Bij besluit van 22 juni 2023 heeft de raad van de gemeente Waalwijk het exploitatieplan "Haven VIII Oost afronding" vastgesteld. Het exploitatieplan hoort bij het bestemmingsplan "BP Haven 8 Oost-afronding", dat ook is vastgesteld bij besluit van 22 juni 2023. Het bestemmingsplan maakt bedrijventerrein Haven 8 Oost-afronding planologisch mogelijk. De raad heeft het exploitatieplan vastgesteld om de noodzakelijke juridische basis te leggen voor het kostenverhaal. Daarnaast wil de raad met het exploitatieplan het tijdvak en de fasering bepalen en eisen en regels stellen. [appellante] is eigenaar van een perceel in het exploitatieplangebied. [appellante] betoogt dat een zonnepark een bouwwerk van algemeen nut is in de zin van artikel 4.1, aanhef en onder g van de planregels van het bestemmingsplan en dat de raad daarom rekening had moeten houden met de opbrengsten uit een zonnepark.
ECLI:NL:RVS:2026:3353· Bestuursrecht
02
Expertteam Wonen·Rechtbank Amsterdam·9 jun 2026relevant
Huurder woont sinds 2010 in sociale huurwoning met haar twee zonen, waarvan één meerderjarig is. September 2025 drugs- en wapenvondst in de woning bij politie inval. De meerderjarige zoon is daarvoor aangehouden en verblijft sindsdien elders. Huurster verbleef ten tijde van de politie inval in Marokko. Explosie in de nacht van 6/7 maart 2026 bij de portiek van onder meer de woning. Zes woningen onbewoonbaar verklaard. De woningcorporatie weigert om huurder vervangende woonruimte aan te bieden. Huurder vordert vervangende woonruimte voor de duur van de onbewoonbaarheid van de woning. Woningcorporatie vordert ontruiming. Onvoldoende aannemelijk geworden dat de bodemrechter over zal gaan tot ontbinding van de huurovereenkomst gelet op de thans gegeven onderbouwing van de zijde van de woningcorporatie. Huurder heeft voldoende gemotiveerd betwist dat zij iets met de drugs- en wapenvondst te maken had. Belangenafweging valt uit in het voordeel van huurder en haar minderjarige zoon. Toewijzing vordering vervangende woonruimte.
ECLI:NL:RBAMS:2026:5773· Civiel recht
03
Expertteam Wonen·Rechtbank Noord-Nederland·12 jun 2026relevant
Deze uitspraak gaat over de aan NAM opgelegde heffingsbesluiten waarmee de door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (het Instituut) vergoede waardedaling van woningen in Q4 (vierde kwartaal) 2020 en 2021 aan haar is doorbelast. De rechtbank zal in deze uitspraak ingaan op de verschillende punten die partijen verdeeld houden. NAM heeft van 2014 tot 2020 waardedalingsschade afgehandeld via de Regeling waardedaling. Die regeling zag op verkochte woningen. Het belangrijkste geschilpunt in deze zaak gaat over de vraag of de door het Instituut gemaakte kosten in verband met vergoede waardedaling van onverkochte woningen kunnen worden doorbelast. Het Instituut heeft een regeling gemaakt voor het begroten van de waardedaling van woningen met als peildatum 1 januari 2019. Op basis van deze regeling is een vergoeding voor waardedaling uitgekeerd die in beginsel definitief is en niet kan worden teruggevorderd. De Minister vindt dat NAM dit moet betalen en wijst onder meer op het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2018, waartegen door NAM niet in cassatie is gegaan. NAM vindt dat de minister deze kosten niet kan doorbelasten, omdat de regeling verder gaat dan de civielrechtelijke aansprakelijkheid van NAM. NAM verwijst hiervoor onder meer naar een door de Hoge Raad op 19 juli 2019 genomen prejudiciële beslissing. De rechtbank zoekt bij haar oordeel aansluiting bij de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 juli 2019 en is van oordeel dat de wijze waarop de waardedaling nu voor wat betreft onverkochte woningen is doorbelast daarmee niet overeenstemt. De Hoge Raad heeft op 19 juli 2019 overwogen dat er nog geen sprake is van een voldoende stabiele toestand om waardedaling van onverkochte woningen te begroten. Dit betekent dat het doorbelasten van kosten aan NAM niet kan als de waardedaling is begroot met als peildatum 1 januari 2019. De Minister moet een nieuw besluit nemen. Als de Minister vindt dat er inmiddels wel sprake is van een voldoende stabiele toestand om de waardedaling van onverkochte woningen te begroten, is het aan de Minister om dat uit te leggen en te onderbouwen.