Ruimtemeesters
← Terug naar de uitspraken

De Afdeling laat de handhaving en invordering van € 2.500 in stand.s0003, s0006

De Afdeling bevestigt de rechtbankuitspraak; het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.s0006

Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5807

Bekijk de bron op Rechtspraak

De Afdeling verklaart het hoger beroep van [appellante] ongegrond, waardoor de last onder dwangsom en de invordering van in totaal € 2.500 in stand blijven. De benodigde omgevingsvergunning voor haar schutting met overkapping ontbrak. De aangevoerde omstandigheden verplichtten het college van burgemeester en wethouders van Groningen niet om van handhaving af te zien. De gestelde afstand tot de erker maakt de overtreding niet gering. Ook heeft [appellante] niet geconcretiseerd waarom haar ligrolstoel niet elders op het perceel kan worden opgeborgen. Tegen het oordeel over de invorderingsbesluiten heeft zij geen gronden aangevoerd.s0003, s0005, s0006

Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.

Duiding bij deze uitspraak

Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.

Uit de uitspraak

De Afdeling beoordeelt deze last en de invordering volgens het recht dat vóór 1 januari 2024 gold, waaronder de Wabo. Het overgangsrecht houdt dat kader hier van toepassing omdat het college de last al in 2022 oplegde. Partijen betwisten niet dat voor de schutting met overkapping een omgevingsvergunning nodig was en dat die ontbrak. De last bood twee mogelijkheden om de overtreding te beëindigen: [appellante] kon het bouwwerk verwijderen en verwijderd houden, of het minimaal één meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw plaatsen.s0002, s0003

Uit de uitspraak

Het geschil gaat over de vraag of het college vanwege de omstandigheden van [appellante] van handhaving had moeten afzien. Zij wees op haar angststoornis, haar bedgebondenheid, de afscherming van een stroomkast en de behoefte aan een plek voor haar ligrolstoel. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de aangevoerde omstandigheden daarvoor onvoldoende zijn. Zij voegt daaraan toe dat de gestelde afstand van één meter achter de erker de overtreding niet gering maakt. Ook heeft [appellante] niet geconcretiseerd waarom zij de ligrolstoel nergens anders op het perceel kan opbergen.s0004, s0005, s0006

Duiding

Voor de praktijk laat deze zaak zien waarom een beroep op persoonlijke omstandigheden een concrete toelichting vraagt. Bij de ligrolstoel was vooral van belang dat onduidelijk bleef waarom een andere bergplek op het perceel niet mogelijk was. Dat oordeel betekent niet dat persoonlijke omstandigheden nooit tot het afzien van handhaving kunnen leiden. De Afdeling beoordeelt of die omstandigheden in dit concrete geval voldoende zwaar wegen om het belang van handhaving te laten wijken.s0005, s0006

Grenzen van deze toelichting

  • De Afdeling neemt het oordeel uit rechtsoverweging 6.4 van de rechtbank over, maar die overweging is niet weergegeven in de bron.
  • De invorderingsbesluiten zijn in hoger beroep niet met afzonderlijke gronden bestreden.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak

In het besluit van 24 november 2022 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Groningen [appellante] gelast de strijdigheid met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op het perceel [locatie 1] in Groningen op te heffen. [appellante] woont aan de [locatie 1] in Groningen. Op 10 februari 2022 is naar aanleiding van een klacht uit de buurt een inspectie uitgevoerd door de afdeling vergunningverlening, toezicht en handhaving van de gemeente Groningen. Tijdens deze controle is geconstateerd dat [appellante] een schutting met overkapping (het bouwwerk) heeft geplaatst tussen haar woning en [locatie 2] zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo. In het besluit van 24 november 2022 heeft het college [appellante] gelast om de overtreding vóór 1 maart 2023 te beëindigen, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 2.500,00.

Bronpassages bij deze tekst

De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.

