Jurisprudentie week 40 · 28 september – 4 oktober
41 uitspraken uit onze dagelijkse selectie voor deze week, geordend op uitspraakdatum. Lees de inhoudsindicatie, de gecontroleerde toelichting waar beschikbaar en de volledige bron.
Defensie mag het radarstation realiseren en gebruiken met twee door de rechtbank aangepaste voorschriften.s0044, s0045, s0046
Beroepen zijn deels niet-ontvankelijk, ongegrond of gegrond; de vergunning wordt vernietigd, maar Defensie mag verder onder twee aangepaste voorschriften.s0044, s0045, s0046
Rechtbank Gelderland · 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7456
De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning, maar vervangt zelf twee voorschriften. Defensie mag het radarstation in Herwijnen daardoor realiseren en gebruiken onder de aangepaste voorwaarden. Validatiemetingen moeten door een geaccrediteerde instantie worden uitgevoerd; operationeel gebruik vereist metingen zonder overschrijding buiten de ICNIRP-contour en goedkeuring van het bevoegd gezag. De rechtbank aanvaardt de ICNIRP-limieten en acht, met het STAB-advies en de aangepaste voorschriften, de gezondheidsrisico’s voldoende onderzocht en beperkt. Niet alle eisers krijgen een inhoudelijk gunstige beslissing: verschillende beroepen zijn niet-ontvankelijk en die van [eiser 4] en [eisers 10] zijn ongegrond.s0029, s0040, s0042, s0044, s0045, s0046
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De beroepen hebben verschillende uitkomsten. Het beroep van wijlen [eiser 5] is niet-ontvankelijk omdat niet bleek dat haar rechtverkrijgenden wilden doorgaan. Ook het beroep van de gemeenteraad, het college en de gemeente West Betuwe is niet-ontvankelijk, op grond van artikel 1.4 Chw. Hetzelfde geldt voor de Gelderse Onderzoeksgroep en de groep zwemmers, van wie de identiteit tijdens de beroepstermijn niet vaststond. De beroepen van [eiser 4] en [eisers 10] zijn ongegrond; hun stralingsgronden kunnen na hun verhuizing wegens het relativiteitsvereiste niet tot vernietiging leiden. De overige beroepen zijn gegrond.s0012, s0014, s0027, s0045
Uit de uitspraak
De rechtbank aanvaardt aansluiting bij de ICNIRP-limieten en volgt het STAB-advies over de bescherming tegen straling. Zij past wel twee voorschriften aan. Validatiemetingen moeten binnen zes maanden na oplevering en vóór operationele ingebruikname door een geaccrediteerde instantie worden uitgevoerd. De resultaten moeten binnen vier weken ter goedkeuring worden overgelegd. Operationele ingebruikname mag pas nadat de metingen aantonen dat buiten de contour geen blootstellingslimieten worden overschreden en het bevoegd gezag goedkeuring heeft gegeven. De term ‘definitief’ wordt daarom vervangen door ‘operationeel’.s0029, s0036, s0037, s0040, s0041, s0042
Duiding
Voor de gemeentelijke vergunningpraktijk laat deze zaak zien hoe belangrijk de precieze formulering van meet- en ingebruiknamevoorwaarden kan zijn. De aanvaarding van onderzoek en grenswaarden neemt onduidelijkheid over de uitvoering van controles niet vanzelf weg. Hier kon de rechtbank het gebrek met twee gerichte aanpassingen herstellen, zonder nieuw ministerieel besluit. Daaruit volgt geen algemene verplichting om bij iedere installatie dezelfde meetvoorwaarden te stellen: het herstel sluit aan bij deze radar, deze voorschriften en het STAB-advies.s0039, s0040, s0041, s0044
Grenzen van deze toelichting
- Deze toelichting gebruikt uitsluitend de bewaarde uitspraaktekst; er is geen externe dossier- of actualiteitscontrole.
- De beoordeling betreft de omgevingsvergunning onder het oude recht, niet de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het rijksinpassingsplan.
- De feitelijke naleving van de stralingsvoorschriften ligt volgens de rechtbank niet voor; daarvoor zijn nog validatiemetingen vereist.
- De bron noemt bij zaak 25/5672 in de partijopsomming [eiser 8], maar in de eindbeslissing [eiser 3]; deze afwijking kan uit het pakket niet worden opgelost.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Omgevingsvergunning. Bouwen en oprichten radarstation. Goede procesorde. Omvang van het geding. Gevolgde voorprocedure. Belang van bescherming van het milieu. Geluid. Straling. ICNIRP. Flora- en fauna. Relativiteit.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 25/5714, 25/5652, 25/5654, 25/5659, 25/5666, 25/5672, 25/5676, 25/5682 en 25/5696 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaken tussen ARN 25/5714 Stichting Niet Nog een Radar in Herwijnen, gevestigd in Herwijnen [eiser 1] , uit [plaats ] [eiser 2] , uit [plaats ] [eiser 3] , uit [plaats ] , de Stichting e.a. (gemachtigde: mr. P.A. de Lange), ARN 25/5652 [eiser 4] , uit [plaats ] , [eiser 4] , ARN 25/5654 [eiser 5] , uit [plaats ] , wijlen [eiser 5] (gemachtigde: [gemachtigde] ), ARN 25/5659 [eiser 6 [A] en [eiser 6 [B] , uit [plaats ] , [eisers 6] , ARN 25/5666 [eiser 7] , uit [plaats ] , en anderen, [eiser 7] , ARN 25/5672 [eiser 8] , uit [plaats ] , [eiser 8] , ARN 25/5676 [eiser 9 [A] en [eiser 9 [B] , uit [plaats ] , [eisers 9] (gemachtigde: mr. D. Quakernaat), ARN 25/5682 de gemeenteraad van West Betuwe , het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe, de gemeente (publiekrechtelijke rechtspersoon) West Betuwe, uit Geldermalsen, de gemeente West Betuwe (gemachtigden: mr. P.J. van der Woerd en mr. G. van der Veen), ARN 25/5696 [eiser 10 [A] en [eiser 10 [B] , uit [plaats ] , [eisers 10] en De Minister van Infrastructuur en Waterstaat , de minister (gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de Minister van Defensie , Defensie (gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de
Bronpassage s0002
beroepen van eisers tegen de aan Defensie verleende omgevingsvergunning voor het realiseren en het gebruiken van een radarstation aan de Broekgraaf in Herwijnen. Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en zij hebben daarom beroep ingesteld. 1.1. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft de beroepen op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Namens de eisende partijen hebben hieraan deelgenomen: [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , gemachtigde mr. P.A. de Lange, [eiser 6 [A] , [eiser 6 [B] , [eiser 7] , [eiser 9 [A] , [eiser 9 [B] , [persoon 4] , [persoon 5] en gemachtigden mr. P.J. van der Woerd en mr. G.A. van der Veen, [eiser 10 [A] en [eiser 10 [B] . Namens de minister en Defensie hebben aan de zitting deelgenomen: mr. D.S.P. Roelands-Fransen, mr. J. Zweers, mr. drs. R.L. Langeveld als gemachtigden en mr. F.D. Eftekhari, [persoon 6] , [persoon 7] , mr. M.A. van Werkhoven, [persoon 8] , [persoon 9] , [persoon 10] en [persoon 11] . Namens de Stichting advisering bestuursrechtspraak (STAB) hebben deelgenomen: [persoon 12] en [persoon 13] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning aan de hand van de argumenten die de eisende partijen hebben aangevoerd, de beroepsgronden. 2.1. De rechtbank verklaart de beroepen van wijlen [eiser 5] (25/5654), de gemeente West Betuwe (25/5682) en [eiser 7] (25/5666) en anderen, voor zover het is ingesteld door de Gelderse Onderzoeksgr
Bronpassage s0003
oep en een groep zwemmers, niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaart de beroepen van [eisers 10] (25/5969) en [eiser 4] (25/5652) ongegrond. De overige beroepen verklaart de rechtbank gegrond en de rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning. Omdat de rechtbank echter zelf in de zaak voorziet door twee vergunningvoorschriften aan te passen in de omgevingsvergunning, is het gevolg van de uitspraak dat Defensie het radarstation mag realiseren en in gebruik mag nemen en zich daarbij moet houden aan de door de minister opgelegde vergunningsvoorschriften en de door de rechtbank aangepaste vergunningsvoorschriften. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Achtergrond 3. Defensie is al langere tijd van plan om een radarstation op te richten aan de Broekgraaf in Herwijnen, op de plek waar in het verleden een civiele radar van Luchtverkeersleiding Nederland heeft gestaan. Defensie wil het radarstation oprichten omdat dit volgens hem noodzakelijk is voor de bescherming van het luchtruim (een dergelijke radarinstallatie kan bijvoorbeeld de aanwezigheid van drones detecteren). Het radarstation is volgens Defensie niet alleen nodig voor de veiligheid van het grondgebied van Nederland, maar ook essentieel om te kunnen voldoen aan de verplichtingen die Nederland kent als NAVO-lidstaat. 3.1. Om het radarstation mogelijk te maken is in 2017 een ontwerpbestemmingsplan opgesteld, maar de gemeenteraad van de voormalige gemeente Lingewaal (tegenwoordi
Bronpassage s0004
g de gemeente West Betuwe) heeft in 2018 besloten het bestemmingsplan niet vast te stellen. Daardoor was de bouw van het nieuwe radarstation niet mogelijk. Uiteindelijk hebben de minister en staatssecretaris van Defensie en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening besloten om zelf een rijksinpassingsplan (dat is een bestemmingsplan maar dan op rijksniveau) vast te stellen. Met het rijksinpassingsplan is de bouw en het in werking hebben van het radarstation planologisch mogelijk gemaakt. 3.2. Voor het oprichten van het radarstation is daarnaast ook een omgevingsvergunning nodig. Op 23 juni 2023 heeft Defensie deze omgevingsvergunning aangevraagd bij de minister van Infrastructuur en Waterstaat. De aanvraag heeft betrekking op het oprichten (dus zowel op het bouwen als het gebruiken) van het radarstation. De verleende omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers hebben ieder een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit. De minister heeft op 24 februari 2025 een definitief besluit genomen en de omgevingsvergunning (met een aantal wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit) verleend. In de omgevingsvergunning zijn twee activiteiten vergund: de bouw van het radarstation en het oprichten en in werking hebben van een inrichting. 3.3. Bij de vaststelling van het rijksinpassingsplan en de omgevingsvergunning is toepassing gegeven aan de rijkscoördin
Bronpassage s0005
atieregeling, die is opgenomen in artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het juist toepassen van deze regeling heeft onder meer tot gevolg dat deze besluiten gecoördineerd door één bestuursrechter behandeld worden. Eisers hebben tegen zowel het rijksinpassingsplan als tegen de omgevingsvergunning beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). In de uitspraak van 12 november 2025 heeft de Afdeling, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat de rijkscoördinatieregeling in dit geval niet toegepast had mogen worden, omdat de Tweede Kamer niet heeft ingestemd met het coördinatiebesluit dat daarvoor is genomen. Deze instemming was wel noodzakelijk om de beroepen tegen het rijksinpassingsplan en de vergunning gecoördineerd door de Afdeling te laten behandelen. De Afdeling is daarom van oordeel dat zij niet bevoegd is om te oordelen over de beroepen tegen de verleende omgevingsvergunning. Om die reden heeft de Afdeling de beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers voor zover gericht tegen de omgevingsvergunning doorgestuurd ter behandeling aan de rechtbank Gelderland. 3.4. Op 21 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland het verzoek van de eisende partijen Stichting niet nog een radar in Herwijnen, [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] om een voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. 3.5. De rechtb
Bronpassage s0006
ank heeft de STAB benoemd als deskundige als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, van de Awb en op 24 december 2025 gevraagd om binnen 4 maanden een advies uit te brengen. Door de rechtbank is aan de STAB gevraagd om de volgende vraag te beantwoorden: ‘ Zijn de in de omgevingsvergunning gestelde voorschriften voldoende om de stralingsrisico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken? Betrek hierbij de rapportages van de minister en de verwijzingen naar rapportages in de beroepsgronden van eisers.’ 3.6. Op 15 mei 2026 heeft de STAB advies uitgebracht (STAB-advies). 3.7. Op verschillende dagen voorafgaand aan de zitting hebben de eisende partijen hun reactie op het STAB-advies aan de rechtbank gezonden. Leeswijzer 4. De eisende partijen hebben een groot aantal beroepsgronden ingediend tegen de omgevingsvergunning en het rijksinpassingsplan. De rechtbank kan in deze beroepsprocedure alleen oordelen over de beroepsgronden die zien op de omgevingsvergunning en kan niet ingaan op wat is aangevoerd tegen het inpassingsplan. Hierdoor zullen niet alle beroepsgronden van de eisende partijen besproken worden door de rechtbank, maar alleen diegene die zijn gericht tegen de omgevingsvergunning. Voorafgaand aan de inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank enkele formele punten: de omvang van onderhavige procedure, de goede procesorde en enkele ontvankelijkheidskwesties. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgronden die betrekking hebben op de gevolgde tots
Bronpassage s0007
tandkomingsprocedure en dan met name de beantwoording van de ingediende zienswijzen door de minister. Daarna bespreekt de rechtbank het toetsingskader dat van toepassing is op de omgevingsvergunning en de beroepsgronden waarin wordt betoogd dat sprake is van geluidsoverlast door de radar en dat de mogelijke risico’s op gezondheidsschade door straling onvoldoende zijn onderzocht door de minister. Daaropvolgend zal de rechtbank de beroepsgronden beoordelen die zien op de rechtmatigheid van verschillende voorschriften uit de omgevingsvergunning. Tot slot zal de rechtbank de beroepsgronden beoordelen waarin verschillende eisende partijen stellen dat de mogelijke risico’s op schade aan de flora- en fauna onvoldoende zijn onderzocht door de minister. Overgangsrecht 5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. 5.1. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 juni 2023. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Crisis- en herstelwet (Chw) en de Wabo, zoals dat g
Bronpassage s0008
old vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Na sluiting ingediende stukken in zaak 25/5714 6. De rechtbank overweegt dat zij aan het einde van de zitting van 18 juni 2026 het onderzoek heeft gesloten. De Stichting e.a. hebben op 8 en 21 september 2026 verzocht om het onderzoek te heropenen om nadere stukken in te dienen. Dit gaat onder meer om twee documenten die zijn verkregen van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur middels een Woo-procedure en een toelichting hierop. De Stichting e.a. betogen dat de betekenis van de openbaar geworden informatie moet worden gezien tegen de achtergrond van de beperkte en ten opzichte van Defensie en de minister ondergeschikte informatiepositie van de Stichting e.a. gedurende dit dossier. Verder geven de Stichting e.a. aan dat zij hun bezwaren tegen de omgevingsvergunning zelfstandig en uitvoerig feitelijk, technisch en juridisch onderbouwd hebben en dat de alsnog beschikbaar gekomen Woo-documenten daarvoor niet bepalend zijn geweest. 6.1. Op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het onderzoek heropenen, als zij oordeelt dat dit onvolledig is geweest. Dit is een bevoegdheid die ter discretie van de rechtbank staat en waarvan de toepassing doorgaans geen nadere motivering behoeft. 6.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Ondanks de omstandigheid dat dit oordeel geen nadere motivering behoeft, wil de rechtbank hierover wel het volgende opmerken. Met de ingebrachte stukken heeft de
Bronpassage s0009
Stichting e.a. volgens de rechtbank hun informatiepositie en de proceshouding van Defensie willen schetsen. Deze schets door de Stichting e.a. heeft niet tot gevolg dat het onderzoek in deze zaak onvolledig is. Daarbij merkt de rechtbank op dat de Stichting e.a. al zelf hebben opgemerkt dat zij hun bezwaren tegen de omgevingsvergunning zelfstandig en uitvoerig feitelijk, technisch en juridisch onderbouwd hebben en dat de beschikbaarheid van Woo-documenten daarvoor niet bepalend is geweest. Na sluiting ingediende stukken in zaak 25/5666 7. [eiser 7] heeft op 16 september 2026 aan de rechtbank drie documenten gezonden. Dit gaat om achtereenvolgens zijn commentaar en de reactie op het verslag van de STAB en aanvulling van zijn bezwaarschriften van 12 mei 2026, een verwijzing naar verschillende krantenartikelen over Woo-documenten en een tekening van een alternatief radarstation. 7.1. De rechtbank ziet ook gelet op deze ingebrachte stukken geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Ook hiervoor geldt dat de rechtbank niet van oordeel is dat het onderzoek in deze zaak onvolledig is geweest. Omvang van het geding 8. De Stichting e.a. stellen dat zij de door hen ingediende zienswijzen niet kon aanvullen of voorzien van nieuwe feiten gelet op procedurele belemmeringen in gevoerde Woo-procedures. 8.1. De rechtbank overweegt dat in deze procedure alleen de omgevingsvergunning voorligt. Daarom beoordeelt de rechtbank niet of onzorgvuldig is gehandeld in de genoemde Woo-procedures. W
Bronpassage s0010
at de Stichting e.a. aanvoeren over de Woo valt buiten de omvang van dit geschil. Dat betreft een afzonderlijke procedure. Wat de Stichting e.a. daarover aanvoeren zal de rechtbank daarom in deze procedure niet bespreken. 8.2. Verder komt de rechtbank ook niet toe aan de stelling van [eiser 7] dat de provincie onzorgvuldig heeft gehandeld in het kader van de gedane melding over een vervuiling van water van een zwemlocatie. Los van de omstandigheid dat de provincie niet deelneemt aan deze procedure vormt het handelen van de provincie ook geen onderdeel van deze procedure. Wat hier ook van zij, dit kan niet leiden tot de conclusie dat de omgevingsvergunning onrechtmatig is. Goede procesorde in zaak 25/5714 9. De rechtbank heeft op 8 juni 2026, tien dagen voor de zitting, van de Stichting e.a. een schrijven ontvangen met een nadere toelichting en nadere stukken. Deze stukken bestaan uit 18 bijlages waarvan verschillende stukken een grote omvang hebben. 9.1. De rechtbank laat dit schrijven en de daarbij gevoegde stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing. Voor het aannemen van deze strijd acht de rechtbank het van belang dat de overige partijen niet voldoende tijd hebben gehad om zich voor de zitting inhoudelijk uit te laten over de door de Stichting e.a. ingebrachte toelichting en de daarbij gevoegde stukken. De procedure had moeten worden aangehouden als de stukken wel in beschouwing hadden worden genomen, nu er voor de andere partijen ook deskundigheid no
Bronpassage s0011
dig is om adequaat te kunnen reageren op de brief en de daarbij gevoegde stukken. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de brief en daarbij gevoegde stukken van een grote omvang zijn en eerder ingediend hadden kunnen worden. Ontvankelijkheidskwesties ARN 25/5654 ( [eiser 5] ) 10. De rechtbank overweegt ambtshalve dat [eiser 5] na het instellen van haar beroep is overleden. Op 15 juni 2026 heeft de rechtbank aan de gemachtigde van wijlen [eiser 5] verzocht om een notariële verklaring van erfrecht mee te nemen naar de zitting, zodat de rechtbank zou kunnen beoordelen wie de erfgenamen zijn en wie bevoegd is om namens de erfgenamen op te treden. Alleen uit een verklaring van erfrecht blijkt onomstotelijk wie de erfgenamen zijn en wie eventueel bij testament is aangewezen de boedel bij uitsluiting te vertegenwoordigen. 10.1. Op grond van artikel 4:188, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek is een verklaring van erfrecht een notariële akte waarin een notaris vermeldt dat een of meer in de verklaring genoemde personen, al dan niet voor bepaalde erfdelen, erfgenaam zijn of de enige erfgenamen zijn, met vermelding of zij de nalatenschap reeds hebben aanvaard. 10.2. De gemachtigde van wijlen [eiser 5] heeft, ter reactie op de brief van de rechtbank van 15 juni 2026, dezelfde dag gereageerd. Hij heeft in dit schrijven gesteld dat een verklaring van erfrecht nog steeds niet is verstrekt aan de volgens hem enige erfgename van wijlen [eiser 5] , haar kleindo
Bronpassage s0012
chter, en dat mogelijk Zwitsers erfrecht een rol speelt. 10.3. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van wijlen [eiser 5] niet heeft voldaan aan het verzoek van de rechtbank om een originele verklaring van erfrecht te over te leggen. De eigen verklaring van deze gemachtigde volstaat hiervoor niet. Nu voor de rechtbank niet is gebleken dat de rechtverkrijgenden van wijlen [eiser 5] de beroepsprocedure willen voortzetten, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. ARN 25/5682 (Raad, College en gemeente West-Betuwe) 11. Artikel 1.4 van de Chw luidt: ‘In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort.’ 11.1. De gemeenteraad van de gemeente West-Betuwe, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West-Betuwe en de (publiekrechtelijke rechtspersoon) gemeente West-Betuwe (de gemeente) betogen dat de volledige uitsluiting van hun toegang tot de bestuursrechter zoals neergelegd in artikel 1.4 van de Chw zich niet verdraagt met artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus en de uitleg
Bronpassage s0013
die het Hof van Justitie van de Europese Unie daaraan in haar uitspraak van 14 januari 2021 heeft gegeven en dat artikel 1.4 van de Chw daarom buiten toepassing moet worden gelaten. Ter onderbouwing van dit betoog verwijzen zij naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 mei 2022. 11.2. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 5 augustus 2026 heeft geoordeeld over het hoger beroep dat was ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 25 mei 2022. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte artikel 1.4 van de Chw buiten toepassing heeft gelaten en daarom ten onrechte de beroepen van het bestuursorgaan inhoudelijk heeft beoordeeld. De Afdeling heeft overwogen dat het volledig uitsluiten van de toegang van, in dat geval het college, tot de bestuursrechter niet in strijd is met artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus en ook niet uit het unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming volgt dat toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiend uit Europees recht uitsluitend plaats moet vinden bij de bestuursrechter. Verder heeft de Afdeling overwogen dat de rechtspraak van de Afdeling over toepassing van artikel 6:13 van de Awb in relatie tot het verdrag van Aarhus niet geldt voor toepassing van artikel 1.4 van de Chw. 11.3. Gelet op voorgaande uitspraak van de Afdeling en het feit dat in die uitspraak de door de gemeente in deze procedure gegeven argumenten zijn besproken e
Bronpassage s0014
n verworpen, verklaart de rechtbank het beroep van de gemeente tegen de omgevingsvergunning niet-ontvankelijk. Op grond van artikel 1.4 van de Chw kan de gemeente namelijk geen beroep bij de bestuursrechter instellen tegen de omgevingsvergunning. ARN 25/5666 (beroep [eiser 7] en anderen) 12. Wat betreft het beroep van [eiser 7] en anderen merkt de rechtbank op dat [eiser 7] stelt dat dit beroep mede is ingesteld door anderen, te weten De Gelderse Onderzoeksgroep en een aantal mensen dat zwemt in de Zandpunt in de buurt van Herwijnen. Niet is gebleken dat de Gelderse Onderzoeksgroep een rechtspersoon is, zoals een vereniging of stichting. Het is een groep natuurlijke personen. Van die groep mensen is tijdens de beroepstermijn niet vast komen te staan wie die personen zijn. Wat betreft de gestelde groep zwemmers merkt de rechtbank op dat [eiser 7] ter zitting een aantal machtigingen heeft overlegd waaruit blijkt dat hij is gemachtigd om het woord te voeren tijdens de zitting bij de rechtbank op 18 juni 2026 en hem is gemachtigd om aangifte te doen van de vervuiling van de zwemputlocatie in Herwijnen. Verder heeft [eiser 7] ter zitting een schrijven ingebracht waarop een aantal namen is weergegeven van mensen waarvan [eiser 7] aangeeft dat deze mensen regelmatig zwemmen in de zwemputlocatie. De rechtbank stelt vast dat ook van de groep zwemmers tijdens de beroepstermijn niet is vast komen te staan wie die personen zijn. De ingebrachte machtigingen en de lijst van namen zijn name
Bronpassage s0015
lijk ingebracht na het sluiten van de beroepstermijn. 12.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 20 juli 2005 kan de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn namelijk nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe om het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. Het beroep, voor zover dat is ingesteld door De Gelderse Onderzoeksgroep en een groep zwemmers, is daarom niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover dat is ingesteld door [eiser 7] zal inhoudelijk worden beoordeeld. Totstandkomingsprocedure 13. Zoals onder 3.1 overwogen hebben de minister en staatssecretaris van Defensie en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening besloten om zelf een bestemmingsplan te maken – een rijksinpassingsplan geheten – en vanwege de urgentie die volgens Defensie is gemoeid met het nieuwe radarstation is ook gelijktijdig de benodigde omgevingsvergunning te
Bronpassage s0016
verlenen voor het bouwen en in werking hebben van het radarstation aangevraagd en vervolgens verleend door de minister. Zoals onder 3.3 overwogen heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat de totstandkomingsprocedure een gebrek had. Dit gebrek is gerepareerd door de doorzending van de beroepen van de eisende partijen naar deze rechtbank. 13.1. Op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover van belang, is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de aanvraag om een omgevingsvergunning indien de aanvraag gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Dit betekent dat de zogenoemde uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is op onderhavige omgevingsvergunning (de zogeheten uov-procedure). De rechtbank stelt voorop dat alles wat er reeds voorafgaand aan deze wettelijke procedure heeft plaatsgevonden geen gevolgen kan hebben voor de rechtmatigheid van deze omgevingsvergunning. Daarom zal de rechtbank niet ingaan op de stellingen van verschillende eisende partijen waarin onder meer is gesteld dat Defensie een strategie heeft gehanteerd die alleen is gericht op vergunningverlening, dat Defensie niet transparant is geweest dan wel verkeerde informatie heeft gegeven in de beantwoording van Kamervragen en Defensie een privaatrechtelijke overeenkomst heeft gesloten om aanpassingen aan de woning van [eisers 10] te verrichten. 13.2. Van 5 april 2024 tot en met 16 mei 2024 hebben d
Bronpassage s0017
e aanvraag en een ontwerp van de omgevingsvergunning ter inzage gelegen. Op grond van artikel 3:12, vijfde lid, van de Wabo is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen over het ontwerp naar voren te brengen. In totaal zijn 230 zienswijzen ingediend op de ontwerp-omgevingsvergunning. De eisende partijen in deze procedure hebben ook ieder zienswijzen ingediend. De beantwoording van de zienswijzen is neergelegd in de Nota van Beantwoording (zienswijzennota) en deze zienswijzennota maakt integraal onderdeel van de omgevingsvergunning. 13.3. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure alleen het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning centraal staat. De rechtbank zal daarom alleen de beroepsgronden van eisers die zien op de totstandkomingsprocedure van de omgevingsvergunning behandelen en zal zich niet uitlaten over de beroepsgronden van eisers die zien op de totstandkoming van het rijksinpassingsplan. 13.4. De verschillende eisende partijen hebben betoogd dat de totstandkomingsprocedure van de omgevingsvergunning gebrekkig is verlopen en dat de ingediende zienswijzen niet, niet volledig of onjuist zijn beantwoord. 13.5. De minister stelt zich op het standpunt dat hij ervoor heeft gekozen om de zienswijzen samengevat weer te geven in de zienswijzennota en vervolgens op de zienswijzen heeft gereageerd door een verwijzing naar de thematische hoofdstukken en/of een individuele reactie. Op die manier zijn alle bezwaren en argumenten in de besluitvorming betrok
Bronpassage s0018
ken, aldus de minister. Zijn de zienswijzen gebrekkig of niet beantwoord? 14. De verschillende eisende partijen betogen samengevat dat de totstandkomingsprocedure van de omgevingsvergunning gebrekkig en verkeerd is doorlopen. Zij stellen onder meer dat zij zich niet gehoord voelen en niet gehoord zijn over de door haar ingediende zienswijzen. Verder stellen zij dat in de zienswijzennota niet alle punten zijn meegenomen en dat sommige antwoorden een verwijzing naar een paragraaf bevatten waarin de vraag niet inhoudelijk, onjuist of zonder de juiste nuance wordt beantwoord. 14.1. De rechtbank stelt voorop dat de uov-procedure niet de verplichting voor het bevoegde gezag kent om degenen die zienswijzen tegen het ontwerp van het besluit hebben ingebracht, voorafgaand aan het nemen van het definitieve besluit te horen. 14.2. Voor zover de eisende partijen stellen dat hun zienswijzen niet, onvolledig dan wel niet zijn beantwoord, merkt de rechtbank het volgende op. Op grond van artikel 3:46 van de Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering. Op grond van artikel 3:46 Awb moet het bestuursorgaan daarom in de motivering van het bestreden besluit ingaan op de zienswijzen die naar voren zijn gebracht. Blijkens de rechtspraak van de Afdeling verzet artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen dat het bestuursorgaan de zienswijzen samengevat mag weergeven en verplicht dit artikel niet dat op ieder argument in een zienswijze apart en expliciet wordt ingegaan. 14.3. De re
Bronpassage s0019
chtbank stelt vast dat de zienswijze van [eisers 9] onder nummer 202404074 niet is opgenomen in de zienswijzennota. Dit is als zodanig ook bevestigd door een medewerker van het Rijksvastgoedbedrijf per mail van 2 april 2025. In deze mail heeft de betreffende medewerker toegelicht dat er op 8 mei 2024 vier zienswijzen zijn ontvangen die gelijkluidend zijn, waaronder die van [eisers 9] . Ook heeft de medewerker in de betreffende mail opgenomen dat de andere drie zienswijzen, die dus inhoudelijk gelijk zijn aan de zienswijze van [eisers 9] , met eenzelfde motivering zijn beantwoord, zodat die motivering daarom ook van toepassing is op de zienswijze van [eisers 9] . Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eisers veronderstellen, wel een reactie gegeven op de inhoud van de zienswijze van de [eisers 9] en zijn hun belangen wel degelijk meegenomen in de besluitvorming. Voor zover [eisers 9] stellen dat in de zienswijzennota niets is opgemerkt over ICD’s merkt de rechtbank op dat in de memo ‘Publieksvriendelijke uitleg’ van het TNO, die als bijlage bij de zienswijzennota is gevoegd, in wordt gegaan op de effecten van het radarstation op elektronische apparatuur zoals ICD’s. 14.4. De rechtbank stelt vast dat de minister in de zienswijzennota de benoemde punten uit de zienswijzen van de eisende partijen, met uitzondering van de zienswijze van [eisers 9] , heeft beantwoord door ofwel te verwijzen naar thematische hoofdstukken ofwel naar een individuele reactie. Hun
Bronpassage s0020
stellingen dat in dit geval de beantwoording van hun zienswijzen algemeen is en er voor een buitenstaander een juist antwoord lijkt te zijn gegeven, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat de omgevingsvergunning onvoldoende is gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet. Toetsingskader De vergunde activiteiten 15. In de omgevingsvergunning zijn, met het oog op de voorgenomen realisatie en de ingebruikname van het radarstation op het perceel, twee zogenoemde activiteiten vergund die van elkaar moeten worden onderscheiden. Enerzijds is een toestemming aangevraagd en verleend voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Anderzijds is er een toestemming aangevraagd en verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, sub 1 en 3, van de Wabo. 15.1. De rechtbank overweegt nogmaals dat in deze procedure alleen de omgevingsvergunning wordt getoetst die is verleend door de minister en dan in het bijzonder de hierboven genoemde activiteiten. De vraag of het plaatsen en gebruiken van het radarstation op deze locatie in strijd is met een goede ruimtelijke ordening kan in deze procedure daarom niet aan de orde komen. De omgevingsvergunning is namelijk niet in strijd met het rijksinpassingsplan. In de procedure tegen het rijksinpassingsplan is deze vraag aan de orde geweest. 15.2. De rechtbank stelt vast dat eisers geen beroepsgronden hebben aangevoerd die betrekkin
Bronpassage s0021
g hebben op de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’. Eisers hebben alleen beroepsgronden aangevoerd die betrekking hebben op de activiteit ‘het oprichten en in werking hebben van een inrichting’. 15.3. Het eerste lid van artikel 2.14 van de Wabo bevat de toetsingsgronden voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet. Het bevat gronden die in ieder geval bij de beslissing moeten worden betrokken, gronden waarmee in ieder geval rekening moet worden gehouden en gronden die in ieder geval in acht moeten worden genomen. In het derde lid van artikel 2.14 van de Wabo is bepaald dat de omgevingsvergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Dit betekent dat de minister een zekere beoordelingsruimte heeft bij de afweging of een omgevingsvergunning al dan niet, in het belang van de bescherming van het milieu, moet worden geweigerd. 15.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen geeft het hiervoor weergegeven toetsingskader aan het bevoegd gezag niet de ruimte om een omgevingsvergunning (voor milieu) uitsluitend uit voorzorg te weigeren. Het college moet nagaan of het belang van de bescherming van het milieu eraan in de weg staat dat de omgevingsvergunning wordt verleend. Dit betekent dat het aan het bevoegd gezag bij een weigering is de belangen te benoemen die zich verzetten tegen het toelaten van de
Bronpassage s0022
aangevraagde milieuactiviteit. Alleen belangen waarover voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat, kunnen in dit verband een rol spelen. Ook voor belangen die zijn gerelateerd aan gezondheid betekent dit dat op grond van algemeen wetenschappelijk aanvaarde inzichten moet vast staan dat de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd zodanige risico’s oplevert, dat om die reden nadere voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden dan wel dat de omgevingsvergunning om die reden moet worden geweigerd. 15.5. Defensie heeft bij haar aanvraag een document gevoegd waarin zij een zogenoemde ICNIRP-contour heeft bepaald. Met dit document heeft Defensie een contour willen schetsen waarbuiten verondersteld mag worden dat het toegankelijk is voor derden en waarbinnen niet gegarandeerd voldaan kan worden aan de stralingsrichtlijn van de International Commission On Non-Ionizing Radation Protection (ICNIRP). Dit betreft daarmee een denkbeeldige omlijning om het radarstation waarbij de gebieden buiten deze contour voor het algemeen publiek toegankelijk zijn en binnen deze contour niet. Deze ICNIRP-contour wordt achtereenvolgens gevormd door: Een halve bol met een straal van 1200 meter waarvan het centrum in het hart van de radar op 24 meter boven het maaiveld is gelegen; De onderkant van deze bol wordt gevormd door een vlak waarbij de hoogte (h) als functie is beschreven: h = ( (Variabelen h en a in meters) Deze halve bol sluit aan de onderzijde aan op een
Bronpassage s0023
cilinder met een straal van 300 meter rond het centrum van het radarstation welke aan de onderzijde doorloopt tot 6 meter boven het maaiveld Tot een afstand van 35 meter rond het centrum van het radarstation loopt bovengenoemde cilinder door tot 4 meter boven het maaiveld. De bovengenoemde ICNIRP-contour is visueel op onderstaande afbeeldingen zichtbaar gemaakt: 15.6. De eisende partijen hebben een groot aantal beroepsgronden en argumenten aangevoerd waarom volgens hen de plaatsing en inwerkingtreding van het radarstation onevenredige risico’s oplevert voor de gezondheid van mensen en dieren als gevolg van straling. Alvorens de rechtbank op deze beroepsgronden zal ingaan, zal zij eerst de beroepsgrond van [eisers 6] bespreken waarin zij aanvoeren dat het radarstation voor geluidsoverlast zal zorgen. Geluid 16. [eisers 6] betogen dat het radarstation voor geluidsoverlast zal zorgen. Hierbij verwijzen zij naar de ervaringen bij het bestaande radarstation in Wier, waar het radarstation in de nachtelijke uren stilgezet moet worden. Ook vinden zij onjuist dat voor de geluidsnormen gebruik is gemaakt van de Handreiking industrielawaai (de handreiking), omdat het radarstation in een landelijk gebied komt te staan en het radarstation een zendinstallatie is, geen industriële installatie. 16.1. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het radarstation in Wier in de nachtperiode moest worden stilgezet vanwege overschrijdingen van de geluidsnormen in de nachtp
Bronpassage s0024
eriode. Van die overschrijding is volgens de minister sinds aanpassingen van dat radarstation in 2023 geen sprake meer. Dat is door [eisers 6] niet bestreden. In zoverre ontbeert het betoog feitelijke grondslag. 16.2. Wat betreft de handreiking is de rechtbank van oordeel dat de minister die handreiking als toetsingskader heeft kunnen gebruiken. Anders dan [eisers 6] veronderstellen, is niet de locatie van het radarstation - in het buitengebied van de gemeente West Betuwe – bepalend voor de toepasselijkheid van de handreiking, maar het type geluid dat wordt veroorzaakt. De handreiking is opgesteld als hulpmiddel bij het voorkomen en beperken van hinder door industrielawaai. Het gaat dus om de beoordeling van industriegeluid, wat niet altijd afkomstig hoeft te zijn van een industrieterrein. Dat het radarstation niet op een industrieterrein wordt gebouwd, betekent daarom niet dat de handreiking niet kan worden toegepast. Wel maakt de plek van het radarstation verschil voor de richtwaarden die van toepassing zijn. In landelijk gebied zijn die waarden lager. De minister heeft de omgevingsvergunning ook getoetst aan die lagere richtwaarden en deze richtwaarden als voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning. Verder merkt de rechtbank op dat het radarstation weliswaar een zendinstallatie is, maar het radarstation daarnaast ook een mechanisch geluid veroorzaakt door het draaien van de radar. Niet valt in te zien waarom de minister specifiek voor dit geluid, dat zich naar zijn
Bronpassage s0025
aard niet onderscheidt van vergelijkbaar industrieel geluid, niet konden uitgaan van de handreiking. 16.3. Voor de omgevingsvergunning (en het inpassingsplan) is een geluidsonderzoek gedaan. Dat is opgenomen in het rapport ‘Radarpost-Zuid, Herwijnen’ van 21 juni 2023, opgesteld door het adviesbureau De Haan . Daarin wordt kort samengevat geconcludeerd dat bij de dichtstbijzijnde woning – die niet de woning van [eisers 6] is – aan de richtwaarden van de handreiking kan worden voldaan. [eisers 6] hebben niet onderbouwd in welk opzicht het geluidsonderzoek gebrekkig zou zijn. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan deze conclusie te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet. Straling 17. De rechtbank zal in de volgende overwegingen beoordelen of de minister heeft kunnen besluiten dat de aanvraag niet geweigerd hoefde te worden in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder mede wordt verstaan, gezondheidsrisico’s. De beroepsgronden en argumenten van de eisende partijen heeft de rechtbank onderverdeeld in de volgende rechtsvragen: Heeft de minister aansluiting kunnen zoeken bij de ICNIRP-richtlijnen van de International Commission On Non-Ionizing Radation Protection?; Zijn de mogelijke risico’s op gezondheidsschade voor mensen als gevolg door straling van het radarstation afdoende onderzocht door de minister en zijn de gestelde voorschriften in de omgevingsvergunning voldoende om stralingsrisico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken? Zijn de mogelijke risico’s op
