De rechtbank vernietigt het bezwaarbesluit; de minister moet opnieuw op bezwaren beslissen.s0014, s0018
De rechtbank vernietigt het bezwaarbesluit; de minister moet opnieuw beslissen met inachtneming van de uitspraak.s0014, s0018
Rechtbank Noord-Nederland · 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4271
De rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar over de watervergunning voor Recreatiepark [naam]. De minister van Infrastructuur en Waterstaat moet opnieuw beslissen op de bezwaren tegen de vergunning aan Quiros aan de IJssel B.V. De minister had de herinrichting beoordeeld aan de hand van eerder vergunde bebouwing, zonder vast te stellen welke bebouwing feitelijk aanwezig was. De toegepaste bepaling over slopen en vervangen ziet volgens de rechtbank uitsluitend op daadwerkelijk bestaande bebouwing. De rechtbank laat de rechtsgevolgen niet in stand en beslist niet zelf over de vergunning.s0001, s0013, s0014, s0018
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De rechtbank beoordeelt de aanvraag onder de Waterwet zoals die vóór 1 januari 2024 gold, omdat de aanvraag op 23 november 2021 is ingediend. Ook blijven de Beleidsregels grote rivieren van vóór 1 februari 2025 van toepassing. De minister vergeleek de aangevraagde herinrichting met de bebouwing die in 2017 was vergund. Volgens hem paste het plan binnen die vergunde ruimte. De rechtbank leest de bepaling over slopen en vervangen anders: de bebouwing moet daadwerkelijk aanwezig zijn. Zij baseert dat oordeel op de tekst, de toelichting en de Handreiking.s0005, s0011, s0012, s0013
Uit de uitspraak
Verschillende andere bezwaren slagen niet. De minister mocht de reguliere voorbereidingsprocedure volgen en hoefde daarbij geen ontwerpbesluit voor inspraak ter inzage te leggen. Het beroep op de Habitatrichtlijn verandert dat oordeel niet. Ook was de vergunning volgens de rechtbank correct bekendgemaakt door toezending aan vergunninghoudster. De rivierkundige beoordeling mocht bij de heroverweging in bezwaar worden betrokken. Daarmee zijn de inhoudelijke bezwaren over waterberging en doorstroming nog niet beoordeeld: de rechtbank komt daaraan vanwege het gebrek in het uitgangspunt over de bebouwing niet toe.s0007, s0008, s0009, s0010, s0014
Duiding
Voor de nieuwe beoordeling in deze zaak vraagt vooral de feitelijke uitgangssituatie aandacht. Een vergelijking met alleen eerder vergunde oppervlakten en volumes onderbouwt hier geen toepassing van de bepaling over sloop en vervanging. Daarvoor moet duidelijk zijn welke bebouwing daadwerkelijk aanwezig is. Die inventarisatie betekent op zichzelf nog niet dat toestemming kan worden gegeven: ook de voorwaarden van artikel 7 blijven gelden. De uitspraak laat de uiteindelijke beslissing over de bezwaren aan de minister.s0012, s0013, s0014, s0026
Grenzen van deze toelichting
- De rechtbank beslist niet zelf of de watervergunning uiteindelijk kan worden verleend; de minister moet opnieuw op de bezwaren beslissen.
- De rechtbank behandelt de overige gronden over waterberging, doorstroming, ophoging en voldoende ruimte voor de rivier niet.
