroep van eiser gegrond verklaard,
Bronpassage s0005
het besluit op bezwaar van 19 december 2023 vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser met inachtneming van die uitspraak. 4.10. Bij het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit onder een aanvullende motivering gehandhaafd. Overgangsrecht 5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (IwOw) in werking getreden. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de IwOw het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. 5.1. De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 23 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 5.2. Ten tijde van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar waren de Beleidsregels grote rivieren van toepassing. Op grond van het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 12 van de Beleidsregels grote rivieren 2025 blijven de Beleidsregels grote rivieren, zoals die luidden vóór 1 februari 2025, van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 februari 2025. Het geschil 6. Tussen partijen is in geschil of de minister terecht een watervergunning heeft verleend voor het herinrichten van het recreatiepark [naam]. Daarover overweegt de rechtbank als volgt
Bronpassage s0006
. Omvang van de zaak 7. De rechtbank overweegt dat deze uitspraak alleen gaat over het beroep dat is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar ten aanzien van de in 2023 verleende watervergunning. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan hetgeen eiser heeft gesteld over de in 2017 verleende, onherroepelijke, watervergunning en de verleende omgevingsvergunning voor het transformatorhuisje. Procedurele gronden Inspraak op grond van de Habitatrichtlijn (Hrl) 8. Eiser betoogt dat de minister op grond van de Hrl gehouden was om in dit geval inspraak te bieden. 8.1. Artikel 6, derde lid, van de Hrl luidt als volgt: “Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.” 8.2. De rechtbank overweegt dat voor de inspraakmogelijkheid relevant is welke voorbereidingsprocedure moet worden gevol
Bronpassage s0007
gd. Het antwoord op de vraag of op een aanvraag om een watervergunning onder de Waterwet de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. De Waterwet bepaalt daarmee exclusief welke procedure op een aanvraag om een watervergunning van toepassing is. De minister heeft hierin geen keuze, maar dient de voorbereidingsprocedure toe te passen die uit de Waterwet voortvloeit. Er is geen wettelijke bepaling die of besluit dat ertoe leidt dat in dit geval de uitgebreide procedure van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht de reguliere voorbereidingsprocedure toegepast. Het in het kader van inspraak voor een ieder ter inzage leggen van een ontwerpbesluit is geen onderdeel van die procedure. 8.3. Eisers beroep op artikel 6, derde lid, van de Hrl leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft eerder geoordeeld dat artikel 6, derde lid, van de Hrl correct is geïmplementeerd in artikel 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Verder is het vaste rechtspraak dat de inspraakverplichtingen in artikel 6, derde lid, van de Hrl correct zijn geïmplementeerd in afdeling 3.4 van de Awb. Deze (correcte) implementatie heeft tot gevolg dat eiser geen rechtstreeks beroep kan doen op de richtlijn. Dit heeft tot gevolg dat de minister voor de toepasselijke procedure alleen hoefde te kijken naar de Waterwet. 8.4. De rechtbank
Bronpassage s0008
overweegt dat in dit geval geen sprake is van een aanvraag voor een natuurvergunning, zodat de voor die vergunning geldende voorbereidingsprocedure niet geldt. Verder volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de wet niet dat een aanvraag voor een natuurvergunning aanhaakt bij een aanvraag voor een watervergunning. Verder volgt niet uit de wet dat er sprake is van gecoördineerde besluitvorming tussen de watervergunning en de natuurvergunning. 8.5. Dit betekent dat de minister geen inspraak hoefde te bieden. Deze grond van eiser slaagt niet. Tenaamstelling van de watervergunning 9. Eiser betoogt dat het onduidelijk is wie de houder is van de verleende watervergunning. Eiser voert aan dat dit te wijten is aan de vele namen die gebruikt worden in de documenten in dit dossier. 9.1. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank licht dit hieronder toe. 9.2. De rechtbank stelt vast dat met het bestreden besluit een watervergunning is verleend voor het herinrichten van Recreatiepark [naam] aan [naam] Hieruit volgt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [naam] de rechtmatige houder is van de verleende watervergunning. Dat de minister erkent dat er in de gedingstukken sprake is van een verschrijving, voor zover daarin [naam] wordt genoemd, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat onduidelijk is wie de houder is van de verleende watervergunning. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om het bes