Bronpassage s0026
schade voor flora en fauna als gevolg door straling van het radarstation afdoende onderzocht door de minister? Relativiteitsvereiste 18. De rechtbank stelt vast, op basis van de brief die zij hebben gestuurd, dat [eisers 10] niet langer wonen op het [adres 1] in [plaats ] . [eisers 10] wonen nu op een afstand van ongeveer 70 kilometer van de projectlocatie. Verder stelt de rechtbank vast, op basis van de brief van [eiser 4] , dat hij niet langer woont op het [adres 2] in [plaats ] . [eiser 4] is verhuisd naar het adres [adres 3] in [plaats ] en woont daarmee nu op een afstand van ongeveer 15 kilometer van de projectlocatie. De rechtbank ziet hierin aanleiding om eerst te bezien of de norm van bescherming van het milieu, voor zover deze ziet op het voorkomen van onevenredige (milieu) gevolgen op hun woon- en leefklimaat, strekt tot bescherming van de belangen van [eisers 10] en [eiser 4] . 18.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 18.2. De in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e
Bronpassage s0027
, ten 1°, van de Wabo opgenomen rechtsregel dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten van een inrichting strekt ter bescherming van het milieu en bevat daarmee een milieunorm. 18.3. [eisers 10] wonen nu op ongeveer 70 km en [eiser 4] op ongeveer 15 km afstand van de projectlocatie, waardoor de norm ‘bescherming van het milieu’ kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belang voor zover zij zich beroepen op het voorkomen van onevenredige (milieu) gevolgen op hun woon- en leefklimaat in directe omgeving vanwege hun woning vanwege straling. Gelet op het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb kan wat [eisers 10] en [eiser 4] hebben aangevoerd over straling niet leiden tot vernietiging van de omgevingsvergunning. De rechtbank ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond voor zover die is aangevoerd door [eisers 10] en [eiser 4] . Heeft de minister aansluiting kunnen zoeken bij de richtlijn(en) van de ICNIRP? 19. De eisende partijen Stichting e.a., [eiser 3] , [eisers 6] en [eisers 9] betogen dat de minister niet (zonder meer) aansluiting heeft kunnen zoeken bij de richtlijnen van de ICNIRP. Zij stellen onder meer dat er veel (wetenschappelijke) kritiek bestaat op de richtlijnen van de ICNIRP, omdat die richtlijnen vooral kijken naar thermische effecten, maar onvoldoende oog hebben voor andere schadelijke effecten van straling. Zo blijkt volgens hen dat uit vers
Bronpassage s0028
chillende studies is gebleken dat er in de ICNIRP-richtlijnen geen rekening is gehouden met storingen van medische apparaten zoals defibrilators. Verder stellen zij ook dat de richtlijnen van de ICNIRP niet door onafhankelijk onderzoek zijn beoordeeld en sprake is van belangenverstrengeling binnen de ICNIRP. Ter onderbouwing van dit laatste standpunt wordt verwezen naar een onderzoek van Europarlementariërs van juni 2020. 19.1. De minister voert hierover aan dat wel aansluiting kon worden gezocht bij de richtlijn(en) van de ICNIRP. De minister stelt dat in de ICNIRP-richtlijnen zeer restrictieve referentiewaarden worden gehanteerd die zijn gebaseerd op een grote hoeveelheid wetenschappelijk onderzoek. Daarbij merkt de minister op dat de referentiewaarden die in de richtlijnen zijn opgenomen regelmatig worden getoetst. Verder stelt de minister dat de Wereldgezondheidsorganisatie, de Raad voor de Europese Unie en de Gezondheidsraad adviseren om de ICNIRP-richtlijn te gebruiken. Ter zitting heeft de deskundige van het TNO uiteengezet dat in de ICNIRP-richtlijn meer dan alleen naar thermische effecten is gekeken. Ook de niet-thermische effecten zijn volgens hem onderzocht in de ICNIRP-richtlijnen. 19.2. In de omgevingsvergunning heeft de minister toegelicht dat voor de toets aan de stralingsveiligheid de ICNIRP-richtlijnen van 1998 en 2020 zijn gehanteerd. Daarbij is toegelicht dat het uitgangspunt is dat op plaatsen buiten de inrichting die toegankelijk zijn voor derden, de elek
Bronpassage s0029
tromagnetische velden die door de in de inrichting aanwezige SMART-L radar gezamenlijk worden opgewekt, niet hoger mogen zijn dan de in de ICNIRP-richtlijnen vastgestelde basisrestricties en referentieniveaus. 19.3. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de minister in het kader van de stralingsveiligheid, aansluiting heeft mogen zoeken bij de richtlijnen van de ICNIRP. 19.4. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten om aan te sluiten bij de waardes uit de richtlijnen van de ICNIRP. Uit hetgeen de eisende partijen hebben aangevoerd blijkt dat er wetenschappelijke kritiek bestaat op de ICNIRP-blootstellingslimieten. De rechtbank ziet hierin echter geen grond voor het oordeel dat dat deze kritiek en zorgen ertoe leiden dat de blootstellingslimieten van de ICNIRP ondeugdelijk zijn en onvoldoende bescherming bieden. De rechtbank acht daarbij van belang dat uit de overgelegde stukken weliswaar blijkt dat er kritiek is op de ICNIRP-richtlijnen, maar deze kritiek is niet zo breed gedragen dat er wetenschappelijke consensus bestaat over de wetenschappelijke ondeugdelijkheid van de beoordelingslimieten van de ICNIRP. Daarbij adviseert onder andere de Gezondheidsraad ook om deze beoordelingslimieten te hanteren. Dat andere landen strengere blootstellingslimieten hanteren geeft geen de rechtbank aanleiding om tot een andere conclusie te komen. In wat de eisende partijen hebben aangevoerd over de onafhankelijk van de ICNIRP ziet
Bronpassage s0030
de rechtbank ook geen reden waarom niet van de blootstellingslimieten uitgegaan kan worden. Hoewel de rechtbank uit hetgeen eisers hebben aangevoerd afleidt dat er tot op zekere hoogte discussie bestaat over de samenstelling van de ICNIRP, ziet de rechtbank daarin onvoldoende grond voor de conclusie dat het ICNIRP niet onafhankelijk opereert en dat daarom niet van diens conclusies uitgegaan mag worden. De beroepsgrond slaagt niet. Zijn de mogelijke risico’s op gezondheidsschade als gevolg door straling van het radarstation afdoende onderzocht en beperkt door de minister? 20. Op grond van artikel 3:2 van de Awb dient een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaren. De rechtbank zal gelet op deze verplichting in de volgende overwegingen beoordelen of de minister bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning de nodige kennis heeft vergaard over de stralingsbelasting van het radarstation en de risico’s voor de gezondheid hiervan. 20.1. In de voorbereiding van de omgevingsvergunning en het rijksinpassingsplan hebben Defensie en de minister verschillende onderzoeken, rapporten en adviezen laten uitvoeren en opstellen waarin de gevolgen van straling door de ingebruikname van het radarstation zijn berekend of gemeten en eerder gedane onderzoeken zijn gevalideerd. Ten eerste betreft dit het Safety Assesment Report van het bedrijf Thales van 5 april 2023. Dit bedrijf is de leverancier van het rad
Bronpassage s0031
arstation. In dit rapport verklaart Thales dat het niveau van de elektromagnetische straling ten gevolge van het SMART-L MM/F systeem in Herwijnen onder de norm gestelde grenswaarde zal blijven in het gebied buiten de ICNIRP-Contour. Ten tweede betreft dit drie rapporten van het TNO. In het eerste rapport van januari 2020 is geconcludeerd dat de SMART-L radar voldoet aan de blootstellingslimiet van de ICNIRP-richtlijn van 1998. In het tweede rapport van augustus 2020 is geconcludeerd dat de SMART-L radar voldoet aan de blootstellingslimieten van de ICNIRP-richtlijnen van zowel 1998 als die van 2020. In het derde rapport van 21 september 2021 heeft TNO geconcludeerd dat de realisatie van de SMART-L radar geen overschrijding van de gelijktijdig samengestelde blootstelling zal veroorzaken. Ten derde is er een advies ingebracht van het Agentschap Telecom van het Ministerie van Economische zaken en Klimaat (het Agentschap) van 14 december 2020. In dit advies heeft het Agentschap de rapporten van TNO van januari en augustus 2020 (technisch) beoordeeld. In dit advies concludeert het Agentschap dat de resultaten van die TNO door berekening heeft verkregen aannemelijk maken dat de ICNIRP blootstellingsniveaus op de door TNO berekende afstanden onder de ICNIRP limieten blijven. Ten vierde en tot slot zijn er verschillende meetrapporten van DEKRA (een industriële inspectie-instelling) bij de aanvraag gevoegd. Blijkens het meetrapport van 7 juni 2021 zijn de stralingsintensiteiten gemete
Bronpassage s0032
n op verschillende afstanden vanaf een locatie in Wier waar een vergelijkbare SMART-L radar actief is. Blijkens de meetresultaten worden nergens de blootstellingslimieten uit de ICNIRP-richtlijnen overschreden. In het tweede meetrapport van 18 september 2024 concludeert DEKRA wederom dat de ICNIRP-richtlijnen niet worden overschreden. 20.2. Verschillende eisende partijen hebben in deze procedure een rapport ingebracht waaruit volgens hen door middel van berekeningen en redereneringen blijkt dat de meetrapporten van DEKRA tot stand zijn gekomen met behulp van door Defensie gemanipuleerde variabele antenneversterkingen. Dit rapport van 15 april 2025 is opgesteld door eisende partij [eiser 3] en een oud-medewerker van het Agentschap Telecom, [oud-medewerker] . 20.3. De minister heeft het door verschillende eisers ingebrachte rapport laten beoordelen door het TNO en deze beoordeling ingebracht in deze procedure. Deze beoordeling is neergelegd in de notitie van 18 december 2025. TNO komt in deze notitie tot de conclusie dat verscheidene in het door eisers ingebrachte rapport gehanteerde uitgangspunten en rekenmethodieken incorrect zijn. 20.4. De eisende partijen betogen samengevat dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen die de straling afkomstig van het radarstation heeft op de gezondheid van mensen. De eisende partijen stellen onder meer dat het radarstation in verschillende modi niet kan voldoen aan de ICNIRP-richtlijnen en risico’s op schade op de ge
Bronpassage s0033
zondheid als gevolg van blootstelling aan straling wordt gebagatelliseerd dan wel onderschat door de minister. Advies van de STAB ex artikel 8:47 van de Awb 21. Nu de beroepsgronden van de eisende partijen betrekking hebben op een verschil van inzicht van verschillende (aangehaalde) deskundigen, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:47, eerste lid, van Awb, de STAB tot deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De STAB is verzocht antwoord te geven op de volgende vraag: ‘ Zijn de in de omgevingsvergunning gestelde voorschriften voldoende om de stralingsrisico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken? Betrek hierbij de rapportages van de minister en de verwijzingen naar rapportages in de beroepsgronden van eisers.’ 21.1. De STAB beantwoordt de gestelde vraag instemmend voor wat betreft het voldoen aan voorschrift 1.1.1 van de omgevingsvergunning waarin kortgezegd is voorgeschreven dat aan de ICNIRP-contour moet worden voldaan. Het voorschrift biedt volgens de STAB voldoende waarborg dat de blootstellingslimieten die gelden voor publiek toegankelijke locaties, niet mogen worden overschreden. 21.2. Meerdere eisende partijen hebben kortgezegd betoogd dat het advies van de STAB onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zo heeft de STAB volgens deze eisende partijen onder meer ten onrechte de onderzoeksvraag niet uitgebreid, de argumenten van de verschillende partijen niet even zwaar gewogen en is zij onvoldoende kritisch geweest op de deskundigenberichten die doo
Bronpassage s0034
r de minister zijn ingediend. 21.3. De rechtbank stelt voorop dat een bestuursrechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. 21.4. Op grond van artikel 8:47, derde lid, van de Awb heeft de rechtbank het voornemen tot het inschakelen van een deskundige van de STAB en de aan de deskundige voorgelegde vraag medegedeeld aan partijen. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de concept-vraagstelling. Verschillende partijen hebben van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt. Daaropvolgend heeft de rechtbank de partijen in kennis gesteld dat naar aanleiding van de reacties van partijen de vraagstelling is aangepast. Anders dan verschillende eisende partijen hebben gesteld kan en mag de STAB de onderzoeksvraag niet zelfstandig uitbreiden. Op grond van artikel 8:47, tweede lid, van de Awb is het namelijk de bestuursrechter die bij de benoeming van de deskundige de opdracht vermeldt die moet worden vervuld. Uit het STAB-advies volgt dat de STAB de partijen kenbaar heeft gemaakt dat de adviseurs van de STAB op 14 en 16 januari 2026 de locatie zouden bezoeken en dat partijen hun beroepen desgewenst kunnen toelichten op het gemeentehuis van de gemeente West Betuwe. Dat heeft geleid tot verschillend
Bronpassage s0035
e gesprekken met vertegenwoordigers op 14 en 16 januari 2026. Op 30 januari 2026 hebben de adviseurs van de STAB gesproken met de vertegenwoordigers van de minister. Op 24 maart 2026 heeft de STAB het conceptverslag digitaal aan partijen verzonden, met de mogelijkheid om daar binnen twee weken op te reageren. Deze termijn is op verzoek verlengd tot en met 21 april 2026. Verschillende partijen hebben binnen de gestelde termijn een reactie op het conceptverslag ingediend. Deze reacties zijn overgenomen in de appendix en voorzien van een reactie door de STAB in het definitieve verslag. Op 15 mei 2026 heeft de STAB het definitieve verslag aangeboden aan de rechtbank. 21.5. Op grond van artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb hebben partijen na het uitbrengen van het deskundigenverslag de gelegenheid gehad hun zienswijzen daarop naar voren te brengen. Verschillende partijen hebben hun zienswijze naar voren gebracht. 21.6. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het advies van de STAB onzorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het advies niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. De rechtbank acht hiertoe van belang dat de STAB ter voorbereiding van het definitieve advies zorgvuldig te werk is gegaan door onder meer een locatiebezoek uit te voeren, gesprekken te voeren met de partijen en de partijen de mogelijkheid te bieden om op het conceptadvies te reageren. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de STAB in haar de
Bronpassage s0036
finitieve advies uitdrukkelijk is ingegaan op de door de eisende partijen ingebrachte reacties en waar nodig ook deze reacties (inhoudelijk) heeft weerlegd. Bovendien acht de rechtbank van belang dat de STAB in het advies uitvoerig uiteen heeft gezet hoe zij is omgegaan met de deskundigenberichten die door de minister zijn ingebracht. Tot slot acht de rechtbank van belang dat de STAB ook is ingegaan op de mogelijke gevolgen van straling voor medische apparatuur en de door eisers ingebrachte e-mail van 24 januari 2024 van Boston Scientific (een leverancier van pacemakers/ICD’s). 21.7. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van de juistheid van het STAB-advies. Het betoog van de eisende partijen geeft geen aanleiding om het STAB-advies niet bij de beoordeling te betrekken. Voorschriften 22. De rechtbank zal in de volgende overwegingen, met inachtneming van het STAB-advies, beoordelen of de minister met de vergunningvoorschriften de mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van straling afdoende heeft beperkt. Vergunningvoorschrift 1.1.1 22.1. In de omgevingsvergunning is onder 1.1.1 het volgende vergunningvoorschrift opgenomen: ‘1.1.1 Aan de ICNIRP-contour, zoals beschreven in het bij de aanvraag als bijlage M08A gevoegde rapport 'ICNIRP-contour SMART-L, d.d. 16-03-2023 versie 2.0' van het Ministerie van Defensie moet worden voldaan. Overschrijdingen van de ICNIRP 1998 en 2020 blootstellingslimieten mogen niet voorkomen in voor publiek toegankelijk gebied zoals gedefiniee
Bronpassage s0037
rd in het rapport 'ICNIRP-contour SMART-L, d.d. 16-03-2023 versie 2.0'.’ 22.2. Met bovengenoemd voorschrift is vastgelegd dat aan de ICNIRP-contour moet worden voldaan. In het STAB-advies heeft de STAB geconcludeerd dat dit voorschrift voldoende waarborgen biedt dat de blootstellingslimieten die gelden voor publiek toegankelijke locaties, niet mogen worden overschreden. De rechtbank ziet in de betogen van eisers, gelet op de onderbouwde conclusie van de STAB, geen aanleiding om te oordelen dat de minister met dit voorschrift onvoldoende bescherming voor de gezondheid ten gevolge van straling die afkomstig is van het radarstation. De vraag of in de feitelijke situatie aan deze ICNIRP-contour wordt voldaan geschiedt door metingen die volgens de hieronder uiteengezette voorschriften moeten worden uitgevoerd. Vergunningvoorschriften 1.1.2, 1.1.3, 1.1.4, 1.1.5, 1.1.6 en 1.1.16 22.3. In de omgevingsvergunning zijn onder 1.1.2, 1.1.3. 1.1.4, 1.1.5, 1.1.6 en 1.1.16 de volgende vergunningvoorschriften opgenomen: 1.1.2 Binnen 6 maanden na oplevering en vóór het operationeel in gebruik nemen van de radartoren en de radar dienen validatiemetingen uitgevoerd te worden. Uit de validatiemetingen moet blijken dat buiten de ICNIRP-contour genoemd in 1.1.1 geen ICNIRP blootstellingslimieten worden overschreden. De resultaten van deze 'inbedrijfsstellingsmetingen' dienen binnen vier weken na het uitvoeren van de metingen ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overlegd. 1.1.3 Indien uit
Bronpassage s0038
metingen blijkt dat niet voldaan wordt conform voorschrift 1.1.1, dienen maatregelen genomen te worden, welke blijkens een nieuwe validatiemeting leiden tot het voldoen aan voorschrift 1.1.1 alvorens de installatie operationeel in gebruik mag worden genomen. 1.1.4 Ten minste vier weken vóórdat de metingen bedoeld in voorschrift 1.1.3 worden uitgevoerd, wordt een meetplan ter goedkeuring toegestuurd aan het bevoegd gezag. 1.1.5 Ten behoeve van het uitvoeren van de metingen genoemd in 1.1.3 moet de radar in werking zijn. Een week voor het uitvoeren van de validatiemetingen dient het bevoegd gezag hiervan op de hoogte te worden gebracht. 1.1.6 De radar mag definitief in gebruik worden genomen als uit de validatiemetingen is gebleken dat geen blootstellingslimieten worden overschreden buiten de ICNIRP contour en hierop goedkeuring is gegeven door het bevoegd gezag. 1.1.16 De hoogte onder de ICNIRP-contour is het laagst over de eerste 300 meter vanaf de radartoren (6 meter). In voor publiek toegankelijk gebied buiten de inrichtingsgrenzen dienen verificatiemetingen binnen deze 300 meter in ieder geval plaats te vinden op een hoogte van 2 en 6 meter boven maaiveld. Onderstaande figuur uit de 'ICNIRP-contour SMART-L, d.d. 16-03-2023 versie 2.0' van het Ministerie van Defensie illustreert dit: 22.4. De rechtbank overweegt dat in bovengenoemde voorschriften eisen zijn gesteld aan wanneer en hoe validatiemetingen moeten worden uitgevoerd voordat radarstation (definitief) in werking ma
Bronpassage s0039
g worden gesteld. Deze validatiemetingen zijn noodzakelijk om definitief te kunnen bepalen of aan de ICNIRP-contour en de ICNIRP-blootstellingslimieten op voor publiek toegankelijke locaties wordt voldaan. In deze voorschriften is ook geregeld onder welke condities het radarstation in werking mag worden gesteld. De STAB heeft in haar advies opgenomen dat zij het van belang acht dat de metingen worden uitgevoerd door een onafhankelijke en geaccrediteerde instantie en dat dit niet in de voorschriften is geregeld. 22.5. Verschillende eisers hebben betoogd dat het voor hen onduidelijk is hoeveel tijd de validatiemetingen in beslag zullen nemen en of het radarstation tijdens het beoordelen van deze metingen ook in werking zal zijn. Verder hebben verschillende eisers ook vragen over welke instantie deze metingen gaat uitvoeren. Ook hebben eisers aangevoerd dat in de voorschriften ten aanzien van ingebruikname zowel de termen ‘definitief’ als ‘operationeel’ wordt gehanteerd en dat dit verwarrend is. 22.6. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister toegezegd dat het radarstation alleen wordt aangezet voor validatiemetingen die enkele weken zullen duren. Daarna wordt het radarstation uitgeschakeld totdat de validatiemetingen zijn goedgekeurd en pas daarna weer ingeschakeld, aldus de gemachtigde van de minister. Ook heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat met de termen ‘definitief’ en ‘operationeel’ hetzelfde wordt bedoeld. 22.7. De rechtbank stelt voorop dat middels
Bronpassage s0040
voorschrift 1.1.1 is geborgd dat moet worden voldaan aan de ICNIRP-contour. De naleving van de voorschriften van de omgevingsvergunning in deze procedure ligt in deze procedure niet voor. Wel ziet de rechtbank, gelet op het advies van de STAB, reden om voorschrift 1.1.2 aan te passen, omdat in dit voorschrift niet is geborgd door welke instantie deze validatiemetingen uitgevoerd moeten worden. De rechtbank zal zoals op zitting met partijen besproken om die reden het voorschrift als volgt aanpassen: ‘ Binnen 6 maanden na oplevering en vóór het operationeel in gebruik nemen van de radartoren en de radar dienen validatiemetingen uitgevoerd te worden door een geaccrediteerde instantie. Uit de validatiemetingen moet blijken dat buiten de ICNIRP-contour genoemd in 1.1.1 geen ICNIRP blootstellingslimieten worden overschreden. De resultaten van deze 'inbedrijfsstellingsmetingen' dienen binnen vier weken na het uitvoeren van de metingen ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd.’ Verder ziet de rechtbank aanleiding om voorschrift 1.1.6 aan te passen voor zover daarin de term ‘definitief’ wordt gebezigd. De rechtbank zal, gelet op de toelichting die is gegeven door de gemachtigde van de minister, de term ‘definitief’ in dit voorschrift vervangen door de term ‘operationeel’. Na deze aanpassing luidt dit voorschrift: ‘ De radar mag operationeel in gebruik worden genomen als uit de validatiemetingen is gebleken dat geen blootstellingslimieten worden overschreden buiten de
Bronpassage s0041
ICNIRP contour en hierop goedkeuring is gegeven door het bevoegd gezag.’ 22.8. Gelet op het voorgaande is het beroep van een deel van de eisende partijen op dit onderdeel gegrond en de rechtbank zal de omgevingsvergunning op deze onderdelen dan ook vernietigen. De rechtbank ziet in hetgeen eisers verder hebben aangevoerd geen reden om andere aanpassingen te verrichten in de genoemde voorschriften. Zo heeft de gemachtigde van de minister toegezegd dat de validatiemetingen enkele weken zullen duren en het radarstation na het uitvoeren van deze metingen wordt uitgeschakeld totdat deze metingen zijn goedgekeurd. Overige vergunningvoorschriften 22.9. De STAB heeft in haar advies geconcludeerd dat de voorschriften die zien op de veiligheidsvoorzieningen voldoende waarborgen bieden dat deze de beoogde extra laag van bescherming zullen bieden. Ook is volgens de STAB gewaarborgd dat het bevoegd gezag op de hoogte wordt gesteld van de rapportages van de in dit verband verplichte testen. Verder is volgens de STAB ook de staat van onderhoud voldoende gewaarborgd met de voorschriften en wordt met de voorschriften gewaarborgd dat een duidelijke fysieke barrière op de inrichtingsgrens wordt geplaatst. 22.10. De rechtbank ziet in de door eisers aangevoerde kanttekeningen bij deze overige vergunningvoorschriften geen grond om aan de bevindingen van de STAB in haar advies te twijfelen. De STAB heeft in haar advies uitvoerig uiteengezet waarom deze voorschriften volgens de STAB voldoende waarb
Bronpassage s0042
orgen bieden. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Conclusie gezondheid 23. De rechtbank komt, met inachtneming van het STAB-advies, tot het oordeel dat de minister de mogelijke risico’s op gezondheidsschade voor mensen als gevolg door straling van het radarstation afdoende heeft onderzocht en deze gevolgen door de minister met de gestelde voorschriften, na de hierboven opgenomen aanpassingen van de voorschriften 1.1.2 en 1.1.6, voldoende heeft beperkt tot een aanvaardbaar niveau. Flora- en Fauna 24. Verschillende eisers hebben betoogd dat de ingebruikname van het radarstation onevenredige gevolgen heeft voor flora- en fauna. Zo is door meerdere eisers gesteld dat vleermuizen mogelijk worden verstoord door de radarsignalen, bijvoorbeeld in hun trekgedrag. Verder hebben verschillende eisers twijfels bij de betrouwbaarheid van de uitgevoerde ecologische onderzoeken. Zo is door eiser [eisers 6] onder meer gesteld dat de betreffende locatie in zijn geheel was kaalgeslagen voordat de onderzoeken werden uitgevoerd. 24.1. De rechtbank stelt vast dat bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning een Quick scan natuur van het adviesbureau SAB van 22 februari 2023 (Quick scan) gevoegd. Deze Quick scan is op 16 oktober 2024 door SAB aangevuld (de aanvulling). In deze aanvulling heeft SAB een aanvullende beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten van het in gebruik hebben van het radarstation op de beschermde soorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen. In de aanvulling heeft SAB g
Bronpassage s0043
econcludeerd dat met de ingebruikname van het radarstation geen sprake is van een schadelijke handeling voor de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. 24.2. Zoals hierboven in 21.3 reeds is overwogen mag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. 24.3. De rechtbank oordeelt dat de minister, onder verwijzing naar de uitgevoerde onderzoeken, heeft kunnen besluiten dat de ingebruikname van het radarstation geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor flora- en fauna. De rechtbank acht daartoe van belang dat het onderzoek van 16 oktober 2024 navolgbaar is en dat hierin uitdrukkelijk is geconcludeerd dat met de ingebruikname van het radarstation geen sprake is van een schadelijke handeling op de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. De eisende partijen hebben daarentegen geen deskundig advies ingebracht waaruit volgt dat de door de minister aangehaalde adviezen ondeugdelijk zijn. De stelling dat het plangebied voorafgaand aan de onderzoeken kaal was geslagen, is niet onderbouwd en volgt de rechtbank daarom niet. De beroepsgrond slaagt niet. Eindconclusie 25. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen zijn de beroepen van wijlen [eiser 5] en de gemeente West Betuwe niet-ontvankelijk. Het beroep van [eiser 7] en anderen is deels niet-ontvankelijk, namelijk voor zover dat is ingesteld door de Gel
Bronpassage s0044
derse Onderzoeksgroep en een groep zwemmers. 25.1. De beroepen van [eisers 10] en [eiser 4] zijn ongegrond. 25.2. Het beroep van de andere eisende partijen is gegrond omdat de rechtbank van oordeel is dat twee vergunningvoorschriften aangepast dan wel aangevuld moeten worden. De rechtbank vernietigt daarom de omgevingsvergunning, maar de minister hoeft geen nieuw besluit te nemen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door deze voorschriften aan te passen, zoals genoemd onder rechtsoverweging 22.7 en deze uitspraak in de plaats te stellen van het vernietigde deel van het besluit. 25.3. Ter verduidelijking voor partijen merkt de rechtbank op dat dit tot gevolg heeft dat het radarstation gerealiseerd en gebruikt mag worden in overeenstemming met de omgevingsvergunning met de aangepaste voorschriften. Proceskosten Beroepen 25/5652, 25/5654, 25/5696 en 25/5682 26. De beroepen van wijlen [eiser 5] (25/5654) en de gemeente West-Betuwe (25/5682) zijn niet-ontvankelijk en de beroepen van [eiser 4] (25/5652) en [eisers 10] (25/5696) ongegrond. Zij krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beroep 25/5714 27. Het beroep van de Stichting e.a. (25/5714) is gegrond en daarom moet de minister het griffierecht aan de Stichting e.a. vergoeden en krijgen de Stichting e.a. ook een vergoeding van hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenome
Bronpassage s0045
n. Voor het indienen van de schriftelijke zienswijze op het STAB-advies, als bedoeld in artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb, krijgen de Stichting e.a. geen vergoeding toegekend omdat deze zienswijze door de rechtbank buiten beschouwing is gelaten. Beroepen 25/5659, 25/5676, 25/5666 en 25/5672 27.1. De beroepen van [eisers 6] (25/5659), [eisers 9] (25/5676), [eiser 7] voor het overige (25/5666) en [eiser 3] (25/5672) zijn gegrond. Omdat deze beroepen gegrond zijn moet de minister in deze vier beroepen aan de eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is voor deze eisers niet gebleken. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen van wijlen [eiser 5] (25/5654), de gemeente West-Betuwe (25/5682) en [eiser 7] (25/5666) en anderen, voor zover het is ingesteld door de Gelderse Onderzoeksgroep en een groep zwemmers, niet-ontvankelijk; - verklaart de beroepen van [eiser 4] (25/5652) en [eisers 10] (25/5696) ongegrond; - verklaart het beroep van de Stichting e.a. (25/5714), [eisers 6] (25/5659), [eisers 9] (25/5676), [eiser 7] voor het overige (25/5666) en [eiser 3] (25/5672) gegrond; - vernietigt de omgevingsvergunning; - vervangt de voorschriften 1.1.2 en 1.1.6 door de volgende voorschriften: 1.1.2 ‘ 1.1.2 ‘ Binnen 6 maanden na oplevering en vóór het operationeel in gebruik nemen van de radartoren en de radar dienen validatiemetingen uitgevoerd te worden door een geaccrediteerde instantie. Uit de validatiemeting
Bronpassage s0046
en moet blijken dat buiten de ICNIRP-contour genoemd in 1.1.1 geen ICNIRP blootstellingslimieten worden overschreden. De resultaten van deze 'inbedrijfsstellingsmetingen' dienen binnen vier weken na het uitvoeren van de metingen ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd.’ 1.1.2 ‘ 1.1.6 ‘ De radar mag operationeel in gebruik worden genomen als uit de validatiemetingen is gebleken dat geen blootstellingslimieten worden overschreden buiten de ICNIRP contour en hierop goedkeuring is gegeven door het bevoegd gezag.’ - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde omgevingsvergunning; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- moet vergoeden aan onderscheidenlijk [eisers 6] , [eisers 9] , [eiser 7] en eiser [eiser 3] ; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan de Stichting e.a. moet vergoeden; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de Stichting e.a.. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. E.C. Berkouwer, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026 griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze u
Bronpassage s0047
itspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5496. Uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 21 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10822. De toepasselijkheid van de Crisis-en herstelwet op onderhavige omgevingsvergunning volgt uit artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw in samenhang met onderdeel 2.1 van bijlage 1 bij de Chw. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:
Bronpassage s0048
2026:3023, r.o. 3.1. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853. Dit betreft het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:7. Dit betreft de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 25 mei 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:1543, r.o. 2.3 en 2.4. Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4577. Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4577, r.o. 4.2. Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4577. r.o. 4.1. Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4577. r.o. 4.2. Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT9632, r.o. 2.2.1. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9957, r.o. 2.4.1. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7724, r.o. 2.3.1. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1673, r.o. 5.1. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5638. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:164, r.o. 4. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:164, r.o. 8.1 Dit betreft het document: ‘ICNIRP-contour SMART-L’, versie 2.0, 16 maart 2023. ICNIRP-contour SMART-L, versie 2.
Bronpassage s0049
0, 16 maart 2023, p. 4. ICNIRP-contour SMART-L, versie 2.0, 16 maart 2023, p. 6. ICNIRP-contour SMART-L, versie 2.0, 16 maart 2023, p. 15. Zoals de minister uiteen heeft gezet in het verweerschrift onder paragraaf 2.5. Zoals opgenomen op pagina 25 van de omgevingsvergunning. Dit betreft het rapport: Radarpost-Zuid, Herwijnen, AH.2022.1343.00.R001, adviesbureau de Haan , 21 juli 2023. Radarpost-Zuid, Herwijnen, AH.2022.1343.00.R001, adviesbureau de Haan , 21 juli 2023, p. 30. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 4.3. Zoals verwoord in de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2975, r.o. 12.2. Zie het Advies 5G en gezondheid van de Gezondheidsraad van 2 september 2020, p. 28. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:486, r.o. 16.5. Vergelijk eveneens de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:486, r.o. 16.5. Dit betreft het rapport: Safety Assessment Report, Safety Statement RF Radiation, Verklaring omtrent de stralingsveiligheid van het SMART-L MM/F radarsysteem te Herwijnen, Thales, 5 april 2023. Safety Assessment Report, Safety Statement RF Radiation, Verklaring omtrent de stralingsveiligheid van het SMART-L MM/F radarsysteem te Herwijnen, Thales, 5 april 2023, p. 6. Dit betreft achtereenvolgens de rapporten: ‘TNO-rapport, TNO 2020 R10094, Evaluatie van gezondheidsaspecten door RF-velden afkomstig van de voorgenomen SMART-L radar te
Bronpassage s0050
Herwijnen’, TNO, januari 2020; ‘TNO-rapport, TNO 2020 R11278, Evaluatie van gezondheidsaspecten door blootstelling voorgenomen SMART-L radar te Herwijnen: aanvulling op rapportage TNO 2020 R10094’, TNO, augustus 2020; Memorandum TNO 2021 M11700, TNO, 21 september 2021. TNO-rapport, TNO 2020 R10094, Evaluatie van gezondheidsaspecten door RF-velden afkomstig van de voorgenomen SMART-L radar te Herwijnen, TNO, januari 2020, p. 3. TNO-rapport, TNO 2020 R11278, Evaluatie van gezondheidsaspecten door blootstelling voorgenomen SMART-L radar te Herwijnen: aanvulling op rapportage TNO 2020 R10094, TNO, augustus 2020, p. 3. Memorandum TNO 2021 M11700, TNO, 21 september 2021, p 8. Dit betreft het advies: ‘Beoordeling EMV rapporten Herwijnen, Agentschap Telecom, 14 december 2020. Beoordeling EMV rapporten Herwijnen, Agentschap Telecom, 14 december 2020, p. 3. Beoordeling EMV rapporten Herwijnen, Agentschap Telecom, 14 december 2020, p. 4. Dit betreft de meetrapporten: ‘Assessment report No: 2251914.0501-RSM’, DEKRA, 7 juni 2021 en ‘Assessment report No: 2281248.0501A-RSM’, DEKRA, 18 september 2024. Assessment report No: 2251914.0501-RSM’, DEKRA, 7 juni 2021, p. 4. Assessment report No: 2281248.0501A-RSM’, DEKRA, 18 september 2024, p. 4. Dit betreft het rapport: ‘SMART-L radar berekeningen. Benadering van het verticale antennediagram en het Thales Safety Assessment’, [persoon 1] en [persoon 14] , 15 april 2025. Dit betreft de memo: ‘Reactie op het document ‘SMART-L radar berekeningen. Ben
Bronpassage s0051
adering van het verticale antennediagram en het Thales Safety Assessment’ van [persoon 1] en [persoon 14] van 15 april 2025’, 18 december 2025, TNO. Reactie op het document ‘SMART-L radar berekeningen. Benadering van het verticale antennediagram en het Thales Safety Assessment’ van [persoon 1] en [persoon 14] van 15 april 2025’, 18 december 2025, TNO, p. 1. STAB-advies ‘Omgevingsvergunning oprichting radarstation Herwijnen’, 24 december 2025, p. 44. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2287, r.o. 9.1. STAB-advies ‘Omgevingsvergunning oprichting radarstation Herwijnen’, 24 december 2025, p. 7-8. STAB-advies ‘Omgevingsvergunning oprichting radarstation Herwijnen’, 24 december 2025, p. 7-8. STAB-advies ‘Omgevingsvergunning oprichting radarstation Herwijnen’, 24 december 2025, p. 3. STAB-advies ‘Omgevingsvergunning oprichting radarstation Herwijnen’, 24 december 2025, p. 4. STAB-advies ‘Omgevingsvergunning oprichting radarstation Herwijnen’, 24 december 2025, p. 5. Dit betreft het document: ‘Quick scan natuur, Herwijnen, Broekgraaf’, SAB, 22 februari 2023. Dit betreft het document: ‘Addendum Natuurtoets radarpost, Aanvulling op Natuurtoets Herwijnen, Broekgraaf, Rijksvastgoedbedrijf – 22 februari 2023, projectnummer 160239.04’, SAB, 16 oktober 2024 (in het document is het jaartal 2025 opgenomen, de rechtbank acht dit een kennelijke verschrijving). Addendum Natuurtoets radarpost, Aanvulling op Natuurtoets Herwijnen, Broekgraaf, Rijksvastgoedbed
Bronpassage s0052
rijf – 22 februari 2023, projectnummer 160239.04’, SAB, 16 oktober 2024, p. 8. Zie bijvoorbeeld uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:566, r.o. 4.1.
Het maatwerkvoorschrift voor wolvenvangst vervalt; de aanvraag blijft open voor beoordeling onder huidige regelgeving.s0012, s0013
Beroepen van Faunabescherming, Animal Rights en Werkgroep Wolf Leusden gegrond; Utrechtse bezwaarbesluiten vernietigd, maatwerkbesluit herroepen; voorlopige voorzieningen afgewezen.s0001, s0014
Rechtbank Midden-Nederland · 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6695
De rechtbank verklaart de beroepen van de Faunabescherming, Animal Rights en Werkgroep Wolf Leusden gegrond, vernietigt de bezwaarbesluiten en herroept het Utrechtse maatwerkvoorschrift voor het vangen van vijf wolven met een strikval. Bij toevoeging van een vangmiddel aan de bestaande Gelderse ontheffing had de aanvraag naar Gelderland moeten worden doorgestuurd. Als zelfstandige aanvraag kon zij niet via dit maatwerkvoorschrift worden toegestaan: daarmee werd volgens de rechtbank afgeweken van de specifieke zorgplicht. De aanvraag van Zodion ligt opnieuw open en moet worden bezien onder de huidige regelgeving. De overige beroepsgronden blijven onbeoordeeld; de verzoeken om voorlopige voorzieningen worden afgewezen.s0001, s0002, s0010, s0011, s0012, s0013
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De rechtbank verwerpt het betoog van de Faunabescherming dat de Europese wijziging van de beschermingsstatus onverbindend is. Volgens haar kon die wijziging via de gewone wetgevingsprocedure met gekwalificeerde meerderheid worden aangenomen. Zij stelt daarom geen prejudiciële vragen. Ten tijde van de Utrechtse besluitvorming gold geen specifieke vergunningplicht voor het vangen van de wolf, omdat de Europese wijziging nog niet nationaal was geïmplementeerd. De uitspraak vermeldt dat vanaf 11 juli 2026 weer een specifieke vergunningplicht geldt.s0003, s0007, s0008
Uit de uitspraak
De Gelderse ontheffing ziet volgens de rechtbank ook op de wolf en blijft gelden. Als Zodion uitsluitend een vangmiddel wilde toevoegen, had Utrecht de aanvraag moeten doorsturen naar gedeputeerde staten van Gelderland. Gelderland moest dan beoordelen of wijziging van de voorschriften mogelijk was tijdens de periode zonder vergunningplicht. Bij een afzonderlijke aanvraag bood het gekozen maatwerkvoorschrift evenmin uitkomst: het stond volgens de rechtbank een activiteit toe die strijdig was met de specifieke zorgplicht. De verwijzing naar populatiebeheer en schadebestrijding paste bovendien niet bij onderzoek voor wetenschap en onderwijs.s0009, s0010, s0011, s0012
Duiding
Voor de behandeling van een vergelijkbare aanvraag geeft deze uitspraak aanleiding eerst het aangevraagde te verduidelijken: gaat het om wijziging van een bestaande toestemming of om een zelfstandige activiteit? Dat onderscheid bepaalt hier mede welk college de aanvraag moet beoordelen en welke juridische route onderzocht moet worden. De uitspraak biedt geen zekerheid dat een andere route tot toestemming leidt. Voor Zodions opnieuw openliggende aanvraag moeten gedeputeerde staten de huidige regelgeving betrekken en rekening houden met het oordeel over maatwerk en de zorgplicht.s0010, s0011, s0013
Grenzen van deze toelichting
- De toelichting gebruikt uitsluitend de bewaarde uitspraaktekst; externe dossier- en actualiteitscontrole ontbreekt.