- De feitelijk aanwezige bebouwing in het rivierbed was volgens de minister niet in kaart gebracht.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Verleende watervergunning voor herinrichting recreatiepark aan de IJssel. Beleidsregels Grote Rivieren (BGR). Handreiking "Beleidslijn Grote Rivieren". Belanghebbenden. Procedure op grond van de Waterwet. Inspraak op grond van de Habitatrichtlijn? Publicatie van de watervergunning. Tijdige rivierkundige beoordeling? Chalets of stacaravans? Uitleg artikel 3, eerste lid, onder b, van de BGR. Artikel 3, eerste lid, onder b, van de BGR ziet op het vervangen van de bestaande feitelijke bebouwing. Ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 3, eerste lid, onder b, van de BGR.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht locatie Groningen zaaknummers: LEE 25/1405, 25/1408 en 25/1409 uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 2 oktober 2026 in de zaken tussen 1. [eisers] uit [plaats], eisers sub 1, 2. [eisers] uit [plaats], eisers sub 2, 3. [eiser] uit [plaats], eisers sub 3, (hierna gezamenlijk te noemen: eisers), en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister, (gemachtigde: mr. B. Geveling). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Quiros aan de IJssel B.V., gevestigd in Amsterdam, vergunninghoudster, (gemachtigde: mr. D. van Hijkoop). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het bestreden besluit over de watervergunning die is verleend voor het herinrichten van het Recreatiepark [naam] ter plaatse van [adres] in [plaats] (het perceel). 1.1. Bij het primaire besluit van 25 mei 2023 heeft de minister aan vergunninghoudster een watervergunning verleend voor het herinrichten van Recreatiepark [naam]. De eerder verleende watervergunning van 3 februari 2017 en alle wijzigingsbeschikkingen zijn ingetrokken. Verder is met het primaire besluit aan vergunninghoudster een watervergunning verleend voor het gebruik maken van de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering de IJsseldijk. 1.2. Bij het bestreden besluit van 19 juni 2024 heeft de minister de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit onder
Bronpassage s0002
een aanvullende motivering gehandhaafd. 1.3. Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank Gelderland heeft het beroep van eisers doorgezonden naar de rechtbank Noord-Nederland omdat bij de rechtbank Noord-Nederland als eerste beroep is ingesteld tegen een besluit op bezwaar tegen de watervergunning. 1.4. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig behandeld met de beroepen met de zaaknummers LEE 24/3170 en 26/947 op de zitting van 3 juni 2026. Eisers zijn in persoon verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. W.S. Klooster, mr. L.M. Bosselaar en J. Hendriks. Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door [naam]. 1.6. Deze uitspraak wordt gedaan in de zaaknummers LEE 25/1405, 25/1408 en 25/1409. In de zaaknummers LEE 24/3170 en 26/947 wordt apart uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit over de verleende watervergunning aan de hand van de gronden die eisers hebben aangevoerd. 3. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen van eisers gegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.1. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Feiten 4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 4.1. [n
Bronpassage s0003
aam] is een recreatiepark gelegen aan de [adres] in [plaats]. 4.2. Op 3 februari 2017 heeft de minister aan Camping-Restaurant [naam], een rechtsvoorganger van vergunninghoudster, een watervergunning verleend voor het verrichten van handelingen in een watersysteem. Een eerder verleende watervergunning van 5 juni 1985 is daarbij ingetrokken. De handelingen moesten worden uitgevoerd en behouden conform de bij de vergunning behorende tekeningen ‘Wenssituatie Camping [naam] van 12 december 2016’ en ‘Riolering, kabels en leidingen van 18 januari 2017’. Met deze vergunning zijn de volgende werkzaamheden toegestaan: het ophogen van de bodem met 3.118 m3; het aanpassen/realiseren van een dijk op-/afrit haaks op de dijk; het aanleggen van parkeerplaatsen en het hebben en behouden van gebouwen waaronder stacaravans, groepsaccommodatie, trekkershutten en een receptie. 4.3. Op 18 februari 2020 heeft de minister een wijzigingsvergunning verleend. Hierbij is voorschrift 3.1.3, derde lid, zo gewijzigd dat de oppervlakte van de nieuw te realiseren stacaravans per caravan maximaal 75 m2 mag bedragen, in plaats van 35 m2. 4.4. Vergunninghoudster heeft op 23 november 2021 een aanvraag ingediend voor een watervergunning voor het herinrichten van het recreatiepark [naam] ter plaatse van het perceel in [plaats] bij de minister. Deze aanvraag ziet zowel op het gebruik van het rijkswaterstaatwerk de IJssel als op het gebruik maken van de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering de IJsse
Bronpassage s0004
