Ruimtemeesters
← Terug naar de uitspraken

De Afdeling laat de lasten wegens permanente bewoning van recreatiewoningen in stand.s0002, s0008

De Afdeling bevestigt de rechtbankuitspraak; de lasten onder dwangsom voor [appellant A] en [appellant B] blijven gelden.s0002, s0008

Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5813

Bekijk de bron op Rechtspraak

De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en laat daarmee de lasten onder dwangsom voor [appellant A] en [appellant B] wegens permanente bewoning van recreatiewoningen in stand. De BRP-inschrijvingen en toegekende huisnummers rechtvaardigen geen vertrouwen dat het college niet zou handhaven. Ook het tijdsverloop en de gestelde rustigere ruimtelijke uitstraling maken handhaving hier niet onevenredig. Het college mocht meewegen dat de overtreding doorloopt en het gebruik een andere ruimtelijke uitstraling heeft. Appellanten hebben hun betwisting van de overtreding ingetrokken. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.s0002, s0004, s0006, s0007, s0008

Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.

Duiding bij deze uitspraak

Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.

Uit de uitspraak

De Afdeling bevestigt de rechtbankuitspraak, waardoor de lasten voor [appellant A] en [appellant B] blijven gelden. [appellant A] is eigenaar van de percelen; haar dochter [appellant B] woont in een van de wooneenheden. Zij hebben hun betwisting van de overtreding op de zitting ingetrokken. De beoordeling vindt plaats onder de Wabo zoals die vóór 1 januari 2024 gold. Dat oude kader blijft door het overgangsrecht van toepassing op de lasten die in januari 2023 zijn opgelegd.s0002, s0004, s0008, s0003

Uit de uitspraak

De BRP-inschrijvingen leveren volgens de Afdeling geen definitief standpunt van het college op dat permanente bewoning is toegestaan of dat handhaving achterwege blijft. Ook veranderen aparte huisnummers de planologische kwalificatie als recreatiewoningen niet. Het tijdsverloop van ruim een jaar tussen voornemen en besluit verhindert handhaving evenmin. Het college mocht de doorlopende overtreding, met een ander gebruik en een andere ruimtelijke uitstraling, voldoende ernstig achten. De gestelde rustigere situatie hoefde geen aanleiding te geven om van handhaving af te zien.s0005, s0006, s0007

Duiding

Voor de praktijk laat deze zaak zien dat een beroep op vertrouwen concreet moet aansluiten bij wat de overheid over het toegestane gebruik of de handhaving heeft laten blijken. De inschrijvingen en huisnummers boden deze appellanten daarvoor onvoldoende steun. Ook vraagt een beroep op onevenredigheid om omstandigheden die in het concrete geval zwaar genoeg wegen tegenover het handhavingsbelang. De enkele stelling dat permanente bewoning rustiger is dan recreatief verblijf overtuigde hier niet. Daarmee stelt de Afdeling niet vast dat permanente bewoning daadwerkelijk minder ruimtelijke gevolgen had.s0004, s0005, s0006, s0007

Grenzen van deze toelichting

  • De Afdeling beoordeelt niet meer of sprake is van een overtreding, omdat [appellant A] en [appellant B] die beroepsgrond hebben ingetrokken.
  • De Afdeling laat open of een BRP-inschrijving in een geval als dit wettelijk kan worden geweigerd.
  • De uitspraak vermeldt niet welke dwangsombedragen en uitvoeringstermijnen aan de lasten zijn verbonden.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak

Bij besluiten van 17 en 24 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten aan [appellant A] respectievelijk [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd wegens permanente bewoning van recreatiewoningen in strijd met het bestemmingsplan op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid. Het college heeft, aan zowel [appellant A] als [appellant B], een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van recreatiewoningen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid vanwege permanente bewoning in meerdere wooneenheden. [appellant A] is de eigenaar van de percelen en [appellant B] woont op [locatie 1] in één van de wooneenheden. [appellant A] en haar dochter [appellant B] zijn samen opgekomen tegen de besluiten tot het opleggen van de lasten onder dwangsom door daartegen bezwaar te maken bij het college en vervolgens beroep in te stellen bij de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de permanente bewoning sprake is van een overtreding en dat het college terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd. [appellant A] en [appellant B] zijn het hier niet mee eens, omdat zij menen dat er zich bijzondere omstandigheden voordoen waardoor van handhaving moest worden afgezien.

Bronpassages bij deze tekst

De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.

Bronpassage s0001

202504455/1/R1. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], wonend in [woonplaats], en [appellant B], wonend in Sint Geertruid, gemeente Eijsden-Margaten, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 juni 2025 in zaak nr. 23/2289 in het geding tussen: [appellant B] en het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten. Procesverloop Bij besluiten van 17 en 24 januari 2023 heeft het college aan [appellant A] respectievelijk [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd wegens permanente bewoning van recreatiewoningen in strijd met het bestemmingsplan op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid. Bij besluit van 6 september 2023 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 juli 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.H.H. Emmen-Hurenkamp en M.T.M. Post, zijn verschenen. [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat in Valkenburg aan de Geul, hebben via een videoverbinding aan de

Bronpassage s0002

zitting deelgenomen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluiten van 17 januari 2023 en 24 januari 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Het college heeft, aan zowel [appellant A] als [appellant B], een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van recreatiewoningen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid vanwege permanente bewoning in meerdere wooneenheden. [appellant A] is de eigenaar van de percelen en [appellant B] woont op [locatie 1] in één van de wooneenheden. [appellant A] en haa