- De rechtbank beoordeelt de overige beroepsgronden niet, omdat de wettelijke grondslag voor de besluitvorming ontbreekt.
- De uitspraak beslist niet of de opnieuw openliggende aanvraag onder de huidige regelgeving kan worden toegestaan.
- De bron vermeldt de mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing op de beroepen, maar bevat geen informatie over een ingesteld hoger beroep.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Aanvraag voor vangen 5 wolven met strikval op Utrechtse Heuvelrug. Maatwerkvoorschrift gesteld door GS Utrecht voor vangen met strikval. Rechtbank stelt geen prejudiciële vragen, omdat de Habitatrichtlijn volgens juiste procedure is gewijzigd. Na wijziging van de beschermingsstatus van de wolf op Europees niveau gold geen specifieke vergunningplicht voor de wolf. De zorgplicht van artikel 11.27 Bal is geen juridische basis voor stellen van het maatwerkvoorschrift.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 26/5929, UTR 26/5928, UTR 26/6350 en UTR 26/6348 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2026 op de beroepen en verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaken tussen UTR 26/5929 en UTR 26/5928 Stichting De Faunabescherming , gevestigd in Amstelveen, eiseres/verzoekster (gemachtigde: mr. B.N. Kloostra), UTR 26/6350 en UTR 26/6348 1 Stichting Animal Rights, gevestigd in Den Haag, en 2 Stichting Werkgroep Wolf Leusden, gevestigd in Leusden, eisers/verzoeksters (gemachtigde: mr. C.M. van de Ven), hierna samen te noemen ‘eisers’ en het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht , verweerder (gemachtigde: mr. H. de Vries). Als derde-partij neemt aan alle zaken deel: Stichting Zodion Zoogdieronderzoek Nederland (rechtsopvolger van de ‘Zoogdierstichting’), gevestigd in Nijmegen (gemachtigde: dr. M.J.J. La Haye). Partijen worden hierna afzonderlijk ‘de Faunabescherming’, ‘Animal Rights’, ‘Werkgroep Wolf’, ‘gedeputeerde staten’ en ‘Zodion’ genoemd. Inleiding 1. Om onderzoek te kunnen doen naar in het wild voorkomende beschermde en strikt beschermde zoogdieren heeft Zodion, toen nog de Zoogdierstichting, op 1 juni 2023 ontheffing van een aantal verboden in de Wet natuurbescherming (Wnb) gekregen van het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland (hierna: de ontheffing van Gelderland). De ontheffing ziet onder meer op het vangen van grondgebonden zoogdieren met in
Bronpassage s0002
loopvallen, kastvallen, vangkooien en schepnetten in verschillende provincies, waaronder de provincie Utrecht, en het vervolgens verdoven en zenderen van deze dieren. De ontheffing is geldig tot 1 juni 2028. 2. Per 1 januari 2024 is de Wnb ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) met onderliggende regelingen in werking getreden. 3. Zodion wil ten behoeve van wetenschap en onderwijs gericht onderzoek doen naar hoe het dichtbevolkte en mens-gedomineerde landschap van de Utrechtse Heuvelrug wordt gebruikt door de wolf. Omdat de vangmiddelen die met de ontheffing van Gelderland zijn toegestaan volgens Zodion niet geschikt zijn voor het vangen van wolven, heeft zij op 18 februari 2025 een nieuwe aanvraag ingediend bij gedeputeerde staten (van de provincie Utrecht) in aanvulling op de ontheffing van Gelderland. De nieuwe aanvraag ziet op het vangen van vijf wolven op de Utrechtse Heuvelrug met een Belisle 8 inch strikval tot 1 juni 2028. 4. Omdat de wolf ten tijde van de nieuwe aanvraag nog als strikt beschermde diersoort was opgenomen in bijlage IV, onder a van de habitatrichtlijn , gold voor het vangen en verstoren van de wolf in Nederland een vergunningplicht. Per 14 juli 2025 is de beschermingsstatus van de wolf in de Europese Unie echter gewijzigd (hierna: de wijziging). De wolf is van bijlage IV (strikt beschermde diersoorten) afgehaald en op bijlage V (beschermde diersoorten) van de habitatrichtlijn geplaatst. In Nederland is de wijziging pas per 11 juli 2026 (en niet met teru
Bronpassage s0003
gwerkende kracht) in de nationale wet- en regelgeving geïmplementeerd en in werking getreden. Pas vanaf die datum dus 11 juli 2026) geldt er voor het vangen van de wolf in Nederland dus weer een specifieke vergunningplicht. 5. Omdat de beschermingsstatus van de wolf in de habitatrichtlijn al op 14 juli 2025 is gewijzigd, maar die wijziging pas per 11 juli 2026 in de Nederlandse regelgeving is geïmplementeerd en in werking getreden, genoot de wolf in Nederland in de tussengelegen periode alleen nog bescherming op grond van de specifieke zorgplicht. Om die reden hebben gedeputeerde staten de nieuwe aanvraag van Zodion aangemerkt als een aanvraag om over de specifieke zorgplicht een maatvoorschrift te stellen, in aanvulling op de al verleende ontheffing van Gelderland. Met het besluit van 9 oktober 2025 (hierna: het primaire besluit) hebben gedeputeerde staten een maatwerkvoorschrift gesteld. Eisers hebben hier bezwaar tegen gemaakt. Met de besluiten op bezwaar van 9 juni 2026 (de bestreden besluiten) hebben gedeputeerde staten het primaire besluit met een aanvullende motivering in stand gelaten. 6. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om het primaire besluit te schorsen tot de rechtbank uitspraak heeft gedaan over hun beroepen. Zodion heeft vervolgens toegezegd om tot 1 oktober 2026 geen wolven te vangen op de Utrechtse Heuvelrug met de Belisle 8 inch strikval. 7. De beroepen en de verzoeken zijn vervolgens samen op 24
Bronpassage s0004
augustus 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. De Faunabescherming is op de zitting vertegenwoordigd door haar voorzitter, [A] , bijgestaan door de gemachtigde van de Faunabescherming. Animal Rights is op de zitting vertegenwoordigd door haar adviseur [B] en Werkgroep Wolf is op de zitting vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur [C] en haar voorzitter [D] . De gezamenlijke gemachtigde van Animal Rights en Werkgroep Wolf heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Gedeputeerde staten en Zodion hebben zich op de zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. 8. Op de zitting heeft Zodion toegezegd dat zij tot 6 oktober 2026 geen wolven zal vangen op de Utrechtse Heuvelrug met de Belisle 8 inch strikval, ook als de rechtbank in haar uitspraak (de rechtsgevolgen van) de bestreden besluiten in stand laat. Overwegingen Wijziging van (bijlagen IV en V van) de habitatrichtlijn Standpunt van de Faunabescherming 9. De Faunabescherming voert aan dat de wijziging onverbindend is. Primair vindt de Faunabescherming deze in strijd met artikel 19 van de habitatrichtlijn: - De wijziging is niet met eenparigheid, maar met gekwalificeerde meerderheid van stemmen door de Raad van de Europese Unie vastgesteld. - Er is niet gebleken dat wijziging van bijlagen IV en V nodig was om deze aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang. Richtlijnen kunnen op grond van artikel 289, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese
Bronpassage s0005
Unie (VWEU) weliswaar middels de gewone wetgevingsprocedure van artikel 294 VWEU (met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen) worden vastgesteld, maar artikel 19 van de habitatrichtlijn gaat volgens de Faunabescherming op dit punt als lex-specialis, vóór op het VWEU. 10. Subsidiair stelt de Faunabescherming zich op het standpunt dat áls de gewone wetgevingsprocedure al geldt, dat alleen opgaat voor de stemprocedure. Het vereiste van artikel 19 van de habitatrichtlijn dat het nodig moet zijn om de bijlagen aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, geldt dan nog onverkort en daar is niet aan voldaan. Daar komt bij dat de wijziging volgens de Faunabescherming ook in strijd is met artikel 191 van het VWEU en het daarin opgenomen voorzorgsbeginsel. De wijziging is namelijk niet gericht op een hoog niveau van bescherming (dit is voor de wolf juist verlaagd), er is niet getoetst aan de staat van instandhouding van de wolf en er is geen rekening gehouden met de wetenschappelijke en technische gegevens over de wolf. 11. De onverbindendheid van de wijziging betekent volgens de Faunabescherming dat er vanuit moet worden gegaan dat de wolf ten tijde van de besluitvorming van gedeputeerde staten nog steeds op bijlage IV van de habitatrichtlijn stond en dus strikt beschermd was. Hierdoor gold de oude vergunningplicht nog die niet alleen ziet op het vangen, maar ook op het verstoren van de wolf. Als er een vergunningplicht geldt dan is het niet toegestaan om ee
Bronpassage s0006
n maatwerkvoorschrift te stellen, zodat de besluitvormig van gedeputeerde staten al om die reden geen stand kan houden. De Faunabescherming verzoekt de rechtbank om over de wijziging van bijlagen IV en V van de habitatrichtlijn prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Beoordeling door de rechtbank 12. De rechtbank volgt de Faunabescherming niet. De gewone wetgevingsprocedure werd (in iets andere vorm) voor het eerst geïntroduceerd bij het verdrag van Maastricht dat op 1 november 1993 in werking trad. Deze procedure, toen de medebeslissingsprocedure genoemd, is daarbij neergelegd in het toen geldende artikel 189 B van het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-verdrag). In artikel 130 S van het EG-verdrag (‘milieu’, waar volgens de considerans van de habitatrichtlijn en artikel 130 R van het EG-verdrag ook natuurbescherming onder viel), de voorloper van artikel 192, eerste lid van het VWEU, werd de medebeslissingsprocedure echter nog niet van toepassing verklaard. Dit artikel verwees nog naar de zogenoemde samenwerkingsprocedure, neergelegd in artikel 189 C van het EG-verdrag, waarin het Europees Parlement geen beslissende, maar slechts een adviserende en corrigerende rol had. 13. Met de inwerkingtreding van het verdrag van Amsterdam per 1 mei 1999 veranderde dit. De artikelen van het EG-verdrag werden vernummerd. De medebeslissingsprocedure uit artikel 189 B werd op enkele punten aangepast en opgenomen in artikel 251 van he
Bronpassage s0007
t EG-verdrag. Het oude artikel 130 S werd artikel 175 van het EG-verdrag (milieu) en verwees vanaf dat moment voor de algemene milieuwetgeving naar de medebeslissingsprocedure uit artikel 251 van het EG-verdrag. Er bleven uitzonderingen gelden waarin nog altijd eenparigheid van stemmen van de Raad was vereist, maar dat betrof alleen milieubesluiten van fiscale aard, over ruimtelijke ordening, over kwantitatief waterbeheer, of over de keuze van energiebronnen door de lidstaten. 14. De (voorloper van de) gewone wetgevingsprocedure uit artikel 294 van het VWEU is dus pas per 1 mei 1999 van toepassing op algemene milieubesluiten (inclusief natuur). Artikel 19 van de habitatrichtlijn is al op 10 juni 1992 in werking getreden , bijna zeven jaar eerder. De habitatrichtlijn kan op dit punt dus geen lex-specialis zijn op het VWEU. Daar komt bij dat het VWEU (samen met het VEU en het Handvest) het primaire recht vormt van de Europese Unie en dus van hogere orde is dan een richtlijn, zoals de habitatrichtlijn. 15. De rechtbank volgt de Faunabescherming ook niet in het standpunt dat het vereiste uit artikel 19 van de habitatrichtlijn met betrekking tot de technische en wetenschappelijke vooruitgang, desondanks nog zou gelden. Dit vereiste maakt immers deel uit van de wijzigingsprocedure die artikel 19 voorschrijft en die is hier nu juist niet van toepassing. De rechtbank is niet gebleken dat een dergelijk vereiste geldt voor de gewone wetgevingsprocedure uit het VWEU. In artikel 191 van
Bronpassage s0008
het VWEU zijn tot slot de beleidsdoelstellingen van de Europese Unie opgenomen op milieugebied: dit artikel bevat geen procedurele vereisten voor de gewone wetgevingsprocedure. 16. Gelet op het voorgaande kon de wijziging naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Dit betekent dat er vanuit moet worden gegaan dat de wolf ten tijde van de besluitvorming van gedeputeerde staten op bijlage V (beschermd) van de habitatrichtlijn stond. Omdat de wijziging op dat moment nog niet was geïmplementeerd, gold er geen specifieke vergunningplicht voor het vangen van de wolf. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. Wettelijke grondslag van het maatwerkvoorschrift Standpunt van eisers 17. Eisers voeren aan dat het niet is toegestaan om met een maatwerkvoorschrift van de specifieke zorgplicht in artikel 11.27 van het Bal af te wijken, terwijl gedeputeerde staten dat wél hebben gedaan door het vangen van vijf wolven met een strikval toe te staan. Op de zitting heeft de Faunabescherming hier nog aan toegevoegd dat de ontheffing van Gelderland niet ziet op de wolf. 18. Gedeputeerde staten hebben op de zitting desgevraagd uitgelegd dat zij met de besluitvorming slechts hebben beoogd om een vangmiddel aan de ontheffing van Gelderland toe te voegen. Omdat de Belisle 8 inch strikval het minst invasieve middel is om een wolf mee te vang
Bronpassage s0009
en, konden gedeputeerde staten middels dat naar eigen zeggen toestaan door het stellen van een maatwerkvoorschrift over de zorgplicht. Om zo volledig mogelijk te zijn hebben gedeputeerde staten de aanvraag wel getoetst ‘als ware’ het een vergunningaanvraag. Beoordeling door de rechtbank 19. De rechtbank stelt allereerst vast dat de ontheffing van Gelderland ook ziet op de wolf. De ontheffing van Gelderland is onder meer verleend voor landzoogdieren die zijn opgenomen in bijlage IV, onder a, van de habitatrichtlijn. Ten tijde van de verlening van de ontheffing van Gelderland was de wolf hier als strikt beschermde diersoort nog in opgenomen. De wolf wordt ook nog specifiek genoemd onder 37 van de algemene voorschriften van de ontheffing van Gelderland. Voor zover de Faunabescherming bedoelt dat de ontheffing van Gelderland sinds de wijziging van de beschermingsstatus van de wolf in de habitatrichtlijn niet (meer) op de wolf ziet, volgt de rechtbank de Faunabescherming evenmin. Bij implementatie van de wijziging in Nederland is hier immers geen overgangsrecht over vastgesteld, zodat verleende ontheffingen voor de wolf nog onverkort gelden. Bovendien is de beschermingsstatus van de wolf niet verhoogd maar verlaagd, zodat ook om die reden niet valt in te zien waarom de ontheffing van Gelderland niet meer op de wolf zou zien. 20. Over het toestaan van het vangen van vijf wolven met een strikval door een maatwerkvoorschrift te stellen over de zorgplicht, overweegt de rechtbank als v
Bronpassage s0010
olgt. 21. In artikel 11:31, derde lid, van het Bal is verder bepaald dat er geen maatwerkvoorschrift wordt gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden. De achtergrond hiervan is dat dit ervoor zorgt dat de voorschriften optimaal worden afgestemd op de andere vergunningvoorschriften, zodat de activiteit als geheel integraal beoordeeld en geregeld wordt. Voor zover de vergunning ook ziet op algemeen geregelde activiteiten, te denken valt daarbij ook aan de in artikel 11.27 van het Bal geregelde specifieke zorgplicht, voorkomt dit ook een stapeling van de vergunning met losse maatwerkvoorschriften. Voorschriften kunnen niet alleen bij het verlenen van de vergunning worden gesteld, maar ook door wijziging van de vergunning. Een aanvraag om een maatwerkvoorschrift over een (gedeelte van) een activiteit waarvoor al een vergunning is verleend, moet dus worden beschouwd als een aanvraag om de voorschriften van die vergunning te wijzigen. Het ambtshalve toepassen van de bevoegdheid van dit artikel leidt bij die activiteit tot het ambtshalve wijzigen van de verleende vergunning. 22. In het licht hiervan overweegt de rechtbank dat als Zodion en gedeputeerde staten slechts hebben beoogd om een vangmiddel aan de ontheffing van Gelderland toe te voegen, zij de aanvraag (die in dat geval dus had moeten worden beschouwd als een aanvraag om voorschriften van die ontheffing te wijzigen) hadden moeten doorsturen naar het college van gedeputeer
Bronpassage s0011
de staten van Gelderland. Het was vervolgens aan het college van gedeputeerde staten van Gelderland om de aanvraag te beoordelen, en dus ook om te beoordelen of het wijzigen van vergunningvoorschriften mogelijk was in de periode waarin er geen vergunningplicht bestond voor de wolf. 23. Als Zodion en gedeputeerde staten de aanvraag van Zodion als een afzonderlijke aanvraag – losstaand van de ontheffing van Gelderland – hebben bedoeld en gezien, dan geldt dat gedeputeerde staten niet op de aanvraag hebben kunnen beslissen door dit maatwerkvoorschrift te stellen. In artikel 11:31, eerste lid, van het Bal is bepaald dat een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 11.27 van het Bal. In het tweede lid van artikel 11:31 van het Bal is bepaald van welke bepalingen met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken. Artikel 11.27 van het Bal behoort daar niet toe. Dit betekent dat het niet mogelijk is om met een maatwerkvoorschrift van de specifieke zorgplicht af te wijken. Zoals ook volgt uit artikel 11:31, eerste en tweede lid, van het Bal kan het bevoegd gezag, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, met een maatwerkvoorschrift immers alleen een algemene regel specifiek maken voor een concrete situatie. Het maatwerkvoorschrift dat gedeputeerde staten hier hebben gesteld kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezien als het specifiek maken van de algemene regel van artikel 11:27 van het Bal, maar juist als het toestaan van een activiteit die strijdig is met deze sp
Bronpassage s0012
ecifieke zorgplicht. Gedeputeerde staten hebben voor de algemene regel op de zitting nog verwezen naar artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Ow, maar dat kan de rechtbank niet volgen. Op grond van dit artikellid is het immers verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een bij het Bal aangewezen geval, en in het Bal wordt nu juist verwezen naar de diersoorten uit bijlage IV van de habitatrichtlijn waar de wolf niet meer in staat. 24. Overigens kan de rechtbank gedeputeerde staten ook niet volgen in de verwijzing in de bestreden besluiten naar het derde lid van artikel 11.27 van het Bal. Dit artikellid gaat immers over populatiebeheer en schadebestrijding, terwijl het onderzoek van Zodion is gericht op wetenschap en onderwijs. Conclusie 25. Gelet op het voorgaande vindt de besluitvorming van gedeputeerde staten naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag in de Omgevingswet en onderliggende regelingen. Gedeputeerde staten hebben het primaire besluit met de bestreden besluiten dan ook ten onrechte in stand gelaten, zodat de beroepen al om die reden gegrond moeten worden verklaard, en de bestreden besluiten moeten worden vernietigd. Doende wat gedeputeerde staten hadden moeten doen, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit alsnog te herroepen. Deze uitspraak treedt daarom in de plaats van de vernietigde bestreden besluiten. 26. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aa
Bronpassage s0013
n een beoordeling van de overige beroepsgronden van eisers. Het is immers aan gedeputeerde staten om te bepalen wat zij met de aanvraag (die nu weer open is komen liggen), gelet op de (huidige) wet- en regelgeving zullen doen. Daarbij zullen gedeputeerde staten in ieder geval, maar niet uitsluitend, moeten ingaan op de volgende punten: - Waar ziet de aanvraag op? Gaat het om een aanvulling op de ontheffing van Gelderland, omdat daaraan slechts een vangmiddel (strikval) wordt toegevoegd of is het een volledig nieuwe aanvraag? - Zijn gedeputeerde staten zelf bevoegd te beslissen op de aanvraag of moet deze worden doorgezonden naar gedeputeerde staten van Gelderland? - Als sprake is van een volledig nieuwe aanvraag (niet als aanvulling op de ontheffing van Gelderland): is het mogelijk om gelet op de gewijzigde regelgeving over de wolf een omgevingsvergunning te verlenen dan wel een maatwerkvoorschrift te stellen? Over het stellen van een maatwerkvoorschrift moeten gedeputeerde staten rekening houden met wat in deze uitspraak daarover door de rechtbank is bepaald. 27. Omdat de beroepen hiermee finaal zijn afgedaan, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De verzoeken om een voorlopige voorziening moeten daarom worden afgewezen. Proceskosten 28. Omdat de beroepen gegrond worden verklaard, zal de rechtbank gedeputeerde staten veroordelen in de proceskosten die eisers voor hun beroepen en verzoeken hebben gemaakt. De rechtbank stelt de kosten voor de ber
Bronpassage s0014
oepsmatige rechtsbijstand van de gemachtigde van de Faunabescherming, en van de gemachtigde van Animal Rights en Werkgroep Wolf, voor ieder vast op € 4.134,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,--, en 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,--, alles onder een wegingsfactor 1). Deze tarieven staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht. 29. Daarnaast moeten gedeputeerde staten het door de Faunabescherming betaalde griffierecht van € 397,-- en het door Animal Rights en Werkgroep Wolf samen betaalde griffierecht van € 397,-- aan hen vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten; - herroept het primaire besluit; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten; - wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af; - veroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van de Faunabescherming tot een bedrag van € 4.134,--, en in de proceskosten van Animal Rights en Werkgroep Wolf samen tot een bedrag van € 4.134,--; - bepaalt dat gedeputeerde staten het door de Faunabescherming betaalde griffierecht van € 397,-- en het door Animal Rights en Werkgroep Wolf samen betaalde griffierecht van € 397,-- aan hen vergoedt; Deze uitspraak is op 2 oktober 2026 in het
Bronpassage s0015
openbaar gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en mr. A.R. Klijn, leden, in aanwezigheid van mr.N.K. Boer-de Bruin, griffier. griffier voorzitter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak voor zover daarin op de verzoeken is beslist, staat geen rechtsmiddel open. De partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarin op de beroepen is beslist, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het in zoverre niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan diegene de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Opgenomen in Bijlage IV van de habitatrichtlijn, of in bijlage A, van de Wnb. Richtlijn (EU) 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna ( PbEU 1992, L 206). Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Ow, jo. artikel 11.46, eerste lid en onde
Bronpassage s0016
r a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Artikel 11.46, eerste lid en onder a en b, van het Bal verwijst rechtstreeks naar bijlage IV van de habitatrichtlijn. Richtlijn (EU) 2025/1237 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2025 tot wijziging van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad wat betreft de beschermingsstatus van de wolf (Canis lupus) ( PbEU 2025, L van 24.6.2025). Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Ow, jo. artikel 11:54, eerste lid en onder a, van het Bal. Artikel 11:54, eerste lid onder a, van het Bal verwijst niet rechtstreeks naar bijlage V van de habitatrichtlijn, maar naar bijlage IX van het Bal waar de wolf pas met ingang van 11 juli 2026 op is geplaatst. Artikel 11.27 van het Bal. Artikel 11.46, eerste lid en onder a en b, van het Bal. Op grond van artikel 267 van het VWEU. Op grond van het toen geldende artikel 191 van het Verdrag van Rome traden richtlijnen in werking door de kennisgeving daarvan aan degenen tot wie zij waren gericht, in dit geval de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap. Gedeputeerde staten hebben zich hierbij naar eigen zeggen gebaseerd op artikel 11:31, eerste lid, jo. artikel 11:27, derde lid van het Bal. Aan de hand van het beoordelingskader uit artikel 8:74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Staatsblad 2026, 186. Staatsblad 2021, 22, p. 234.
De voorzieningenrechter weigert schorsing, waardoor de minister de agrarische gegevens mag publiceren.s0031
De voorzieningenrechter weigert schorsing; de minister mag de Excelbestanden publiceren voor zover die nog niet openbaar zijn.s0031
Rechtbank Midden-Nederland · 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6712
De voorzieningenrechter wijst de schorsingsverzoeken van POV, NMV, LTO en KAVB af. De minister mag de op verzoek van MOB te verstrekken Excelbestanden openbaar maken, voor zover dat nog niet is gebeurd. Volgens het voorlopige oordeel moeten huisvestingsgegevens en UBN-adressen openbaar worden omdat zij emissiegegevens zijn. Voor landbouwtellingsgegevens mocht de minister het belang van openbaarheid zwaarder laten wegen; verzoekers onderbouwden hun schadebelangen onvoldoende. De rechter ziet geen redelijke kans van slagen voor hun beroepen en vindt ook bij zijn eigen belangenafweging geen reden voor schorsing. De rechtbank blijft in de bodemzaken vrij om anders te oordelen.s0001, s0002, s0024, s0028, s0029, s0031
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De voorzieningenrechter maakt onderscheid tussen huisvestingsgegevens met UBN-adressen en landbouwtellingsgegevens. De eerste groep betreft volgens hem emissies in het milieu. De minister moet deze gegevens openbaar maken en kan de aangevoerde privacy- en veiligheidsbelangen daarbij niet afwegen. Ook oudere gegevens behouden hun emissiekarakter: zij kunnen inzicht geven in emissies uit het verleden. De landbouwtellingsgegevens bevatten informatie over de toestand van het land en activiteiten die het milieu kunnen beïnvloeden. Bij deze milieu-informatie weegt de minister de betrokken belangen wel af. De rechter laat onbesproken of deze gegevens daarnaast emissiegegevens zijn.s0020, s0022, s0024, s0026, s0027, s0028
Uit de uitspraak
De rechter erkent dat de minister agrariërs onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd. De nadruk op veehouders verhulde dat ook andere agrariërs werden geraakt. Bovendien vermeldde de brief ten onrechte dat bezwaar mogelijk was, terwijl beroep openstond. Toch rechtvaardigen deze fouten volgens de rechter geen herhaling van de zienswijzeprocedure of nieuwe berichtgeving met gelegenheid om beroep in te stellen. De betrokken belangen konden alsnog in beroep naar voren worden gebracht en verzoekers behartigden die belangen collectief.s0012, s0013, s0014, s0015
Duiding
Voor de beoordeling van de landbouwtellingsgegevens laat deze zaak zien waarom concrete onderbouwing ertoe doet. Verzoekers maakten ernstige concurrentieschade en zwaarwegende privacygevolgen onvoldoende aannemelijk. Hun voorbeelden onderbouwden evenmin een concrete, actuele dreiging of een verband met openbaarmaking. Deze uitkomst betekent niet dat zulke belangen nooit kunnen meewegen. Verder toont deze procedure het praktische gewicht van de voorlopige beslissing: publicatie mag doorgaan, terwijl de beroepen nog moeten worden behandeld. De rechter erkent dat die beroepen daardoor vrijwel zinledig worden.s0029, s0030, s0031
Grenzen van deze toelichting
- Het oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank in de bodemzaken niet.
- De voorzieningenrechter beslist niet of de landbouwtellingsgegevens ook emissiegegevens zijn.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening van verschillende belangenorganisaties voor agrariërs af. Zij willen voorkomen dat gegevens van agrariërs vanaf 1989 openbaar worden gemaakt. De minister heeft echter terecht beslist dat de huisvestingsgegevens openbaar gemaakt worden, omdat het milieugegevens zijn die over emissie gaan. De minister heeft ook terecht beslist om de landbouwtellingsgegevens openbaar te maken, omdat het milieugegevens zijn en de belangenafweging die de minister vervolgens heeft gemaakt in het voordeel van openbaarheid mocht uitvallen. Daarmee hebben de beroepen van verzoekers geen redelijke kans van slagen. Ook de belangenafweging die de voorzieningenrechter zelf maakt, pakt niet in het voordeel van verzoekers uit.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 26/1642, 26/1848 en 26/3103 uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2026 in de zaken tussen Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV), uit Zwolle (gemachtigde: mr. T.D. Polak) Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV), uit Vroomshoop (gemachtigde: P.M.A.A. Smits) Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO), uit Den Haag Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB) uit Hillegom, (gemachtigden: mr. T.F.M. Wijgergans en mr. A.F.C. van Hal), samen verzoekers en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigden: mr. J. van Essen en mr. S.F. Hu). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Coöperatie Mobilisation for the Environment (MOB), uit Dordrecht, (gemachtigden: mr. T.J. van Alten en S. van Uffelen). Samenvatting Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de openbaarmaking van gegevens uit de Gecombineerde opgaven van alle veehouders in Nederland en over openbaarmaking van gegevens over landgebruik. MOB heeft op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van deze gegevens verzocht. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening die inhoudt dat de openbaarmaking van de gegevens wordt opgeschort totdat de rechter in de bodemzaken uitspraak heeft gedaan. Zij voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers af t
Bronpassage s0002
egen het belang van de openbaarheid. Dit doet hij aan de hand van de gronden van verzoekers. 3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. De minister heeft terecht beslist dat de huisvestingsgegevens openbaar gemaakt worden, omdat het milieugegevens zijn die over emissie gaan. De minister heeft ook terecht beslist om de landbouwtellingsgegevens openbaar te maken, omdat het milieugegevens zijn en de belangenafweging die de minister vervolgens heeft gemaakt in het voordeel van openbaarheid mocht uitvallen. Daarmee hebben de beroepen van verzoekers geen redelijke kans van slagen. Ook de belangenafweging die de voorzieningenrechter zelf maakt, pakt niet in het voordeel van verzoekers uit. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 4. MOB heeft de minister op 10 februari 2023 verzocht om openbaarmaking van alle (historische) registraties over vergunde of werkelijke dieraantallen, emissies, stalsystemen, landgebruik en bemesting van gronden, waaronder de volgende registraties: - de gecombineerde opgave; - meitellingen, diertellingen of landbouwtellingen (voorgangers van deze registraties). 4.1. De minister heeft het Woo-verzoek in zijn besluit van 24 maart 2025 afgewezen. Daartegen heeft MOB bezwaar gemaakt. 4.2. In bezwaar stelt de minister zich op het stan
Bronpassage s0003
dpunt dat onder het Woo-verzoek de volgende documenten vallen: • werkelijke dieraantallen per bedrijfslocatie met peildatum 1 april (van 1989 tot en met 2022) • stalsystemen en RAV codes per bedrijfslocatie (van 2013 tot en met 2022) van: - rund (RAV) beschikbaar van 2017 tot en met 2022 - kip/eend/kalkoen (RAV) beschikbaar van 2018 tot en met 2022 - varken (RAV) beschikbaar van 2018 tot en met 2022 - geit (RAV) beschikbaar van 2021 tot en met 2022 • landgebruik van gronden met gewascodes per bedrijfslocatie (van 1989 tot en met 2022). 4.3. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de minister in de Staatscourant van 12 januari 2026 kennisgegeven van zijn voornemen om de gevraagde gegevens alsnog openbaar te maken. Belanghebbenden konden tot en met 25 januari 2026 een zienswijze over de voorgenomen openbaarmaking geven. De minister heeft in reactie op deze publicatie één zienswijze ontvangen. 4.4. In het bestreden besluit op bezwaar van 17 februari 2026 (het Woo-besluit) heeft de minister vervolgens besloten tot openbaarmaking van vier Excelbestanden. 4.5. Verzoekers zijn het niet eens met dit besluit. Zij hebben in eerste instantie bezwaar gemaakt bij de minister en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 4.6. De minister heeft de bezwaarschriften doorgestuurd aan de rechtbank om te behandelen als beroep, omdat het Woo-besluit van 17 februari 2026 een besluit op bezwaar is. Ook MOB heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. 4.7. De minister heeft
Bronpassage s0004
drie verweerschriften ingediend. MOB heeft twee keer schriftelijk gereageerd. LTO en KAVB hebben hun verzoekschrift nader aangevuld en gereageerd op de standpunten van MOB. 4.8. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 17 september 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekers, de gemachtigden van MOB en de gemachtigden van de minister. Verder waren voor verzoekers aanwezig: [A] (POV), [B] (NMV) en [C] (LTO). Beoordeling door de voorzieningenrechter Hoe toetst de voorzieningenrechter de verzoeken? 5. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het Woo-besluit waarmee de minister naar aanleiding van het Woo-verzoek van MOB informatie openbaar wil maken. Zij willen met deze voorlopige voorzieningenprocedures voorkomen dat deze informatie nu al openbaar wordt gemaakt via plaatsing daarvan op het internet. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze procedure of de verzoeken moeten worden toegewezen. Daarvoor geeft hij een beoordeling van de kans van slagen van de beroepen van verzoekers. Daarnaast weegt hij de belangen van verzoekers bij een schorsing van het Woo-besluit tot openbaarmaking af tegen het belang van openbaarheid. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter erover is dat het besluit in beroep standhoudt, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoekers bij het schorsen van het Woo-besluit. 6. Voorafgaand aan de beoordeling van de beroepsgronden van verzoekers, moet de voorziening
Bronpassage s0005
enrechter twee door MOB opgeworpen formele punten beoordelen. MOB stelt zich ten eerste op het standpunt dat verzoekers geen belanghebbenden zijn bij het Woo- besluit en ten tweede dat zij misbruik maken van procesrecht. Als de voorzieningenrechter het eens is met één van deze standpunten, komt hij aan de behandeling van de inhoud van de verzoeken niet toe. Zijn verzoekers belanghebbend bij het bestreden besluit? 7. MOB stelt dat verzoekers geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het bestreden besluit niet gaat over een collectief belang dat geldt voor alle agrariërs of de hele agrarische sector. Het gaat om openbaarmaking van concrete informatie over concrete boerenbedrijven. De belangen waar verzoekers zich op beroepen, horen volgens MOB in de eerste plaats thuis bij die bedrijven en de betrokken personen zelf. Dat de openbaarmaking in één besluit is opgenomen, betekent volgens haar nog niet dat een belangenorganisatie daardoor automatisch namens alle boerenbedrijven bezwaar en beroep mag instellen. Volgens MOB kunnen de belangenorganisaties alleen in rechte optreden voor de agrariërs die hen daarvoor gemachtigd hebben. 8. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak is alleen degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks bet
Bronpassage s0006
rokken is bij het besluit, belanghebbende. Het vereiste dat het gaat om een rechtstreeks betrokken belang bij het besluit, houdt in dat er voldoende causaal verband moet zijn tussen het besluit en de aantasting van het belang. 8.1. Omdat verzoekers rechtspersonen zijn, is in dit geval ook het derde lid van artikel 1:2 van de Awb van belang. Daarin staat dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Dit houdt - kort samengevat - in dat een rechtspersoon bij een besluit belanghebbende is als dat besluit gaat over een activiteit die plaatsvindt binnen het werkgebied dat in de statuten van de rechtspersoon is omschreven en de rechtspersoon meer doet dan alleen procedures voeren of handhavingsverzoeken indienen. 8.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers blijkens hun statuten opkomen voor de belangen van hun leden en dat zijn onder andere agrariërs die te maken hebben met de openbaarmaking van gegevens die gaan over hun bedrijven. Het Woo-verzoek raakt vrijwel alle agrariërs. Het gaat om openbaarmaking van gegevens die zij vertrouwelijk aan de minister hebben meegedeeld. Veel agrariërs verzetten zich tegen de openbaarmaking en de inzet van verzoekers is om openbaarmaking tegen te houden. Verzoekers komen daarmee op voor een collectief belang en zijn aan te merken als belanghebbenden. Dat er ook agrari
Bronpassage s0007
ërs zijn die niet zijn aangesloten bij een belangenorganisatie en/of dat er agrariërs zijn die het eens zijn met het Woo-besluit, doet niet af aan het algemene en collectieve belang dat verzoekers nastreven. De voorzieningenrechter ziet steun voor dit standpunt in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2022 en 24 september 2025. In de eerstgenoemde uitspraak is LTO-Noord als belanghebbende aangemerkt. In de laatstgenoemde uitspraak was NMV belanghebbende in een procedure over een vergelijkbaar Woo-besluit. De vaststelling of een partij belanghebbende is, is van openbare orde. Dat betekent dat de rechter er, ongeacht of partijen dat aanvoeren, naar moet kijken. Als NMV en LTO -Noord geen belanghebbenden waren geweest, had de Afdeling dat geoordeeld in haar uitspraken. De slotsom is dat de voorzieningenrechter verzoekers aanmerkt als belanghebbenden bij het bestreden besluit. Maken verzoekers misbruik van procesrecht? 9. MOB stelt dat verzoekers misbruik maken van procesrecht. Volgens MOB kennen verzoekers de rechtspraak over openbaarmaking van emissiegegevens. Toch stellen zij tegen beter weten in rechtsmiddelen in tegen Woo-besluiten over emissiegegevens en sporen zij hun achterban aan om dit ook te doen. MOB verwijst naar verschillende websites, waaruit volgens haar blijkt dat, ondanks dat de beroepen een beperkte slagingskans hebben, de achterban wordt opgeroepen rechtsmiddelen te blijven instellen om politieke druk
Bronpassage s0008
uit te oefenen en de feitelijke openbaarmaking van de gegevens tegen te gaan. Deze vertragingstactiek levert ernstige benadeling op voor MOB. Zij kan de gevraagde gegevens namelijk niet gebruiken voor haar werkzaamheden. Het procesrecht wordt volgens MOB door verzoekers keer op keer gebruikt om de werking van het materiële recht te saboteren. MOB ziet een patroon van ondermijning dat tot gevolg heeft dat ook de rechtspraak onevenredig wordt belast en stelt dat de verzoeken om een voorlopige voorziening daarom niet-ontvankelijk verklaard zouden moeten worden. 10. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen, niet worden ingeroepen als deze bevoegdheid wordt misbruikt. Dit volgt uit artikel 13, eerste lid, en artikel 15 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Deze artikelen bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een rechtsmiddel als dat rechtsmiddel wordt misbruikt. De drempel voor het oordeel dat een partij misbruik van procesrecht maakt, ligt hoog. Er zijn zwaarwichtige gronden vereist. Van misbruik van procesrecht kan sprake zijn als er een patroon aanwezig is van het veelvuldig aanwenden van verschillende rechtsmiddelen om geschillen steeds maar weer aan de orde te stellen, terwijl de rechter daarover al vaker uitspraak heeft gedaan, waarvan de uitkomst betrokkene duidelijk zou moeten zijn en waarvan redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat het betrokkene nog te doen is o
Bronpassage s0009
m recht of rechtsbescherming. 10.1. Anders dan MOB aanvoert, vindt de voorzieningenrechter niet dat verzoekers in dit geval tegen beter weten in procederen, terwijl zij de uitkomst van de procedure al kennen. Weliswaar heeft de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van 24 september 2025 geoordeeld over een vergelijkbaar Woo-verzoek, maar er zijn wel verschillen met de huidige procedures aan te wijzen. Het Woo-verzoek van MOB is omvangrijker en de minister gaat meer gegevens openbaar maken. Verzoekers hebben specifieke beroepsgronden geformuleerd die gaan over de ouderdom van de openbaar te maken gegevens. De openbaarmaking van landbouwtellinggegevens is in de genoemde uitspraak van de Afdeling niet beoordeeld. Verzoekers hebben verder beroepsgronden gericht tegen de zorgvuldigheid van de manier waarop de besluitvorming in deze zaak is gegaan. Het doel dat verzoekers met hun beroepsgronden willen bereiken is dat de gegevens niet openbaar gemaakt worden. Voor zover al juist zou zijn dat verzoekers door hun optreden zand in de machine willen gooien en dat zij andere doelen, zoals vertraging van de openbaarmaking, willen bereiken, neemt dat niet weg dat het hen er primair om te doen is de openbaarmaking geheel tegen te gaan. Het betoog van MOB slaagt niet. Is de (zienswijze)procedure zorgvuldig verlopen? Over de zienswijze 11. Verzoekers stellen dat de door de minister gevolgde zienswijzeprocedure niet zorgvuldig is verlopen. De publicatie van het voornemen in de Staatscourant
Bronpassage s0010
is volgens verzoekers geen goede manier om agrariërs op de hoogte te brengen van een voornemen. Zij lezen de Staatscourant niet en de Staatscourant is niet gebruiksvriendelijk; een abonnement op relevante berichtgeving wordt namelijk niet aangeboden. De minister heeft zelf erkend dat deze manier ontoereikend is om een zienswijzeprocedure in te richten. 11.1. Verder wijzen verzoekers erop dat uit de publicatie in de Staatscourant niet blijkt dat de minister ook landbouwtellingsgegevens openbaar zou gaan maken. De termijn om een zienswijze in te dienen, is volgens hen ook veel te kort. Agrariërs hebben daardoor niet de gelegenheid gehad om hun gegevens op juistheid te controleren. Overigens weten zij nog steeds niet welke exacte gegevens de minister van hen openbaar wil maken. 12. Artikel 4:8 eerste lid, van de Awb bepaalt dat als belanghebbenden, die een beschikking niet hebben aangevraagd, naar verwachting bedenkingen zullen hebben, het bestuursorgaan die belanghebbenden in de gelegenheid stelt zienswijzen naar voren te brengen. Dat is alleen nodig als a) de beschikking steunt op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen en b) die gegevens niet door de belanghebbende zelf zijn verstrekt. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gegevens die de minister openbaar wil maken, overwegend gegevens zijn die de agrariërs zelf hebben verstrekt. Het Woo-verzoek gaat immers over openbaarmaking van registraties die het gevolg zijn van de eigen opgaven van agrariër
Bronpassage s0011
s in de Gecombineerde opgave. Voor de meeste gegevens die de minister openbaar wil maken, was het dus in het geheel niet nodig om een zienswijze van de agrariërs te vragen. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025. 12.1. De voorzieningenrechter merkt verder op dat, voor zover het zou gaan om gegevens die de agrariërs niet zelf hebben verstrekt, in dit geval publicatie in de Staatscourant een geschikt en zorgvuldig middel voor bekendmaking van het voornemen is. Het gaat hier namelijk om een zeer omvangrijk Woo-verzoek dat veel agrariërs raakt. De Afdeling heeft in vergelijkbare zin overwogen in de uitspraak van 24 september 2025, waarin het ook ging om een Woo-verzoek dat veel agrariërs raakte. De minister heeft zich in die procedure op het standpunt gesteld dat de agrariërs wel persoonlijk moesten worden aangeschreven, maar heeft daarin geen gelijk gekregen. Dat de minister de zienswijzeprocedure bij nader inzien niet zorgvuldig vindt, is daarom niet relevant. 12.2. NMV heeft gesteld dat de minister agrariërs anders bejegent dan anderen, omdat andere belanghebbenden doorgaans wel persoonlijk worden aangeschreven en de agrariërs niet. De voorzieningenrechter ziet niet dat er sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid. Dat de minister overgaat tot een publicatie van het voornemen in de Staatscourant is het gevolg van het feit dat het hier om een omvangrijk Woo-verzoek gaat dat veel agrariërs tr
Bronpassage s0012
eft. Het feit dat de belanghebbenden agrariër zijn, is niet relevant voor de door de minister gemaakte keuze. 12.3. Een termijn van twee weken is, anders dan verzoekers stellen, geen onredelijk korte termijn. Daarbij moet ook worden bedacht dat een zienswijzeprocedure niet is bedoeld voor het controleren van de gegevens op juistheid. De Afdeling heeft ook dat eerder overwogen in de uitspraak van 24 september 2025. Ook is niet nodig dat de agrariërs op mijnrvo.nl alle specifieke informatie over hun bedrijf kunnen inzien. De zienswijzeprocedure biedt namelijk geen herstelmogelijkheid voor die gegevens. De procedure is ervoor bedoeld om agrariërs uit te nodigen hun belangen met betrekking tot de openbaarmaking naar voren te brengen. Daarvoor is voldoende dat zij weten welk type gegevens de minister openbaar wil maken. 12.4. De voorzieningenrechter is het met verzoekers eens dat het de agrariërs, die niet óók veehouder zijn, niet direct duidelijk is geweest dat er ook gegevens over hen openbaar gemaakt zouden worden. Het opschrift van de publicatie in de Staatscourant was immers ‘Kennisgeving voorgenomen openbaarmaking betreffende emissiegegevens uit de Gecombineerde opgaven van alle veehouders in Nederland.’ De openbaarmaking van landbouwtellingsgegevens raakt niet alleen veehouders. De tekst van de publicatie in de Staatscourant is daarmee niet volledig. De minister heeft deze groep agrariërs dan ook onjuist geïnformeerd en dat heeft voor verwarring gezorgd onder de agrariërs.