Bronpassage s0009
treden besluit om die reden onrechtmatig te achten. Publicatie van de watervergunning 10. Eiser betoogt dat op de minister een verplichting rust tot publicatie van de door hem verleende watervergunning. Omdat de minister zich niet aan deze verplichting heeft gehouden, is eiser van mening dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 1:2 en hoofdstuk 6 van de Awb. Volgens eiser heeft de minister het bestreden besluit op onjuiste wijze kenbaar gemaakt. Eiser voert aan dat de door de minister gehanteerde redenering rondom de verschoonbaarheid onjuist is en dat in feite juridisch gezien nog steeds bezwaar kan worden ingesteld tegen de verleende watervergunning uit 2023. Verder voert eiser aan dat de minister niet had mogen verwijzen naar uitspraken van 30 januari 2024 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) omdat het overgrote deel van de bezwaarmakers natuurlijke personen zijn. 10.1. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank licht dit hieronder toe. 10.2. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. 10.3. De rechtbank stelt vast dat de minister bij besluit van 25 mei 2023 aan vergunninghoudster een watervergunning voor het herinrichten van Recreatiepark De IJsselhoeve heeft verleend. Nu het een op aanvraag genomen en tot de aanvrager gericht besluit betreft
Bronpassage s0010
, dient dit besluit op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb te worden bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Dit besluit is door de minister ook aan vergunninghoudster toegezonden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een onjuiste bekendmaking van de verleende watervergunning. Dit heeft tot gevolg dat de bezwaartermijn van het besluit van 25 mei 2023 is verstreken. Verder bestaat er geen grond voor het oordeel dat de minister de door hem aangehaalde uitspraak van het CBb met betrekking tot verschoonbaarheid niet mocht betrekken bij zijn besluitvorming. Inhoudelijke gronden Wat is er vergund? 11. Eiser betoogt dat er sprake is van een afwijkend aantal chalets op de verschillende plattegronden die deel uitmaken van de verleende watervergunning. Gelet daarop is eiser van mening dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen onduidelijkheid bestond over het aantal vergunde chalets. Ook vindt eiser dat het bestreden besluit niet duidelijk maakt of er nu chalets of stacaravans komen en wat precies het verschil is. 11.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvraag om een watervergunning onder meer de ‘locatietekening doorsneden van Snoek Puur Groen, ongenummerd d.d. 27 oktober 2021’ omvatte (pagina 1 van bijlage 2 van de watervergunning). Op deze locatietekening zijn volgens de minister 81 chalets ingetekend. De minister voert aan dat de aanvraag op 4 juli 2022 is aangevuld met onder meer de ‘
Bronpassage s0011
situatietekening nieuwe situatie van Snoek Puur Groen d.d. 8 juni 2022’. Op deze situatietekening zijn 85 chalets ingetekend. Naar de mening van de minister maakt deze laatste situatietekening deel uit van de definitieve aanvraag. Dit is volgens de minister ook het aantal chalets waarmee rekening is gehouden bij de beoordeling van de aanvraag. Dit betekent in de visie van de minister dat in de door hem verleende watervergunning moet worden uitgegaan van 85 chalets. 11.2. De rechtbank begrijpt uit de aanvraag en het verhandelde ter zitting dat in dit geval een watervergunning is verleend voor 85 chalets. Uit de tekening van de nieuwe situatie blijkt dat er een watervergunning is verleend voor het plaatsen van 85 chalets. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval onduidelijkheid bestaat over het aantal van 85 vergunde chalets in de door de minister verleende watervergunning. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de eerder ingediende aanvraag is aangevuld met onder meer een situatietekening van 8 juni 2022 waaruit blijkt dat er 85 chalets zijn ingetekend en dat door de minister op die definitieve aanvraag is beslist. Bovendien maakt de aangevulde aanvraag deel uit van de verleende watervergunning. Deze grond van eiser slaagt niet. 11.3. De uiterlijke verschijningsvorm en de vraag of er stacaravans (met wielen) kunnen komen of chalets (niet verplaatsbaar) is voor de waterstaatkundige beoordeling niet relevant. Voor een beoordeling van de waterstaa
Bronpassage s0012