ldijk. Het dagelijks bestuur van het waterschap Vallei en Veluwe (het waterschap) is het bevoegd gezag voor de primaire waterkering de IJsseldijk. 4.5. Het dagelijks bestuur van het waterschap heeft aan de minister positief advies gegeven over de aanvraag voor handelingen binnen de kern- en de beschermingszone van de primaire waterkering de IJsseldijk. 4.6. Bij het primaire besluit heeft de minister aan vergunninghoudster een watervergunning verleend voor het herinrichten van Recreatiepark [naam]. De eerder verleende watervergunning van 3 februari 2017 en alle wijzigingsbeschikkingen zijn daarbij ingetrokken. Voor de volgende werkzaamheden is toestemming verleend: het aanleggen en verwijderen van verhardingen en vlonderpaden binnen beschermingszone A van de primaire waterkering; het verwijderen en aanleggen van chalets binnen beschermingszone A van de primaire waterkering; het verwijderen van een zwembad in beschermingszone A van de primaire waterkering; - het verwijderen en aanleggen van bomen in beschermingszone A van de primaire waterkering; - het verwijderen en aanleggen van kabels en leidingen binnen beschermingszone A van de primaire waterkering; - het verwijderen van een boom uit de kernzone van een primaire waterkering; - het ophogen van het rijkswaterstaatwerk de IJssel met 1.500 m3. 4.7. Tegen het primaire besluit hebben eisers bezwaar gemaakt bij de minister. 4.8. Bij het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en het primaire
Bronpassage s0005
besluit onder een aanvullende motivering gehandhaafd. Overgangsrecht 5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (IwOw) in werking getreden. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de IwOw het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. 5.1. De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 23 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 5.2. Ten tijde van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar waren de Beleidsregels grote rivieren van toepassing. Op grond van het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 12 van de Beleidsregels grote rivieren 2025 blijven de Beleidsregels grote rivieren, zoals die luidden vóór 1 februari 2025, van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 februari 2025. Het geschil 6. Tussen partijen is in geschil of de minister terecht een watervergunning heeft verleend voor het herinrichten van het recreatiepark [naam]. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. Procedurele gronden Belanghebbenden 7. Eisers voeren aan dat de minister de bezwaarmakers woonachtig aan de [adres] allemaal heeft aangemerkt als belanghebbende. Niet alle bewoners van die adressen hebben echter bezwaar gemaakt. De bewoners die geen bezwaar hebben gemaakt, kun
Bronpassage s0006
nen daarom niet als belanghebbende worden aangemerkt. De conclusie van de minister over de belanghebbenden is daarom in strijd met de beginselen van zorgvuldig bestuur. 7.1. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De minister heeft toegelicht dat hij 70 bezwaarschriften heeft ontvangen en integraal in kaart heeft gebracht wie van de omwonenden als belanghebbende kan worden aangemerkt. Daarbij heeft de minister rekening gehouden met afstand tot en zicht op de [naam] en de mogelijke toename van verkeer. Gelet op de eensluidende bezwaarschriften, heeft de minister één beslissing op bezwaar genomen. De bewoners die op grond van de beoordeling als belanghebbende kunnen worden aangemerkt, maar geen bezwaar hebben gemaakt, hebben geen beslissing op bezwaar ontvangen. De rechtbank volgt deze toelichting van de minister. De rechtbank vindt dit niet onzorgvuldig. Eisers zijn hierdoor ook niet in hun belangen geschaad. Zij zijn namelijk als belanghebbende aangemerkt. Dat andere bewoners wel of niet als belanghebbende zijn aangemerkt, maakt niet uit voor hun rechtspositie of de uitkomst van deze zaak. Inspraak op grond van de Habitatrichtlijn (Hrl) 8. Eisers betogen dat de minister op grond van de Hrl gehouden was om in dit geval inspraak te bieden. 8.1. Artikel 6, derde lid, van de Hrl luidt als volgt: “Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of p
Bronpassage s0007
rojecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.” 8.2. De rechtbank overweegt dat voor de inspraakmogelijkheid relevant is welke voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd. Het antwoord op de vraag of op een aanvraag om een watervergunning onder de Waterwet de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. De Waterwet bepaalt daarmee exclusief welke procedure op een aanvraag om watervergunning van toepassing is. De minister heeft hierin geen keuze, maar dient de voorbereidingsprocedure toe te passen die uit de Waterwet voortvloeit. Er is geen wettelijke bepaling die of besluit dat ertoe leidt dat in dit geval de uitgebreide procedure van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht de reguliere voorbereidingsprocedure toegepast. Het in het kader van inspraak voor een ieder ter inzage leggen van een ontwerpbesluit is geen onderdee
Bronpassage s0008