Bronpassage s0013
De vraag is waar deze vaststelling toe moet leiden. Inmiddels is duidelijk dat het Woo-besluit niet alleen gaat over gegevens van veehouders. De overige agrariërs hebben hun belangen in beroep alsnog naar voren kunnen brengen. Zij zijn door de onjuiste berichtgeving niet zodanig in hun belangen geschaad, dat de zienswijzeprocedure opnieuw gevoerd zou moeten worden. Daarbij moet worden bedacht dat het hoofdzakelijk gaat om gegevens die afkomstig zijn van de agrariërs zelf en dat de minister op grond van artikel 4:8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb niet verplicht was om voor openbaarmaking van die gegevens een zienswijze te vragen. Over de kennisgeving van het Woo-besluit 13. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat ook de overige berichtgeving aan de agrariërs gebreken vertoont. De agrariërs hebben een brief van de minister ontvangen waaruit opnieuw niet duidelijk blijkt dat het Woo-besluit niet alleen over openbaarmaking van emissiegegevens van veehouders gaat, maar ook andere agrariërs raakt. In de brief aan de agrariërs staat verder dat bezwaar gemaakt kan worden tegen het besluit tot openbaarmaking van de informatie, terwijl het rechtsmiddel van beroep openstond. De onjuiste rechtsmiddelenclausule heeft volgens verzoekers ook tot verwarring geleid. 14. De voorzieningenrechter oordeelt dat de manier waarop de minister de agrariërs op de hoogte heeft gesteld van zijn Woo-besluit inderdaad onjuist is en dat hierdoor verwarring kan zijn ontstaan. Van de minister mag v
Bronpassage s0014
erwacht worden dat hij, als hij de agrariërs persoonlijk op de hoogte stelt van een besluit, zorgt dat de berichtgeving daarover zorgvuldig en accuraat is. Door opnieuw de nadruk te leggen op emissiegegevens van veehouders, heeft de minister de agrariërs niet goed voorgelicht. De minister heeft gesteld dat de brief een link bevatte naar het Woo-besluit en dat daaruit kon worden geconcludeerd dat het besluit ook betrekking had op informatie over andere agrariërs dan veehouders. Dit is door verzoekers niet betwist. Deze verwijzing neemt niet weg dat de tekst van de brief onjuist was en de minister de agrariërs daarmee onvolledig heeft geïnformeerd. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de brief een onjuiste rechtsmiddelenclausule bevatte. 14.1. De vraag is wat het gevolg moet zijn van deze omissie en van de onjuiste rechtsmiddelenclausule die onder de brief vermeld staat. De minister heeft het kennelijk belangrijk gevonden om de agrariërs op de hoogte te stellen van het Woo-besluit, maar hij was hiertoe niet verplicht. Het gaat dus om verkeerde voorlichting die de minister niet hoefde te geven. Dit heeft verder ook geen gevolg gehad voor de inhoud van het genomen besluit. Inmiddels is duidelijk wat voor soort informatie de minister openbaar maakt en iedereen die belanghebbende is, kan daarop reageren. Voor verzoekers was door de publicatie in de Staatscourant en/of de brief voldoende duidelijk om welke informatie het ging en zij hebben hun leden daarop ook gewezen. Veel
Bronpassage s0015
agrariërs hebben daarvan kennisgenomen en hebben bezwaar gemaakt, wat uiteindelijk heeft geleid tot ongeveer 2000 beroepszaken bij de rechtbank. De voorzieningenrechter is ook op dit punt van oordeel dat de agrariërs door de onjuiste berichtgeving niet zodanig in hun belangen zijn geschaad dat de minister alle betrokken agrariërs nogmaals moet informeren en hen in de gelegenheid moet stellen om beroep in te stellen. De belangen van de agrariërs worden immers collectief behartigd door verzoekers. 15. Verzoekers hebben er verder grote moeite mee dat zij geen bezwaar kunnen maken tegen het Woo-besluit. De bezwaren zijn doorgestuurd naar de rechtbank om te behandelen als beroep en voor dat beroep moeten de agrariërs griffierecht betalen. 15.1. Dat is echter terecht. Het is het gevolg van het bestuursrechtelijke systeem: tegen een besluit op bezwaar kunnen belanghebbenden in de regel alleen beroep instellen. De minister kan daar niets aan veranderen. Verzoekers zijn hierdoor ook niet benadeeld. Als de juiste rechtsmiddelenclausule in de brief aan de agrariërs was vermeld, was de uitkomst hetzelfde geweest: wie het niet eens is met het Woo-besluit moet beroep instellen bij de rechtbank en daarvoor griffierecht betalen. Tussenconclusie 16. Samenvattend concludeert de voorzieningenrechter dat de geconstateerde onzorgvuldigheid in de publicatie in de Staatscourant en in de brief aan de agrariërs, niet leidt tot het oordeel dat de beroepen een redelijke kans van slagen hebben. Verzoek
Bronpassage s0016
ers zijn hierdoor niet in hun belangen geschaad. Welke gegevens heeft de minister openbaar gemaakt? 17. De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de gegevens die de minister openbaar wil maken. Het gaat om vier Excel bestanden. Bestand 3 is onder geheimhouding aangeleverd, maar is al openbaar gemaakt omdat het algemene vraagcodes bevat. De minister heeft dat op de zitting bevestigd. 18. Bestand 1 bevat huisvestingsgegevens: Rel_anoniem UBN Huisvesting type vee Rav.code Stal Gemeld in: jaar Gemiddelde van jaar Gemiddeld aantal dieren xxx [UBN nummer] HUISVESTING RUNDVEE A1 A1100 2017 2016 117 Bestand 2 bevat landbouwtellingsgegevens: Jaar Rel_anoniem Vraagcode Aantal 2015 xxx 10000 372 Bestand 3 bevat vraagcodes: Vraagcode Vraagomschrijving Categorie Diercategorie/of gewas are 347 Haver Gewas of dieren Aantal of are Bestand 4 bevat UBN- adressen: UBN Straat + nummer Postcode Plaats [UBN nummer] xxx xxx xxx Moet de minister de huisvestingsgegevens en UBN-adressen openbaar maken? 19. De minister heeft in het Woo-besluit overwogen dat hij de informatie uit de Gecombineerde opgaven van alle veehouders in Nederland, van 1989 tot en met 2022 openbaar maakt, omdat deze gegevens gaan over dieraantallen, diersoorten en gegevens over stallocaties. Volgens de minister zijn dit milieugegevens die over emissie gaan. Hij verwijst hiervoor naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, waarin de Afdeling over een verge
Bronpassage s0017
lijkbaar Woo-verzoek hetzelfde heeft geoordeeld. Relatie met eerdere openbaarmaking 20.. De voorzieningenrechter stelt vast dat bestand 1 dieraantallen, diersoorten en gegevens over de type stallen bevat en dat, door een combinatie te maken met bestand 4, de UBN-adressen, de locatiegegevens van die stallen bekend worden. De vraag die voorligt, is of de minister deze gegevens openbaar mag maken. 21. De voorzieningenrechter merkt hierover ten eerste op dat een deel van de gevraagde gegevens al openbaar is gemaakt naar aanleiding van het eerdergenoemde Woo-verzoek waarover de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025 gaat. De minister heeft de huisvestingsgegevens over de jaren 2010, 2015, 2020, 2021 en 2022 inmiddels feitelijk openbaar gemaakt. Deze gegevens zijn op internet terug te vinden bij het besluit met kenmerk Woo 2022-192. 21.1. De minister heeft in het bestreden besluit echter niet overwogen dat een deel van de door MOB gevraagde gegevens feitelijk al openbaar is gemaakt. Hij heeft geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende jaren waarover dit Woo-verzoek gaat en ook de huisvestingsgegevens over de jaren 2010, 2015, 2020, 2021 en 2022 opnieuw openbaar gemaakt. 21.2. De minister heeft in reactie op vragen op de zitting toegelicht dat er een verschil kan bestaan in de gegevens die hij eerder openbaar heeft gemaakt en de gegevens waarover het nu gaat. Het kan zo zijn dat een agrariër een correctie achteraf heeft gemaakt over één van de eerdere jaren. De huisve
Bronpassage s0018
stingsgegevens wijken dan af van wat eerder openbaar is gemaakt. 21.3. De voorzieningenrechter vindt het met deze uitleg begrijpelijk dat de minister er voor heeft gekozen om de informatie over de genoemde jaren nog een keer feitelijk op het internet te plaatsen, zodat de meest recente en daarmee meest juiste informatie wordt verstrekt. De minister had er in het bestreden besluit voor kunnen kiezen om openbaarmaking te weigeren, voor zover het over dezelfde gegevens gaat als eerder openbaar gemaakt. Wat openbaar is gemaakt, is immers al openbaar en kan niet opnieuw openbaar worden gemaakt. De minister heeft daar niet voor gekozen. 21.4. Voor zover verzoekers dat onterecht vinden, overweegt de voorzieningenrechter dat zij door deze besluitvorming niet in hun belangen zijn geschaad. Het maakt voor verzoekers namelijk niet uit of de minister in het besluit wel of geen aandacht heeft voorde eerdere openbaarmaking. Het maakt voor hen ook niet uit dat dezelfde gegevens één of twee keer worden gepubliceerd. Emissiegegevens 22. De volgende vraag die voorligt is of de minister de huisvestingsgegevens en de UBN-adressen terecht heeft aangemerkt als milieugegevens die over emissie gaan. De definitie van het begrip milieu-informatie staat in artikel 19.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm). Deze definitie is ontleend aan artikel 2 van Richtlijn 2003/4/EG. Volgens vaste rechtspraak volgt uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) dat het begrip milieu-in
Bronpassage s0019
formatie een ruime betekenis heeft. 22.1. Uit de arresten van het Hof van 23 november 2016, volgt dat onder de begrippen "emissies in het milieu" en "informatie over emissies in het milieu" niet alleen gegevens moeten worden begrepen die de daadwerkelijke uitstoot betreffen, maar ook de gegevens over de invloeden van die emissies op het milieu alsook de gegevens die het publiek in staat stellen te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies door het bestuursorgaan juist is. De begrippen "emissies in het milieu" en "informatie over emissies in het milieu" mogen niet restrictief worden uitgelegd. Het Hof heeft deze rechtspraak bevestigd in het arrest van 20 maart 2025, Sumitomo. In punt 95 van dat arrest overweegt het Hof verder: "Informatie die geen betrekking heeft op de emissies van het betrokken product of de betrokken stof in het milieu, en gegevens over hypothetische emissies, dat wil zeggen emissies die niet daadwerkelijk of voorzienbaar plaatsvinden in omstandigheden die met normaal of realistisch gebruik overeenstemmen, zijn daarentegen uitgesloten." 23. De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de openbaar te maken bestanden. Hieruit blijkt dat in de openbaar te maken documenten bedrijfsadresgegevens, staltypen en het aantal dieren per locatie zijn opgenomen. Dit zijn gegevens over de invloeden van emissies op het milieu, waarmee het publiek in staat kan worden gesteld te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voo
Bronpassage s0020
rzienbare emissies door de minister juist is. De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 januari 2021 geoordeeld dat de plaats van de emissies informatie over emissies in het milieu is. Ook het Hof heeft in het arrest van 20 maart 2025, punt 91, onder verwijzing naar haar eerdere rechtspraak, bevestigd dat de plaats van de emissies een emissiegegeven is. Dit geldt ook voor het aantal dieren op een locatie, zogeheten diertelgegevens. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 5 oktober 2022 zijn deze gegevens milieu-informatie die betrekking hebben op emissies in het milieu. Tot slot heeft de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van 24 september 2025 over dezelfde gegevens over de jaren 2010, 2015, 2020, 2021 en 2022 geoordeeld dat het gaat om emissiegegevens. De voorzieningenrechter oordeelt dan ook dat de huisvestingsgegevens en de UBN-adressen emissiegegevens zijn. 24. Verzoekers hebben aangevoerd dat het hier niet om emissiegegevens gaat, omdat met de gegevens de daadwerkelijke en voorzienbare emissies niet gecontroleerd kunnen worden. Zij wijzen erop dat de minister in Excelbestand 1 het ‘gemiddeld aantal dieren’ vermeldt, wat volgens hen niets zegt over de werkelijke emissie. De minister moet volgens hen het werkelijk aantal dieren noemen, zodat de emissie gecontroleerd kan worden. 25. De voorzieningenrechter volgt verzoekers hierin niet. Het ‘gemiddeld aantal dieren’ is het aantal dieren dat de agrariërs zelf in hun Gecombineerde opgave hebben vermeld. Het
Bronpassage s0021
betreft het werkelijk gemiddelde van het aantal dieren over een bepaald registratietijdvak. Dat zegt dus iets over de daadwerkelijke en voorzienbare emissies in het betreffende tijdvak. De uitspraak van 24 september 2025 gaat bovendien ook over het ‘gemiddeld aantal dieren’ en dat gegeven merkt de Afdeling aan als emissiegegeven. Dat het oordeel van de Afdeling zou zien op andere gegevens, hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt en is ook niet waarschijnlijk. De Afdeling heeft, zo blijkt uit de uitspraak, kennisgenomen van de openbaar te maken gegevens. Deze zijn inmiddels daadwerkelijk openbaar gemaakt door publicatie daarvan op het internet. De gegevens zoals openbaar gemaakt in besluit Woo 2022-192 komen exact overeen met de gegevens zoals weergegeven in Excelbestand 1. 26. Verzoekers stellen dat deze gegevens niet meer aangemerkt kunnen worden als emissiegegevens, omdat het hier gaat om oude huisvestingsgegevens. Zij wijzen erop dat de UBN-adressen, waarmee de locatie van de emissies worden prijsgegeven, actuele gegevens zijn, terwijl de huisvestingsgegevens zich uitstrekken over oude jaren. Het is volgens verzoekers goed voorstelbaar dat op een bepaalde locatie geen stal meer staat. Door actuele locatiegegevens te vergelijken met oude huisvestingsgegevens, wordt niets duidelijk over daadwerkelijke of voorzienbare emissies. 27. De voorzieningenrechter geeft verzoekers hierin geen gelijk. Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025 volgt dat de locatie van de
Bronpassage s0022
emissie op zichzelf ook een emissiegegeven is. Als de locatiegegevens door tijdsverloop onbetrouwbaar zijn geworden, ontneemt dat niet het emissiekarakter van dat gegeven of aan de overige gegevens, te weten het aantal dieren en de staltypen. Dit zijn dan nog steeds gegevens over de invloeden van emissies op het milieu in het verleden, waarmee het publiek in staat kan worden gesteld te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies door de minister in het verleden juist was. Met het ontbreken van concrete locatiegegevens kan ook nog steeds informatie worden verkregen over emissies in bijvoorbeeld een bepaalde regio of in heel Nederland. De actualiteit van de locatiegegevens is dus niet doorslaggevend voor de vraag of het om emissiegegevens gaat. Ook is niet relevant dat op een bepaalde locatie inmiddels geen emissies in het milieu meer plaatsvinden, omdat de gegevens gedateerd zijn. Gedateerde gegevens zijn niet hetzelfde als onbetrouwbare gegevens. Zij zeggen wat over een situatie in het verleden. Op de zitting is besproken dat de minister ervoor zou kunnen kiezen om bij de publicatie van de gegevens op dit punt een algemene disclaimer op te nemen. Verdrag van Aarhus 28. NMV heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de openbaarmaking van informatie, die dateert van voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Aarhus, geen wettelijke grondslag bestaat. Volgens NMV verzetten het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen
Bronpassage s0023
dat deze niet actuele emissiegegevens alsnog openbaar worden gemaakt. NMV wijst verder op artikel 1b van Verordening EG, nr. 1367/2006 waaruit volgt dat milieu-informatie geleidelijk aan het publiek beschikbaar wordt gesteld. Het delen van alle informatie vanaf 1989 valt volgens NMV niet aan te merken als het geleidelijk beschikbaar stellen. 29. De voorzieningenrechter volgt NMV niet in dit betoog. Met de milieu-informatierichtlijn is het Verdrag van Aarhus geïmplementeerd in het Unierecht. Zowel het Verdrag van Aarhus als de milieu-informatierichtlijn zijn in Nederland geïmplementeerd in de Woo, waarbij openbaarheid van milieu-informatie het wettelijk uitgangspunt is. De wettelijke grondslag voor openbaarmaking is in dit geval de Woo. Dat de Woo niet zou gelden voor informatie van voor de inwerkingtreding van deze wet is een onjuiste rechtsopvatting. De Woo bevat immers geen bepaling die zijn werkingsbereik in tijd beperkt. Wat betreft het beroep van NMV op artikel 1b van de Verordening 1367/2006, is de voorzieningenrechter van oordeel dat die Verordening niet van toepassing is op besluiten van de minister. Deze Verordening heeft namelijk betrekking op toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus op de instellingen en organen van de Unie en de minister is geen instelling of orgaan van de Unie. Het voorgaande betekent dat de Woo er niet aan in de weg staat dat de minister gegevens vanaf 1989 in één keer openbaar maakt. Tussenconclusie 30. Samenvattend concludeert d
Bronpassage s0024
e voorzieningenrechter dat de informatie uit de Gecombineerde opgaven van alle veehouders in Nederland, van 1989 tot en met 2022, zoals weergegeven in de Excelbestanden 1 en 4 milieu-informatie is die betrekking heeft op emissies in het milieu. Daarvoor geldt dat er op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo geen weigeringsgronden van toepassing zijn. Wat verzoekers hebben aangedragen over de inbreuk op de privacy van agrariërs die nabij hun stallen wonen, mogelijke dreiging van dierenrechtenactivisme en overige belangen, hoeft in dit kader dan ook niet verder besproken te worden. De minister kan die belangen niet wegen. De emissiegegevens moeten op grond van de Woo openbaar worden gemaakt. Heeft de minister de landbouwtellingsgegevens openbaar mogen maken? 31. De minister heeft de landbouwtellingsgegevens ook openbaar gemaakt. Hij stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de gegevens die de agrariërs in de Gecombineerde opgave hebben verstrekt over hun landgebruik, bedrijfsgegevens zijn die zij in vertrouwen aan de overheid hebben verstrekt. De minister gaat echter toch over tot openbaarmaking van deze gegevens, omdat het volgens hem om milieu-gegevens gaat. Het betreft informatie over gewassen die op het land worden verbouwd. Op grond van artikel 5.1, zesde lid, van de Woo moet de minister de belangen van de agrariërs die deze gegevens vertrouwelijk aan de overheid hebben verstrekt, afwegen tegen het belang van de openbaarheid. De minister vindt dat he
Bronpassage s0025
t belang van openbaarheid zwaarder weegt, omdat de agrariërs niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun belang ernstig wordt geschaad bij openbaarmaking. Reikwijdte Woo-verzoek 32. Verzoekers stellen ten eerste dat MOB niet heeft verzocht om de landbouwtellingsgegevens. Er is steeds gesproken over emissiegegevens van veehouders. Volgens verzoekers had de minister de landbouwtellinggegevens niet openbaar mogen maken in het kader van het voorliggende Woo-verzoek, maar deze buiten de reikwijdte van het verzoek moeten laten. 33. De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in dit standpunt. Uit het Woo-verzoek van MOB blijkt dat zij ook expliciet heeft verzocht om informatie uit de Gecombineerde opgave die ziet op landgebruik. De voorzieningenrechter ziet in het verzoek van MOB geen inperkingen op dit onderdeel van haar Woo-verzoek. Dat de minister zelf in de zienswijzeprocedure en de berichtgeving naar de agrariërs toe steeds heeft gesproken over emissiegegevens van veehouders, betekent niet dat het Woo-verzoek beperkter moet worden opgevat dan MOB het heeft gedaan. Milieugegevens 34. Verzoekers stellen zich ten tweede op het standpunt dat de gegevens over het landgebruik van gronden met gewascodes geen milieugegevens zijn. De enkele stelling dat het telen van gewassen of het braak laten liggen van percelen invloed heeft op het milieu, is daarvoor volgens hen onvoldoende. Verzoekers vinden dat de definitie wat wel en niet milieugegevens zijn, te ruim wordt uitgelegd. Informatie ov
Bronpassage s0026
er landgebruik zegt volgens hen niets over de toestand van (elementen van) het milieu of andere milieufactoren, zoals stoffen. 35. Hiervoor onder overweging 22 is toegelicht dat voor de vraag of gegevens moeten worden aangemerkt als milieu-gegevens relevant is of wordt voldaan aan de wettelijke definitie daarvan in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer. Zoals hiervoor al is overwogen moet deze definitie ruim worden uitgelegd. In dit geval gaat het om de landbouwtellinggegevens en dat zijn milieugegevens. Landbouwtellingsgegevens zeggen wat over de toestand van het land en over de activiteiten op dat land die een uitwerking op het milieu kunnen hebben. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2010, waarin is overwogen: “Landbouwtellinggegevens bevatten, […], tevens gegevens over gewassen, cultuurgronden, grasland en de bedrijfsoppervlakte. Ook die gegevens bevatten informatie over factoren die elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten, onderscheidenlijk informatie over activiteiten die op dergelijke factoren een uitwerking hebben of kunnen hebben en dienen daarom te worden aangemerkt als milieu-informatie. Immers, met het telen van gewassen en het onderhouden van grasland en cultuurgronden zullen activiteiten zijn gemoeid die uitwerking kunnen hebben op factoren die elementen van het milieu aantasten, zoals het bemesten van gronden.” Verzoekers hebben geen valide argumenten aangedragen waarom de lan
Bronpassage s0027
dbouwtellingsgegevens niet zouden vallen onder het begrip milieu-gegevens. 36. MOB stelt zich op het standpunt dat de gevraagde gegevens niet alleen zijn aan te merken als milieu-informatie maar dat het hier ook gaat om emissiegegevens. Deze voorzieningenprocedure gaat echter alleen over de vraag of de beroepen van verzoekers een redelijke kans van slagen hebben. Gelet op het navolgende behoeft dit standpunt van MOB geen verdere bespreking. Belangenafweging 37. De minister heeft het belang van openbaarheid zwaarder laten wegen dan het belang van verzoekers. Verzoekers vinden dat onterecht. Zij stellen dat de gegevens informatie bevat, die inzicht geeft in de bedrijfsvoering en productieomvang van de agrariërs. Dat geldt in het bijzonder ook voor de informatie die gaat over landgebruik van gronden met gewascodes per bedrijfslocatie. Het gaat om tot bedrijven herleidbare informatie. Openbaarmaking zal de concurrentiepositie van agrariërs schaden. Ook vrezen verzoekers aantasting van de persoonlijke levenssfeer van agrariërs die nabij hun land wonen. Hun bedrijfsadres is ook vaak woonadres. Verzoekers vrezen verder voor sabotage. De vrees is dat de informatie in handen komt van milieuactivisten en natuurorganisaties, die er mee aan de haal gaan. Afgelopen jaren waren agrariërs volgens hen vaker het doelwit van acties. Niet is uitgesloten dat openbaarmaking negatieve gevolgen heeft voor de veiligheid van de agrariërs. 38. De voorzieningenrechter oordeelt dat de minister het belan
Bronpassage s0028
g van openbaarheid in dit geval zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van de agrariërs. Het beroep heeft ook op dit punt geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter legt dat hierna uit. 39. De belangen waar verzoekers zich op beroepen vallen onder artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo (bedrijfsgegevens die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld), 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo (de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en 5.1, tweede lid, onder h, van de Woo (de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage). Omdat het gaat om milieu-informatie bepaalt artikel 5.1, zesde lid, van de Woo dat artikel 5.1, eerste lid onder c, van de Woo een relatieve weigeringsgrond is in plaats van een absolute. Het openbaar maken van bedrijfsgegevens blijft daarom slechts achterwege voor zover dat belang ernstig geschaad wordt en het algemeen belang van openbaarheid van informatie niet opweegt tegen deze schade. Bedrijfsgegevens 40. De minister heeft zich gerealiseerd dat het hier om informatie gaat die vertrouwelijk aan de overheid is verstrekt en ook dat deze informatie te herleiden is tot de diverse bedrijven. Dit belang is in de belangenafweging van de minister betrokken. De voorzieningenrechter is het met de minister eens dat niet valt in te zien dat het belang van de bescherming van bedrijfsgegevens ernstig wordt geschaad door de openbaarmaking en dat dat belang z
Bronpassage s0029
waarder zou moeten wegen dan het belang van openbaarheid van milieu-informatie. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de openbaarmaking informatie betreft die de concurrentiepositie van agrariërs ernstig zou schaden. Zij hebben wel gesteld dat openbaarmaking tot schade leidt, maar dit is op geen enkele manier concreet gemaakt. Persoonlijke levenssfeer 41. De enkele stelling dat de privacy van de agrariërs in het geding is, omdat velen van hen nabij hun bedrijf wonen, is op zichzelf ook geen reden om openbaarmaking van milieu-informatie te weigeren. Het is aan verzoekers om de concrete gevolgen van openbaarmaking te benoemen en aannemelijk te maken dat het gaat om een zwaarwegend belang. Dat hebben zij onvoldoende gedaan. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter dat de minister eerder dezelfde informatie openbaar heeft gemaakt in het kader van het besluit Woo 2022-192 en dat niet is gesteld dat dit tot aantasting van de privacy heeft geleid. De minister heeft dit privacybelang dan ook niet zwaarder hoeven laten wegen dan het belang van openbaarheid. Beveiliging en sabotage 42. De minister heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het gestelde belang van beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage als gevolg van acties van milieuactivisten in deze zaken minder zwaar weegt dan het belang van openbaarheid. De meeste door verzoekers aangedragen voorbeelden van acties en sabotage zien niet op de bedrijven waarop de infor
Bronpassage s0030
matie over landgebruik van gronden betrekking heeft. De overgelegde informatie wijst ook niet op een concrete, actuele dreiging richting landbouwbedrijven in het algemeen. De voorbeelden van acties die zijn genoemd hebben ook geen relatie met de openbaarmaking van gegevens op grond van de Woo. Dat verband hebben verzoekers niet onderbouwd. Dat organisaties, zoals bijvoorbeeld MOB, de gegevens willen gebruiken om handhavingsverzoeken te doen die de agrariërs niet willen, is geen zwaarwegend belang. De milieuorganisaties mogen namelijk om handhaving verzoeken . De voorzieningenrechter merkt daarbij nog op dat de feitelijke informatie die in de openbaar te maken bestanden staat, op zichzelf onvoldoende is om een handhavingsverzoek te onderbouwen. Eindconclusie 43. Samenvattend komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat ook de landbouwtellingsgegevens openbaar gemaakt moeten worden, omdat het belang van de agrariërs niet opweegt tegen het belang van openbaarheid van milieugegevens. Het beroep van verzoekers heeft ook op dit onderdeel geen redelijke kans van slagen. Dat betekent dat geen van gronden die verzoekers hebben aangedragen, een redelijke kans van slagen heeft en de beroepen hoogstwaarschijnlijk ongegrond zijn. Het voorlopig rechtmatigheidsoordeel pakt voor verzoekers niet gunstig uit. Hoe weegt de voorzieningenrechter de belangen? 44. De voorzieningenrechter moet bij een verzoek om een voorlopige voorziening ook altijd nog zelf de belangen afwegen, maar als al dui
Bronpassage s0031
delijk is dat het beroep hoogstwaarschijnlijk niet zal slagen, is er weinig ruimte om op grond van een belangenafweging nog te beslissen dat openbaarmaking van de gegevens achterwege moet blijven. 45. De voorzieningenrechter realiseert zich dat een voorlopig rechtmatigheidsoordeel in dit stadium van de procedure tot gevolg heeft dat de minister de gegevens feitelijk openbaar mag maken door publicatie daarvan. Dat betekent dat het belang van de behandeling van de beroepen van verzoekers en van de overige agrariërs afneemt, omdat de gegevens op dat moment feitelijk al bekend zijn en er alleen nog gekeken kan worden of die beslissing moet worden teruggedraaid. Dat maakt de beroepen vrijwel zinledig. Dat is echter de consequentie van het feit dat er in de Woo geen uitzondering is gemaakt op de hoofdregel van artikel 6:16 van de Awb, dat bezwaar of beroep geen schorsende werking kent. Verzoekers hebben geen andere belangen aangedragen die tot de conclusie leiden dat het Woo-besluit geschorst moet worden. De voorzieningenrechter zal de werking van het Woo-besluit dan ook niet schorsen en de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen. Conclusie en gevolgen 46. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de minister de Excelbestanden, voor zover deze nog niet openbaar zijn, openbaar mag maken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige v
Bronpassage s0032
oorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit zijn codes uit de lijst van de Regeling Ammoniak en Veehouderij (RAV). Stcrt. 2026, 467. ECLI:NL:RVS:2022:128, onder 4.2. ECLI:NL:RVS:2025:4557. Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4272. https://www.rvo.nl/onderwerpen/contact/juridische-zaken/woo/reageren-op-woo-verzoek-als-belanghebbende/openbaar-maken Dit zijn de gepseudonimiseerde relatienummers van de agrariërs bij Rvo; deze zijn gepseudonimiseerd zodat derden deze relatienummers niet oneigenlijk kunnen gebruiken. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2023/05/04/besluit-op-woo-verzoek-over-de-gecombineerde-opgaven-van-alle-agrarische-ondernemingen-in-nederland Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB 2003, L 41). Bijv. de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1926. Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 26 juni 2003, Commissie/Frankrijk, ECLI:EU:C:2003:371, punt 44. Bayer CropScience, ECLI:EU:C:2016:890 en Commissie/ACC, ECLI:EU:C:2016:889. ECLI:EU:C:2025:195, punt 92. ECLI:NL:RVS:2021
Bronpassage s0033
:153. ECLI:NL:RVS:2022:2871. Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Verordening betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de instellingen en organen van de Unie van 6 september 2006. Richtlijn 2003/4/EG. Artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wm. ECLI:NL:RVS:2010:BM9643.
De voorzieningenrechter laat de woningsluiting van zes weken voorlopig in stand.s0001, s0007
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af; de woning blijft tot 23 oktober 2026 om 19.15 uur gesloten.s0001, s0002, s0007
Rechtbank Noord-Nederland · 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4180
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, waardoor de woning tot 23 oktober 2026 om 19.15 uur gesloten blijft. De aanslag bij de portiek veroorzaakte volgens de rechter een ernstig veiligheidsrisico en een ernstige verstoring van de openbare orde. Het herhalingsgevaar en de bescherming van het gezin in de benedenwoning rechtvaardigen de sluiting. Cameratoezicht en extra politiesurveillance bieden volgens de aanvaarde onderbouwing onvoldoende bescherming. De aangeboden opvang beperkt de nadelige gevolgen voldoende. Het oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.s0001, s0002, s0004, s0005, s0006, s0007
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester van Groningen de woning met spoed mocht sluiten. Bij de centrale portiekdeur was een vuurwerk-brandstofcombinatie ontploft, waardoor brand en schade ontstonden. Op de deur stond een betalingsoproep met de voornaam van verzoeker [naam 1]. De explosie vond ongeveer twee meter van het slaapkamerraam van een gezin met drie kinderen plaats. De rechter betrekt ook de herhaalde aanslag op de woning van de moeder van verzoeker bij zijn oordeel. Deze omstandigheden dragen volgens hem de onmiddellijke sluiting zonder voorafgaande termijn om zelf maatregelen te nemen.s0002, s0003, s0004
Uit de uitspraak
De rechter aanvaardt de uitleg van de burgemeester dat cameratoezicht en extra politiesurveillance onvoldoende bescherming bieden. Een camera bij de woning van de moeder had een volgende aanslag niet voorkomen, terwijl permanent politietoezicht niet te realiseren was. Bij de belangenafweging tellen de aangeboden hotelopvang en vervangende woning mee. Verzoekers sloegen die aanbiedingen af omdat zij zelf opvang hadden geregeld en de vervangende woning ongeschikt vonden. Ook weegt mee dat het politieonderzoek voortduurt en drie van de zes sluitingsweken al verstreken zijn.s0005, s0006, s0007
Duiding
Voor de praktijk laat deze zaak zien welke concrete omstandigheden hier de afweging dragen: het herhalingsgevaar, de bescherming van omwonenden, de beperkingen van alternatieven en de aangeboden opvang. Dat verzoekers zich slachtoffer voelen en meewerken aan het onderzoek, neemt volgens dit voorlopige oordeel de noodzaak van sluiting niet weg. De beoordeling blijft verbonden aan deze omstandigheden en deze sluitingsduur.s0005, s0006, s0007
Grenzen van deze toelichting
- Het oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.
- De uitspraak vermeldt geen beslissing op het bezwaar van verzoekers.