tkundige effecten is het naar het oordeel van de rechtbank van belang dat de minister rekening houdt met het aantal aangevraagde bouwwerken met een bepaald volume. Dat heeft de minister gedaan. Welke bouwwerken in het recreatiepark gerealiseerd kunnen worden en in welke omvang, wordt, onder meer, geregeld door het Omgevingsplan. Daar gaat de minister niet over. Het betoog van eiser slaagt niet. Is de rivierkundige beoordeling tijdig gemaakt? 12. Eiser voert aan dat in bijlage 2 van het bestreden besluit een ‘Rivierkundige beoordeling IJsselhoeve’ (de rivierkundige beoordeling) is toegevoegd. Deze rivierkundige beoordeling dateert van 12 april 2024, dus na de verleende watervergunning. Eiser betoogt dat dit tot de conclusie leidt dat er nooit eerder een rivierkundige beoordeling is gemaakt en de verleende watervergunning daarom op onjuiste gronden is verleend. 12.1. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank licht dit hieronder toe. 12.2. De rechtbank stelt voorop dat zij het bestreden besluit beoordeelt en toetst, en niet de primair verleende watervergunning. Uit artikel 7:11 van de Awb en vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het bestuursorgaan bij de heroverweging van primaire besluiten in de bezwaarfase de op dat moment geldende feiten en omstandigheden moet betrekken. Hieruit volgt dat de minister zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat de rivierkundige beoordeling kon worden betrokken in de heroverweging in de
Bronpassage s0013
bezwaarfase. Verder heeft de minister voldoende toegelicht dat ook vóór het primaire besluit een rivierkundige beoordeling is gemaakt, maar dat die in bezwaar is opgenomen in een memo om meer duidelijkheid te kunnen geven. Het betoog slaagt niet. Kan de watervergunning worden verleend op basis van de Beleidsregels? 13. Eiser betoogt dat de minister op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de Beleidsregels grote rivieren (Beleidsregels). Eiser voert aan dat de minister zich onder verwijzing naar de vergunning uit 2017 niet mocht beroepen op bestaande rechten als het gaat om de ophoging van het terrein en de bebouwing. Eiser wijst er verder op dat de mobiele eenheden, zoals stacaravans, sinds 2017 allemaal zijn verwijderd van het terrein en dat er sindsdien geen mobiel (bouw)volume meer is. Volgens eiser handelt de minister in dit geval in strijd met de Beleidsregels. 13.1. De minister stelt zich op het standpunt dat er in 2017 een watervergunning is verleend voor de herinrichting van het recreatiepark De IJsselhoeve waarbij toen al bestaande rechten zijn ingeleverd. Voor deze herinrichting is in 2017 een ophoging van 3.118 m3 vergund. De ophoging van 3.118 m3 is slechts voor een deel (1.600 m3) gerealiseerd. Daarmee komt het restant (1.518 m3) echter niet te vervallen. Dit gedeelte blijft volgens de minister immers een bestaand recht. De aangevraagde ophoging is daarom getoetst ten opzichte van de bestaande rechten van de watervergunning van 2017. Daaruit blijkt volgens
Bronpassage s0014
de minister dat de gewenste ophoging past binnen de bestaande rechten van de watervergunning van 2017. Daarnaast is in de watervergunning van 2017 een bepaalde hoeveelheid bebouwing toegestaan. Het is niet van belang of die bebouwing feitelijk ook is gerealiseerd. Het gaat naar de mening van de minister om het bestaande vergunde recht. De in 2021 aangevraagde herinrichting, inclusief bijbehorende bebouwing, is dan ook getoetst ten opzichte van de hoeveelheid bebouwing die bij de vergunning van 2017 is toegestaan. Deze toetsing heeft ertoe geleid dat de gewenste bebouwing past binnen de bestaande rechten uit de watervergunning van 2017 en verleend kon worden op basis van artikel 3, onder b, van de Beleidsregels over sloop en vervanging. In dit verband wijst de minister erop dat de vergunde oppervlakten en volumes van bouwwerken en ophogingen kleiner worden ten opzichte van de vergunde ruimte in de vergunning van 2017. Daaruit kan volgens de minister geconcludeerd worden dat met de verleende watervergunning geen ruimte voor waterberging wordt weggenomen, maar juist wordt toegevoegd. 13.2. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser slaagt. De rechtbank zal dat hierna toelichten. 13.3. Wat betreft de vervanging van bouwwerken, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank overweegt dat de Beleidsregels niet-riviergebonden functies, zoals de vergunde herinrichting, in beperkte mate mogelijk maken. Zo kan - voor zover van belang - op grond van artikel 3, eerste lid, ond
Bronpassage s0015
er b, van de Beleidsregels toestemming worden gegeven voor het slopen en vervangen van bebouwing door bebouwing van gelijke omvang. 13.3.1. In de Handreiking “Beleidslijn Grote Rivieren” van 15 juli 2019 (de Handreiking) is toegelicht dat de mogelijkheid om bestaande bebouwing te slopen en te vervangen door nieuwbouw geldt voor alle “bestaande bebouwing die aanwezig is in het rivierbed”. Verder is in de Handreiking toegelicht dat bij sloop en vervangende nieuwbouw de bebouwing met dezelfde functie op hetzelfde perceel mag worden gesommeerd en vervangen mag worden door een of meerdere bouwwerken, zolang de totale oppervlakte en het volume maar gelijk blijven. De Handreiking is opgesteld door vertegenwoordigers van landelijke en regionale diensten van Rijkswaterstaat en ter instemming voorgelegd aan het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. In de inleiding van de Handreiking staat dat de Handreiking een uitgebreide toelichting geeft op de Beleidsregels en dient als handvat voor de uitvoeringspraktijk van de Beleidslijn grote rivieren. 13.3.2. Naar het oordeel van de rechtbank ziet artikel 3, eerste lid, onder b, van de Beleidsregels op het vervangen van feitelijk bestaande bebouwing en niet op vergunde, maar niet gerealiseerde bebouwing. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de tekst van deze bepaling vermeldt dat het gaat om ‘het slopen en vervangen’ van bebouwing, hetgeen impliceert dat bebouwing ook daadwerkelijk aanwezig is. Verder acht de rechtbank van belang dat