l van die procedure. 8.3. Het beroep van eisers op artikel 6, derde lid, van de Hrl leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft eerder geoordeeld dat artikel 6, derde lid, van de Hrl correct is geïmplementeerd in artikel 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Verder is het vaste rechtspraak dat de inspraakverplichtingen in artikel 6, derde lid, van de Hrl correct zijn geïmplementeerd in afdeling 3.4 van de Awb. Deze (correcte) implementatie heeft tot gevolg dat eisers geen rechtstreeks beroep kunnen doen op de richtlijn. 8.4. De rechtbank overweegt dat in dit geval geen sprake is van een aanvraag voor een natuurvergunning, zodat de voor die vergunning geldende voorbereidingsprocedure niet geldt. Verder volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de wet niet dat een aanvraag voor een natuurvergunning aanhaakt bij een aanvraag voor een watervergunning. Verder volgt niet uit de wet dat er sprake is van gecoördineerde besluitvorming tussen de watervergunning en de natuurvergunning. Dit heeft tot gevolg dat de minister voor de toepasselijke procedure alleen hoefde te kijken naar de Waterwet. 8.5. Dit betekent dat de minister geen inspraak hoefde te bieden. Deze grond van eisers slaagt niet. Publicatie van de watervergunning 9. De rechtbank begrijpt dat eisers betogen dat de minister de watervergunning ten onrechte niet heeft gepubliceerd. Als eisers niet via geruchten hadden gehoord dat er een watervergunning was
Bronpassage s0009
verleend, hadden ze het niet geweten. 9.1. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank licht dit hieronder toe. 9.2. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. 9.3. De rechtbank stelt vast dat de minister bij besluit van 25 mei 2023 aan vergunninghoudster een watervergunning voor het herinrichten van Recreatiepark [naam] heeft verleend. Nu het een op aanvraag genomen en tot de aanvrager gericht besluit betreft, dient dit besluit op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb te worden bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Dit besluit is door de minister ook aan vergunninghoudster toegezonden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een onjuiste bekendmaking van de verleende watervergunning. Inhoudelijke gronden Is de rivierkundige beoordeling tijdig gemaakt? 10. Eisers voeren aan dat in bijlage 2 van het bestreden besluit een ‘Rivierkundige beoordeling [naam]’ (de rivierkundige beoordeling) is toegevoegd. Deze rivierkundige beoordeling dateert van 12 april 2024, dus na de verleende watervergunning. Eisers betogen dat dit tot de conclusie leidt dat er nooit eerder een rivierkundige beoordeling is gemaakt en de verleende watervergunning daarom op onjuiste gronden is verleend. 10.1. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond
Bronpassage s0010
niet. De rechtbank licht dit hieronder toe. 10.2. De rechtbank stelt voorop dat zij het bestreden besluit beoordeelt en toetst, en niet de primair verleende watervergunning. Uit artikel 7:11 van de Awb en vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het bestuursorgaan bij de heroverweging van primaire besluiten in de bezwaarfase de op dat moment geldende feiten en omstandigheden moet betrekken. Hieruit volgt dat de minister zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat de rivierkundige beoordeling kon worden betrokken in de heroverweging in de bezwaarfase. Verder heeft de minister voldoende toegelicht dat ook vóór het primaire besluit een rivierkundige beoordeling is gemaakt, maar dat die in bezwaar is opgenomen in een memo om meer duidelijkheid te kunnen geven. Het betoog slaagt niet. Chalets of stacaravans? 11. Eisers betogen dat het bestreden besluit niet duidelijk maakt of er nu chalets of stacaravans komen. Een chalet staat op de grond als een huis en een stacaravan staat op de grond op wielen. Dit maakt volgens eisers voor de waterveiligheid een groot verschil. 11.1. De rechtbank volgt eisers niet. De uiterlijke verschijningsvorm en de vraag of er stacaravans (met wielen) kunnen komen of chalets (niet verplaatsbaar) is voor de waterstaatkundige beoordeling niet relevant. Voor een beoordeling van de waterstaatkundige effecten is het naar het oordeel van de rechtbank van belang dat de minister rekening houdt met het aantal aangevraagde bouwwerken met een be
Bronpassage s0011
paald volume. Dat heeft de minister gedaan. Welke bouwwerken in het recreatiepark gerealiseerd kunnen worden en in welke omvang, wordt, onder meer, geregeld door het Omgevingsplan. Daar gaat de minister niet over. Het betoog van eisers slaagt niet. Kan de watervergunning worden verleend op basis van de Beleidsregels? 12. Eisers betogen dat de minister geen toepassing heeft kunnen geven aan de Beleidsregels grote rivieren (Beleidsregels). Eisers voeren aan dat de minister zich onder verwijzing naar de vergunning uit 2017 niet mocht beroepen op bestaande rechten. Het gaat namelijk om nieuwe bebouwing en dus niet om het slopen en vervangen van bestaande bebouwing. 12.1. De minister stelt zich op het standpunt dat er in de watervergunning van 2017 een bepaalde hoeveelheid bebouwing is toegestaan. Het is niet van belang of die bebouwing feitelijk ook is gerealiseerd. Het gaat naar de mening van de minister om het bestaande vergunde recht. De in 2021 aangevraagde herinrichting, inclusief bijbehorende bebouwing, is dan ook getoetst ten opzichte van de hoeveelheid bebouwing die bij de vergunning van 2017 is toegestaan. Deze toetsing heeft ertoe geleid dat de gewenste bebouwing past binnen de bestaande rechten uit de watervergunning van 2017 en verleend kon worden op basis van artikel 3, onder b, van de Beleidsregels over sloop en vervanging. In dit verband wijst de minister erop dat de vergunde oppervlakten en volumes van bouwwerken en ophogingen van de grond kleiner worden ten opzic