- Het politieonderzoek loopt nog; de uitspraak stelt niet vast wie de aanslag heeft gepleegd.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Woningsluiting, openbare orde, vuurwerkbom gericht op verzoeker, woning wordt gesloten voor de duur van zes weken. Sluiting is noodzakelijk en evenwichtig.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/3149 uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2026 in de zaak tussen [naam 1 en naam 2 uit plaats] , verzoekers (gemachtigde: mr. P.N. Huisman), en de burgemeester van de gemeente Groningen (gemachtigden: mr. A. Brouwer en mr. K.G. Manting). Als derde partij heeft aan de zaak deelgenomen: Woningstichting Patrimonium, (gemachtigden: mr. S. Veenema-Bruinsma en dhr. [naam 3]) Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgmeester om de woning van verzoekers te sluiten gedurende de periode van 11 september 2026 tot 23 oktober 2026 om 19.15 uur. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Totstandkoming van het besluit en procesverloop 2. Op vrijdag 11 september 2026 omstreeks 05:50 uur, kwam er bij de Meldkamer Noord-Nederland de melding binnen dat er een brand zou zijn bij de portiek aan [adres] die toegang geeft tot de percelen [nummers] . Er zou ook een knal zijn gehoord en een flits zijn gezien. 2.1. De politie is ter plaatse gekomen en heeft de brand kunne
Bronpassage s0002
n blussen. Door de brand is de portiekdeur beschadigd en zwartgeblakerd. Op de portiekdeur is met zwarte verf geschreven ‘ [naam 1] betalen’. De voornaam van verzoeker is [naam 1] . De politie stelt vast dat er een vuurwerk/brandstof combinatie (VBC) is gebruikt om een ontploffing te veroorzaken bij de deur die toegang geeft tot de centrale portiek. Verder is er bij nader onderzoek ook een huls in de nabijheid van de portiekdeur gevonden en een inslag in die deur met daarin een patroon die vermoedelijk op de deur is afgevuurd. De VBC is ontploft op ongeveer twee meter afstand van een slaapkamerraam van perceel [nummer] op de begane grond. De betreffende woning wordt bewoond door een gezin met drie kinderen. 2.2. Op 11 september 2026 om 19:15 uur is verzoekers mondeling meegedeeld dat de woning zal worden gesloten voor de duur van zes weken, derhalve tot vrijdag 23 oktober 2026 om 19:15 uur. De schriftelijke bevestiging van dit besluit is verzoekers op 17 september 2026 uitgereikt. Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt en is de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker [naam 1] , de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigden van de burgemeester en de gemachtigden van de derde-partij. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 3. Dat er een spoedeisend belang is, is niet in geschil. De voorzien
Bronpassage s0003
ingenrechter ziet geen aanleiding een spoedeisend belang niet aanwezig te achten en zal daarom deze zaak inhoudelijk beoordelen. De bevoegdheid van de burgemeester 4. De burgemeester is op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet bevoegd om, voor zover hier van belang, een woning te sluiten als door ernstig geweld, of bedreiging daarmee, in of in de onmiddellijke nabijheid van de woning de openbare orde rond de woning ernstig wordt verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring. 4.1. Uit artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de burgemeester bevoegd is om in spoedeisende situaties bestuursdwang toe te passen zonder voorafgaande last en zonder een voorafgaande termijn voor de belanghebbenden om nog zelf maatregelen te nemen. In het geval van directe gevaarzetting voor een ernstige verstoring van de openbare orde of fysieke veiligheid waarbij zich een spoedeisende situatie voordoet, kan direct een bevel tot sluiting worden gegeven. 4.2. Uit het verzoekschrift maakt de voorzieningenrechter op dat verzoekers de bevoegdheid van de burgemeester neergelegd in artikel 174a van de Gemeentewet op zich niet betwisten. Verzoekers vragen zich alleen af waarom er sprake is van een zodanige spoed dat het vragen van een zienswijze niet mogelijk was. 4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft mogen stellen dat er sprake is van een ernstig veiligh
Bronpassage s0004
eidsrisico en van een ernstige verstoring van de openbare orde in de onmiddellijke nabijheid van de woning van verzoekers. Om die reden is de burgemeester bevoegd om de woning op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b van de Gemeentewet te sluiten. Dat de burgemeester daarbij toepassing heeft gegeven aan artikel 5:31 van de Awb acht de voorzieningenrechter navolgbaar. Hij heeft bij zijn oordeel betrokken dat er meerdere aanslagen in de gemeente zijn geweest die naar alle waarschijnlijkheid voortvloeien uit hetzelfde conflict dat ook ten grondslag heeft gelegen aan het incident bij de woning van verzoekers. Hij doelt dan op de aanslag op de woning van de moeder van verzoeker [naam 1] . Dit heeft geleid tot een tijdelijke sluiting van die woning. Kort nadat de moeder van verzoeker [naam 1] naar de woning was teruggekeerd, is er weer een aanslag op deze woning gepleegd. 5. Als de bevoegdheid van de voorzieningenrechter aanwezig moet worden geacht, moet vervolgens worden beoordeeld of de burgemeester van haar bevoegdheid tot sluiting gebruik mocht maken. Als de burgemeester gebruik wil maken van haar sluitingsbevoegdheid, moet zij het concrete geval toetsen aan het evenredigheidsbeginsel uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Die toetst houdt in dat de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de sluiting van de woning moet worden beoordeeld. Noodzakelijkheid 6. Verzoekers hebben aangevoerd dat een sluiting alleen noodzakelijk is als de burgemeester aannemelijk
Bronpassage s0005
heeft gemaakt dat de verstoring van de openbare orde rond de woning niet afdoende kan worden bestreden met een minder ingrijpend middel dan een sluiting. Daarbij is van belang of de sluiting noodzakelijk is ter herstel van de openbare orde en het voorkomen van een herhaling van de verstoring van de openbare orde. Verzoekers zijn van mening dat de burgemeester ook voor (permanent) cameratoezicht had kunnen kiezen of extra politiesurveillance. Verder hebben zij aangevoerd dat er afdoende informatie is verstrekt op basis waarvan nader opsporingsonderzoek kan worden gedaan naar de daders van de aanslag. Verzoekers weten wie de daders van de aanslag zijn. Als de daders worden gepakt, is er geen kans meer op herhaling. 6.1. De burgemeester heeft in reactie hierop aangevoerd dat bij de woning van de moeder van verzoeker [naam 1] na de eerste aanslag een camera is geplaatst, maar dat dit geen verschil heeft gemaakt, omdat de woning daarna toch weer het doelwit van een aanslag is geweest. Van een extra politiesurveillance verwacht de burgemeester niets, omdat een aanslag alleen voorkomen kan worden als er permanent toezicht is en dat is niet te realiseren. Dat er een noodzaak bestaat om de woning te sluiten is met name gelegen in de bescherming van het gezin dat in de flat onder die van verzoekers woont. Dat gezin heeft de aanslag als zeer angstig ervaren, mede omdat de VBC is afgegaan op enkele meters van het slaapkamerraam van hun woning. Zij waren ook erg bang voor het ontstaan van
Bronpassage s0006
een uitslaande brand. Verder is de sluiting noodzakelijk om verzoekers en hun dochter te beschermen. De burgemeester acht de kans op herhaling groot, waarbij zij wijst op wat er bij de woning van de moeder van verzoeker [naam 1] is gebeurd. 6.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester hiermee voldoende heeft onderbouwd dat er een noodzaak bestond om de woning tijdelijk te sluiten. Evenwichtigheid 7. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenwichtig moet zijn. Er moet evenwicht zijn tussen de bescherming van het algemeen belang, in dit geval het herstel van de openbare orde en het voorkomen van herhaling, en de te respecteren belangen van verzoekers. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. 7.1. Verzoekers hebben aangevoerd dat zij zich coöperatief opstellen in het onderzoek naar het incident en dat de gevolgen van de sluiting groot zijn. Verzoekers voelen zich het slachtoffer van de aanslag, omdat de aanslag op hen was gericht en vooral omdat zij na de aanslag op straat zijn gezet. Zij voelen zich aan hun lot overgelaten. 7.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een evenwichtig besluit. Daarbij heeft de burgemeester op het moment van sluiting de belangen van verzoekers, gelet op de acute en ernstige verstoring van de openbare orde en ernstige vrees voor herhalin
Bronpassage s0007
g, ondergeschikt kunnen achten aan de belangen die gediend zijn met een spoedige sluiting van de woning. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat de burgemeester verzoekers op 11 september 2026 kortdurende opvang in een hotel heeft aangeboden. Verzoekers hebben dit aanbod echter afgeslagen, omdat ze zelf al opvang hadden geregeld. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat de woningbouwvereniging die eigenaar is van de woning, verzoekers een vervangende woning heeft aangeboden en dat verzoekers die woning hebben geweigerd omdat zij die niet geschikt vonden. Hiermee is voldoende gedaan om de nadelige effecten van de sluiting voor verzoekers te beperken. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook van belang dat het politieonderzoek (nog altijd) in volle gang is en dat de woning gesloten is voor de duur van zes weken, waarvan op het moment van de uitspraak al drie weken zijn verstreken. Conclusie en gevolgen 8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026. de griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak
Bronpassage s0008
staat geen hoger beroep of verzet open.
Het college moet GGD-advies aanvragen; de rechter schorst de urgentieafwijzing niet.s0007
Het college moet binnen twee weken GGD-advies aanvragen; het overige verzoek wijst de rechter af.s0007
Rechtbank Amsterdam · 1 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:9779
De voorzieningenrechter verplicht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam binnen twee weken medisch advies bij de GGD aan te vragen, maar wijst het verzoek voor het overige af. Verzoekster wordt dus niet voorlopig behandeld alsof zij een urgentieverklaring heeft. Die behandeling kan tot een feitelijk onomkeerbare woonsituatie leiden, terwijl haar aanspraak onvoldoende zeker is. De medische problemen van haar zoon vereisen wel objectief onderzoek voor de beoordeling van de hardheidsclausule, evenredigheid en kinderbelangen. Het college moet het advies bij de beslissing op bezwaar betrekken en € 54 griffierecht en € 1.868 proceskosten vergoeden.s0004, s0006, s0007
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het college de algemene weigeringsgrond mocht tegenwerpen. Verzoekster beschikt over 61 woonpunten en zou volgens het college daarmee zelf haar woonprobleem kunnen oplossen. De resterende beoordeling draait vooral om de hardheidsclausule, het evenredigheidsbeginsel en de belangen van de kinderen. Het college heeft deze punten niet beoordeeld in het afwijzingsbesluit. De rechter vindt een beoordeling van de kans van slagen van het bezwaar op deze gronden te verstrekkend voor deze spoedprocedure.s0003, s0004
Uit de uitspraak
De gevraagde behandeling alsof verzoekster een urgentieverklaring heeft, kan volgens de rechter feitelijk onomkeerbare gevolgen hebben. Zij zou daarmee een sociale huurwoning kunnen betrekken, terwijl het bezwaar later alsnog ongegrond kan blijken. Andere woningzoekenden kunnen daardoor worden benadeeld. Voor deze voorziening verlangt de rechter daarom dat nagenoeg geen twijfel bestaat over haar aanspraak op urgentie. Die zekerheid ontbreekt. Bovendien is de medische noodzaak van wonen binnen tien minuten van de school niet objectief onderbouwd. Een urgentieverklaring biedt volgens het beschreven aanbodstelsel ook weinig kans op een woning binnen die afstand.s0004, s0005
Duiding
Voor de verdere behandeling van deze aanvraag ligt de concrete opdracht bij het medisch onderzoek. Het college moet het advies binnen twee weken aanvragen, toezien op voortvarende rapportage en de uitkomsten betrekken bij de beslissing op bezwaar. Het weigeren van eten bij overprikkeling en de automutilatie vormen aanknopingspunten om een mogelijk acuut levensbedreigende situatie te onderzoeken. Deze onderzoeksopdracht geeft verzoekster nog geen urgentieverklaring.s0006, s0007
Grenzen van deze toelichting
- Het oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.
- De uitspraak bevat geen GGD-advies of beslissing op het bezwaar.
- De rechter stelt niet vast dat sprake is van een acuut levensbedreigende situatie; het medisch onderzoek moet daarover duidelijkheid geven.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
De gemeente Amsterdam moet binnen twee weken medisch advies inwinnen bij de GGD over de 6-jarige verstandelijk beperkte zoon van een Amsterdamse vrouw die voor zichzelf en haar kinderen een urgentieverklaring aanvroeg.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 26/5459 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. M. Raaijmakers), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: A. Hadri). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een urgentieverklaring. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om het besluit te schorsen af, maar bepaalt wel dat verweerder medisch advies dient te vragen aan de GGD. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2.1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 11 september 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verweerder wordt opgedragen verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring, totdat op het bezwaar is beslist. 2.2. Verweerder heeft op het verzoek g
Bronpassage s0002
ereageerd met een verweerschrift. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het bestreden besluit 3.1. Verzoekster vormt samen met haar drie minderjarige kinderen één huishouden. Een van haar kinderen, [naam kind] , die nu zes jaar is, is bekend met een verstandelijke beperking, is non-verbaal, heeft ernstige eetproblemen, en is niet zindelijk, kan geen grote afstanden lopen en kan ook niet traplopen. Daarnaast leidt overprikkeling bij [naam kind] tot automutilatie: hij slaat op zijn hoofd en raakt overstuur. Verzoekster heeft de eerdere echtelijke woning op 28 maart 2025 verlaten na haar echtscheiding omdat zij de hoge huur niet langer kon opbrengen. Verzoekster verblijft met haar minderjarige kinderen in een woonsituatie die niet voldoet aan de medische noodzakelijke eisen die [naam kind] stelt. 3.2. Verzoekster heeft op grond hiervan een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend, met als noodzakelijke zoekcriteria: (i) een vierkamerwoning met een eigen, rustige kamer voor [naam kind] en een aparte kookvoorziening (waterkoker) — omdat lawaai van bijvoorbeeld een televisie van de andere, oudere kinderen te veel prikkels geeft en [naam kind] zonder de mogelijkheid om te ontprikkelen stopt met eten; (ii) een woning met lift of op de begane grond, gelet op de motorische beperkingen van [naam kind] ; en (iii) een won
Bronpassage s0003
ing op maximaal 10 minuten afstand van de bijzondere school van [naam kind] in [stadsdeel] , omdat [naam kind] niet met het openbaar vervoer kan reizen en een te lange of ongeschikte reisafstand leidt tot overprikkeling en automutilatie. 3.3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat de algemene weigeringsgrond uit artikel 2.10.5, eerste lid, onder c, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv) volgens verweerder van toepassing is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster met haar 61 opgebouwde woonpunten redelijkerwijs zelf een woning zou moeten kunnen vinden en daarmee op eigen kracht haar woonprobleem zou kunnen oplossen. Verder heeft verzoekster volgens verweerder een woning aan de [straat] geweigerd, omdat deze woning niet aan haar wensen zou voldoen. Gelet op de omvang, indeling en voorzieningen van deze woning was er volgens verweerder sprake van een reële en redelijke mogelijkheid om het woonprobleem hiermee op te lossen. Daarnaast merkt verweerder op dat verzoekster geen documenten heeft aangeleverd waaruit blijkt dat zij de echtelijke woning niet kon opeisen of behouden. Beoordeling door de voorzieningenrechter 4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen niet ter discussie staat dat verzoekster beschikt over 61 woonpunten en dat verweerder de algemene weigeringsgrond uit artikel 2.10.5, eerste lid, onder c, van de Hvv aan verzoekster mocht tegenwerpen. De vraag of verzoekster in aanmerking komt voor een urgentieverklaring is
Bronpassage s0004
daarom vooral gelegen in de hardheidsclausule, het evenredigheidsbeginsel en de afweging van de belangen van de kinderen. Hieraan heeft verweerder niet getoetst in het bestreden besluit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordeling of het bezwaar op die gronden een redelijke kans van slagen heeft, te ver voert voor deze voorlopige spoedprocedure en iets is wat door verweerder nader moet worden beoordeeld en uitgekristalliseerd in de bezwaarfase. 5. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster heeft gevraagd om gedurende de bezwaarfase een voorlopige voorziening te treffen waarmee primair wordt bereikt dat zij wordt behandeld alsof zij een urgentieverklaring heeft voor een woning die voldoet aan haar voorwaarden. Als de door verzoekster gevraagde voorziening wordt toegewezen, is dat echter geen voorlopige maatregel. Verzoekster zou met de (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst kunnen sluiten en in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het bezwaar later dan toch ongegrond verklaard zou worden, is die woonsituatie mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld. Een dergelijke voorziening kan daarom alleen worden getroffen als er nagenoeg geen twijfel is dat verweerder de urgentieverklaring aan verzoekster had moeten geven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar geen sprake van is. 6. Bovendien is de vraag aan de orde welk belang verzoekster heeft bij een urgentieverklaring. Verzoekst
Bronpassage s0005
er heeft 61 woonpunten. Dit gegeven maakt dat verzoekster aanzienlijk hoge kansen heeft op de woningmarkt en daarmee zelfstandig op korte termijn een woning zou moeten kunnen vinden aan de hand van haar woonwensen. Een belangrijke voorwaarde voor verzoekster is dat de woning op maximaal 10 minuten afstand is gelegen van het speciaal onderwijs van haar zoon [naam kind] in [stadsdeel] . Verzoekster heeft op dit moment echter niet met objectieve informatie aannemelijk gemaakt dat dit voor de gezondheid van [naam kind] absoluut noodzakelijk is. Ook heeft verzoekster niet onderbouwd dat er in een ander stadsdeel of een andere gemeente in de regio geen speciaal onderwijs beschikbaar is voor [naam kind] . 7. Daarbij komt dat het toekennen van een urgentieverklaring, al dan niet met etagebinding, betekent dat verzoekster in het systeem van de Huisvestingsverordening eenmalig een aanbod krijgt, waarbij zij slechts één stadsdeel kan uitsluiten. Met andere woorden, de kans is dan bijzonder klein dat de aangeboden woning binnen 10 minuten van de school van [naam kind] ligt. Dat maakt dat verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter weinig belang heeft bij de gevraagde voorziening. 8. De voorzieningenrechter is echter wel – in het kader van een belangenafweging – van oordeel dat alle in het dossier genoemde omstandigheden omtrent de medische situatie van [naam kind] in dit geval aanleiding geven om te bepalen dat verweerder al in de bezwaarfase medisch advies dient te vragen a
Bronpassage s0006
an de GGD. Een objectief medisch advies is noodzakelijk bij het beoordelen of verzoekster een beroep kan doen op de hardheidsclausule, het evenredigheidsbeginsel, en bij het wegen van de belangen van de kinderen. Verzoekster voert aan dat [naam kind] weigert om te eten bij overprikkeling, en dat er sprake is van automutilatie. In het kader van de hardheidsclausule zijn dit aanknopingspunten om te onderzoeken of sprake is van een acuut levensbedreigende situatie. Verweerder dient de uitkomsten van het GGD advies te betrekken bij de beslissing op het bezwaar. 9. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat op de zitting aan verzoekster is meegegeven dat de voorwaarde van maximaal 10 minuten afstand tussen de woning en de school van [naam kind] haar belemmert in de zoektocht naar een woning. De voorzieningenrechter geeft haar mee dat zij moet afwegen of het niet belangrijker is snel een woning te accepteren, ook al ligt die woning op een andere plek. Conclusie en gevolgen 10.1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het besluit te schorsen af, maar bepaalt wel dat verweerder medisch advies dient te vragen aan de GGD in het kader van het beroep op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek en een acuut levensbedreigend probleem. Verweerder dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na deze uitspraak het advies aan te vragen en er op toe te zien dat de GGD ook voortvarend rapporteert. 10.2. Omdat de voorzieningenrechter een voorziening toew
Bronpassage s0007
ijst, is er aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - bepaalt dat verweerder binnen twee weken na deze uitspraak medisch advies dient te vragen aan de GGD; - wijst voor het overige het verzoek af; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
De rechter laat de bestuursdwang tegen de bewoning en bouwwerken in stand.s0009
De rechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.s0009
Rechtbank Limburg · 1 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:10443
De rechter verklaart het beroep ongegrond, waardoor de last onder bestuursdwang blijft gelden, en wijst de voorlopige voorziening af. Het college mocht optreden tegen de ongeoorloofde bewoning en bouwwerken. Volgens de rechter heeft eiseres aangeboden hulp bij alternatieve woonruimte afgewezen en weegt het handhavingsbelang zwaarder dan haar belang bij voortzetting van de situatie. Het college misbruikt zijn bevoegdheid niet doordat handhaving de provincie Limburg als verhuurder kan helpen. De last noemt voor de bestaande schuilgelegenheid voor schapen ook de mogelijkheid om binnen acht weken een vergunningaanvraag ter legalisatie in te dienen.s0004, s0006, s0008, s0009, s0001, s0003
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De rechter verklaart het beroep van eiseres ongegrond en wijst haar verzoek om een voorlopige voorziening af. Daardoor blijft de last van het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten in stand. Volgens die last moet eiseres de permanente bewoning staken en gestaakt houden en alle bouwwerken verwijderen en verwijderd houden, binnen vier weken na verzending van het besluit. Voor de bestaande schuilgelegenheid voor schapen noemt de last ook de mogelijkheid om binnen acht weken een omgevingsvergunning aan te vragen ter legalisatie. De uitspraak verleent die vergunning niet.s0004, s0009, s0001
Uit de uitspraak
De overtredingen en de bevoegdheid om daartegen op te treden staan tussen partijen vast. De rechter vindt de persoonlijke omstandigheden van eiseres onvoldoende zwaar om handhaving achterwege te laten. Zij weet sinds oktober 2024 dat zij daar niet mag wonen en heeft aangeboden hulp bij alternatieve woonruimte steeds afgewezen. Zij wil alleen vertrekken naar een perceel waar zij haar landschapsbeheer kan voortzetten. Ook het belang om precedentwerking te voorkomen weegt mee. Het civiele hoger beroep rechtvaardigt volgens de rechter evenmin uitstel: een gunstige uitkomst maakt deze bewoning en bouwwerken niet toegestaan.s0006, s0007, s0008, s0009
Duiding
Voor de praktijk laat deze zaak zien waarom een beroep op woonproblemen concreet moet worden verbonden met de aangeboden alternatieven en de redenen om die af te wijzen. Juist die omstandigheden dragen hier het oordeel over evenredigheid. Ook moeten het huurgeschil met de provincie Limburg en de handhaving door het college afzonderlijk worden beoordeeld. Dat handhaving de provincie kan helpen, is volgens deze rechter op zichzelf onvoldoende om misbruik van bevoegdheid aan te nemen. De bijstandsuitkering en het civiele huurgeschil vallen buiten deze procedure.s0006, s0008, s0009, s0001, s0003, s0005
Grenzen van deze toelichting
- De rechter beoordeelt de last onder bestuursdwang; de bijstandsuitkering en het civiele geschil over de huurovereenkomst vallen buiten deze procedure.
- De uitspraak vermeldt niet of eiseres een vergunningaanvraag voor de schuilgelegenheid heeft ingediend of wat daarop is beslist.
- De uitspraak vermeldt geen feitelijke uitvoering van de bestuursdwang na deze beslissing.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten mocht aan eiseres een last onder bestuursdwang opleggen voor het aanwezig hebben van bouwwerken zonder omgevingsvergunning en het gebruik van gronden in strijd met het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Eijsden-Margraten. Beroep ongegrond en afwijzing van verzoek om voorlopige voorziening.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK LIMBURG Bestuursrecht zaaknummers: ROE 26/2071 en ROE 26/2073 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam] , uit Eckelrade, eiseres, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten, het college, (gemachtigde: mr. C.H.H. Hurenkamp). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de provincie Limburg. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een opgelegde last onder bestuursdwang voor het aanwezig hebben van bouwwerken zonder omgevingsvergunning en het gebruik van gronden in strijd met het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Eijsden-Margraten op het perceel kadastraal bekend als gemeente Margraten, sectie R, nummer 341. Eiseres is niet eens met de oplegging van deze last. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert in haar beroepschrift een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college handhavend mocht optreden. 2. De voorzieningenrechter beslist direct op het beroep van eiseres en komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder bestuursdwang aan eiseres mocht opleggen. Dit betekent dat het beroep van eiseres ongegrond is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter direct uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voo
Bronpassage s0002
rziening af; er valt immers geen voorlopige voorziening meer te treffen als al een definitieve beslissing genomen wordt. Procesverloop 3. Met het besluit van 26 maart 2026 heeft het college aan eiseres de last onder bestuursdwang opgelegd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 17 april 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening bij wijze van een ordemaatregel toegewezen, de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot aan de zitting en bepaald dat de last onder bestuursdwang wordt geschorst. Daarna heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 12 juni 2026 de getroffen voorlopige voorziening niet opgeheven en bepaald dat het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar wordt geschorst. 4. Met het betreden besluit van 15 juli 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij het opleggen van de last onder bestuursdwang gebleven. Daartegen heeft eiseres beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 5. Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep met een verweerschrift gereageerd. 6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college. 7. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet aan de beoorde
Bronpassage s0003
ling van de zaak kan bijdragen, beslist hij ook direct op het beroep van eiseres. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het bestreden besluit 8. Eiseres gebruikt het perceel aan de [adres] , kadastraal bekend als gemeente Margraten, sectie R, nummer 341. Zij heeft met de eigenaar daarvan, de derde-partij, in 2021 een huurovereenkomst gesloten voor de duur van zes jaar. 9. Op 22 juli 2024 heeft een toezichthouder van de gemeente op het perceel een tent en een schuilgelegenheid aangetroffen. Hiervoor is geen omgevingsvergunning verleend. Gezien deze constatering heeft het college op 2 oktober 2024 een voornemen last onder dwangsom naar eiseres verstuurd. Tegen dat voornemen heeft eiseres een zienswijze ingediend en naar aanleiding daarvan heeft het college besloten om het handhavingstraject te beëindigen. 10. De derde-partij was niet eens met de beëindiging van dat handhavingstraject en heeft daarom bij brief van 28 augustus 2025 het college verzocht om handhavend op te treden tegen (onder meer) de bouwwerken die op het perceel staan zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning en de permanente bewoning door eiseres in strijd met het het bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten 2009’, dat deel uitmaakt van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Eijsden-Margraten. 11. Vervolgens heeft een toezichthouder van de gemeente tijdens een controle op 12 september 2025 geconstateerd dat op het perceel een tent en bijgebouwen staan. Naar aanleiding van de bevind
Bronpassage s0004
ingen van deze controle heeft het college aan eiseres een last onder bestuursdwang opgelegd. Eiseres wordt daarin gelast de geconstateerde overtreding ongedaan te maken en ongedaan te laten binnen een termijn van vier weken na verzending van dat besluit. Om aan de last te voldoen, moet eiseres: de permanente bewoning op het perceel staken en gestaakt houden, en alle bouwwerken op het perceel geheel (laten) verwijderen en verwijderd houden, óf binnen een termijn van acht weken een aanvraag om een omgevingsvergunning indienen bij het college ter legalisatie van de huidige strijdige situatie ten aanzien van de bestaande schuilgelegenheid voor de schapen op het perceel. 12. Eiseres heeft tegen de last onder bestuursdwang bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen zoals onder 3 is overwogen. 13. Met het betreden besluit is het college bij het opleggen van de last onder bestuursdwang gebleven. Daartegen heeft eiseres dit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft bij brief van 14 september 2026 de voorzieningenrechter bericht dat hij, gelet op de geplande zitting bij de voorzieningenrechter, niet zal overgaan tot de op 21 september 2026 aangekondigde feitelijke uitvoering van bestuursdwang. Omvang van het geding 14. De voorzieningenrechter overweegt dat in deze procedure enkel de beroepsgronden kunnen worden besproken die zien op het bestreden besluit. Dit betekent dat de beroepsgronden
Bronpassage s0005
die gaan over de bijstandsuitkering die eiseres ontvangt en de civiele procedure (in hoger beroep) met de derde-partij over de huurovereenkomst van onderhavig perceel niet in deze procedure aan de orde komen. Deze gronden hebben immers geen betrekking op het bestreden besluit van eiseres. Voor de overige gronden, stellingen en argumenten van eiseres uit haar verzoek- en beroepschrift geldt dat de voorzieningenrechter deze op zitting met eiseres heeft doorgenomen en deze heeft teruggebracht tot de kern. Die kern is, zo overweegt de voorzieningenrechter, dat eiseres vindt dat het college misbruik maakt van zijn bevoegdheid en dat eiseres het standpunt inneemt dat handhaving onevenredig is. Heeft het college misbruik van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang gemaakt? 15. Eiseres voert aan dat het college de last onder bestuursdwang heeft opgelegd om de derde-partij te helpen en niet om op de regels van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Eijsden-Margraten te handhaven. 15.1. De voorzieningenrechter overweegt dat de derde-partij een handhavingsverzoek bij het college heeft ingediend en daarnaast ook nog een civiele procedure is gestart om te bewerkstelligen dat eiseres het gehuurde perceel verlaat en ontruimt conform de huurovereenkomst tussen eiseres en de derde-partij. Op zitting heeft het college toegelicht dat de derde-partij deze civiele procedure is gestart, omdat zij onder de veronderstelling was dat het college geen stappen in de handhavi
Bronpassage s0006
ng zou ondernemen. De voorzieningenrechter overweegt dat het hier gaat om twee afzonderlijke procedures van twee afzonderlijke partijen die in beginsel naast elkaar kunnen lopen. Het college heeft geen belang bij de civiele zaak tussen de derde-partij en eiseres. Wel geldt het volgende. Als er een handhavingsverzoek wordt ingediend, dan moet het college daarover een besluit nemen. Dat een dergelijk besluit in het voordeel kan zijn van degene die om handhaving heeft verzocht, betekent nog niet dat het college door te handhaven misbruik maakt van zijn bevoegdheid. Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen misbruik van zijn bevoegdheid gemaakt door handhavend op te treden. Is handhavend optreden onevenredig? 16. Eiseres voert verder aan dat handhavend optreden volgens haar onevenredig is, omdat zij dakloos is, geen andere woonruimte heeft en die niet op korte termijn kan krijgen vanwege haar financiële situatie en het tekort aan (geschikte) woningen. Op het perceel waar zij verblijft zorgt zij ervoor dat een stuk Limburgse agrarische cultuur in stand wordt gehouden. Ook voert eiseres aan zij er belang bij heeft om de uitkomst van de civiele procedure in hoger beroep af te wachten. Zij heeft namelijk hoger beroep ingediend tegen een vonnis van de kantonrechter van 27 mei 2026. 16.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het college bevoegd is om hier handhavend te optreden tegen eiseres. Niet in geschil is
Bronpassage s0007
immers dat op het perceel een tent en bijgebouwen staan die niet binnen de gebruiks- en bouwregels passen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten 2009’ en om die reden sprake is van overtredingen. In dat geval volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. 16.2. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een sch
Bronpassage s0008
ending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. 16.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat eiseres sinds oktober 2024 weet dat zij op het perceel niet mag wonen en dus een andere woonruimte moet zoeken. Zowel het college als de derde-partij hebben haar (hulp bij het zoeken naar) alternatieve woonruimte aangeboden, maar deze heeft zij steeds afgewezen. Op zitting heeft eiseres duidelijk gemaakt dat zij op het huidige perceel wil blijven wonen. Zij wil enkel het perceel verlaten als het college of de derde-partij haar een ander perceel aanbiedt waar zij haar project voor landschapsbeheer kan voortzetten. De voorzieningenrechter krijgt hiermee niet de indruk dat zij in een woning wil wonen, maar juist haar huidige woonsituatie wil voortzetten terwijl duidelijk is dat dit niet mogelijk is. Ook heeft het college op zitting terecht gewezen op het belang van het college om precedentwerking te voorkomen. Immers, als bekend wordt dat het college niet optreedt tegen het soort van overtredingen die eiseres pleegt, dan kunnen anderen daarin aanleiding zien om dat ook te gaan doen. 16.4. Over het afwachten van de uitkomst van de civiele procedure overweegt de voorzieningenrechter dat zelfs als eiseres in de civiele zaak in hoger beroep gelijk krijgt dit niet betekent dat zij dan van de derde-partij toestemming heeft om op het perceel in kwestie te wonen of dat zij daar
Bronpassage s0009
de bouwwerken mag hebben zoals op dit moment door haar op het perceel zijn gebouwd. Die zaak gaat immers alleen over de vraag of eiseres met de derde-partij een overeenkomst heeft voor landschapsbeheer of niet. Bovendien is het vonnis van de kantonrechter niet geschorst en kan de derde-partij dat desgewenst op ieder moment door de deurwaarder laten executeren. Door niet te handhaven bereikt eiseres dan ook niet dat het vonnis van de kantonrechter niet wordt uitgevoerd. Daarvoor staan haar rechtsmiddelen in het civiele spoor ter beschikking. Het college heeft dan ook het algemeen belang bij handhaving zwaarder mogen wegen dat het belang van eiseres bij het voorzetten van de strijdige situatie. Conclusie en gevolgen 17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de last onder bestuursdwang heeft kunnen opleggen en dat eiseres geen gelijk krijgt. 18. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. 19. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier. Uitgesproken in het openbaar op: 1 oktober 2026 griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 oktober 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens
Bronpassage s0010
is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. In zaaknummer ROE 26/804. ECLI:NL:RBLIM:2026:5654. In de uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
De geluidlast en invordering blijven staan; de Staat moet schadevergoeding betalen.s0010, s0012, s0013
De Afdeling bevestigt de geluidlast en invordering en kent schadevergoeding toe wegens de te lange procedure.s0010, s0012, s0013
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5601
De Afdeling laat de last voor geluidoverschrijding tijdens trainingen en de invordering van twee dwangsommen van elk € 4.000 in stand. MSV de Prikkedam kan zich voor die overschrijding niet beroepen op het gebruiksovergangsrecht. Na vernietiging van het bestemmingsplan uit 1997 herleefde het plan uit 1980. Het gebruik van de gehele baan was daarmee in strijd, omdat een deel binnen een natuurbestemming lag. Het overgangsrecht uit 2019 beschermde dat gebruik daarom niet. Wegens de te lange procedure moet de Staat wel € 2.500 schadevergoeding aan de vereniging en samen € 2.500 aan [partij A] en [partij B] betalen.s0003, s0008, s0009, s0010, s0012, s0013
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling beperkt haar oordeel tot de overschrijding van het maximale geluidsniveau tijdens trainingen. Het bestemmingsplan uit 1997 was vernietigd, waarna het bestemmingsplan uit 1980 herleefde. Een deel van de baan lag door de verlegging van een bocht binnen een natuurbestemming waar geen motorcrossbaan was toegestaan. MSV de Prikkedam betwistte die strijdigheid niet. Het overgangsrecht van het bestemmingsplan uit 2019 beschermde geen gebruik dat al in strijd was met het vorige plan. Daarom viel ook de geluidoverschrijding tijdens trainingen buiten die bescherming.s0006, s0007, s0008, s0009
Uit de uitspraak
MSV de Prikkedam voerde geen afzonderlijke, andersluidende gronden tegen de invordering aan. De Afdeling liet die besluiten daarom eveneens staan. Het incidentele hoger beroep van het college was niet-ontvankelijk omdat het college geen belang meer had bij beoordeling. Het voorwaardelijke incidentele hoger beroep van [partij A] en [partij B] verviel. De procedure duurde wel te lang. De Staat moet MSV de Prikkedam € 2.500 schadevergoeding en € 467 proceskosten betalen. [partij A] en [partij B] ontvangen samen € 2.500 schadevergoeding; betaling aan één van hen bevrijdt de Staat tegenover de ander. Beide betrokken ministers dragen ieder de helft van deze bedragen.s0010, s0011, s0012, s0013
Duiding
Voor de beoordeling van deze handhaving is vooral de koppeling tussen het concrete gebruik en de opeenvolgende bestemmingsplannen van belang. Dat de vereniging de baan tijdelijk als legaal mocht gebruiken, volstond hier niet om de latere geluidoverschrijding te beschermen. Wie deze uitspraak gebruikt bij een vergelijkbaar dossier, moet daarom onderzoeken welk gebruik de last betreft en hoe het toepasselijke overgangsrecht omgaat met strijdigheid met het vorige plan.s0006, s0007, s0008, s0009
Grenzen van deze toelichting
- De uitspraak beslist niet of de verlegde bocht, wedstrijden en trainingen op zichzelf zijn toegestaan.