Bronpassage s0003

r dochter [appellant B] zijn samen opgekomen tegen de besluiten tot het opleggen van de lasten onder dwangsom door daartegen bezwaar te maken bij het college en vervolgens beroep in te stellen bij de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de permanente bewoning sprake is van een overtreding en dat het college terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd. [appellant A] en [appellant B] zijn het hier niet mee eens, omdat zij menen dat er zich bijzondere omstandigheden voordoen waardoor van handhaving moest worden afgezien. Tenaamstelling van de uitspraak van de rechtbank 3. Bij de behandeling van het hoger beroep is aan de orde gekomen dat in de uitspraak van de rechtbank alleen [appellant B] als procespartij is vermeld en [appellant A] niet. De Afdeling heeft op de zitting samen met partijen geconcludeerd dat dit duidt op een kennelijke verschrijving en dat hierom moet worden aangenomen dat de uitspraak zowel [appellant A] als [appellant B] betreft. Toetsingskader 4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te gebruiken. Op grond van artikel 2.3, aanhef en onder b, van de Wabo is het verboden om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, f, g, h of i. Het bestemmingsplan 5. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Sint Geertruid". Het p

Bronpassage s0004

erceel heeft daarin de bestemming "Centrum" en de aanduiding "verblijfsrecreatie". Artikel 7.1, aanhef en onder g, van de planregels luidt: "De voor ‘Centrum’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: verblijfsrecreatie ter plaatse van de aanduiding ‘verblijfsrecreatie’." Ingetrokken beroepsgrond 6. Op de zitting hebben [appellant A] en [appellant B] de beroepsgrond dat geen sprake is van een overtreding gelet op wat is bepaald in het bestemmingsplan en in de verleende omgevingsvergunning, ingetrokken. Wanneer zijn er bijzondere omstandigheden waardoor van handhaving af moest worden gezien? 7. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval

Bronpassage s0005

kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Vertrouwensbeginsel 8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat het college niet over zou gaan tot handhavend optreden en zij hiermee een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen doen. Hiertoe voeren zij aan dat het college heeft meegewerkt aan een inschrijving van de bewoners in de Basisregistratie Personen (BRP) en dat aan de woningen huisnummers zijn toegekend. Op de zitting heeft de gemachtigde van [appellant A] en [appellant B] toegelicht dat de rechtbank volgens hen niet heeft onderkend dat het college op grond van artikel 2.4 van de Wet basisregistratie personen de inschrijvingen in de BRP had moeten weigeren als op voorhand duidelijk was dat het niet is toegestaan om permanent op de percelen te wonen. 8.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe. 8.2. De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant A] en [appellant B] in dit opzicht aanvoeren, niet maakt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is ge

Bronpassage s0006

komen dat er geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is. De rechtbank heeft geoordeeld dat het inschrijven in de BRP geen bewuste standpuntbepaling van het college inhoudt dat de bewoning is toegestaan op grond van het bestemmingsplan en dat het college daartegen niet handhavend zal optreden. Verder kan volgens de rechtbank een inschrijving in de BRP niet worden geweigerd. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat de recreatiewoningen aparte huisnummers hebben, niet afdoet aan de planologische kwalificatie van de woningen als recreatiewoningen. De Afdeling stelt vast dat het oordeel van de rechtbank dat een inschrijving in de BRP geen definitieve standpuntbepaling van het college inhoudt dat bewoning is toegestaan en dat hiertegen niet zal worden gehandhaafd, overeenkomt met het oordeel dat de Afdeling heeft gegeven in haar uitspraak van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2591, onder 6.2. Er bestaat geen grond voor de conclusie dat hierover in deze zaak anders moet worden geoordeeld, daargelaten de vraag of het wettelijk mogelijk is in een geval als hier aan de orde een inschrijving in het BRP te weigeren. Verder onderschrijft de Afdeling het oordeel van de rechtbank over het toekennen van een huisnummer. Het betoog slaagt niet. Evenredigheidsbeginsel 9. [appellant A] en [appellant B] betogen dat er ook andere bijzondere omstandigheden zijn waardoor handhaving in dit concrete geval onevenredig moest worden geacht. Hiertoe voeren zij aan dat tussen het vo

Bronpassage s0007

ornemen en het handhavingsbesluit ruim een jaar heeft gezeten. Ook is volgens [appellant A] en [appellant B] sprake van een overtreding van geringe ernst, omdat de ruimtelijke uitstraling niet wezenlijk anders is geworden dan bij het toegestane recreatieve gebruik. Volgens [appellant A] en [appellant B] is de ruimtelijke uitstraling zelfs zo dat zich een rustigere situatie voordoet ingeval van permanente bewoning dan wanneer het toegestane gebruik als recreatiewoningen zou bestaan. 9.1. De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant A] en [appellant B] over dit onderdeel aanvoeren, niet maakt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat er geen geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel is. Het tijdsverloop tussen het voornemen en het handhavingsbesluit is naar het oordeel van de Afdeling niet zo lang dat het college om die reden het besluit niet mocht nemen. Ook mocht het college zich op het standpunt stellen dat er geen sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst, in aanmerking genomen dat de overtreding doorlopend is en er sprake is van een ander gebruik met een andere ruimtelijke uitstraling. De enkele omstandigheid dat volgens [appellant A] en [appellant B] de ruimtelijke uitstraling van permanente bewoning minder groot is dan van recreatief verblijf hoefde, wat daarvan overigens zij, voor het college geen aanleiding te vormen om van handhaving af te zien. Wat [appellant A] en [appellant B] aanvoeren kan in verband hiermee niet leiden tot (g

Bronpassage s0008

edeeltelijke) vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het betoog slaagt niet. Conclusie 10. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier. w.g. Gundelach lid van de enkelvoudige kamer w.g. Sparreboom griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 195-1185