Bronpassage s0012
hte van de vergunde ruimte in de vergunning van 2017. Daaruit kan volgens de minister geconcludeerd worden dat met de verleende watervergunning geen ruimte voor waterberging wordt weggenomen, maar juist wordt toegevoegd. 12.2. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eisers slaagt. De rechtbank zal dat hierna toelichten. 12.3. De rechtbank overweegt dat de Beleidsregels niet-riviergebonden functies, zoals de vergunde herinrichting, in beperkte mate mogelijk maken. Zo kan - voor zover van belang - op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, van de Beleidsregels toestemming worden gegeven voor het slopen en vervangen van bebouwing door bebouwing van gelijke omvang. 12.4. In de Handreiking “Beleidslijn Grote Rivieren” van 15 juli 2019 (de Handreiking) is toegelicht dat de mogelijkheid om bestaande bebouwing te slopen en te vervangen door nieuwbouw geldt voor alle “bestaande bebouwing die aanwezig is in het rivierbed”. Verder is in de Handreiking toegelicht dat bij sloop en vervangende nieuwbouw de bebouwing met dezelfde functie op hetzelfde perceel mag worden gesommeerd en vervangen mag worden door een of meerdere bouwwerken, zolang de totale oppervlakte en het volume maar gelijk blijven. De Handreiking is opgesteld door vertegenwoordigers van landelijke en regionale diensten van Rijkswaterstaat en ter instemming voorgelegd aan het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. In de inleiding van de Handreiking staat dat de Handreiking een uitgebreide toelichting geeft op
Bronpassage s0013
de Beleidsregels en dient als handvat voor de uitvoeringspraktijk van de Beleidslijn grote rivieren. 12.5. Naar het oordeel van de rechtbank ziet artikel 3, eerste lid, onder b, van de Beleidsregels op het vervangen van feitelijk bestaande bebouwing en niet op vergunde, maar niet gerealiseerde bebouwing. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de tekst van deze bepaling vermeldt dat het gaat om ‘het slopen en vervangen’ van bebouwing, hetgeen impliceert dat bebouwing ook daadwerkelijk aanwezig is. Verder acht de rechtbank van belang dat uit de toelichting bij deze bepaling volgt dat het moet gaan om ‘sloop met vervangende nieuwbouw van gelijke functie en omvang’. Daarnaast volgt uit de Handreiking dat het bij sloop en vervanging moet gaan om de sloop van de aanwezige bebouwing in het rivierbed die mag worden herbouwd op het terrein van het recreatiepark. De minister heeft ter zitting toegelicht dat niet in kaart is gebracht welke feitelijke bebouwing aanwezig is in het rivierbed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister bij het verlenen van de watervergunning ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 3, eerste lid, onder b, van de Beleidsregels. Om die reden slaagt het betoog van eisers. 12.6. Gelet op overweging 12.5. is de rechtbank van oordeel dat de beroepen van eisers gegrond zijn en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. 13. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overige gronden van eisers ten aanzien van de rivierkundige beoordel
Bronpassage s0014
ing te bespreken, zoals de beroepsgronden over de waterberging en doorstroming, de ophoging en bieden van voldoende ruimte aan de rivier. De rivierkundige beoordeling, die een uitwerking vormt van artikel 7 van de Beleidsregels, is namelijk onder meer gebaseerd op de vergunde bebouwing. Aangezien de beroepsgrond over de vergunde bebouwing slaagt, komt de rechtbank aan voormelde gronden niet toe. Conclusie en gevolgen 14. Gelet op overweging 12.5. zijn de beroepen van eisers gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gebreken geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank bepaalt op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. 14.1. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de minister de griffierechten aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. 14.2. Eisers sub 1 hebben verzocht om vergoeding van verletkosten van € 616,- in verband met het opnemen van verlof van zeven uur om de zitting te kunnen bijwonen. Verder hebben eisers sub 1 verzocht om vergoeding van hun reiskosten van € 93,60. Uit de door eisers sub 1 bij het verzoek gegeven toelichting volgt dat hun reiskosten voor het bijwonen van de zitting op 3 juni 2026 in totaal € 93,60 (Zwolle – Groningen v.v.) bedragen. 14.2.1. Op grond van artikel
Bronpassage s0015