- De uitspraak vermeldt niet de numerieke geluidsgrens of het op 8 maart 2020 gemeten geluidsniveau.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 17 maart 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf MSV de Prikkedam onder oplegging van een dwangsom gelast om het in artikel 5.4.2 van het bestemmingsplan "motorcrossterrein De Prikkedam" toegestane maximale geluidsniveau tijdens trainingen niet te overschrijden. MSV de Prikkedam is de gebruiker van het motorcrossterrein "De Prikkedam" aan de Prikkedam 1A in Makkinga. Op het terrein ligt een motorcrosscircuit dat wordt gebruikt voor wedstrijden en voor trainingen. [partij A] en [partij B] wonen aan de [locatie] ten zuidoosten van het motorcrossterrein. Zij hebben het college op 8 januari 2015 verzocht om handhavend op te treden tegen onder meer geluidhinder. Het college heeft dit verzoek toegewezen en heeft MSV de Prikkedam op 8 november 2016 en op 7 mei 2019 lasten onder dwangsom opgelegd wegens de overtreding van geluidsvoorschrift F3 in de aan MSV de Prikkedam in 2001 verleende milieuvergunning voor het motorcrossterrein. Bij besluiten van 27 oktober 2020 heeft het college besloten tot invordering van twee volgens hem verbeurde dwangsommen van elk € 4.000,00. MSV de Prikkedam is het daarmee niet eens.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202304401/1/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: Motorsportvereniging de Prikkedam (MSV de Prikkedam), gevestigd in Makkinga, gemeente Ooststellingwerf, het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 mei 2023 in zaak nr. 20/3090 in het geding tussen: MSV de Prikkedam en het college. Procesverloop Bij besluit van 17 maart 2020 heeft het college MSV de Prikkedam onder oplegging van een dwangsom gelast om het in artikel 5.4.2 van het bestemmingsplan "motorcrossterrein De Prikkedam" toegestane maximale geluidsniveau tijdens trainingen niet te overschrijden. Bij besluit van 8 september 2020 heeft het college het door MSV de Prikkedam daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij twee besluiten van 27 oktober 2020 heeft het college besloten tot invordering van volgens hem verbeurde dwangsommen van elk € 4.000,00. Bij uitspraak van 30 mei 2023 heeft de rechtbank het door MSV de Prikkedam tegen de besluiten van 8 september 2020 en 27 oktober 2020 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft MSV de Prikkedam hoger beroep ingesteld. Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. [partij A] en [partij B] hebben voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. MSV de Prikkedam en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. MSV de Prikkedam en [partij A] en [partij B] hebben nadere stukken inged
Bronpassage s0002
iend. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding. De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak 202304495/1/R3 behandeld op een zitting van 23 juni 2026, waar MSV de Prikkedam, vertegenwoordigd door mr. M.A. Jansen, advocaat in Bolsward, vergezeld door [persoon A], het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.A. Soppe en mr. J.J. Scheltens-Fokke, advocaten in Almelo, vergezeld door [persoon B] en [persoon C], en [partij A] en [partij B] zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluit van 17 maart 2020 heeft het college aan MSV de Prikkedam een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet a
Bronpassage s0003
lgemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. MSV de Prikkedam is de gebruiker van het motorcrossterrein "De Prikkedam" aan de Prikkedam 1A in Makkinga. Op het terrein ligt een motorcrosscircuit dat wordt gebruikt voor wedstrijden en voor trainingen. [partij A] en [partij B] wonen aan de [locatie] ten zuidoosten van het motorcrossterrein. Zij hebben het college op 8 januari 2015 verzocht om handhavend op te treden tegen onder meer geluidhinder. Het college heeft dit verzoek toegewezen en heeft MSV de Prikkedam op 8 november 2016 en op 7 mei 2019 lasten onder dwangsom opgelegd wegens de overtreding van geluidsvoorschrift F3 in de aan MSV de Prikkedam in 2001 verleende milieuvergunning voor het motorcrossterrein. Op 7 oktober 2019 heeft de raad van Ooststellingwerf het bestemmingsplan "Motorcrossterrein De Prikkedam" vastgesteld. In artikel 5.4.2 van de planregels zijn geluidsnormen opgenomen. Het college heeft tijdens een training op 8 maart 2020 een overschrijding van het maximale geluidsniveau geconstateerd. Daarom heeft het op 17 maart 2020 aan MSV de Prikkedam een vervangende last onder dwangsom opgelegd. Het college is in het besluit op bezwaar van 8 september 2020 bij deze opgelegde last onder dwangsom gebleven. Bij besluiten van 27 oktober 2020 heeft het college besloten tot invordering van twee volgens hem verbeurde dwangsommen van elk € 4.000,00. MSV de Prikkedam is het daarmee niet eens. 3. De rechtb
Bronpassage s0004
ank heeft in de uitspraak van 30 mei 2023 overwogen dat het college terecht stelt dat MSV de Prikkedam geluidsnormen uit artikel 5.4.2 van de planregels heeft overschreden. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of MSV de Prikkedam een geslaagd beroep op het gebruiksovergangsrecht in artikel 11.2 van de planregels kan doen. De rechtbank heeft overwogen dat hierbij twee elementen een rol spelen: de verlegging van een bocht rond 1997, waardoor een stukje van het motorcrosscircuit is komen te liggen op grond die in het bestemmingsplan "Motorcrossterrein Prikkedam" uit 1980 nog een natuurbestemming had, en het racen en crossen op dat circuit met de verlegde bocht. De verlegging van de bocht en het racen en crossen zijn toegestaan geweest in het in 1997 in werking getreden bestemmingsplan "Motorcrossterrein Prikkedam", maar dat bestemmingsplan is door de Afdeling in 2000 vernietigd. De rechtbank heeft daarover overwogen dat MSV de Prikkedam tussen de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in 1997 en de vernietiging daarvan in 2000 mocht aannemen dat de verlegde bocht was toegestaan. Een redelijke wetsuitleg brengt volgens de rechtbank mee dat de verlegde bocht daarmee legaal blijft en dus wordt beschermd door het overgangsrecht. Voor het racen en crossen ligt dat anders. Volgens de rechtbank volgt uit de planregels van het later vernietigde bestemmingsplan dat uitsluitend racen en crossen in overeenstemming met de destijds geldende milieuvergunning uit 1996 was toegestaan. Dez
Bronpassage s0005
e milieuvergunning is in 1999 ook door de Afdeling vernietigd. Deze vernietiging leidde er door de terugwerkende kracht van een vernietiging toe dat racen en crossen in overeenstemming met die milieuvergunning achteraf bezien nooit mogelijk was geweest. Daarom is het achteraf ook op grond van het later vernietigde bestemmingsplan nooit toegestaan geweest. Voor het racen en crossen gold daarom voor het bestemmingsplan uit 2019 het vóór 1997 geldende planologische regime, oftewel het bestemmingsplan uit 1980. Omdat de verlegde bocht daarin in een natuurbestemming lag, was het gebruiken van het gehele motorcrosscircuit voor racen en crossen in strijd met dat bestemmingsplan. Daarom wordt dat gebruik niet beschermd door het gebruiksovergangsrecht in artikel 11.2 van de planregels van het nu geldende bestemmingsplan. Het college mocht daarom volgens de rechtbank handhavend optreden. MSV de Prikkedam is het hier niet mee eens. Het college is het wel eens met de uitkomst, maar niet met de overweging over de verlegde bocht. Het hoger beroep van MSV de Prikkedam 4. MSV de Prikkedam betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat MSV de Prikkedam geen beroep op het overgangsrecht kan doen. Als de verlegde bocht wordt beschermd door het overgangsrecht, moet dit volgens MSV de Prikkedam ook gelden voor het gebruik van de baan met de verlegde bocht voor racen en crossen. Zij mocht tussen de vaststelling van het bestemmingsplan in 1997 en de vernietiging daarvan in 2000 aannemen
Bronpassage s0006
dat dit gebruik was toegestaan. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO7948 en de zogenoemde "Tegelen-rechtspraak", betoogt zij dat de vernietiging ook geen terugwerkende kracht heeft voor gebruiksregels en dat de rechtszekerheid meebrengt dat zij dit gebruik mocht voortzetten. De rechtbank heeft ten onrechte betekenis toegekend aan de verwijzing in de gebruiksvoorschriften in het bestemmingsplan uit 1997 naar de milieuvergunning uit 1996 voor het gebruik van de crossbaan, en de latere vernietiging van deze milieuvergunning. 4.1. De Afdeling stelt voorop dat het in deze zaak niet gaat over de vraag of de verlegde bocht en het racen (wedstrijden) en crossen (trainingen) op zichzelf zijn toegestaan, want daar gaat de opgelegde last onder dwangsom niet over. Het gaat alleen over de vraag of de door een toezichthouder van de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO) op 8 maart 2020 vastgestelde overschrijding van het in artikel 5.4.2 van de planregels toegestane maximale geluidsniveau tijdens trainingen een overtreding is waartegen het college handhavend mocht optreden, of dat deze overschrijding valt onder het bestaande gebruik dat MSV de Prikkedam op grond van het gebruikovergangsrecht van het bestemmingsplan uit 2019 of anderszins heeft mogen voortzetten. 4.2. Het gebruiksovergangsrecht staat in artikel 11.2 van de planregels. Dit artikel luidt: "1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van
Bronpassage s0007
inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan." 4.3. Vaststaat dat MSV de Prikkedam het motorcrosscircuit op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan uit 2019 op 17 januari 2020 in gebruik had voor trainingen. Voor zover dit al structureel tot een even hoog maximaal geluidsniveau leidde als bij de waargenomen overschrijding op 8 maart 2020, is de vraag of dit gebruik in strijd was met het voorheen geldende plan. Uit het vierde lid van artikel 11.2 volgt dat alleen een beroep op het overgangsrecht kan worden gedaan als er geen strijd is met dat voorheen geldende plan. Het bestemmingsplan dat de raad van Ooststellingwerf in 1997 heeft vastgesteld, is door de Afdeling vernietigd bij uitspraak van 2 oktober 2000 in zaak nr. E01.97.0397. Vaststaat dat dit bestemmingsplan uit 1997
Bronpassage s0008
in elk geval vanaf die datum niet meer gold. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer in de uitspraak van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3298, onder 6) betekende deze vernietiging dat het voorgaande bestemmingsplan herleefde. Dat is het bestemmingsplan uit 1980. De vraag of aan de vernietiging van het bestemmingsplan voor wat betreft de gebruiksregels terugwerkende kracht toekomt of niet, is niet relevant. Het betoog van MSV de Prikkedam komt er in essentie op neer dat de omstandigheid dat het bewuste gebruik onder de werking van het bestemmingsplan uit 1997 nog legaal is geacht, betekent dat een vernietiging van dat bestemmingsplan het legale karakter niet meer zou kunnen aantasten, zodat het gebruik ook na de vernietiging van het bestemmingsplan legaal moet worden geacht. De Tegelen-rechtspraak biedt geen steun voor dat standpunt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2005, ., onder 2.10.8). 4.4. Het gebruik van de gehele motorcrossbaan - en daarmee ook de overschrijding van het maximale geluidsniveau tijdens trainingen - was in strijd met dat bestemmingsplan uit 1980, omdat een deel van het motorcrosscircuit door de verlegging van de bocht binnen een natuurbestemming lag waar geen motorcrossbaan was toegestaan. MSV Prikkedam heeft dit niet betwist. Gelet op het vierde lid van artikel 11.2 wordt dit gebruik dus niet beschermd door de overgangsbepaling in het bestemmingsplan uit 2019. 4.5. Daarom komt de Afdeling, zij het op andere gr
Bronpassage s0009
onden, met de rechtbank tot de conclusie dat de overschrijding van het in artikel 5.4.2 van de planregels toegestane maximale geluidsniveau tijdens trainingen niet door het gebruiksovergangsrecht in artikel 11.2 van de planregels wordt beschermd en niet legaal is voortgezet. 4.6. De Afdeling voegt hieraan toe dat de omstandigheid dat MSV de Prikkedam er tussen de vaststelling van het bestemmingsplan uit 1997 en de vernietiging daarvan in 2000 van mocht uitgaan dat zij legaal gebruik maakte van de motorcrossbaan, geen bijzondere omstandigheid oplevert op grond waarvan het college had moeten afzien van handhaving. Zoals hiervoor is overwogen, leidt die omstandigheid er niet toe dat het gebruik door het overgangsrecht wordt beschermd. MSV de Prikkedam kan zich niet beroepen op de rechtszekerheid, omdat zij wist of kon weten dat het bestemmingsplan uit 1997 niet onherroepelijk was. Hier komt bij dat MSV de Prikkedam weliswaar niet op grond van het bestemmingsplan uit 1997 was gebonden aan geluidsnormen, maar dat zij hieruit niet mocht afleiden dat er in het geheel geen beperkingen aan het geluid zouden worden gesteld. Het college heeft eerder immers al geluidsvoorschriften verbonden aan de milieuvergunning voor MSV de Prikkedam. 4.7. De Afdeling komt met de rechtbank tot de conclusie dat de vastgestelde overschrijding van het in artikel 5.4.2 van de planregels toegestane maximale geluidsniveau tijdens trainingen een overtreding was waartegen het college handhavend mocht optreden.
Bronpassage s0010
Het betoog slaagt niet. 5. MSV de Prikkedam heeft in hoger beroep geen afzonderlijke, andersluidende gronden aangevoerd tegen de besluiten invordering van dwangsommen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om over de invorderingsbesluiten anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. 6. Het hoger beroep van MSV de Prikkedam is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van het college 7. Op de zitting heeft het college desgevraagd te kennen gegeven dat het geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn incidenteel hoger beroep. De Afdeling zal het incidenteel hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [partij A] en [partij B] 8. [partij A] en [partij B] hebben op de zitting bevestigd dat zij incidenteel hoger beroep hebben ingesteld onder de voorwaade dat het hoger beroep van MSV de Prikkedam gegrond is. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep van MSV de Prikkedam ongegrond. Daarmee is het incidenteel hoger beroep van [partij A] en [partij B] vervallen. Conclusie hoger beroepen 9. Het hoger beroep van MSV de Prikkedam is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn 10. MSV de Prikkedam en [partij A] en [partij B] hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot besche
Bronpassage s0011
rming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM). 10.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. 10.2. Het college heeft het bezwaarschrift van MSV de Prikkedam ontvangen op 21 april 2020. De redelijke termijn is in deze procedure dus met meer dan twee jaar overschreden. Deze overschrijding moet aan de rechtbank en aan de Afdeling worden toegerekend. 10.3. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het toe te kennen bedrag in beginsel per persoon € 2.500,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [partij A] en [partij B] samen procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Deze matiging acht de Afdeling redelijk, vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. [part
Bronpassage s0012
ij A] en [partij B] ontvangen daarom ieder een bedrag van € 1.250,00 aan schadevergoeding. De Afdeling zal de Staat veroordelen tot betaling van € 2.500,00 aan MSV de Prikkedam en van € 2.500,00 aan [partij A] en [partij B] als vergoeding van de door hen geleden immateriële schade (1/2e deel te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en 1/2e deel te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). Proceskosten 11. De Staat (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet de proceskosten vergoeden die MSV de Prikkedam heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. Bij de berekening van de kosten gaat de Afdeling wat betreft de zwaarte van de zaak uit van de wegingsfactor licht (0,5), omdat het hier alleen gaat om beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten die [partij A] en [partij B] hebben gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding (kosten van deskundige rechtsbijstand), is niet gebleken. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van Motorsportvereniging de Prikkedam ongegrond; II. verklaart het incidenteel hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf niet-ontvankelijk; III. bevestigt de aangevallen uitspraak; IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid
Bronpassage s0013
en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Motorsportvereniging de Prikkedam een schadevergoeding van € 2.500,00 te betalen (€ 1.250,00 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.250,00 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties); V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [partij A] en C.P. [partij B] een schadevergoeding van € 2.500,00 te betalen (€ 1.250,00 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.250,00 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), waarbij betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij Motorsportvereniging de Prikkedam in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00 (€ 233,50 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 233,50 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier. w.g. Verheij voorzitter w.g. Witsen g
Bronpassage s0014
riffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 727
De Afdeling laat het bestemmingsplan voor negen recreatiewoningen op de landtong intact.s0001, s0002, s0008
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond; het plan blijft gelden zonder proceskostenvergoeding door de raad.s0008
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5771
De Afdeling verklaart het beroep van [appellant] en anderen ongegrond, waardoor het bestemmingsplan voor negen recreatiewoningen blijft gelden. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. De bekendmaking voldeed aan de wettelijke eisen en de raad mocht aansluiten bij de vrijwel gelijkluidende bouwregels van het eerdere plan. De watertoets hield rekening met 1.600 m² extra verharding. De eigenaren maakten niet aannemelijk dat de benodigde waterberging het plan onuitvoerbaar maakt. Welstand wordt pas beoordeeld bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen. Als het verbod op verharding van toepassing is, moet daarvoor een ontheffing worden verleend.s0003, s0005, s0006, s0007, s0008
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling verwerpt de bezwaren van [appellant] en anderen tegen de voorbereiding en de bouwregels. De publicatie van de terinzagelegging voldeed aan de wettelijke vereisten. Het gemeentebestuur hoefde de belanghebbenden in dit geval niet persoonlijk over de terinzagelegging of de raadsvergadering te informeren. Bij de bouwregels vindt de Afdeling van belang dat de eigenaren vergelijken met de daadwerkelijk gebouwde woningen. De maximale bouwmogelijkheden uit het eerdere plan komen, behalve de maximale goothoogte, overeen met die van het nieuwe plan. De raad mocht daarbij aansluiten. Omdat het ontwerpplan vóór 1 januari 2024 ter inzage lag, geldt het eerdere recht.s0002, s0003, s0005, s0006, s0001
Uit de uitspraak
Ook de bezwaren over wateroverlast leiden niet tot vernietiging. Het waterschap heeft in de watertoets rekening gehouden met 1.600 m² extra verharding. Voor meer dan 1.500 m² verharding buiten de bebouwde kom geldt een verbod, voor zover neerslag daardoor versneld afstroomt naar oppervlaktewaterlichamen. Als dat verbod van toepassing is, moet een ontheffing worden verleend. Daarbij komt de benodigde waterberging aan bod. De Afdeling acht aanvullende planregels hierover niet noodzakelijk. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de waterbergingsopgave de uitvoering van het plan verhindert.s0007, s0008
Duiding
Voor de beoordeling van dit plan helpt het om de toegestane bouwmogelijkheden en de nog benodigde toestemmingen afzonderlijk te bekijken. De kleinere bestaande woningen tonen op zichzelf niet aan dat ruimere bouwregels onaanvaardbaar zijn; de Afdeling betrekt hier de mogelijkheden uit het eerdere plan bij. Verder betekent het overeind blijven van dit bestemmingsplan dat de planregeling standhoudt. De welstandstoets volgt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen, en eventuele voorwaarden voor waterberging komen bij de benodigde ontheffing aan de orde.s0005, s0006, s0007, s0008
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling beoordeelt deze beroepsprocedure volgens het recht van vóór 1 januari 2024, omdat het ontwerpplan vóór die datum ter inzage lag.
- De uitspraak beslist niet over een omgevingsvergunning voor bouwen of een eventuele ontheffing voor het aanbrengen van verharding.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
In het besluit van 30 januari 2024 heeft de raad van de gemeente Tynaarlo het bestemmingsplan "Parc de Bloemert II" vastgesteld. Het plan voorziet in de bouw van negen recreatiewoningen op een landtong in het recreatiepark Parc de Bloemert (het recreatiepark). [appellant] en anderen zijn eigenaren van naastgelegen recreatiewoningen en vrezen voor aantasting van het karakter de landtong en het verblijfsklimaat in en rond hun recreatiewoningen. [appellant] en anderen betogen dat de eigenaren en bewoners van de recreatiewoningen op het recreatiepark onvoldoende op de hoogte zijn gehouden over de voorbereiding van het bestemmingsplan en daar ook te weinig bij zijn betrokken. Zo zijn zij ten onrechte niet geïnformeerd over wanneer de raadsvergadering, waarin het bestemmingsplan werd behandeld, zou plaatsvinden.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202401926/1/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], en anderen, appellanten, en de raad van de gemeente Tynaarlo, verweerder. Procesverloop In het besluit van 30 januari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Parc de Bloemert II" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door J. Wiegman, zijn verschenen. Voorts is OC Bedrijfsmakelaars B.V., vertegenwoordigd door mr. A. Kwint, gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 27 juli 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het plan voorziet in de bouw van negen recreatiewoningen op een landtong in he
Bronpassage s0002
t recreatiepark Parc de Bloemert (het recreatiepark). [appellant] en anderen zijn eigenaren van naastgelegen recreatiewoningen en vrezen voor aantasting van het karakter de landtong en het verblijfsklimaat in en rond hun recreatiewoningen. 3. De relevante regelgeving staat in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Toetsingskader 4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Beroepsgronden 5. Op de zitting hebben [appellant] en anderen de beroepsgrond dat bepaalde passages in de natuurtoets onjuist zijn, ingetrokken. Betrokkenheid van belanghebbenden 6. [appellant] en anderen betogen dat de eigenaren en bewoners van de recreatiewoningen op het recreatiepark onvoldoende op de hoogte zijn gehouden over de voorbereiding van het bestemmingsplan en daar ook te weinig bij zijn betrokken. Zo zijn zij ten onrechte niet geïnformeerd over wanneer de raadsvergadering, waarin het bestemmingsplan
Bronpassage s0003
werd behandeld, zou plaatsvinden. 6.1. De Afdeling overweegt dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen en een kennisgeving hiervan is gepubliceerd in het gemeenteblad op 26 juli 2022. Hierdoor is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving van de terinzagelegging. In de Wet ruimtelijke ordening of in een ander wettelijk voorschrift valt geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerpplan of van het moment dat het plan wordt besproken tijdens een raadsvergadering. Verder overweegt de Afdeling dat het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uit maakt van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Het betoog slaagt niet. Bouwregels 7. [appellant] en anderen betogen dat het nautische karakter van de landtong door de bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan onherstelbaar wordt aangetast. Zo voorziet het bestemmingsplan in de bouw van recreatiewoningen met ieder een oppervlakte van 80 m2, wat afwijkt van de oppervlakte van de al aanwezige recreatiewoningen van 58 m2. Ook wijken de toegestane goot- en nokhoogten af. Het bestemmingsplan st
Bronpassage s0004
aat namelijk een goot- en nokhoogte toe van respectievelijk maximaal 6 m en 8 m, terwijl de bestaande recreatiewoningen een goot- en nokhoogte hebben van respectievelijk 5 m en 7,2 m. Daarnaast bepaalt het plan dat de afstand tussen de recreatiewoningen niet minder dan 5 m mag bedragen, waardoor de recreatiewoningen veel te dicht op elkaar kunnen komen te staan. Hierdoor zullen de oorspronkelijk beoogde transparantie en zichtlijnen tussen de recreatiewoningen en naar het water ernstig worden aangetast. In de "Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Parc de Bloemert II" (de zienswijzennota) heeft de raad ten onrechte als reactie op zienswijzen met bezwaren tegen deze bouwregels verwezen naar het feit dat de bouwregels uit het voorheen geldende bestemmingsplan niet veel verschillen van de bouwregels uit het onderhavige bestemmingplan. Door de oude bouwmogelijkheden over te nemen wordt voorbij gegaan aan de ontstane nieuwe ruimtelijke context, aldus [appellant] en anderen. Tot slot zijn deze bouwregels in strijd met de welstandsnota. Volgens de welstandsnota mag de ruimtelijke kwaliteit namelijk niet worden aangetast, terwijl deze bouwregels juist wel tot een aantasting daarvan leiden. Ook vereist de welstandsnota dat een stedenbouwkundig plan wordt opgesteld waarin aandacht wordt besteed aan de gewijzigde situering van de recreatiewoningen. Dit is ten onrechte niet gedaan. 7.1. Het gehele plangebied kent de bestemming "Recreatie - Verblijfsgebied 4". Artikel 3.2 van de p
Bronpassage s0005
lanregels bevat de bouwregels voor deze bestemming. Deze planregel luidt: "Voor het bouwen van recreatiewoningen gelden de volgende regels: a. het aantal recreatiewoningen bepaalt niet meer dan het aantal ter plaatse van de aanduiding ‘aantal’ gegeven recreatiewoningen; b. de onderlinge afstand tussen recreatiewoningen bedraagt niet minder dan 5 m; c. de oppervlakte van een recreatiewoning met inbegrip van aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 80 m2; d. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 6 m en 8 m; e. hoofdgebouwen worden niet plat afgedekt; f. de goothoogte van aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 2,5 m, met dien verstande dat in geval van een platte afdekking de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedraagt." 7.2. De Afdeling overweegt dat [appellant] en anderen de maximale bouwmogelijkheden uit het onderhavige bestemmingsplan vergelijken met de goot- en nokhoogten en bouwoppervlakte van de al gebouwde recreatiewoningen, in plaats van met de maximale bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Bestemmingsplan Parc de Bloemert". Voor de bestaande recreatiewoningen, waaronder de recreatiewoningen van [appellant] en anderen, geldt dit plan nog steeds. De bouwregels uit het voorheen geldende bestemmingsplan komen, op de maximale goothoogte na, overeen met de bouwregels van het onderhavige bestemmingsplan. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komt de raad beleidsruimte toe. De raad heeft zich op het standpunt mogen s
Bronpassage s0006
tellen dat aansluiten bij de bouwregels van het voorheen geldende bestemming wenselijk is en dat deze bouwregels nog steeds een goede ruimtelijke ordening dienen. Gelet op de omstandigheid dat de bouwregels voor de voorziene recreatiewoningen bijna geheel overeenkomen met de bouwregels voor de bestaande recreatiewoningen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bouwregels voor de nieuwe recreatiewoningen het karakter van de landtong ten onrechte aantast. Verder overweegt de Afdeling dat de toetsing aan de welstandsnota bij de vaststelling van een bestemmingsplan als hier aan de orde geen rol kan spelen. De welstandsnota is gelet op artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht pas aan de orde bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen. Het betoog slaagt niet. Waterhuishouding 8. [appellant] en anderen betogen dat in de watertoets van 10 augustus 2021 van het Waterschap Hunze en Aa’s ten onrechte is uitgegaan van een totaal oppervlakte van 720 m2 verharding van de negen voorziene recreatiewoningen, terwijl de werkelijke hoeveelheid verharding hoger zal zijn door de aanleg van terrassen en parkeerplaatsen. Hierdoor zal het totale verharde oppervlak circa 1.600 m2 worden. Omdat in de watertoets is uitgegaan van een te gering verhard oppervlak, is de uitkomst van de watertoets onjuist. Daarnaast is volgens [appellant] en anderen op dit moment al sprake is van wateroverlast in het plangebi
Bronpassage s0007
ed en zal deze overlast door dit plan alleen maar toenemen. De hoeveelheid verharding die is toegestaan, zorgt er namelijk voor dat er geen ruimte is voor het plaatsen van waterbergende voorzieningen. Zowel de plantoelichting als de "Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Parc de Bloemert II" (de aanmeldnotitie) van 22 maart 2023 gaan ten onrechte niet in op welke waterbergende voorzieningen in het plangebied gerealiseerd zullen worden. Een tekort aan waterbergende voorzieningen kan bovendien leiden tot verontreiniging van het oppervlaktewater bij overstort. 8.1. De Afdeling overweegt dat de raad heeft toegelicht dat volgens de huidige plannen de verharding zal toenemen met 1.600 m2. Het waterschap is ook uitgegaan van deze toename in de watertoets. In de watertoets is hierdoor niet uitgegaan van een te laag verhard oppervlak. De uitkomst van de watertoets is dan ook niet om die reden onjuist. Verder overweegt de Afdeling dat artikel 3.2 van de "Keur waterschap Hunze en Aa’s 2010" (de Keur) en de "Algemene Regels Waterkwantiteit waterschap Hunze en Aa’s" voorzien in een verbod op het aanleggen van meer dan 1.500 m2 aan verharding buiten de bebouwde kom, voorzover van dat verhard oppervlak neerslag versneld tot afvoer komt op oppervlaktewaterlichamen. Ook is voorzien in voorschriften voor het verlenen van een ontheffing van dat verbod, waaronder het aanbrengen van waterbergende voorzieningen. Dit betekent dat voor de realisering van de bestemmingen in een voorkomend geval
Bronpassage s0008
een ontheffing zal moeten worden verleend van het verbod uit de Keur. Hierdoor zal de vraag of en zo ja welke waterbergende voorzieningen gerealiseerd zullen worden later aan de orde komen, bij de aanvraag om deze ontheffing. De Afdeling acht het gelet hierop niet noodzakelijk om in de planregels nadere regels te stellen over in het plangebied te realiseren waterbergende voorzieningen. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat door het aanbrengen van 1.600 m2 aan verharding geen ruimte meer is voor waterbergende voorzieningen of dat de raad om een andere reden op voorhand had moeten inzien dat de waterbergingsopgave aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog slaagt niet. Conclusie 9. Het beroep is ongegrond. 10. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van der Heijden griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 884-1176 BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.10 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: […] d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk
Bronpassage s0009
bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; […] Keur waterschap Hunze en Aa’s 2010 Artikel 3.2 Het is verboden zonder vergunning van het bestuur: a. in de bebouwde kom, binnen uitbreidingsplannen en in glastuinbouwgebieden meer dan 150 m2 verhard oppervlak aan te brengen b. in overig gebied meer dan 1500 m2 verhard oppervlak aan te brengen voorzover van dat verhard oppervlak neerslag versneld tot afvoer komt op oppervlaktewaterlichamen. Bestemmingsplan "Parc de Bloemert II" Artikel 3.2 Voor het bouwen van recreatiewoningen gelden de volgende regels: a. het aantal recreatiewoningen bepaalt niet meer dan het aantal ter plaatse van de aanduiding ‘aantal’ gegeven recreatiewoningen; b. de onderlinge afstand tussen recreatiewoningen bedraagt niet minder dan 5 m; c. de oppervlakte van een recreatiewoning met inbegrip van aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 80 m2; d. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 6 m en 8 m; e. hoofdgebouwen worden niet plat afgedekt; f. de goothoogte van aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 2,5 m, met dien verstande dat in geval van een platte afdekking de bouwhoogte niet meer
Bronpassage s0010
dan 3 m bedraagt.
De Afdeling vernietigt het oorspronkelijke plan gedeeltelijk; het herstelbesluit blijft in stand.s0003, s0004
De Afdeling vernietigt het oorspronkelijke plan voor de ontbrekende borging van de compartimentskering; het herstelbesluit blijft overeind.s0003, s0004
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5774
De Afdeling vernietigt het oorspronkelijke bestemmingsplan “Emmen, Delftlanden 3.0” voor zover het sluiten van de compartimentskering niet is geborgd. Het gewijzigde plan blijft in stand. Het oorspronkelijke besluit bood onvoldoende onderbouwing of borging voor een aanvaardbare waterhuishoudkundige situatie. De raad heeft daarom een voorwaardelijke verplichting opgenomen: de compartimentskering moet gesloten zijn vóór ingebruikname van de gronden en bouwwerken waar de nieuwe woningen zijn voorzien. De appellanten hebben tegen het herstelbesluit geen beroepsgronden aangevoerd. Daarom zijn hun beroepen tegen dat besluit ongegrond. De raad moet het griffierecht vergoeden, maar hoeft geen proceskosten te betalen.s0002, s0003, s0004
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De gedeeltelijke vernietiging betreft het besluit van de raad van de gemeente Emmen tot vaststelling van het bestemmingsplan “Emmen, Delftlanden 3.0”. De raad had onvoldoende onderzocht, gemotiveerd of geborgd dat het plan geen onaanvaardbare verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie veroorzaakt. Daarbij ging het ook om de percelen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2]. De beslissing beperkt de vernietiging tot het ontbreken van borging van het sluiten van de compartimentskering.s0001, s0002, s0003
Uit de uitspraak
De raad heeft in het herstelbesluit een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De compartimentskering moet gesloten zijn voordat de gronden en bouwwerken op de locaties van de voorziene nieuwe woningen in gebruik worden genomen. Volgens de raad is daarmee voldoende waterbergingscapaciteit beschikbaar. De beroepen tegen dit herstelbesluit zijn ongegrond. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden, maar moet wel € 194 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] samen en € 194 aan [appellant sub 2] terugbetalen aan griffierecht. Betaling aan één van de twee eerstgenoemde appellanten volstaat.s0002, s0003, s0004
Duiding
Voor de toepassing van dit plan is het moment van ingebruikname dus bepalend voor de verplichting om de compartimentskering te sluiten. Daarnaast verdient de reden voor het ongegrond verklaren van de beroepen tegen het herstelbesluit aandacht. De appellanten dienden geen zienswijze in en voerden daarmee geen beroepsgronden tegen dat besluit aan. De Afdeling baseert deze uitkomst daarop. De uitspraak bevat dus geen bespreking van inhoudelijke bezwaren tegen de gekozen herstelmaatregel.s0002, s0003
Grenzen van deze toelichting
- De uitspraak geeft de voorwaardelijke verplichting weer, maar bevat niet de volledige tekst van artikel 27.2 van de planregels.
- De uitspraak vermeldt geen berekeningen van de waterbergingscapaciteit; de toereikendheid daarvan wordt weergegeven als standpunt van de raad.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij uitspraak, deels tussenuitspraak, van 22 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2282) heeft de Afdeling de raad van de gemeente Emmen opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak het daarin genoemde gebrek in het op 24 oktober 2024 vastgestelde bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0" te herstellen. In de uitspraak van 22 april 2026 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak, alsnog deugdelijk te motiveren dat de waterbergingscapaciteit in het plangebied toereikend is om de toename aan hemelwater op te vangen. Als dit nodig is met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet de raad alsnog een regel in het plan opnemen waarin de aansluiting van de compartimentskering op maaiveldhoogte wordt verzekerd.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202500369/3/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in Emmen, 2. [appellant sub 2], wonend in Emmen, appellanten, en de raad van de gemeente Emmen, verweerder. Procesverloop Bij uitspraak, deels tussenuitspraak, van 22 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2282) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak het daarin genoemde gebrek in het op 24 oktober 2024 vastgestelde bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0" te herstellen. Bij besluit van 25 juni 2026 heeft de raad het bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0" opnieuw, gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit). [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Zoals in de uitspraak van 22 april 2026 is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. 2. De Afdeling heeft in de uitspraak van 22 april 2026 overwogen dat de raad zich, zonder nader onderzoek en motivering of zonder borging in het plan, niet op het standpunt heeft kunnen stellen
Bronpassage s0002
dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied, waaronder die ter plaatse van de percelen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2]. 3. Gelet op wat is overwogen in de uitspraak van 22 april 2026, zijn de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] gegrond. Het besluit van 24 oktober 2024 moet wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd, voor zover dat besluit geen deugdelijke motivering of borging bevat in verband met de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied. 4. In de uitspraak van 22 april 2026 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak, alsnog deugdelijk te motiveren dat de waterbergingscapaciteit in het plangebied toereikend is om de toename aan hemelwater op te vangen. Als dit nodig is met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet de raad alsnog een regel in het plan opnemen waarin de aansluiting van de compartimentskering op maaiveldhoogte wordt verzekerd. 5. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het herstelbesluit genomen. De raad heeft toegelicht dat hij bij de vaststelling van het oorspronkelijke plan al rekening heeft gehouden met het sluiten van de compartimentskering. De raad heeft in artikel 27.2 van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee is geborgd dat de compartimentskering wordt gesloten vóór ingebruikname van de gronden en bouwwerken op de locaties waar de nieuw
Bronpassage s0003
e woningen zijn voorzien. Volgens de raad beschikt het plangebied hiermee over voldoende waterbergingscapaciteit. 6. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben." Het herstelbesluit is op grond van artikel 6:19 van de Awb onderwerp van dit geding. Voor [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] is een beroep van rechtswege ontstaan tegen dit besluit. 7. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben naar aanleiding van het herstelbesluit geen zienswijze ingediend en dus niet te kennen gegeven dat zij zich niet met het herstelbesluit kunnen verenigen. Dit betekent dat zij geen beroepsgronden tegen dit besluit hebben aangevoerd. De van rechtswege ontstane beroepen zijn ongegrond. 8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Emmen van 24 oktober 2024, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0", gegrond; II. vernietigt het onder I. genoemde besluit, voor zover daarin het sluiten van de compartimentskering niet is geborgd; III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Emmen va
Bronpassage s0004
n 25 juni 2026, waarbij het bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0" opnieuw, gewijzigd is vastgesteld, ongegrond; IV. gelast dat de raad van de gemeente Emmen aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: a. € 194,00 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. € 194,00 aan [appellant sub 2]. Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Kemerink op Schiphorst-Hofman, griffier. w.g. Knol voorzitter w.g. Kemerink op Schiphorst-Hofman griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 933
De burgemeester had de woning op de uitgestelde ingangsdatum niet mogen sluiten.s0011
De Afdeling herroept het gewijzigde sluitingsbesluit, omdat de sluiting op de uitgestelde ingangsdatum niet meer geschikt was.s0011, s0012
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5775
De Afdeling herroept het sluitingsbesluit voor de woning van [appellant A] en [appellant B]: de burgemeester had deze op 6 april 2023 niet meer mogen sluiten. Het hoger beroep en het beroep zijn gegrond. Bij het uitstellen van de sluiting had de burgemeester opnieuw moeten beoordelen of deze nog geschikt en noodzakelijk was. Hij onderbouwde dat onvoldoende. Zonder concrete aanwijzingen voor voortgaande negatieve effecten mocht worden verondersteld dat de situatie inmiddels was hersteld. Alleen een signaal tegen drugscriminaliteit volstond niet. De sluiting was al uitgevoerd; de bewoners hadden sinds 6 juli 2023 weer toegang.s0002, s0006, s0009, s0010, s0011, s0012
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling oordeelt dat de sluiting op 6 april 2023 niet meer geschikt was om de beoogde doelen te bereiken. De brief waarmee de burgemeester de ingangsdatum verschoof, was een wijzigingsbesluit waartegen het bestaande bezwaar automatisch mede was gericht. De burgemeester moest daarin opnieuw beoordelen of sluiting op dat latere moment geschikt en noodzakelijk was. Die beoordeling ontbrak. Zijn verwijzing naar de afgewezen voorlopige voorziening volstond niet: dat voorlopige oordeel betrof het oorspronkelijke besluit en beoordeelde niet of de latere sluiting nog rechtmatig was.s0008, s0009, s0010, s0011
Uit de uitspraak
De Afdeling herstelt ook de toegang tot inhoudelijke beoordeling. [appellant A] en [appellant B] hadden procesbelang, omdat kosten door hun verblijf bij familie niet onaannemelijk waren en de sluiting hun woonrecht aantastte. Voor het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding blijft één procespunt gelden, maar moet de wegingsfactor 0,5 zijn. De burgemeester moet uiteindelijk € 5.521,50 aan proceskosten en € 473 aan griffierecht vergoeden. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit op bezwaar.s0004, s0005, s0006, s0012
Duiding
Deze zaak laat zien waarom een verschoven sluitingsdatum een actuele, concrete onderbouwing vraagt. Het tijdsverloop moet samen met de omstandigheden worden beoordeeld; deze uitspraak geeft geen vaste termijn waarna sluiting onmogelijk wordt. Hier ontbraken aanwijzingen voor gevolgen in de omgeving of relevante latere voorvallen. Daardoor mocht de Afdeling veronderstellen dat de situatie inmiddels was hersteld. Het gewenste signaal aan de wijk en drugscriminelen kon de sluiting in deze omstandigheden niet dragen.s0007, s0008, s0010, s0011
Grenzen van deze toelichting
- De bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten was niet meer in geschil; de beoordeling betrof het gebruik van die bevoegdheid.
- De Afdeling bespreekt de overige beroepsgronden niet, omdat de ongeschiktheid van de sluiting al tot herroeping leidt.