Bronpassage s0016
uit de toelichting bij deze bepaling volgt dat het moet gaan om ‘sloop met vervangende nieuwbouw van gelijke functie en omvang’. Daarnaast volgt uit de Handreiking dat het bij sloop en vervanging moet gaan om de sloop van de aanwezige bebouwing in het rivierbed die mag worden herbouwd op het terrein van het recreatiepark. De minister heeft ter zitting toegelicht dat niet in kaart is gebracht welke feitelijke bebouwing aanwezig is in het rivierbed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister bij het verlenen van de watervergunning ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 3, eerste lid, onder b, van de Beleidsregels. Om die reden slaagt het betoog van eiser. 13.4. Over de vergunde ophoging, overweegt de rechtbank het volgende. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de ophoging van het terrein niet aan de Beleidsregels is getoetst, maar rechtstreeks aan artikel 2.1 van de Waterwet. Volgens de minister hoeft niet te worden getoetst aan artikel 6 van de Beleidsregels, omdat die regels van toepassing zijn bij gebiedsontwikkeling en niet bij projectontwikkeling. De rechtbank volgt de minister hierin niet. De vergunde ophoging is een niet-riviergebonden activiteit in het stroomvoerend regime van de rivier. Artikel 6 van de Beleidsregels bepaalt dat voor niet-riviergebonden activiteiten in het stroomvoerend regime van de rivier geen toestemming wordt gegeven tenzij sprake is van een van de in dat artikel genoemde belangen. De minister heeft niet gesteld of onderbou
Bronpassage s0017
wd dat een van die belangen aan de orde is. Uit de Beleidsregels en de toelichting volgt niet dat artikel 6 van de Beleidsregels alleen van toepassing is als sprake is van gebiedsontwikkeling. Ook volgt uit de Beleidsregels niet dat artikel 6 van de Beleidsregels niet van toepassing is op een activiteit als het ophogen van het terrein. Dat betekent dat de aangevraagde ophoging naar het oordeel van de rechtbank moet worden getoetst aan artikel 6 van de Beleidsregels. Dat heeft de minister niet gedaan. Het betoog van eiser slaagt ook in zoverre. 13.5. Gelet op de overwegingen 13.3.2 en 13.4. is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiser gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overige gronden van eiser ten aanzien van de rivierkundige beoordeling te bespreken. De rivierkundige beoordeling, die een uitwerking vormt van artikel 7 van de Beleidsregels, is namelijk onder meer gebaseerd op de vergunde bebouwing en ophoging. Wel ziet de rechtbank om proceseconomische redenen aanleiding om een aantal andere gronden inhoudelijk te beoordelen. Is de watervergunning in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet verleend? 14. Eiser betoogt dat de verleende watervergunning in strijd is met artikel 2.1, eerste lid, onder b en c, van de Waterwet. Eiser voert aan dat de chemische en de ecologische kwaliteit van het watersysteem niet wordt beschermd en dat door het verlenen van de vergunning natuurgebi
Bronpassage s0018
eden en daarmee de maatschappelijke functie van het watersysteem worden ontkend. 14.1. De minister stelt zich op het standpunt dat in de besluitvorming uitvoerig is ingegaan op de gevolgen van de gevraagde vergunning voor de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem en de maatschappelijke functievervulling door watersystemen. De minister voert aan dat er geen bezwaren naar voren zijn gekomen die maken dat de gevraagde vergunning moest worden geweigerd. In dit verband wijst de minister erop dat de enkele stelling van eiser dat de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem niet wordt beschermd en dat door het verlenen van de vergunning de maatschappelijke functie van het watersysteem wordt ontkend, onvoldoende is om aan te nemen dat de gevraagde watervergunning niet mocht worden verleend. 14.2. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet is de toepassing van deze wet gericht op: a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. 14.3. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de watervergunning in dit geval door de minister is verleend in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder b en c, van de Waterwet. Met zijn enkele, niet nader onderbouwde stelling heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de chemische en ecologische kwa