Bronpassage s0001

202403855/1/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Groningen, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 mei 2024 in zaak nr. 23/2324 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Groningen. Procesverloop In het besluit van 24 november 2022 heeft het college [appellante] gelast de strijdigheid met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op het perceel [locatie 1] in Groningen op te heffen. In het besluit van 18 april 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In de besluiten van 12 juli 2023 en 2 oktober 2023 heeft het college besloten tot invordering van twee verbeurde dwangsommen bij [appellante]. In de uitspraak van 8 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 juli 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.N. Huisman, advocaat in Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. I. Simonides, drs. A.H.M. Drijvers-Nijland en T.P. Sikkema, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgeving

Bronpassage s0002

swet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. In het besluit van 24 november 2022 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellante] woont aan de [locatie 1] in Groningen. Op 10 februari 2022 is naar aanleiding van een klacht uit de buurt een inspectie uitgevoerd door de afdeling vergunningverlening, toezicht en handhaving van de gemeente Groningen. Tijdens deze controle is geconstateerd dat [appellante] een schutting met overkapping (het bouwwerk) heeft geplaatst tussen haar woning en [locatie 2] zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo. In het besluit va

Bronpassage s0003

n 24 november 2022 heeft het college [appellante] gelast om de overtreding vóór 1 maart 2023 te beëindigen, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 2.500,00. In dat besluit staat hierover dat voor de werkzaamheden geen vergunning kan worden verleend, omdat het plan niet ruimtelijk en cultuurhistorisch akkoord is. De overtreding kan volgens het besluit ongedaan worden gemaakt door het bouwwerk te verwijderen en verwijderd te houden, of door het minimaal 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw te plaatsen. In het besluit van 18 april 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In de besluiten van 12 juli 2023 en 2 oktober 2023 heeft het college besloten tot invordering van de dwangsommen van in totaal € 2.500,00. Het hoger beroep 3. Niet in geschil is dat het bouwwerk is gebouwd zonder benodigde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo, zodat het college bevoegd was om handhavend op te treden. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het college in dit geval van handhavend optreden had moeten afzien. Had het college moeten afzien van handhavend optreden? 4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden onevenredig en niet proportioneel is. Volgens [appellante] had aan haar belangen bij het behoud van het bouwwerk een doorslaggevend gewicht moeten worden toegekend. Daarover voert z

Bronpassage s0004

ij verder aan dat de door haar gekozen oplossing, waarbij het bouwwerk op 37,5 cm achter de voorgevel is geplaatst, nauwelijks afwijkt van de situatie waarin het bouwwerk vergunningvrij zou zijn. Gelet hierop is volgens haar slechts sprake van een relatief kleine overschrijding van geringe aard. Op de zitting heeft zij hieraan toegevoegd dat het bouwwerk gemeten vanaf de erker wel 1 meter naar achteren staat. Daarbij is deze oplossing volgens [appellante] zeer passend voor het straatbeeld en is er geen sprake van verstoring van de karakteristieke bebouwing of een onevenredige inbreuk op de oorspronkelijk lintbebouwing. Ook wordt de stroomkast, die zij aan deze zijde van het huis heeft geplaatst, op deze wijze aan het zicht onttrokken. Het is volgens haar vanwege deze stroomkast niet mogelijk om het bouwwerk nog verder naar achter te plaatsen. Het bouwwerk is namelijk nodig om deze stroomkast af te schermen en te voorkomen dat een onveilige hoek ontstaat waar hangjongeren verblijven. Dat heeft een wijkagent haar ook aangeraden. Zij kampt met een gegeneraliseerde angststoornis en is aan bed gebonden. Zij heeft daarom behoefte aan een overzichtelijke situatie rondom haar woning. Tot slot dient de overkapping als plek om haar ligrolstoel te plaatsen. Gelet op deze omstandigheden had het college volgens haar van handhavend optreden moeten afzien. 4.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de t

Bronpassage s0005

oets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. 4.2. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank en verwijst naar rechtsoverweging 6.4 van de aangevallen uitspraak. Wat in hoger beroep is aangevoerd geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Daaraan voegt de Afdeling nog toe dat het college ook in de omstandigheid dat het bouwwerk op 1 meter achter de erker staat, zoals [appellante] op zitting heeft gesteld, geen reden heeft hoeven zien om van handhavend optreden af te zien. Dit maakt namelijk niet dat de overtreding van geringe aard en ernst

Bronpassage s0006

is. Over de ligrolstoel overweegt de Afdeling tot slot dat [appellante] niet heeft geconcretiseerd waarom het niet mogelijk is om deze elders op het perceel op te bergen. Ook daarin ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van omstandigheden die maken dat er een bijzonder geval is waarin het college had moeten afzien van handhaving. Het betoog slaagt niet. Invorderingsbesluiten 5. [appellante] heeft geen gronden aangevoerd over het oordeel van de rechtbank over de invorderingsbesluiten. Conclusie 6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier. w.g. Bangma lid van de enkelvoudige kamer w.g. Buskermolen griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 896-1200