- De uitspraak kent geen schadevergoeding toe voor de woningsluiting; de eerder toegekende € 500 betreft overschrijding van de redelijke termijn.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 17 januari 2023 heeft de burgemeester van Sittard-Geleen besloten dat de woning aan de [locatie] in Sittard op 3 februari 2023 voor drie maanden wordt gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. [appellant A] en [appellant B] huren een woning aan de [locatie] in Sittard. Naar aanleiding van een melding heeft de politie op 14 oktober 2022 in de woning onder meer softdrugs aangetroffen. De burgemeester heeft [appellant A] en [appellant B] op 17 januari 2023 een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet, inhoudende de tijdelijke sluiting van de woning voor drie maanden ingaande op 3 februari 2023. De Afdeling begrijpt dit besluit zo dat als [appellant A] en [appellant B] binnen de begunstigingstermijn van twee weken niet zelf aan de last voldoen, op 3 februari 2023, of kort daarna, de burgemeester middels bestuursdwang zelf overgaat tot sluiting van de woning. De voorgenomen sluiting is niet doorgegaan en daarom heeft de burgemeester bij brief van 29 maart 2023 besloten dat de woning op 6 april 2023 voor drie maanden wordt gesloten.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202502191/1/A3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend in Sittard, gemeente Sittard-Geelen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 februari 2025 in zaak nr. 23/1458 in het geding tussen: [appellanten] en de burgemeester van Sittard-Geleen. Procesverloop Bij besluit van 17 januari 2023 heeft de burgemeester besloten dat de woning aan de [locatie] in Sittard op 3 februari 2023 voor drie maanden wordt gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Bij brief van 29 maart 2023 heeft de burgemeester besloten dat de woning op 6 april 2023 voor drie maanden wordt gesloten. Bij besluit van 23 mei 2023 heeft de burgemeester het door [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 17 januari 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, de Staat veroordeeld tot het betalen van € 500,00 aan schadevergoeding aan [appellant A] en [appellant B] en de Staat veroordeeld in de proceskosten die [appellant A] en [appellant B] voor het indienen van het verzoek hebben moeten maken tot een bedrag van € 226,75. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 januari 2026,
Bronpassage s0002
waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat in Maastricht, en mr. M.M.J.P. Boesten, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant A] en [appellant B] huren een woning aan de [locatie] in Sittard (de woning). Naar aanleiding van een melding heeft de politie op 14 oktober 2022 in de woning onder meer softdrugs aangetroffen. De burgemeester heeft [appellant A] en [appellant B] op 17 januari 2023 een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet, inhoudende de tijdelijke sluiting van de woning voor drie maanden ingaande op 3 februari 2023. De Afdeling begrijpt dit besluit zo dat als [appellant A] en [appellant B] binnen de begunstigingstermijn van twee weken niet zelf aan de last voldoen, op 3 februari 2023, of kort daarna, de burgemeester middels bestuursdwang zelf overgaat tot sluiting van de woning. De voorgenomen sluiting is niet doorgegaan en daarom heeft de burgemeester bij brief van 29 maart 2023 besloten dat de woning op 6 april 2023 voor drie maanden wordt gesloten. Die sluiting is wel doorgegaan. In het besluit op bezwaar is de burgemeester bij de sluiting gebleven. [appellant A] en [appellant B] hebben sinds 6 juli 2023 weer toegang tot hun woning. Wat heeft de burgemeester besloten? 2. De sluiting van de woning berust op een op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie van 1 decemb
Bronpassage s0003
er 2022 (de bestuurlijke rapportage van 1 december 2022). Hierin staat beschreven dat op 14 oktober 2022 in de woning 1 kilogram henneptoppen in een doorzichtige gripzak is aangetroffen. Verder werden in de kelder van de woning 24 stuks cobra 6 vuurwerk en 24 shells vuurwerk aangetroffen. Op basis hiervan heeft de burgemeester besloten tot het sluiten van de woning voor de duur van drie maanden. Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat procesbelang ontbreekt. [appellant A] en [appellant B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij schade hebben geleden door het besluit tot sluiting van de woning. De enkele stelling dat zij immateriële schade hebben geleden vanwege het verlies van hun woongenot is volgens de rechtbank daartoe onvoldoende. Het had op de weg van [appellant A] en [appellant B] gelegen deze schade te concretiseren. Dat hebben zij volgens de rechtbank niet gedaan. De rechtbank heeft verder het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn toegewezen. De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op een bedrag van € 226,75 (één punt voor het indienen van het verzoekschrift met wegingsfactor 0,25). Gronden en beoordeling hoger beroep 4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank hun beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. [appellant A] en [appellant B] hebben als gevolg van de woningsluiting niet in de woning kunnen verblijven, wa
Bronpassage s0004
ardoor er sprake is van een inbreuk op hun woonrecht. Verder kan de eventuele onrechtmatigheid van het besluit tot woningsluiting grond vormen voor een aanspraak op schadevergoeding. [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte één punt proceskostenvergoeding heeft toegekend in plaats van twee punten. [appellant A] en [appellant B] hadden ook nog een punt voor het verschijnen van hun gemachtigde op de zitting moeten krijgen. Ook had de rechtbank niet de wegingsfactor 0,25, maar 0,5 moeten toepassen, aldus [appellant A] en [appellant B]. Hebben [appellant A] en [appellant B] procesbelang? 5. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1162, onder 5. 5.1. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant A] en [appellant B] procesbelang. [appellant A] en [appellant B] hebben tijdens de zitting bij de rechtbank toegelicht dat zij de periode dat hun woning gesloten was bij familie hebben verbleven. Het is niet onaannemelijk dat zij naar aanleiding daarvan kosten hebben moeten maken. Daarnaast hebbe
Bronpassage s0005
n zij gedurende de sluiting niet in hun woning kunnen verblijven en is daarmee sprake van een in inbreuk op hun woonrecht. De Afdeling wijst in dit verband op haar eerdere uitspraak van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6184, onder 5.2. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 5.2. Het betoog slaagt. Vergoeding proceskosten voor verzoek schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn 6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1511) komt het indienen van het verzoekschrift in geval van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor vergoeding van 1 punt in aanmerking. In de regel wordt geen procespunt toegekend voor het verschijnen op de zitting. In wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. De berekening door de rechtbank van de proceskosten is in zoverre juist. 6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:829, behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie gemiddeld als bedoeld in onderdeel C.1 van de bijlage bij van het Besluit proceskosten bestuursrecht, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Omdat het hier alleen gaat om de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet de wegingsfactor licht (0,5) worden toegepast (zie de uitspraak van
Bronpassage s0006
de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3829, onder 6.2). Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte de wegingsfactor zeer licht (0,25) toegepast en dus ten onrechte een proceskostenvergoeding van € 226,75 toegekend. 6.2. Het betoog slaagt ook in zoverre. Conclusie 7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en de Staat heeft veroordeeld in de proceskosten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepsgronden van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 23 mei 2023 hierna alsnog beoordelen en opnieuw oordelen over de proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 23 mei 2023 Toetsingskader 8. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het beroep. Beoordeling beroep 9. Op de zitting is gebleken dat niet meer in geschil is dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Het gaat daarom alleen nog over de vraag of de burgemeester gebruik mocht maken van deze bevoeg
Bronpassage s0007
dheid. 10. [appellant A] en [appellant B] betogen daarover onder meer dat het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, ertoe heeft geleid dat de sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer heeft bijgedragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. In dat tijdsverloop is ook niet gebleken van antecedenten of openbare orde aspecten die erop wijzen dat de openbare orde in het geding was, dat er een "loop" naar de woning was of dat is gebleken van handel. 10.1. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich namelijk de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning of het lokaal moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop is te wijten, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemees
Bronpassage s0008
ter moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. Vergelijk de uitspraak van 10 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3368, onder 5.2. 10.2. De voorgenomen sluiting van de woning op 3 februari 2023, of kort daarna, is niet doorgegaan. Daarom heeft de burgemeester bij brief van 29 maart 2023 besloten dat de woning op 6 april 2023 alsnog voor drie maanden wordt gesloten. Gelet op de inhoud bevat deze brief door de ingangsdatum van de sluiting te bepalen op 6 april 2023 een wijziging van het besluit van 17 januari 2023 (vergelijk de hiervoor genoemde uitspraak van 10 juni 2026, onder 5.5). Daarmee is deze brief, ook gelet op de specifieke aard van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet en de daarmee samenhangende wijze van toetsen hiervan (zie onder 8), gericht op rechtsgevolg en een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar van [appellant A] en [appellant B]s tegen het besluit van 17 januari 2023 had wegens de gewijzigde ingangsdatum van de sluiting van de woning gelet op artikel 6:19 van de Awb van rechtswege mede betrekking op het besluit van 29 maart 2023. 10.3. Zoals onder 10.1 is overwogen, had de burgemee
Bronpassage s0009
ster in dit nader genomen besluit van 29 maart 2023 opnieuw moeten beoordelen of sluiting op 6 april 2023, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, nog een geschikt middel was en zo ja, of sluiting noodzakelijk was. Maar de burgemeester heeft deze beoordeling in dit besluit niet gemaakt. Dit had wel van hem verwacht mogen worden. Oorspronkelijk zou de woning bijna vier maanden nadat de hennep in de woning was aangetroffen worden gesloten voor een periode van drie maanden. Inmiddels waren er weer ruim twee maanden verstreken, waarna de burgemeester alsnog wilde sluiten voor drie maanden. De burgemeester heeft in dit besluit volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2023, waarin het verzoek om een voorlopige voorziening was afgewezen. Maar in die uitspraak is alleen een voorlopig oordeel gegeven over de rechtmatigheid van het besluit van 17 januari 2023 en is dus niet getoetst of een latere sluiting voor drie maanden nog steeds rechtmatig zou zijn. Bovendien dateert die uitspraak van voor de onder 8 genoemde overzichtsuitspraak en is bij dit voorlopige oordeel geen rekening gehouden met de daarin aangescherpte criteria voor een woningsluiting. Een beoordeling van de geschiktheid en noodzakelijkheid van een sluiting van de woning voor drie maanden per 6 april 2023 ontbreekt ook in de beslissing op bezwaar. Ook deze ziet alleen op het besluit van 17 januari 2023 en de daarin voorgenomen
Bronpassage s0010
sluiting per 3 februari 2023. Ook in (hoger) beroep heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd waarom de sluiting op 6 april 2023, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt en noodzakelijk middel is om de doelen te bereiken die met de sluiting worden gediend. Voor dat oordeel is het volgende van belang. 10.3.1. De burgemeester heeft toegelicht dat de sluiting niet alleen als doel heeft het beëindigen van de overtreding en het tenietdoen van de gevolgen, maar ook het voorkomen van verdere overtredingen. In dat verband heeft hij zich in de kern op het standpunt gesteld dat de sluiting ondanks het tijdsverloop nog geschikt is om deze doelen te bereiken, omdat de sluiting is bedoeld om een signaal af te geven naar de voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk en de drugscriminelen dat wordt opgetreden tegen drugscriminaliteit. Maar een bestuursrechtelijke herstelsanctie is niet bedoeld om als afschrikking te dienen of uitsluitend nog om uit te dragen dat de burgemeester handhavend optreedt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2923, onder 7.2. 10.3.2. De burgemeester heeft niet anderszins toegelicht waarom de door hem genoemde doelen nog bereikt zouden kunnen worden door de woning op 6 april 2023 alsnog voor drie maanden te sluiten. In dit concrete geval is namelijk alleen bekend dat een kilo henneptoppen is aangetroffen. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken van een impact van de overtr
Bronpassage s0011
eding op de omgeving of van relevante voorvallen na het constateren van de overtreding. 10.3.3. Bij gebreke aan verdere aanknopingspunten over de concrete omstandigheden van dit geval mag dan ook worden verondersteld dat op 6 april 2023 door het tijdsverloop de situatie ter plaatse al was hersteld en de negatieve effecten van de overtreding, waaronder de mogelijke rol van de woning in het criminele drugscircuit, ongedaan zijn gemaakt. Alleen al daarom moet worden geoordeeld dat de sluiting van de woning voor drie maanden op 6 april 2023 niet meer geschikt was om de beoogde doelen te bereiken. 10.4. Het betoog slaagt. Slotsom 11. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 23 mei 2023 is gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen, het besluit van 17 januari 2023, zoals gewijzigd bij besluit van 29 maart 2023, herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit. Dit betekent dat de burgemeester de woning van [appellant A] en [appellant B] op 6 april 2023 niet meer had mogen sluiten. Tegen deze achtergrond behoeven de overige gronden geen bespreking. 12. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden, waarbij rekening is gehouden met wat is overwogen onder 6.1. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 februari 2025 in zaak nr. 23/1458, voor zover de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daart
Bronpassage s0012
egen ingestelde beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en de Staat heeft veroordeeld in de proceskosten die [appellant A] en [appellant B] voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn hebben moeten maken tot een bedrag van € 226,75; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Sittard-Geleen van 23 mei 2023, kenmerk BZW.1.23.0033.001/2893936; V. herroept het besluit van de burgemeester van Sittard-Geleen van 17 januari 2023, kenmerk 2881431, zoals gewijzigd bij besluit van 29 maart 2023, kenmerk 2888448; VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 mei 2023; VII. veroordeelt de burgemeester van Sittard-Geleen tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van bij het bezwaar, verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.521,50 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat de burgemeester van Sittard-Geleen aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 473,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier. w.g. Lange lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van de Sluis gr
Bronpassage s0013
iffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 802-1101
De Afdeling verlangt een nieuw planschadebesluit; Progres krijgt geen inkomensschade vergoed.s0022, s0019, s0021
De Afdeling vernietigt de afwijzing; binnen twaalf weken na verzending moet het college opnieuw beslissen, met uitsluiting van inkomensschade.s0022, s0019, s0021
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5776
De Afdeling vernietigt de nieuwe afwijzing van het planschadeverzoek van Progres. Het college van burgemeester en wethouders van Eemsdelta moet binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak opnieuw op het bezwaar beslissen. Progres was op de peildatum eigenaar en het college mocht haar de voorzienbaarheid van het verdwijnen van de supermarktmogelijkheden niet tegenwerpen. Beide hoger beroepen zijn ongegrond. Progres krijgt geen vergoeding voor gemiste inkomsten: de exploitatie was nog niet begonnen en de aangevoerde investeringen rechtvaardigen geen uitzondering. Een tegemoetkoming wegens waardevermindering blijft mogelijk als aan de overige voorwaarden is voldaan. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk.s0009, s0015, s0019, s0020, s0021, s0022
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling beoordeelt het verzoek onder de Wet ruimtelijke ordening zoals die vóór 1 januari 2024 gold. Het overgangsrecht houdt dat oude kader voor dit verzoek in stand. Progres was volgens de Afdeling eigenaar toen het nieuwe bestemmingsplan in werking trad. Uit de volledige akte van kwijting volgt dat de koopprijs tijdig was betaald. Bankafschriften en andere stukken bevestigen dat. De ontbindende voorwaarden waren daarom niet vervuld.s0005, s0008, s0009
Uit de uitspraak
De latere allonge verschoof de investeringsbeslissing volgens de Afdeling niet naar een moment na het voorbereidingsbesluit. Progres werd door de meesteraanwijzing al vóór dat besluit partij bij de koopovereenkomst. De toen geldende planregels stonden supermarkten toe. Het college maakte niet aannemelijk dat het detailhandelsbeleid behoorlijk openbaar was gemaakt. Bovendien kondigde de plantoelichting niet aan dat bestaande detailhandelsmogelijkheden zouden verdwijnen. Ook de overige aangevoerde stukken onderbouwden die voorzienbaarheid niet. Latere kennis van het beleid bewees geen kennis ten tijde van de investering.s0013, s0014, s0015, s0016, s0017
Duiding
Voor de verdere behandeling van dit verzoek moeten waardevermindering en gemiste inkomsten afzonderlijk worden beoordeeld. De vernietiging geeft Progres nog geen vastgestelde schadevergoeding. De mogelijke waardedaling blijft afhankelijk van de overige voorwaarden. Voor gemiste inkomsten bood deze zaak geen uitzondering: de supermarktactiviteiten waren nog niet begonnen en de aankoop gold niet als onomkeerbare investering in die exploitatie. Ook de bouwkundige, bodem- en asbestonderzoeken hadden betekenis voor het vastgoed zelf. Het college moet deze oordelen bij zijn nieuwe besluit volgen. Tegen dat besluit kan uitsluitend bij de Afdeling beroep worden ingesteld.s0019, s0020, s0021, s0022
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling stelt geen bedrag aan planschadevergoeding vast; het college moet opnieuw op het bezwaar beslissen.
- Een tegemoetkoming wegens waardevermindering blijft afhankelijk van de overige voorwaarden daarvoor.
- Deze beoordeling vindt plaats onder de Wet ruimtelijke ordening zoals die vóór 1 januari 2024 gold.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 30 mei 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eemsdelta een verzoek van Progres om vergoeding van planschade afgewezen. Progres heeft in 2016 een koopovereenkomst gesloten aangaande een oude steenfabriek, met als doel om daar supermarkten te vestigen. Het college heeft geen vergunning verleend voor de sloop van de oude steenfabriek en oprichting van twee supermarkten. Progres heeft op 23 december 2021 een verzoek om planschade ingediend bij het college. Dat verzoek houdt verband met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Facetplan Delfzijl - Farmsum’ (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan beperkt de ontwikkelmogelijkheden op de plaats van de voormalige Steenfabriek Fivelmonde op het adres ‘Weg naar de Dam 1’ in Delfzijl. Het is door de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan niet langer toegestaan een supermarkt op de locatie te vestigen.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202500428/1/A2. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. het college van burgemeester en wethouders van Eemsdelta, 2. Progres RE Invest I B.V. (hierna: Progres), gevestigd in Heeze, gemeente Heeze-Leende, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 december 2024 in zaak nr. 24/2222 in het geding tussen: Progres en het college Procesverloop Bij besluit van 30 mei 2023 heeft het college een verzoek van Progres om vergoeding van planschade afgewezen. Bij besluit van 10 april 2024 heeft het college het door Progres daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 december 2024 heeft de rechtbank het door Progres daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 april 2024 vernietigd en bepaald dat het college binnen acht weken een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen. Tegen deze uitspraak hebben het college en Progres hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 25 februari 2025 heeft het college uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank. Het college heeft het bezwaar van Progres opnieuw ongegrond verklaard. Progres en het college hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven. Progres heeft bij de Afdeling beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing ingesteld. Progres heeft gronden ingediend tegen het besluit van 25 februari 2025. Het college en Progres hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op
Bronpassage s0002
11 februari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door ing. B.N.J. Huijts, taxateur, R.P. Kampstra, G.J. Hooites en A. Usmany-Dalinga, bijgestaan door mr. T.D. Polak, advocaat in Groningen en mr. I.J. Wind, advocaat in Amsterdam, en Progres, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. H. Zeilmaker en mr. L.G.H. Wichern, advocaten in Arnhem, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Progres heeft in 2016 een koopovereenkomst gesloten aangaande een oude steenfabriek, met als doel om daar supermarkten te vestigen. Het college heeft geen vergunning verleend voor de sloop van de oude steenfabriek en oprichting van twee supermarkten. Progres heeft op 23 december 2021 een verzoek om planschade ingediend bij het college. Dat verzoek houdt verband met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Facetplan Delfzijl - Farmsum’ (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan beperkt de ontwikkelmogelijkheden op de plaats van de voormalige Steenfabriek Fivelmonde op het adres ‘Weg naar de Dam 1’ in Delfzijl (hierna: de locatie). Het is door de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan niet langer toegestaan een supermarkt op de locatie te vestigen. 1.1. Het college heeft het verzoek van Progres afgewezen en de afwijzing in de bezwaarfase gehandhaafd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat Progres op de peildatum, namelijk de datum van inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, te weten 20 juni 2019, geen eigenaar was van de gronden op de locati
Bronpassage s0003
e. Verder heeft het college aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat de wijziging van de ontwikkelingsmogelijkheden op de locatie, mede gelet op de plantoelichting bij het voorgaande bestemmingsplan "Delfzijl-Kern West" die een concreet beleidsvoornemen is, voorzienbaar was. De peildatum daarvoor is volgens het college niet de datum waarop de koopovereenkomst is getekend, namelijk 25 november 2016, maar de datum waarop de allonge op de koopovereenkomst is getekend op 21 november 2017. Met het overeenkomen van een allonge op de koopovereenkomst is volgens het college het moment van de investeringsbeslissing verschoven. Op het moment van de ondertekening van de allonge was al op 2 februari 2017 een voorbereidingsbesluit door de raad bekendgemaakt met betrekking tot de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Bovendien had Progres de levering nog kunnen ontbinden door de restant koopprijs niet te betalen. 1.2. De rechtbank heeft het daartegen door Progres ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 april 2024 vernietigd en het college de opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Volgens de rechtbank heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat Progres op de peildatum geen eigenaar was van de gronden op de locatie. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat in het kader van de voorzienbaarheid volgens rechtspraak van de Afdeling van belang is wanneer de koopovereenkomst door Progres is ondertekend. De investeringsbeslissing is op 25
Bronpassage s0004
november 2016 genomen en niet, zoals het college stelt, op het moment van de ondertekening van de allonge op 21 november 2017. De rechtbank heeft in dit verband verder geoordeeld dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat Progres de koop nog had kunnen ontbinden. Volgens de rechtbank is de datum voor de beoordeling van de voorzienbaarheid daarom 25 november 2016. In het verlengde hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de wijziging van de planologische situatie voorzienbaar was, omdat sprake was van een concreet beleidsvoornemen. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het detailhandelsbeleid openbaar is gemaakt. Verder heeft de rechtbank daarbij van belang geacht dat op 25 november 2016 op de locatie het bestemmingsplan "Delfzijl-Kern West" (hierna: het oude bestemmingsplan) gold. Op grond van de planregels van dit bestemmingsplan was het vestigen van supermarkten op de locatie toegestaan. Die planregels zijn duidelijk en bevatten geen wijzigingsbevoegdheid. Daarom kon het college niet alleen op grond van de plantoelichting bij het bestemmingsplan de voorzienbaarheid aan Progres tegenwerpen. Over de door Progres gestelde inkomensschade heeft de rechtbank geoordeeld dat Progres geen onomkeerbare investeringen heeft gedaan en daarom geen sprake is van inkomensschade die voor vergoeding in aanmerking komt. 1.3. Het college heeft v
Bronpassage s0005
ervolgens met het besluit van 25 februari 2025 opnieuw op het bezwaar beslist. De Afdeling zal in deze uitspraak ook ingaan op de gronden van Progres tegen dat nieuwe besluit. Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 2. Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. 2.1. De door Progres in de aanvraag aangewezen oorzaak van de gestelde schade is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Hoger beroep van het college 3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat Progres op de peildatum, 20 juni 2019, geen eigenaar was van de gronden. Het college voert daartoe aan dat de levering aan Progres heeft plaatsgevonden met een zogeheten Groninger akte, dat wil zeggen een
Bronpassage s0006
leveringsakte met ontbindende voorwaarden. Daarin zijn in artikel 10.2 de ontbindende voorwaarden uit de allonge overgenomen. Een van die voorwaarden is dat de ontbinding van rechtswege zal intreden wanneer niet binnen acht dagen na het onherroepelijk worden van de verleende dan wel geweigerde bouwvergunning de volledige (restant) koopprijs is voldaan. De weigering van de bouwvergunning is op 17 april 2019 onherroepelijk geworden. De koopprijs moest daarom uiterlijk 25 april 2019 worden voldaan. Volgens het college blijkt uit de akte van kwijting die op 25 juni 2019 is verleden, dat de koopsom op die dag is voldaan. In de akte van kwijting van de notaris, die ingeschreven is in de openbare registers, staat namelijk dat hij (de notaris) de restant koopprijs per heden heeft ontvangen. Met "per heden" wordt volgens het college 25 juni 2019 bedoeld, omdat de akte op die datum is verleden. Het college betoogt in dit verband dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad over de uitleg van notariële akten volgt dat deze naar de letter moeten worden gelezen. Gelet op diezelfde rechtspraak van de Hoge Raad kunnen andere stukken die niet als bijlagen bij de akte zijn gevoegd, geen rol spelen bij de uitleg van een notariële akte. De andere stukken die de rechtbank bij haar oordeel heeft betrokken, namelijk een bankafschrift van de rekening van Progres en een bankafschrift van de kwaliteitsrekening van de notaris, zijn niet als bijlagen bij de akte gevoegd en ook niet ingeschreven in de openb
Bronpassage s0007
are registers van het kadaster. De rechtbank heeft deze stukken dus ten onrechte bij haar oordeel betrokken. Het college is van mening dat nu de koopprijs is voldaan na de uiterste datum van 25 april 2019 de levering van rechtswege is ontbonden. 4. Verder voert het college aan dat de rechtbank zonder een dragende motivering heeft overwogen dat uit de akte van kwijting volgt dat de restant koopprijs tijdig is betaald en dat de ontbindende voorwaarden uit de akte van levering zijn uitgewerkt en vervallen. Het college voert in dit verband aan dat de rechtbank daarmee het begrip Groninger akte en de werking daarvan heeft miskend. De Groninger akte is in deze zaak de akte van levering. Met de verwijzing naar de Groninger akte doelde de rechtbank kennelijk op de allonge op de koopovereenkomst. Een Groninger akte is, blijkens de toelichting van de notarissen van het kantoor van de advocaat van Progres, een levering onder ontbindende voorwaarden. Het is dus een notariële akte van levering en geen onderhandse akte, zoals de allonge. Het staat de partijen in beginsel vrij zelf de precieze inhoud van de ontbindende voorwaarde(n) te bepalen, zolang de vervulling van de voorwaarde afhangt van een objectieve, toekomstige en onzekere gebeurtenis. Het verstrijken van een bepaalde datum is volgens het college zo’n objectieve en onzekere gebeurtenis, maar de constatering van partijen dat de ontbindende voorwaarden uit de akte van levering zijn uitgewerkt en vervallen is dat niet. 4.1. Zoals de
Bronpassage s0008
Afdeling eerder heeft overwogen, mag het college, bij het ontbreken van een civiele uitspraak over de eigendomsverhoudingen, afgaan op wat in de openbare registers van het kadaster over het eigendom is vermeld (zie bijvoorbeeld de ook door de rechtbank en het college aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:990). De Afdeling heeft eerder ook overwogen dat het bij de gerechtigdheid tot de tegemoetkoming in planschade uiteindelijk gaat om de daadwerkelijke vermogensrechtelijke positie van de aanvrager (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:626). 4.2. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het bij de uitleg van een notariële akte als de onderhavige aankomt op de bedoeling van partijen voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht. Deze bedoeling moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Zie in dit verband het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904. 4.3. In de artikelen 2.1 en 4 van de akte van kwijting staat dat koper (Progres) de koopprijs voor het verkochte tijdig heeft voldaan en dat de levering van het verkochte onvoorwaardelijk tot stand is gekomen. Verder staat daarin dat de ontbindende voorwaarden thans zijn uitgewerkt en vervallen. De Afdeling volgt Progres in haar standpunt dat uit de akte van kwijting zelf, als deze integraal in bescho
Bronpassage s0009
uwing wordt genomen, volgt dat er tijdig is betaald. 4.4. Dit vindt bevestiging in de door Progres overlegde bankafschriften, de e-mail van de kandidaat-notaris W.W. van de Vorle-Braat en de bevestigingsbrief van Hijlkema die allemaal dateren van 25 april 2019. Hieruit blijkt dat Progres de restant koopprijs van € 238.500,- op 25 april 2019 heeft betaald. Op dezelfde datum is de akte van kwijting opgemaakt. Die akte is uiteindelijk op 25 juni 2019 verleden. 4.5. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de ontbindende voorwaarden niet zijn vervuld en dat het eigendom op de peildatum daarom bij Progres berustte. Dat in de considerans van akte van kwijting staat dat de restant koopsom per heden is ontvangen kan, gelet op wat er verder in de akte van kwijting staat en ook gelet op de overige overgelegde stukken, niet tot een ander oordeel leiden. De Afdeling volgt de uitleg van Progres dat dit een omissie van de notaris moet zijn geweest. Het betoog van het college slaagt niet. 5. Het college betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de wijziging van de planologische situatie voor Progres voorzienbaar was, omdat sprake was van een concreet beleidsvoornemen waaruit volgt dat de mogelijkheid om op de locatie een supermarkt te realiseren zou komen te vervallen. Het college voert hiertoe allereerst aan dat de rechtbank ten onrechte de datum van de ondertekening van de
Bronpassage s0010
koopovereenkomst als de datum van de investeringsbeslissing heeft aangemerkt. Volgens het college ligt het moment van de investeringsbeslissing later dan de rechtbank aanneemt. Deze beslissing is namelijk pas genomen op 21 november 2017, zijnde de datum waarop de allonge is ondertekend, of zelfs pas op 25 juni 2019, de datum waarop de restant koopprijs is betaald. In dit verband is volgens het college ook van belang dat niet Progres RE Invest B.V, maar Progres Real Estate BV de koopovereenkomst heeft gesloten en dat Progres daarom niet gebonden was aan de overeenkomst. Daarnaast voert het college aan dat de rechtbank heeft miskend dat de koopovereenkomst Progres niet tot afname van de Steenfabriek verplichtte en dat de allonge moet worden aangemerkt als een nieuwe koopovereenkomst. Deze nieuwe koopovereenkomst verplichtte evenmin tot afname van de Steenfabriek. De akte van levering verplicht evenmin tot afname van de Steenfabriek. Ten slotte voert het college aan dat Progres op het moment van haar investeringsbeslissing op basis van openbare stukken rekening had kunnen houden met de mogelijkheid dat de supermarktbestemming van de Steenfabriek zou worden wegbestemd. In dit verband is volgens het college van belang dat op grond van het detailhandelsbeleid en de verwijzing daarnaar in de toelichting bij het oude bestemmingsplan aan Progres actieve risicoaanvaarding kan worden tegengeworpen. Dat het vestigen van supermarkten op de locatie op grond van het oude bestemmingsplan we
Bronpassage s0011
l mogelijk was, is volgens het college een omissie. 6. Bij de beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade wordt op grond van artikel 6.3 van de Wro ook de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak betrokken. De schadeoorzaak is voorzienbaar als voor de aanvrager aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin. Als de schadeoorzaak voorzienbaar was, kan het bestuursorgaan mogelijk risicoaanvaarding aan de aanvrager tegenwerpen. Dat betekent dat de schade voor zijn rekening blijft. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve risicoaanvaarding. Van actieve risicoaanvaarding kan sprake zijn als de aanvrager een investeringsbeslissing heeft genomen, bijvoorbeeld door een onroerende zaak te kopen, terwijl de schadeoorzaak voor een redelijk denkend en handelend koper ten tijde van deze investeringsbeslissing voorzienbaar was. Met voorzienbaarheid wordt in beginsel gedoeld op objectieve voorzienbaarheid, dat wil zeggen: voorzienbaarheid op basis van een concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt. Niet vereist is dat het bewustzijn van het risico ook daadwerkelijk bij de aanvrager aanwezig was. Indien geen sprake is van een openbaar gemaakt concreet beleidsvoornemen, dan is in beginsel geen sprake van voorzienbaarheid. Dat neemt niet weg dat specifieke persoonlijke omstandigheden, waardoor de aanvrager feitelijk op de hoogte was van de komende plan
Bronpassage s0012
ologische ontwikkeling en dus sprake was van subjectieve voorzienbaarheid, in voorkomende gevallen een rol kunnen spelen. Verder volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dat de voorzienbaarheid vastgesteld wordt op het moment van de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak, en dus niet op het moment van levering. Bij de beantwoording van de vraag of een planologische wijziging voorzienbaar was, wordt rekening gehouden met een concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft. Om op grond van een concreet beleidsvoornemen voorzienbaarheid te kunnen aannemen, moet een redelijk denkend en handelend koper uit de openbaarmaking daarvan kunnen begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking heeft, wat de zakelijke inhoud ervan is, en dat hij van de inhoud ervan kan kennisnemen. Uit de rechtspraak volgt in dit verband verder dat voor het aannemen van voorzienbaarheid niet is vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RV
Bronpassage s0013
S:2025:3690). 7. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de investeringsbeslissing op 25 november 2016, zijnde de datum waarop de koopovereenkomst is getekend, is genomen. Dat met de later overeengekomen allonge aanvullende afspraken zijn gemaakt, doet, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, daar niet aan af. De afspraken in de allonge hebben met name betrekking op het moment van de levering en doen niet af aan de wederzijds overeengekomen verplichtingen tot betaling en levering. De Afdeling voegt daaraan toe dat uit een brief van Progres van 28 januari 2017 aan Steenfabriek Hijlkema B.V. blijkt dat gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om een meesteraanwijzing te doen op grond van de koopovereenkomst. Gelet hierop is Progres op 28 januari 2017, dus voorafgaand aan het voorbereidingsbesluit van 2 februari 2017, partij geworden bij de koopovereenkomst. Deze verschuiving van het moment van de investeringsbeslissing leidt echter niet tot een ander oordeel, omdat het voorbereidingsbesluit pas op 2 februari 2017 bekend is gemaakt. Anders dan het college betoogt, blijkt uit de overeenkomst noch uit de allonge dat Progres niet verplicht was tot de aankoop van de Steenfabriek. In dit verband is van belang dat artikel 4.1 van de koopovereenkomst, zoals Progres heeft toegelicht, op het tijdstip van de levering ziet en geen ontbindende voorwaarde bevat die gekoppeld is aan de aanwezigheid van een onherroepelijke omgevingsvergunning. In ar
Bronpassage s0014
tikel 16 van de koopovereenkomst zijn wel ontbindende voorwaarden opgenomen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het met name gaat om onderdelen "c" en "e" van artikel 16.1 van de koopovereenkomst. Zoals Progres in dat verband terecht naar voren heeft gebracht hebben de daarin beschreven omstandigheden zich niet voorgedaan. Zo is toegelicht dat de saneringskosten niet dusdanig hoog waren dat onderdeel "c" kon worden ingeroepen en dat onderdeel "e" met de meesteraanwijzing is uitgewerkt. Met betrekking tot de vraag of de akte van levering tot afname verplicht, geldt dat de ontbindende voorwaarden in de akte, anders dan het college kennelijk meent, zien op de levering en niet op de koopovereenkomst. Het betoog van het college slaagt niet. 7.1. Over de voorzienbaarheid heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst op grond van de planregels van het oude bestemmingsplan het vestigen van supermarkten op de locatie toegestaan was. Dit geldt ook voor het moment van de aanvaarding van de meesteraanwijzing op 28 januari 2017. Dit wordt door het college ook niet bestreden. In de plantoelichting van dit bestemmingsplan wordt verwezen naar het "Detailhandelsbeleid 2003-2010". De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat voormeld beleid op de juiste wijze bekend is gemaakt en ter inzage is gelegd. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat de verwijzing door
Bronpassage s0015
het college naar de openbare behandeling in de raadsvergadering en de mogelijkheid om op de peildatum de notulen te kunnen raadplegen niet voldoende is. Ook de verwijzing naar het persbericht leidt, gelet op de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2382, niet tot het door het college beoogde doel. Op de zitting heeft Progres onbestreden gesteld dat het beleid ten tijde van de investeringsbeslissing niet te vinden was. Over de vraag of met de plantoelichting zelf in dit geval een concreet beleidsvoornemen bekend is gemaakt, geldt het volgende. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een toelichting bij een bestemmingsplan in algemene zin als bekendmaking van een concreet beleidsvoornemen kan worden gezien. In de plantoelichting staat onder meer dat buiten de vastgestelde structuur van de aangegeven winkelgebieden geen nieuwe ontwikkelingen van detailhandel zijn toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen op het gebied van detailhandel (buiten aangewezen gebied) zijn dan ook niet toegestaan. Uit de plantoelichting volgt niet dat de in het plan opgenomen mogelijkheden voor het vestigen van detailhandel zullen worden wegbestemd. Gelet hierop is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college niet op grond van de toelichting bij het oude bestemmingsplan de voorzienbaarheid aan Progres mocht tegenwerpen. De verwijzing van het college naar de uitspraak van de Afdeling van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2086, maakt dit
Bronpassage s0016
niet anders. In die uitspraak heeft de Afdeling het beroep van Progres tegen het nieuwe bestemmingsplan Facetplan-Delfzijl-Farsum ongegrond verklaard. De Afdeling overwoog in die uitspraak dat de omstandigheid dat in het oude bestemmingsplan voor alle gronden met de bestemming "Bedrijf" detailhandelsmogelijkheden voor supermarkten waren opgenomen niet strookte met het sinds 2003 gevoerde beleid. Het oude bestemmingsplan leidde daarom tot incoherentie dat met het nieuwe bestemmingsplan is rechtgezet. Het college heeft betoogd dat Progres in die procedure niet heeft ontkend dat er vanaf 2003 detailhandelsbeleid was en dat ook daaruit volgt dat Progres van het detailhandelsbeleid op de hoogte was. Progres heeft echter verklaard dat zij pas in die procedure van het detailhandelsbeleid, dat toen als bijlage bij de toelichting was gevoegd, heeft kennisgenomen. De Afdeling is van oordeel dat de omstandigheid dat Progres in die procedure niet heeft ontkend dat er vanaf 2003 detailhandelsbeleid was niet betekent dat zij ook ten tijde van de investeringsbeslissing op 28 januari 2017 daarvan op de hoogte was. 7.2. Over de overige stukken die door het college naar voren zijn gebracht ter ondersteuning van het betoog dat aan Progres voorzienbaarheid kan worden tegengeworpen, geldt het volgende. Het gaat om publicaties in de Eemsbode uit 2002 en 2003, het ontwikkelperspectief Appingedam-Delfzijl 2030 uit 2010, de Nota "Kleur bekennen" -onderweg naar investeringsprogramma 2010-2020 uit 2011
Bronpassage s0017
, Delfzijl, toekomstperspectief detailhandelsvoorzieningen uit 2011, Actieplan Centrum Delfzijl uit 2013, Visie Supermarkten kern Delfzijl uit 2017 en het artikel "Delfzijl: compact centrum in kwijnende stad" van 1 oktober 2014. In de eerste plaats geldt dat Progres gemotiveerd heeft gesteld dat de krantenberichten ten tijde van de investeringsbeslissing niet raadpleegbaar waren. Bovendien blijkt uit deze stukken, zoals Progres terecht stelt, niet dat de detailhandelsbestemming op de locatie zou worden wegbestemd. Het college heeft verder niet onderbouwd dat de overige stukken ten tijde van de investeringsbeslissing op de juiste wijze openbaar waren gemaakt en in openbare bronnen, waarvan redelijkerwijs te verwachten viel dat een eventueel concreet beleidsvoornemen met betrekking tot de Steenfabriek daarin gepubliceerd zou zijn, te vinden waren. Ook uit die stukken blijkt bovendien niet van een concreet beleidsvoornemen om de detailhandelsbestemming van de Steenfabriek weg te bestemmen. 7.3. Het betoog van het college slaagt niet. Hoger beroep van Progres 8. Progres betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college terecht heeft gesteld dat geen sprake is van inkomensschade die voor vergoeding in aanmerking komt. Progres voert aan dat de feiten in deze zaak anders liggen dan in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2952. Zij heeft de Steenfabriek namelijk aangekocht met geen ander doel dan om ter p
Bronpassage s0018
laatse twee supermarkten te ontwikkelen en deze te verhuren. Daarom moet de aankoop worden aangemerkt als een voldoende concrete investering. Die investering was ook onomkeerbaar. Zij had namelijk niet de mogelijkheid om de aankoop van de Steenfabriek te ontbinden. Omdat de supermarktbestemming bij de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan is wegbestemd, is de Steenfabriek aanmerkelijk in waarde gedaald. Als zij deze nu zou verkopen, zou de prijs aanzienlijk lager liggen dan vóór de bestemmingswijziging. Dat zij de Steenfabriek kan verkopen, betekent niet dat geen sprake is van een onomkeerbare investering. Verder heeft zij andere onomkeerbare investeringen gedaan, zoals de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een Aldi-supermarkt in combinatie met een andere full-service supermarkt met parkeervoorzieningen. Ten behoeve van deze aanvraag heeft zij meerdere onderzoeken laten uitvoeren en stukken doen opstellen. Daarvoor heeft zij onomkeerbare kosten gemaakt. 9. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat gemist voordeel uit op de peildatum niet aangevangen bedrijfsvoering in beginsel niet voor tegemoetkoming op de voet van afdeling 6.1 van de Wro in aanmerking komt. Wanneer het alleen gaat om plannen van de aanvrager voor een bepaalde bedrijfsvoering die door de planologische maatregel zijn verhinderd, is geen sprake van een aangevangen bedrijfsvoering. Het ligt op de weg van de aanvrager om met uit objectieve bronnen afkomstige stukken of anderszins aannemelijk te
Bronpassage s0019
maken dat hij op de peildatum ter plaatse de betreffende onderneming exploiteerde om er voordeel uit te trekken. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken in gevallen waarin de aanvrager op de peildatum onomkeerbare investeringen heeft gedaan of waarin bijzondere omstandigheden daartoe nopen (zie de hiervoor in overweging 6 genoemde uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025 onder 59). 10. Tussen partijen is niet in geschil dat de exploitatie van de supermarkten nog niet was aangevangen op de peildatum. Uit de hierboven genoemde rechtspraak van de Afdeling volgt dat het gemiste voordeel dat voortvloeit uit het wegbestemmen van de mogelijkheid om ter plaatse supermarkten te realiseren daarom in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft dus terecht beoordeeld of in dit geval een uitzondering op de hoofdregel moest worden gemaakt. In dat verband heeft de rechtbank beoordeeld of er onomkeerbare investeringen zijn gedaan die aanleiding geven tot een afwijking van het uitgangspunt dat voordeel uit niet-aangevangen exploitatie niet voor vergoeding in aanmerking komt. Zij heeft die vraag terecht ontkennend beantwoord. In dit verband is het volgende van belang. 11. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betekent het feit dat Progres de Steenfabriek heeft aangekocht niet dat daarmee al een onomkeerbare investering is gedaan, ook niet als het juist is dat Progres, zoals zij heeft gesteld, de Steenfabriek heeft gekocht met het doel om daar supermarkten te re
Bronpassage s0020
aliseren. De aankoop van de Steenfabriek is een investering in vastgoed die niet onomkeerbaar is. De Steenfabriek kan immers weer worden verkocht, of voor andere doeleinden worden aangewend. Progres betoogt dat de Steenfabriek in waarde is verminderd door het vervallen van de mogelijkheid om supermarkten te realiseren, zodat zij deze alleen met verlies zal kunnen verkopen, en dat de aankoop daarom een onomkeerbare investering is. De Afdeling wijst er echter op dat voor zover er door de wijziging van het planologische regime waardevermindering is opgetreden, Progres op grond van artikel 6.1 van de Wro aanspraak heeft op een tegemoetkoming in die schade als aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan. Progres voert verder aan dat zij ten tijde van de investeringsbeslissing al een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van twee supermarkten had ingediend en dat zij ten behoeve van de ingediende aanvraag meerdere onderzoeken heeft laten uitvoeren die kunnen worden gekwalificeerd als onomkeerbare investeringen. De Afdeling stelt vast dat het gaat om een onderzoek naar de bouwkundige staat van de Steenfabriek, een bodemonderzoek en een asbestinventarisatieonderzoek. Deze onderzoeken hebben betrekking op de staat van het vastgoed. Naar het oordeel van de Afdeling kunnen deze onderzoeken weliswaar ook relevant zijn voor de mogelijkheid om ter plaatse supermarkten te exploiteren, maar zij zijn ook daarbuiten van belang, bijvoorbeeld voor de waarde van het vastgoe
Bronpassage s0021
d op zichzelf. Daarom kunnen zij niet worden aangemerkt als onomkeerbare investeringen in een toekomstige exploitatie van dit vastgoed in de vorm van de exploitatie van een of meer supermarkten. 12. Het betoog van Progres slaagt niet. Beroep tegen (het niet tijdig nemen van) het besluit van 25 februari 2025 13. Nadat het beroep wegens het niet tijdig beslissen is ingediend, heeft het college alsnog een besluit genomen op het bezwaar. Dit besluit is blijkens de aanhef op 25 februari 2025 genomen en op 14 maart 2025 verzonden. Op grond van artikel 6:20, tweede lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, heeft het beroep mede betrekking op dat besluit. 14. Omdat alsnog een besluit op het bezwaar is genomen, heeft Progres geen belang meer bij een oordeel over het beroep wegens niet tijdig beslissen. De Afdeling zal dit beroep niet-ontvankelijk verklaren. De Afdeling behandelt hierna de gronden gericht tegen het alsnog genomen besluit. 15. Het college handhaaft in het nieuwe besluit zijn standpunt over de voorzienbaarheid dat door de rechtbank is verrworpen. Progres bestrijdt in haar gronden dit standpunt. Gelet op het oordeel van de Afdeling over het hoger beroep van het college, kan ook het nieuwe besluit van 25 februari 2025 niet in stand blijven. De Afdeling zal daarom dat besluit vernietigen. Conclusie 16. De hoger beroepen zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk.