Bronpassage s0019
liteit van het watersysteem niet wordt beschermd of dat door het verlenen van de vergunning de maatschappelijke functie van het watersysteem wordt ontkend. In wat eiser naar voren heeft gebracht, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om de gevraagde watervergunning niet te verlenen. Deze grond van eiser slaagt niet. Specialiteitsbeginsel en belangenafweging 15. Eiser betoogt dat de minister door toe te staan dat het zwembad wordt gesloopt, tegen de rechten van de inwoners van Veessen ingaat met betrekking tot het gebruik van het zwembad. Eiser voert aan dat dit rechten betreffen die voortvloeien uit de plannen rondom de “Hoogwatergeul Veessen-Wapenveld” en “Rivierfront Veessen”. Verder voert eiser aan dat de minister bij het verlenen van de watervergunning in het licht van de belangenafweging ten onrechte niet heeft meegewogen dat het recreatiepark in een beschermingszone midden tussen Natura 2000-gebieden ligt. Daarnaast voert eiser aan dat de minister bij het verlenen van de watervergunning in het licht van de belangenafweging ten onrechte niet heeft meegewogen dat op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied-Oost” (het bestemmingsplan) het gebied van het recreatiepark bestemd is voor kleinschalige recreatie. 15.1. De minister stelt zich op het standpunt dat hij zich bij de beoordeling van de aanvraag om een watervergunning moet houden aan het toetsingskader van artikel 6.21 van de Waterwet. Alleen als de aanvraag niet verenigbaar is met een van de in de Waterwet
Bronpassage s0020
opgenomen belangen en/of doelstellingen, mag de minister de aanvraag voor een watervergunning weigeren. Het behouden van het zwembad voor de inwoners van Veessen, omdat hier afspraken over zouden zijn gemaakt, is naar de mening van de minister geen onderdeel van deze belangen en/of doelstellingen. Dit betekent volgens de minister dat hij bij de beoordeling van de aanvraag daarmee geen rekening hoefde te houden. 15.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de vergunning slechts geweigerd kon worden indien verlening daarvan onverenigbaar is met de doelstellingen van artikel 2.1 van de Waterwet. Dat volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling. Voor zover eiser wijst op de gevolgen voor het aanwezige zwembad, het feit dat het recreatiepark is gelegen in een beschermingszone tussen Natura 2000-gebieden en het gegeven dat het terrein van het recreatiepark op grond van het bestemmingsplan is bestemd voor kleinschalige recreatie zijn dit argumenten die niet kunnen leiden tot de conclusie dat de watervergunning in strijd komt met de doelstellingen van artikel 2.1 van de Waterwet. Deze grond van eiser kan daarom niet slagen. Conclusie en gevolgen 16. Gelet op de overwegingen 13.3.2 en 13.4 is het beroep van eiser gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gebreken geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestr
Bronpassage s0021
eden besluit in stand blijven. De rechtbank bepaalt op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. 16.1. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 61,82, zijnde de reiskosten van eiser voor het bijwonen van de zitting (Veessen – Groningen v.v.). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep van eiser gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat de minister opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt de minister tot betaling van € 61,82 aan proceskosten aan eiser; bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzitter, mr. W.R. van der Velde en mr. M. Lok, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026. griffier voorzitter Kopie verzonden op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze u
Bronpassage s0022
itspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Waterwet Artikel 2.1 1. De toepassing van deze wet is gericht op: a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. 2. De toepassing van deze wet is mede gericht op andere doelstellingen dan genoemd in het eerste lid, voor zover dat elders in deze wet is bepaald. Artikel 6.5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan voor rijkswateren en, met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, voor regionale wateren worden bepaald dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister, onderscheidenlijk het bestuur van het waterschap: (…), c. gebruik te maken van een waterstaatswerk of een daartoe behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten, werken te maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. Artikel 6.17 1. Indien e
Bronpassage s0023