1, aanhef en onder e van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, van het Bpb worden de verletkosten vastgesteld overeenkomstig een tarief, dat afhankelijk van de omstandigheden tussen de € 9,- en € 109,- per uur bedraagt. Verletkosten zijn gemiste inkomsten of opbrengsten door afwezigheid in verband met het voeren van een procedure, bijvoorbeeld door het bijwonen van een zitting. 14.2.2. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers sub 1 met de enkele vermelding van een bedrag van € 616,- aan verletkosten vanwege het opnemen van verlof van zeven uur de hoogte van hun verletkosten onvoldoende met gegevens of bescheiden onderbouwd. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de verletkosten van eisers sub 1 op een forfaitair bedrag vast te stellen. De rechtbank stelt de verletkosten van eisers sub 1 vast tegen het minimumtarief van € 9,- per uur voor in totaal zeven uren in verband met het bijwonen van de zitting op 3 juni 2026 en de heen- en terugreis. Het totaal van de verletkosten van eisers sub 1 wordt door de rechtbank vastgesteld op € 63,-. 14.2.3. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bbp worden de reiskosten van eisers sub 1 door de rechtbank vastgesteld op in totaal € 61,68 (Veessen - Groningen v.v.). Als meerdere personen gezamenlijk één beroepschrift hebben ingediend, geldt als regel dat voor maar één van de gezamenlijk procederende eisers reiskosten (en verletkosten) wordt toegekend. Er bes
Bronpassage s0016
taat geen aanleiding om daarop in dit geval een uitzondering te maken. Dit betekent dat het totaal van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eisers sub 1 door de rechtbank wordt vastgesteld op € 124,68. 14.3. Eisers sub 2 hebben verzocht om vergoeding van verletkosten van € 1.232,- in verband met het opnemen van verlof om de zitting te kunnen bijwonen. Verder hebben eisers sub 2 verzocht om vergoeding van hun reiskosten van € 93,60. Uit de door eisers sub 2 bij het verzoek gegeven toelichting volgt dat hun reiskosten voor het bijwonen van de zitting op 3 juni 2026 in totaal € 93,60 (Zwolle – Groningen v.v.) bedragen. 14.3.1. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers sub 2 met de enkele vermelding van een bedrag van € 1.232,- aan verletkosten vanwege het opnemen van verlof de hoogte van hun verletkosten onvoldoende met gegevens of bescheiden onderbouwd. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de verletkosten van eisers sub 2 op een forfaitair bedrag vast te stellen. De rechtbank stelt de verletkosten van eisers sub 2 vast tegen het minimumtarief van € 9,- per uur voor in totaal zeven uren in verband met het bijwonen van de zitting op 3 juni 2026 en de heen- en terugreis. Het totaal van de verletkosten van eisers sub 2 wordt door de rechtbank vastgesteld op € 63,-. 14.3.2. De reiskosten van eisers sub 2 worden door de rechtbank vastgesteld op in totaal € 61,68 (Veessen – Groningen v.v.). Ook voor eisers sub 2 geldt dat voor één eiser de reiskosten
Bronpassage s0017
worden vergoed. Dit betekent dat het totaal van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eisers sub 2 door de rechtbank wordt vastgesteld op € 124,68. 14.4. Eiser sub 3 heeft verzocht om vergoeding van verletkosten van € 616,- in verband met het opnemen van verlof om de zitting te kunnen bijwonen. Verder heeft eiser sub 3 verzocht om vergoeding van zijn reiskosten van € 46,80. 14.4.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser sub 3 met de enkele vermelding van een bedrag van € 1.232,- aan verletkosten vanwege van het opnemen van verlof de hoogte van zijn verletkosten onvoldoende met gegevens of bescheiden onderbouwd. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de verletkosten van eiser sub 3 op een forfaitair bedrag vast te stellen. De rechtbank stelt de verletkosten van eiser sub 3 vast tegen het minimumtarief van € 9,- per uur voor in totaal zeven uren in verband met het bijwonen van de zitting op 3 juni 2026 en de heen- en terugreis. Het totaal van de voor vergoeding in aanmerking komende verletkosten van eiser sub 3 wordt door de rechtbank vastgesteld op € 63,-. 14.4.2. De reiskosten van eiser sub 3 worden door de rechtbank vastgesteld op in totaal € 61,82 (Veessen - Groningen v.v.). Dit betekent dat het totaal van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiser sub 3 door de rechtbank wordt vastgesteld op € 124,82. Beslist wordt als volgt. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen van eisers gegrond; vernietigt het bestreden
Bronpassage s0018
besluit; bepaalt dat de minister opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eisers, met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak; veroordeelt de minister tot betaling van € 124,68 aan proceskosten aan eisers sub 1; veroordeelt de minister tot betaling van € 124,68 aan proceskosten aan eisers sub 2; veroordeelt de minister tot betaling van € 124,68 aan proceskosten aan eiser sub 3; bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eisers sub 1 moet vergoeden; bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eisers sub 2 moet vergoeden; bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser sub 3 moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzitter, mr. W.R. van der Velde en mr. M. Lok, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026. griffier voorzitter Afschrift verzonden op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een
Bronpassage s0019
voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Habitatrichtlijn Artikel 6 (…). 3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden. (…). Waterwet Artikel 2.1 1. De toepassing van deze wet is gericht op: a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. 2. De toepassing van deze wet is mede gericht op andere doelstellingen dan genoemd in het eerste lid, voor zover dat elders in deze wet is bepaald. Artikel 6.5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan voor rijkswateren en, met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belang