en aanvraag om vergunning betrekking heeft op een handeling of samenstel van handelingen ten aanzien waarvan meer dan één bestuursorgaan bevoegd is, wordt de aanvraag in behandeling genomen en wordt daarop beslist door het bestuursorgaan van het hoogste gezag. Ontbreekt een hoogste gezag, dan wordt de aanvraag in behandeling genomen en wordt daarop beslist door het bestuursorgaan op wiens grondgebied de handeling of het samenstel van handelingen in hoofdzaak wordt verricht. (…) 3. Op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt niet beslist dan nadat de medebetrokken bestuursorganen in de gelegenheid zijn gesteld advies te geven omtrent de aanvraag of het ontwerp van de op de aanvraag te nemen beschikking. 4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op aanvragen tot wijziging van een vergunning waardoor het aantal betrokken bestuursorganen toeneemt. Artikel 6.20 1. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. (…). 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aan een vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen. 3. Gedragingen in strijd met de aan een vergunning verbonden voorschriften zijn verboden. Artikel 6.21 Een vergunning wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11. Waterbesluit Artikel 6.12 1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze
Bronpassage s0024
Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk, niet zijnde de Noordzee, door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: a. werken te maken of te behouden; b. vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. (…) Keur waterschap Vallei en Veluwe 2013 Artikel 3.2 Watervergunning waterstaatswerken en beschermingszones 1. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie(s), daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. 2. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur een waterstaatswerk te wijzigen of aan te leggen. 3. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden. 4. Het bestuur kan aan een watervergunning het voorschrift verbinden dat de houder van die vergunning een betaling of een andere compensatie verricht met het oog op de bescherming van de belangen waarvoor het vereiste van een vergunning is gesteld. 5. Voor waterstaatwerken, waarvoor het vaststellen van een legger als bedoeld in artikel 5.1 van de wet is v
Bronpassage s0025
oorgeschreven en die op grond van een projectplan of een watervergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de legger, geldt, zolang vaststelling van een legger of een wijziging van de legger niet heeft plaatsgevonden, het volgende: a. voor de verbodsbepalingen op grond van dit artikel worden de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatwerk aangehouden, zoals aangegeven in het projectplan of de watervergunning; b. de beschermingszone A bij een waterkering bedraagt voor primaire en regionale waterkeringen 20 meter en de beschermingszone B 100 meter binnendijks en 150 meter buitendijks, gemeten vanuit de teen van de waterkering. c. de beschermingszone bij oppervlaktewaterlichamen bedraagt voor oppervlaktewaterlichamen A aan beide zijden 5 meter, gemeten vanuit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam. Beleidsregel grote rivieren 2025 Artikel 12 Overgangsrecht aanvragen ingediend voor 1 februari 2025 De Beleidsregels grote rivieren, zoals die luidden vóór 1 februari 2025, blijven van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 februari 2025 waarop de artikelen 7 tot en met 11 niet van toepassing zijn. Beleidsregels grote rivieren Artikel 3 1. In het rivierbed wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 7, eerste lid, toestemming gegeven voor: a. een eenmalige uitbreiding van ten hoogste tien procent van de bestaande bebouwing; b. het slopen en vervangen van bebouwing door bebouwing van gelijke omvang; c. tijdelijke activiteiten, anders dan evene
Bronpassage s0026
menten die niet langer duren dan drie maanden, en d. overige activiteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met activiteiten van ondergeschikt belang. 2. Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, zijn: a. het voor een periode van ten hoogste zes maanden plaatsen en opslaan van bouwwerken, bouwborden, materiaal en materieel om een werk of onderhoud te kunnen uitvoeren in, op, boven, over of onder een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk; b. evenementen die niet langer duren dan drie maanden; c. het plaatsen van een in- of uitstroomvoorziening, mits de in- of uitstroomsnelheid maximaal 0,3 m/s bedraagt; d. het plaatsen van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening, inclusief de bijbehorende voorzieningen, voor zover deze gelegen zijn buiten de vaarweg en bestemd zijn voor niet-bedrijfsmatig gebruik, dan wel naar aard en omvang vergelijkbaar overig gebruik; e. het plaatsen van informatieborden, informatiezuilen, reclameborden, reclamezuilen, sport- en speeltoestellen, gedenktekens, kunstobjecten, vlaggenmasten, tuin- en straatmeubilair of in aard en omvang hiermee vergelijkbare objecten, waarvoor geen of een beperkte fundering vereist is; f. terreinophogingen van minder dan 50 m3 per kadastraal perceel; g. het plaatsen van visfuiken of visnetten; h. het uitvoeren van onderhoud en vervanging van bestaande objecten door objecten van vergelijkbare aard en omvang en op dezelfde locatie; i het gelijkvloers op het maaiv
Bronpassage s0027
eldniveau aanbrengen van verhardingen en recreatieve voorzieningen, niet zijnde een bouwwerk; j. het plaatsen van kabels en leidingen mits: 1° deze geen intrinsiek gevaarlijke stoffen transporteren; 2° deze niet liggen, parallel of als kruising, in de veiligheidszone van een primaire of secundaire waterkering, een kunstwerk of een vaarweg, of 3° deze niet aangelegd worden middels boring, waarbij lagen met verschillende stijghoogtes worden doorkruist; k. onderzoeken die niet langer duren dan zes maanden, en l. andere activiteiten die vanwege de aard, beperkte omvang of korte duur naar het oordeel van de beheerder geen nadelige invloed hebben op het waterstaatkundige beheer. Artikel 4. Voor activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het bergend regime van toepassing is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid, toestemming gegeven. Artikel 5. Voor de navolgende riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid, toestemming gegeven: a. de aanleg of wijziging van waterstaatkundige kunstwerken; b. de realisatie van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart; c. de bouw of wijziging van waterkrachtcentrales; d. de vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, uitsluitend voor zover de activiteit gekoppeld is aan het vervoer over
Bronpassage s0028
de rivier; e. de aanleg of wijziging van scheepswerven en specifiek daaraan verbonden bedrijfsactiviteiten; f. de realisatie of verbetering van natuur; g. de verbetering van de waterkwaliteit; h. de uitbreiding of wijziging van bestaande steenfabrieken; i. de realisatie van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie of extensieve uiterwaardrecreatie zijn verbonden; j. de winning van oppervlaktedelfstoffen; k. de realisatie van voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het agrarisch, landschappelijk of daarmee vergelijkbaar beheer van het rivierbed; l. het behoud of herstel van cultuurhistorische landschapselementen; of m. de realisatie van voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het behoud van bekende of te verwachten archeologische monumenten. Artikel 6. Voor niet-riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt geen toestemming gegeven, tenzij, onverminderd het bepaalde in artikel 7, sprake is van: a. een groot openbaar belang en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd; b. een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en de activiteit redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd; c. verduurzaming van de energievoorziening van bestaande activiteiten in het rivierbed; of d. opwekking van zonne- of windenergie en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd. A
Bronpassage s0029
rtikel 7 1. De toestemming, bedoeld in artikel 3, wordt alleen gegeven indien: a. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft; b. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit, en c. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van de toestemming, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6, aanhef en de onderdelen a, b en c, met dien verstande dat de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn. 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van de toestemming, bedoeld in artikel 6, aanhef en onderdeel d, met dien verstande dat de vergunning zal worden verleend voor een bepaalde termijn en dat de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen ten minste voor de duur van die termijn duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn. Met toepassing van artikel 8:8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als bedoeld in artikel 6.5 onder c van de Waterwet en artikel 6.12 van het Waterbesluit. Dit volgt onder
Bronpassage s0030
meer uit pagina 17 van het primaire besluit van 25 mei 2023. Het betreft een eerder vergunde ophoging van het terrein met 3.118 m3, waarvan 1.500 m3 is gerealiseerd. De eerdere vergunning wordt met behoud van deze bestaande rechten ingetrokken. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Zie de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6404. Staatscourant 2006 nr. 133, p. 19. Zie artikel 6.16, eerste lid, van de Waterwet. Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454 en 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1507. Uitspraken van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33, ECLI:NL:CBB:2024:34. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571. Pagina 38. Staatscourant 2018 nr. 36070, p. 6. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3169, de uitspraak van 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2061 en de uitspraak van 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5489.