Bronpassage s0020
en, voor regionale wateren worden bepaald dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister, onderscheidenlijk het bestuur van het waterschap: (…), c. gebruik te maken van een waterstaatswerk of een daartoe behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten, werken te maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. Artikel 6.17 1. Indien een aanvraag om vergunning betrekking heeft op een handeling of samenstel van handelingen ten aanzien waarvan meer dan één bestuursorgaan bevoegd is, wordt de aanvraag in behandeling genomen en wordt daarop beslist door het bestuursorgaan van het hoogste gezag. Ontbreekt een hoogste gezag, dan wordt de aanvraag in behandeling genomen en wordt daarop beslist door het bestuursorgaan op wiens grondgebied de handeling of het samenstel van handelingen in hoofdzaak wordt verricht. (…), 3. Op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt niet beslist dan nadat de medebetrokken bestuursorganen in de gelegenheid zijn gesteld advies te geven omtrent de aanvraag of het ontwerp van de op de aanvraag te nemen beschikking. 4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op aanvragen tot wijziging van een vergunning waardoor het aantal betrokken bestuursorganen toeneemt. Artikel 6.20 1. Aan een vergunning kunnen vo
Bronpassage s0021
orschriften en beperkingen worden verbonden. (…). 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aan een vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen. 3. Gedragingen in strijd met de aan een vergunning verbonden voorschriften zijn verboden. Artikel 6.21 Een vergunning wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11. Waterbesluit Artikel 6.12 1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk, niet zijnde de Noordzee, door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: a. werken te maken of te behouden; b. vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. (…). Keur waterschap Vallei en Veluwe 2013 Artikel 3.2 Watervergunning waterstaatswerken en beschermingszones 1. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie(s), daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. 2. Het is verboden zonder watervergunni
Bronpassage s0022
ng van het bestuur een waterstaatswerk te wijzigen of aan te leggen. 3. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden. 4. Het bestuur kan aan een watervergunning het voorschrift verbinden dat de houder van die vergunning een betaling of een andere compensatie verricht met het oog op de bescherming van de belangen waarvoor het vereiste van een vergunning is gesteld. 5. Voor waterstaatwerken, waarvoor het vaststellen van een legger als bedoeld in artikel 5.1 van de wet is voorgeschreven en die op grond van een projectplan of een watervergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de legger, geldt, zolang vaststelling van een legger of een wijziging van de legger niet heeft plaatsgevonden, het volgende: a. voor de verbodsbepalingen op grond van dit artikel worden de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatwerk aangehouden, zoals aangegeven in het projectplan of de watervergunning; b. de beschermingszone A bij een waterkering bedraagt voor primaire en regionale waterkeringen 20 meter en de beschermingszone B 100 meter binnendijks en 150 meter buitendijks, gemeten vanuit de teen van de waterkering. c. de beschermingszone bij oppervlaktewaterlichamen bedraagt voor oppervlaktewaterlichamen A aan beide zijden 5 meter, gemeten vanuit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam. Beleidsregel grote rivieren 2025 Artikel 12 Overgangsrecht aanvragen ingediend voor 1 februari 20
Bronpassage s0023
25 De Beleidsregels grote rivieren, zoals die luidden vóór 1 februari 2025, blijven van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 februari 2025 waarop de artikelen 7 tot en met 11 niet van toepassing zijn. Beleidsregels grote rivieren Artikel 3 1. In het rivierbed wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 7, eerste lid, toestemming gegeven voor: a. een eenmalige uitbreiding van ten hoogste tien procent van de bestaande bebouwing; b. het slopen en vervangen van bebouwing door bebouwing van gelijke omvang; c. tijdelijke activiteiten, anders dan evenementen die niet langer duren dan drie maanden, en d. overige activiteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met activiteiten van ondergeschikt belang. 2. Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, zijn: a. het voor een periode van ten hoogste zes maanden plaatsen en opslaan van bouwwerken, bouwborden, materiaal en materieel om een werk of onderhoud te kunnen uitvoeren in, op, boven, over of onder een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk; b. evenementen die niet langer duren dan drie maanden; c. het plaatsen van een in- of uitstroomvoorziening, mits de in- of uitstroomsnelheid maximaal 0,3 m/s bedraagt; d. het plaatsen van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening, inclusief de bijbehorende voorzieningen, voor zover deze gelegen zijn buiten de vaarweg en bestemd zijn voor niet-bedrijfsmatig gebruik, dan wel naar aard en omvang vergelijkbaar overig gebruik; e.
Bronpassage s0024
het plaatsen van informatieborden, informatiezuilen, reclameborden, reclamezuilen, sport- en speeltoestellen, gedenktekens, kunstobjecten, vlaggenmasten, tuin- en straatmeubilair of in aard en omvang hiermee vergelijkbare objecten, waarvoor geen of een beperkte fundering vereist is; f. terreinophogingen van minder dan 50 m3 per kadastraal perceel; g. het plaatsen van visfuiken of visnetten; h. het uitvoeren van onderhoud en vervanging van bestaande objecten door objecten van vergelijkbare aard en omvang en op dezelfde locatie; i het gelijkvloers op het maaiveldniveau aanbrengen van verhardingen en recreatieve voorzieningen, niet zijnde een bouwwerk; j. het plaatsen van kabels en leidingen mits: 1° deze geen intrinsiek gevaarlijke stoffen transporteren; 2° deze niet liggen, parallel of als kruising, in de veiligheidszone van een primaire of secundaire waterkering, een kunstwerk of een vaarweg, of 3° deze niet aangelegd worden middels boring, waarbij lagen met verschillende stijghoogtes worden doorkruist; k. onderzoeken die niet langer duren dan zes maanden, en l. andere activiteiten die vanwege de aard, beperkte omvang of korte duur naar het oordeel van de beheerder geen nadelige invloed hebben op het waterstaatkundige beheer. Artikel 4. Voor activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het bergend regime van toepassing is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid, toestemming gegeven. Artikel 5. Voor de navolgende riviergebonden activiteite
Bronpassage s0025
n in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid, toestemming gegeven: a. de aanleg of wijziging van waterstaatkundige kunstwerken; b. de realisatie van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart; c. de bouw of wijziging van waterkrachtcentrales; d. de vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, uitsluitend voor zover de activiteit gekoppeld is aan het vervoer over de rivier; e. de aanleg of wijziging van scheepswerven en specifiek daaraan verbonden bedrijfsactiviteiten; f. de realisatie of verbetering van natuur; g. de verbetering van de waterkwaliteit; h. de uitbreiding of wijziging van bestaande steenfabrieken; i. de realisatie van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie of extensieve uiterwaardrecreatie zijn verbonden; j. de winning van oppervlaktedelfstoffen; k. de realisatie van voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het agrarisch, landschappelijk of daarmee vergelijkbaar beheer van het rivierbed; l. het behoud of herstel van cultuurhistorische landschapselementen; of m. de realisatie van voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het behoud van bekende of te verwachten archeologische monumenten. Artikel 6. Voor niet-riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt geen toestemming gegeven, ten
Bronpassage s0026
zij, onverminderd het bepaalde in artikel 7, sprake is van: a. een groot openbaar belang en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd; b. een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en de activiteit redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd; c. verduurzaming van de energievoorziening van bestaande activiteiten in het rivierbed; of d. opwekking van zonne- of windenergie en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd. Artikel 7 1. De toestemming, bedoeld in artikel 3, wordt alleen gegeven indien: a. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft; b. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit, en c. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van de toestemming, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6, aanhef en de onderdelen a, b en c, met dien verstande dat de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn. 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van de toestemmin
Bronpassage s0027
g, bedoeld in artikel 6, aanhef en onderdeel d, met dien verstande dat de vergunning zal worden verleend voor een bepaalde termijn en dat de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen ten minste voor de duur van die termijn duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn. Met toepassing van artikel 8:8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als bedoeld in artikel 6.5 onder c van de Waterwet en artikel 6.12 van het Waterbesluit. Dit volgt onder meer uit pagina 17 van het primaire besluit van 25 mei 2023. Het betreft een eerder vergunde ophoging van het terrein met 3.118 m3, waarvan 1.500 m3 is gerealiseerd. De eerdere vergunning wordt met behoud van deze bestaande rechten ingetrokken. Staatscourant 2006 nr. 133, p. 19. Zie artikel 6.16, eerste lid, van de Waterwet. Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454 en 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1507 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571. Pagina 38. Staatscourant 2018 nr. 36070, p. 6. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511. De reiskosten zijn berekend via de website www.9292ov.nl. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2953.