Bronpassage s0022
Het beroep tegen het besluit van 25 februari 2025 is gegrond. De Afdeling vernietigt dit besluit. Het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van wat de Afdeling in deze uitspraak heeft overwogen. De Afdeling geeft het college hiervoor een termijn van twaalf weken. Omdat de uitspraak in hoger beroep ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, ziet de Afdeling met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. 17. Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de hoger beroepen van het college en Progres RE Invest I B.V. ongegrond; II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 december 2024; III. verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; IV. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van 25 februari 2025 gegrond; V. vernietigt dat besluit; VI. draagt het college van burgemeester en wethouders van Eemsdelta op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit op het bezwaar te nemen; VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eemsdelta tot vergoeding van bij Progres RE Invest I B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een
Bronpassage s0023
bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat het college aan Progres RE Invest I B.V het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedragen van € 579,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier. w.g. Jurgens voorzitter w.g. Yildiz griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 594
De intrekking van de geluidslast voor trainingen bij MSV de Prikkedam blijft overeind.s0004, s0006, s0008
De Afdeling laat de intrekking van de last over maximale geluidsniveaus tijdens trainingen in stand.s0004, s0006, s0008
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5779
De Afdeling verklaart het hoger beroep van [appellant A] ongegrond, waardoor de intrekking van de last onder dwangsom aan MSV de Prikkedam in stand blijft. Het college mocht de last volgens zijn beleid al vóór het verstrijken van een jaar intrekken. Elf opeenvolgende metingen lieten geen overtreding zien. Dat tijdens sommige metingen minder motoren reden, maakte de metingen volgens de Afdeling niet onbetrouwbaar voor het maximale geluidsniveau. De last betrof uitsluitend dat niveau tijdens trainingen. Bezwaren over het langtijdgemiddelde geluid waren daarom niet relevant voor deze beoordeling.s0004, s0005, s0006, s0007, s0008
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling oordeelt dat het college de last onder dwangsom mocht intrekken voordat deze een jaar van kracht was geweest. Artikel 5:34 van de Awb beperkt volgens haar niet de algemene bevoegdheid om een eerder besluit in te trekken. Het college mocht daarom beleid vaststellen dat eerdere intrekking mogelijk maakte na zes opeenvolgende metingen zonder overtreding. De Afdeling acht dat beleid redelijk. Op deze in 2020 opgelegde last blijft door het overgangsrecht de Wabo van vóór 1 januari 2024 van toepassing.s0002, s0004, s0005
Uit de uitspraak
De bezwaren tegen de metingen veranderen het oordeel niet. Tijdens verschillende metingen reden minder motoren dan gebruikelijk, mogelijk door de zichtbare meetapparatuur. De Afdeling vindt de toelichting van de toezichthouder aannemelijk dat het aantal motoren het maximale geluidsniveau niet wezenlijk beïnvloedt. Individuele motoren die dichtbij het meetpunt rijden, bepalen dat niveau vooral. Het aangehaalde rapport van vóór de last zegt niets over de naleving daarvan. De eigen indicatieve metingen van [appellant A] waren volgens de Afdeling niet correct verricht.s0006, s0007
Duiding
Deze zaak laat zien waarom een bezwaar tegen geluidsmetingen moet aansluiten bij de norm waarop de ingetrokken last ziet. [appellant A] wees onder meer op de beperkte meetduur en het daardoor volgens hem onjuist vastgestelde langtijdgemiddelde geluid. Voor deze last was echter uitsluitend het maximale geluidsniveau tijdens trainingen relevant. Ook de lagere bezetting tijdens metingen bood hier onvoldoende grond om de meetrapporten af te wijzen, omdat de toezichthouder de betekenis daarvan voor juist dat maximale niveau aannemelijk kon toelichten.s0004, s0006, s0007
Grenzen van deze toelichting
- Deze uitspraak beoordeelt de intrekking van een last over het maximale geluidsniveau tijdens trainingen; het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau valt buiten die beoordeling.
- De uitspraak vermeldt niet welk bedrag aan schadevergoeding wegens termijnoverschrijding in de andere zaak is toegekend.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 8 december 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf MSV de Prikkedam (MSV de Prikkedam) gelast om het in artikel 5.4.2 van de planregels van het bestemmingsplan "motorcrossterrein “De Prikkedam" toegestane maximale geluidsniveau tijdens trainingen niet te overschrijden. MSV de Prikkedam is de gebruiker van het motorcrossterrein “De Prikkedam aan de Prikkedam 1A. Op het terrein ligt een motorcrosscircuit dat wordt gebruikt voor wedstrijden en voor trainingen. [appellant A] woont aan de [locatie] ten zuidoosten van het motorcrossterrein. Hij heeft het college op 8 januari 2015 verzocht om handhavend op te treden in verband met onder meer geluidhinder. Het college heeft dat verzoek toegewezen en heeft MSV de Prikkedam op 8 november 2016 en op 7 mei 2019 lasten onder dwangsom opgelegd in verband met de overtreding van geluidsvoorschrift F3 in de aan MSV de Prikkedam in 2001 verleende milieuvergunning voor het oprichten en in werking hebben van het motorcrossterrein. Op 7 oktober 2019 heeft de raad van Ooststellingwerf het bestemmingsplan "motorcrossterrein “De Prikkedam" vastgesteld. In artikel 5.4.2 van de planregels zijn geluidsnormen opgenomen. Het college heeft tijdens een training op 8 maart 2020 een overschrijding van het maximale geluidsniveau geconstateerd. Daarom heeft het college op 17 maart 2020 aan MSV de Prikkedam een vervangende last onder dwangsom opgelegd.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202304495/1/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B] (tezamen: [appellant A]), wonend in [woonplaats], gemeente Ooststellingwerf, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 mei 2023 in zaken nrs. 21/1964 en 21/2279 in het geding tussen: 1. [appellant A], 2. motorsportvereniging de Prikkedam (MSV de Prikkedam) en het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf. Procesverloop Bij besluit van 8 december 2020 heeft het college MSV de Prikkedam (MSV de Prikkedam) gelast om het in artikel 5.4.2 van de planregels van het bestemmingsplan "motorcrossterrein “De Prikkedam" toegestane maximale geluidsniveau tijdens trainingen niet te overschrijden. Bij besluit van 1 juni 2021 heeft het college de door MSV de Prikkedam en door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij besluit van 2 november 2021 heeft het college de last onder dwangsom ingetrokken. Bij uitspraak van 30 mei 2023 heeft de rechtbank de door MSV de Prikkedam en door [appellant A] tegen het besluit van 1 juni 2021 ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard, en de van rechtswege ontstane beroepen van hen tegen het besluit van 2 november 2021 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant A] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant A] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak gelijk
Bronpassage s0002
tijdig met zaak 202304401/1/R3 behandeld op een zitting van 23 juni 2026, waar [appellant A] en [appellant B] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.A. Soppe en mr. J.J. Scheltens-Fokke, advocaten in Almelo, vergezeld door M. Brinks en A.C. de Jong, zijn verschenen. Verder is op de zitting MSV de Prikkedam, vertegenwoordigd door mr. M.A. Jansen, advocaat in Bolsward, vergezeld door [persoon], als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluit van 8 december 2020 heeft het college aan MSV de Prikkedam een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. MSV de Prikkedam is de gebr
Bronpassage s0003
uiker van het motorcrossterrein “De Prikkedam aan de Prikkedam 1A. Op het terrein ligt een motorcrosscircuit dat wordt gebruikt voor wedstrijden en voor trainingen. [appellant A] woont aan de [locatie] ten zuidoosten van het motorcrossterrein. Hij heeft het college op 8 januari 2015 verzocht om handhavend op te treden in verband met onder meer geluidhinder. Het college heeft dat verzoek toegewezen en heeft MSV de Prikkedam op 8 november 2016 en op 7 mei 2019 lasten onder dwangsom opgelegd in verband met de overtreding van geluidsvoorschrift F3 in de aan MSV de Prikkedam in 2001 verleende milieuvergunning voor het oprichten en in werking hebben van het motorcrossterrein. Op 7 oktober 2019 heeft de raad van Ooststellingwerf het bestemmingsplan "motorcrossterrein “De Prikkedam" vastgesteld. In artikel 5.4.2 van de planregels zijn geluidsnormen opgenomen. Het college heeft tijdens een training op 8 maart 2020 een overschrijding van het maximale geluidsniveau geconstateerd. Daarom heeft het college op 17 maart 2020 aan MSV de Prikkedam een vervangende last onder dwangsom opgelegd. Dit besluit is aan de orde in de zaak met procedurenummer 202304401/1/R3. 3. Op 8 december 2020 heeft het college een volgende last onder dwangsom opgelegd, omdat de dwangsom die was verbonden aan de last van 17 maart 2020 tot het maximum was verbeurd en de illegale situatie bleef voortduren. Het college heeft MSV de Prikkedam bij dit besluit van 8 december 2020 opnieuw gelast om het in artikel 5.4.2 van
Bronpassage s0004
de planregels toegestane maximale geluidsniveau tijdens trainingen niet te overschrijden, onder oplegging van een dwangsom van € 4.000,00 per dag waarop een overschrijding is geconstateerd, met een maximum van € 20.000,00. Bij het besluit op bezwaar van 1 juni 2021 is het college bij dat besluit gebleven. MSV de Prikkedam heeft daartegen beroep ingesteld. Ook [appellant A] heeft daartegen beroep ingesteld omdat hij vindt dat het college een hogere dwangsom aan de last had moeten verbinden. 4. Bij besluit van 2 november 2021 heeft het college de last onder dwangsom op verzoek van MSV de Prikkedam ingetrokken, met toepassing van het door hem op 17 december 2019 vastgestelde beleid in het "Toezicht- en handhavingsplan motorcrossterrein “De Prikkedam". Daarin staat dat als er bij zes opeenvolgende geluidsmetingen geen overtreding wordt vastgesteld, een opgelegde last onder dwangsom wordt ingetrokken. Volgens het college zijn in dit geval bij elf opeenvolgende geluidsmetingen door een toezichthouder van de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO), die zijn uitgevoerd op verschillende beoordelingspunten, geen overtredingen vastgesteld. 5. De rechtbank heeft onder meer het beroep van [appellant A] tegen het besluit van 1 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard en zijn beroep tegen het besluit van 2 november 2021 ongegrond verklaard. Het hoger beroep 6. [appellant A] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de last onder dwangsom niet met toepassing van het To
Bronpassage s0005
ezicht- en handhavingsplan mocht intrekken, omdat de in artikel 5:34, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van een jaar na de oplegging van de last nog niet was verstreken. 6.1. Artikel 5:34, twee lid, van de Awb luidt: "Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd." 6.2. Artikel 5:34 van de Awb houdt geen beperking in van de algemene bevoegdheid die het bevoegd gezag toekomt om, al dan niet op een verzoek, een eerder genomen besluit te wijzigen of in te trekken. Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:644, onder 9.1, zijn in artikel 5:34 van de Awb twee situaties genoemd die aanleiding kunnen geven om een last op te heffen, maar kunnen ook andere, niet in dat artikel bedoelde omstandigheden tot opheffing van de last leiden. Voor toepassing van die algemene bevoegdheid tot intrekking van een last onder dwangsom is niet vereist dat een jaar moet zijn verstreken zonder dat de dwangsom is verbeurd. Het stond het college dan ook vrij om beleid vast te stellen dat onder omstandigheden de mogelijkheid biedt om een last eerder in te trekken. De rechtbank heeft terecht geen reden gevonden voor het oordeel dat het Toezicht- en handhavingsplan de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat. Het betoog slaagt niet. 7. [appellant A]
Bronpassage s0006
betoogt dat de metingen volgens welke de last is nageleefd, gebrekkig waren. De metingen omvatten niet de gehele drie uur van een training, maar slechts de momenten tijdens de training dat de toezichthouder crossgeluiden waarnam. Daardoor is bij de metingen niet het juiste langtijdgemiddelde geluid vastgesteld. De metingen zijn niet representatief, omdat de gebruikers van het motorcrosscircuit konden weten wanneer er werd gemeten en daar hun gedrag op hebben aangepast. Uit het rapport van 3 mei 2020 blijken wel degelijk overschrijdingen van geluidsniveaus. Volgens [appellant A] blijken deze uit de metingen die hij zelf heeft uitgevoerd. 7.1. De Afdeling stelt voorop dat de opgelegde last onder dwangsom alleen ging over overschrijding van het maximale geluidsniveau tijdens trainingen. Voor de vraag of het college deze last met toepassing van het Toezicht- en handhavingsplan mocht intrekken, is daarom alleen van belang of uit ten minste zes opeenvolgende metingen is gebleken dat MSV de Prikkedam dit maximale geluidsniveau tijdens trainingen heeft overschreden. Of bij de metingen al dan niet het juiste langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is vastgesteld, is daarom in deze procedure niet relevant. 7.2. De Afdeling stelt vast dat uit verschillende van de elf meetrapporten die het college aan zijn besluit tot intrekking van de last ten grondslag heeft gelegd, blijkt dat tijdens de metingen met minder motoren werd getraind dan gebruikelijk. Uit de rapporten blijkt ook dat de toezi
Bronpassage s0007
chthouder van de FUMO er rekening mee houdt dat dit samenhangt met de zichtbare aanwezigheid van meetapparatuur op deze momenten. Op de zitting heeft de toezichthouder van de FUMO toegelicht dat het aantal motoren dat heeft deelgenomen aan de trainingen niet van wezenlijke invloed is op het maximale geluidsniveau. De Afdeling acht dit aannemelijk. Als het maximale geluidsniveau vooral wordt bepaald door individuele motoren die op korte afstand langs het meetpunt rijden, kan ook bij een laag aantal motoren dit geluidsniveau betrouwbaar worden gemeten. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college de meetrapporten niet ten grondslag mocht leggen aan zijn besluit om de last in te trekken. 7.3. Het college hoefde niet te vermoeden dat MSV de Prikkedam de last in de periode van de elf metingen toch niet steeds heeft nageleefd. Het meetrapport van 3 mei 2020 is van vóór het opleggen van de last onder dwangsom van 8 december 2020 en daarom niet relevant voor de beoordeling of MSV de Prikkedam deze last heeft nageleefd. De door [appellant A] zelf verrichte indicatieve metingen zijn niet correct verricht. Het betoog slaagt niet. Overige gronden 8. Zoals op de zitting is besproken, kan wat [appellant A] voor het overige in hoger beroep naar voren heeft gebracht niet leiden tot het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2023 over de intrekking van de last onder dwangsom onjuist is. De Afdeling zal daar daarom in deze uitspraak niet verder op ingaan. Con
Bronpassage s0008
clusie 9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. Overschrijding redelijke termijn 10. [appellant A] en MSV de Prikkedam hebben in de zaak met nummer 202304401/1/R3, die gelijktijdig met deze zaak met nummer 202304495/1/R3 is behandeld op de zitting, verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Voor zover met die verzoeken ook is beoogd om in deze zaak met nummer 202304495/1/R3 te verzoeken om schadevergoeding, overweegt de Afdeling het volgende. Bij uitspraak van vandaag in de zaak met nummer 202304401/1/R3 (ECLI:NL:RVS:2026:5601) heeft de Afdeling de verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De zaak met nummer 202304495/1/R3 heeft in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp en is van latere datum. Het is niet aannemelijk dat de duur van deze procedure bij MSV de Prikkedam en [appellant A] extra spanning en frustratie heeft veroorzaakt die tot een hogere schadevergoeding moet leiden dan het bedrag dat in de uitspraak in de zaak met nummer 202304401/1/R3 is toegekend. Proceskosten 11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier. w.g. Verheij voorzitter w.g.
Bronpassage s0009
Witsen griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 727
De vergunningweigering blijft gelden; Inbeva krijgt wel schadevergoeding wegens de te lange procedure.s0008, s0009
De vergunningweigering blijft staan; de Staat moet Inbeva € 1.000 wegens termijnoverschrijding en € 467 proceskosten voor het schadeverzoek betalen.s0008, s0009, s0010
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5780
De Afdeling bevestigt de rechtbankuitspraak, waardoor Inbeva geen vergunning krijgt voor zestien woonunits voor arbeidsmigranten op het bedrijventerrein. De units zijn volgens de planregels geen bedrijfswoning, ook niet als het bedrijfsgebouw en het hallencomplex één bouwperceel zouden vormen. Het college mocht bovendien weigeren van het bestemmingsplan af te wijken vanwege de ruimte voor bedrijfsactiviteiten en het woon- en leefklimaat. Een aanvaardbaar akoestisch binnenniveau volstaat daarvoor niet. Inbeva krijgt wel € 1.000 schadevergoeding van de Staat wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Staat moet ook € 467 proceskosten voor dat schadeverzoek vergoeden.s0005, s0007, s0008, s0009, s0010
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling laat de weigering voor de zestien woonunits voor arbeidsmigranten in stand. Inbeva wilde deze units realiseren in het deel van haar bedrijfsgebouw waar een inpandige bedrijfswoning aanwezig was. Volgens de Afdeling vormen het bedrijfsgebouw en het naastgelegen hallencomplex geen gezamenlijk bouwperceel. Daarbij telt de situatie op het moment waarop het college het besluit op bezwaar nam. Ook als beide gebouwen wel op één bouwperceel hadden gestaan, zouden de zestien units niet voldoen aan de omschrijving van een bedrijfswoning. De planregels beperken die woonvorm tot één persoon, eventueel met zijn huishouden, en staan per bouwperceel hoogstens één inpandige bedrijfswoning toe.s0002, s0004, s0005
Uit de uitspraak
Het college mocht ook weigeren om van het bestemmingsplan af te wijken. De Afdeling betrekt daarbij dat het geluidgezoneerde bedrijventerrein ruimte biedt aan bedrijven tot en met milieucategorie 4.2. Die bedrijven moeten zich daar kunnen vestigen en zo min mogelijk worden beperkt. De beperkte toelating van bedrijfswoningen verplicht het college niet om ook deze zestien woonunits toe te staan. Bovendien mocht het college het woon- en leefklimaat beoordelen. Dat omvat volgens de Afdeling meer dan het akoestische binnenniveau waarop Inbeva zich beriep.s0006, s0007, s0008
Duiding
Voor een voorstel zoals dat van Inbeva laat deze uitspraak zien dat de werkrelatie van bewoners met omliggende bedrijven op zichzelf onvoldoende is. De precieze omschrijving van een bedrijfswoning en de indeling in bouwpercelen zijn hier bepalend. Ook een onderbouwing van het geluidniveau binnen de units neemt de ruimtelijke bezwaren niet vanzelf weg. In deze zaak mocht het college daarnaast gewicht geven aan de ruimte voor bedrijfsactiviteiten en aan andere aspecten van het woon- en leefklimaat.s0005, s0007, s0008
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling beoordeelt dit bouwplan aan de hand van het bestemmingsplan «Lemsterhoek» en de Wabo zoals die vóór 1 januari 2024 gold.
- De uitspraak bevat geen volledige weergave van de geluidsmemo’s van WSP; zij vermeldt wel het daarop gebaseerde betoog van Inbeva.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 27 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren geweigerd om aan Inbeva een omgevingsvergunning te verlenen voor een verbouwing van een gedeelte van het gebouw aan de [locatie] in Lemmer ten behoeve van een gezamenlijke woonfunctie. Inbeva is eigenaar van het bedrijfsgebouw aan de [locatie] in Lemmer en van het daarnaast gelegen hallencomplex langs de Klaaskamp. Het bedrijfsgebouw en het hallencomplex staan op een bedrijventerrein. In het bedrijfsgebouw bevond zich een inpandige bedrijfswoning. Inbeva wil in dit deel van het bedrijfsgebouw in plaats van de bedrijfswoning 16 woonunits realiseren voor arbeidsmigranten die werkzaam zijn in het bedrijfsgebouw en het hallencomplex. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd omdat dit volgens hem in strijd met het bestemmingsplan is. Het wil niet meewerken aan een afwijking van het bestemmingsplan, omdat het een woonfunctie op het bedrijventerrein, anders dan een bedrijfswoning, in strijd met een goede ruimtelijke ordening acht. Volgens het college kan een goed woon- en leefklimaat hier niet worden gegarandeerd en kunnen omliggende bedrijven door een woonfunctie in hun mogelijkheden worden beperkt.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202307022/1/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Inbeva B.V., gevestigd in Amersfoort, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 september 2023 in zaak nr. 22/3181 in het geding tussen: Inbeva en het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren. Procesverloop Bij besluit van 27 januari 2022 heeft het college geweigerd om aan Inbeva een omgevingsvergunning te verlenen voor een verbouwing van een gedeelte van het gebouw aan de Schardijk 2 in Lemmer ten behoeve van een gezamenlijke woonfunctie. Bij besluit van 14 juli 2022 heeft het college het door Inbeva daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 september 2023 heeft de rechtbank het door Inbeva daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft Inbeva hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college en Inbeva hebben nadere stukken ingediend. De Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding. De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 10 september 2026, waar Inbeva, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bosma en mr. R.N. van der Velde, advocaten in Den Haag, vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. T.G. Dolfijn, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invo
Bronpassage s0002
eringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Inbeva is eigenaar van het bedrijfsgebouw aan de Schardijk 2 in Lemmer en van het daarnaast gelegen hallencomplex langs de Klaaskamp. Het bedrijfsgebouw en het hallencomplex staan op een bedrijventerrein. In het bedrijfsgebouw bevond zich een inpandige bedrijfswoning. Inbeva wil in dit deel van het bedrijfsgebouw in plaats van de bedrijfswoning 16 woonunits realiseren voor arbeidsmigranten die werkzaam zijn in het bedrijfsgebouw en het hallencomplex. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd omdat dit volgens hem in strijd met het bestemmingsplan is. Het wil niet meewerken aan een afwijking van het bestemmingsplan, omdat het een woonfunctie op het bedrijventerrein, anders dan een bedrijfswoning, in strijd met een goede ruimtelijke ordening acht. Volgens het college kan een goed woon- en leefklimaat
Bronpassage s0003
hier niet worden gegarandeerd en kunnen omliggende bedrijven door een woonfunctie in hun mogelijkheden worden beperkt. De rechtbank heeft het beroep van Inbeva tegen de in bezwaar in stand gelaten weigering ongegrond verklaard. Inbeva is het hier niet mee eens. 3. Het geschil komt in de kern neer op de vraag of het college gehouden was om medewerking te verlenen aan het plan van Inbeva om in het bedrijfsgebouw 16 woonunits te realiseren voor arbeidsmigranten die werkzaam zijn bij bedrijven in het bedrijfsgebouw en het hallencomplex. Over het procesbelang van Inbeva dat op de zitting aan de orde is gesteld, volstaat de Afdeling met de overweging dat niet vast is komen te staan dat Inbeva geen belang meer heeft bij een beoordeling van dit geschilpunt. Strijd met het bestemmingsplan? 4. Inbeva betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in overeenstemming was met het bestemmingsplan "Lemsterhoek". Volgens haar vormen de 16 woonunits een bedrijfswoning zoals omschreven in de planregels. De arbeidsmigranten die hier worden gehuisvest zullen werkzaam zijn in de verschillende bedrijven in het bedrijfsgebouw en het naastgelegen hallencomplex. Dat hallencomplex staat volgens Inbeva, anders dan de rechtbank heeft overwogen, op hetzelfde bouwperceel als het bedrijfsgebouw waarin de 16 woonunits zijn voorzien. Volgens Inbeva kunnen de beoogde 16 woonunits ten minste worden gelijkgesteld met een bedrijfswoning. Het gaat niet om reguliere bewoning. 4.1. De locatie ligt o
Bronpassage s0004
p grond met de enkelbestemming "Bedrijventerrein", zonder functieaanduiding "bedrijfswoning". Op grond van artikel 5.1 van de planregels zijn hier wel inpandige bedrijfswoningen toegestaan. "Bedrijfswoning" is in artikel 1.11 omschreven als: een gebouw geheel of gedeeltelijk ingericht ten behoeve van het wonen op een terrein behorende bij een op hetzelfde bouwperceel aanwezig bedrijf, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon die (dat) werkgerelateerd is met dat bedrijf. "Bouwperceel" is in artikel 1.18 omschreven als: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Op grond van artikel 5.2.1, aanhef en onder b, van de planregels mag een inpandige bedrijfswoning uitsluitend in combinatie met ten minste 200 m² bijbehorende gebouwen inpandig worden gebouwd, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten'. Artikel 5.2.1, aanhef en onder c van de planregels bepaalt dat per bouwperceel ten hoogste één inpandige bedrijfswoning mag worden gebouwd. De oppervlakte van een inpandige bedrijfswoning mag op grond van artikel 5.2.1, aanhef en onder d, ten hoogste 150 m2 bedragen. 4.2. Bij de vaststelling van de omvang van een bouwperceel is de actuele situatie bepalend. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van de kadastrale percelen. Voor het antwoord op de vraag of het om een bouwperceel gaat, is ook van belang of het om bij elkaar behorende bebouwing gaat. Het bes
Bronpassage s0005
taan van zo’n situatie leidt ertoe dat meerdere kadastrale percelen in ruimtelijke zin als een geheel worden aangemerkt. 4.3. De Afdeling kan zich vinden in het onder 6 tot en met 6.1.2 van de uitspraak van de rechtbank gemotiveerde oordeel, dat inhoudt dat de gevraagde 16 woonunits geen bedrijfswoning in de zin van de planregels vormen, omdat het bedrijfsgebouw en het hallencomplex niet samen op één bouwperceel staan. Inbeva veronderstelt ten onrechte dat de rechtbank bij haar beoordeling of sprake is van één bouwperceel had moeten uitgaan van de situatie zoals die was toen de rechtbank uitspraak deed. Dat is niet de strekking van de rechtspraak van de Afdeling, inhoudende dat de actuele situatie bepalend is op het moment van het nemen van het in beroep bestreden besluit. De rechtbank heeft terecht de situatie beoordeeld zoals die was toen het college het besluit van 14 juli 2022 nam. De Afdeling voegt hier nog aan toe dat ook als wel had moeten worden uitgegaan van één bouwperceel, dat nog niet zou betekenen dat de 16 woonunits een bedrijfswoning zouden vormen. Uit de planregels volgt dat een bedrijfswoning uitsluitend moet zijn bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) maar één persoon. Daarmee zijn 16 woonunits voor afzonderlijke personen niet gelijk te stellen. Daarnaast is op grond van artikel 5.2.1, aanhef en onder c, per bouwperceel ten hoogste één inpandige bedrijfswoning toegestaan. Het betoog slaagt niet. 5. Dit betekent dat voor de gevraagde 16 woonunit
Bronpassage s0006
s ook een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan nodig is. Het college kan die omgevingsvergunning verlenen als dit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Goede ruimtelijke ordening? 6. Inbeva betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de huisvesting van arbeidsmigranten in 16 woonunits in het gebouw niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening heeft mogen achten. Inbeva voert aan dat zij de nu nog verspreid nabij het hallencomplex liggende bedrijfswoningen wil clusteren in het bedrijfsgebouw, waardoor de bestaande mogelijkheden voor deze bedrijfswoningen kunnen verdwijnen, met alle ruimtelijke voordelen van dien. Inbeva betwist dit dat met een vergunningvoorschrift niet te bereiken valt. Volgens Inbeva is niet te verwachten dat de 16 woonunits omliggende bedrijven beperken in hun mogelijkheden, omdat woningen op een bedrijventerrein niet worden beschermd alsof het reguliere woningen zijn. Bovendien zijn er al verschillende woningen op en rond het bedrijventerrein aanwezig. Ook is een volledige benutting van de planologische mogelijkheden door omliggende bedrijven volgens Inbeva niet waarschijnlijk. Verder voert Inbeva aan de hand van memo’s van bureau WSP aan dat in de beoogde 16 woonunits voor wat betreft geluid een binnenniveau van ten hoogste 35 dB(A) kan worden bereikt, zelfs bij een theoretische volledige benutting van de planologische mogelijkheden door omliggende bedrijven. Inbeva benadrukt dat er ee
Bronpassage s0007
n grote vraag is naar goede huisvesting voor arbeidsmigranten. Volgens haar biedt het voordelen als arbeidsmigranten worden gehuisvest bij de bedrijven waarin zij werkzaam zijn. 6.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet daarbij de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. 6.2. De Afdeling kan zich vinden in het onder 7 tot en met 7.1.4 van de uitspraak van de rechtbank gemotiveerde oordeel, dat inhoudt dat het college de gevraagde 16 woonunits in strijd met een goede ruimtelijke ordening mocht achten. Het gaat om een geluidgezoneerd bedrijventerrein waarop bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 4.2 zijn toegestaan. Voor die milieucategorie noemt de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" een richtafstand tot gevoelige objecten van 300 m. Door het terrein te bestemmen als geluidgezoneerd bedrijventerrein heeft de planwetgever gronden in de gemeente aangewezen waar bedrijven in zo’n hoge milieucategorie zich moeten kunnen vestigen en zo min mogelijk worden beperkt in hun bedrijfsuitoefening. Het valt niet in te zien waarom het college gehouden zou zijn om
Bronpassage s0008
hier niettemin gevoelige objecten in de vorm van 16 woonunits in te passen. De omstandigheid dat het bestemmingsplan op dit bedrijventerrein in beperkte mate bedrijfswoningen toestaat, is daarvoor onvoldoende. Deze bedrijfswoningen zijn uitsluitend bedoeld voor een persoon, al dan niet met zijn huishouden, die werkgerelateerd is met een bedrijf dat op hetzelfde bouwperceel aanwezig is. Dergelijke bedrijfswoningen hebben een andere functie dan de woonunits die Inbeva wil realiseren. Verder betekent de omstandigheid dat de 16 woonunits voor arbeidsmigranten op het bedrijventerrein zouden worden gerealiseerd niet dat het college geen betekenis meer mocht toekennen aan de vraag of in de woonunits een goed woon- en leefklimaat kan worden bereikt. Dat omvat meer dan alleen het door Inbeva genoemde akoestische binnenniveau. Het betoog slaagt niet. 7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn 8. Inbeva heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM). 8.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierb
Bronpassage s0009
ij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. 8.2. Het college heeft het bezwaarschrift van Inbeva ontvangen op 9 maart 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus met afgerond 7 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend. 8.3. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan Inbeva toe te kennen bedrag € 1.000,00. 8.4. De Afdeling zal de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) veroordelen tot betaling van € 1.000,00 aan Inbeva als vergoeding van de door haar geleden immateriële schade. Proceskosten 9. De Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet de proceskosten vergoeden die Inbeva heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. Bij de berekening van de kosten gaat de Afdeling wat betreft de zwaarte van de zaak uit van de wegingsfactor licht (0,5), omdat het hier alleen gaat om beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van
Bronpassage s0010
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Inbeva B.V. een schadevergoeding van € 1.000,00 te betalen; III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij Inbeva B.V. in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00. Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier. w.g. Knol voorzitter w.g. Witsen griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 727
De Afdeling laat het bestemmingsplan voor veertien woningen in Diepenheim in stand.s0002, s0018
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond; het plan blijft gelden en de raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.s0018
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5781
De Afdeling verklaart het beroep van [appellant] en anderen ongegrond, waardoor het plan voor veertien woningen van Raedthuys Vastgoed B.V. in Diepenheim blijft gelden. De raad van de gemeente Hof van Twente heeft de woningbehoefte voldoende onderbouwd en het plan zorgvuldig voorbereid. De Afdeling aanvaardt ook de bescherming van het groen: de westelijke strook blijft door de planregels open en groen, ook bij verkoop. De essen zijn voldoende beschermd, maar de eik hoeft vanwege zijn matige toekomstperspectief niet behouden te blijven. Er zal herplant plaatsvinden. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.s0018, s0002, s0004, s0008, s0013, s0014
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling acht de voorbereiding en de onderbouwing van de woningbehoefte voldoende. Omwonenden konden zienswijzen indienen en het plan is naar aanleiding daarvan aangepast. Dat niet alle gewenste wijzigingen zijn overgenomen, maakt de voorbereiding volgens de Afdeling niet gebrekkig. Bij de woningbehoefte is het genoemde aantal van veertig woningen een minimale richtlijn. De raad hoefde de zorgwoningen niet mee te tellen en mocht het Woningbouwprogramma 2022 gebruiken, mede omdat het programma uit 2024 op dezelfde woonvisie berust.s0002, s0004, s0007, s0008, s0006
Uit de uitspraak
De Afdeling oordeelt dat de provinciale voorwaarden voor extra ruimtebeslag in de groene omgeving hier niet gelden. Het eerdere bestemmingsplan kende de gronden al stedelijke functies toe, waaronder stedelijk groen en water. Daarnaast vindt de Afdeling de bescherming van de westelijke groenstrook en de essen voldoende. De groenstrook blijft ook bij verkoop beschermd en toegankelijk voor slootonderhoud. De eik hoefde vanwege zijn matige toekomstperspectief niet planologisch te worden beschermd; er zal herplant plaatsvinden. Ook de afstanden tussen de bouwvlakken zijn aanvaardbaar.s0009, s0010, s0013, s0014, s0015
Duiding
Voor de beoordeling van bezwaren tegen dit plan zijn de toegestane mogelijkheden en hun concrete gevolgen van belang. De bescherming van de groenstrook berust hier op de planregels en blijft daardoor ook bij verkoop bestaan. Bij de bebouwing betrekt de Afdeling de afstand tussen de bouwvlakken. Bij het verkeer weegt mee dat de raad de capaciteit van de wegen heeft onderbouwd en dat [appellant] en anderen het gevreesde gevaar op de kruising niet hebben geconcretiseerd. Deze beoordeling blijft verbonden aan de inrichting en onderbouwing van dit plan.s0002, s0013, s0015, s0017
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling beoordeelt de bezwaren over stikstof en de afstand tot de tennisbaan niet, omdat [appellant] en anderen deze op de zitting hebben ingetrokken.
- De uitspraak past het recht van vóór 1 januari 2024 toe, omdat het ontwerpplan vóór die datum ter inzage is gelegd.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 24 september 2024 heeft de raad van de gemeente Hof van Twente het plan "Diepenheim, herziening Ruimersdijk-Leusensweide" vastgesteld. Raedthuys Vastgoed B.V. wil het plangebied herontwikkelen door hier veertien woningen te bouwen. De raad heeft het plan vastgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken. Het naastgelegen bedrijfsperceel krijgt een woonbestemming, omdat hier geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaatsvinden. Voorheen hadden de gronden in het plangebied de bestemming "Groen - Groene ruimte", "Water" en "Bedrijf". [appellant] en anderen wonen grenzend aan het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied. Zij kunnen zich niet met het plan verenigen.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202406852/1/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant] en anderen, allen wonend in Diepenheim, gemeente Hof van Twente, appellanten, en de raad van de gemeente Hof van Twente, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 september 2024 heeft de raad het plan "Diepenheim, herziening Ruimersdijk-Leusensweide" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De raad heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 september 2026, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [appellant] en [persoon], en de raad, vertegenwoordigd door A. Tichelaar en B.J.M. Beernink-Rouweler, zijn verschenen. Ook is Raedthuys Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], op de zitting gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 7 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht,
Bronpassage s0002
waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Raedthuys Vastgoed B.V. wil het plangebied herontwikkelen door hier veertien woningen te bouwen. De raad heeft het plan vastgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken. Het naastgelegen bedrijfsperceel krijgt een woonbestemming, omdat hier geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaatsvinden. Voorheen hadden de gronden in het plangebied de bestemming "Groen - Groene ruimte", "Water" en "Bedrijf". [appellant] en anderen wonen grenzend aan het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied. Zij kunnen zich niet met het plan verenigen. Toetsingskader 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Ingetrokken beroepsgronden 4. Op de zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgronden over stikstof en de afstand tussen de nieuwe woningen en de te
Bronpassage s0003
nnisbaan ingetrokken. Participatie 5. [appellant] en anderen betogen dat onvoldoende is gedaan met de inbreng van omwonenden in het participatietraject. Bevindingen van omwonenden werden afgedaan met "we hebben ernaar gekeken, maar we gaan er niet in mee". Tijdens het gesprek met ambtenaren over de zienswijzen werden geen antwoorden gegeven op de ingediende punten uit de zienswijzen. Het was volgens [appellant] en anderen duidelijk dat de initiatiefnemer er vanaf het begin geen zin in had, en het proces alleen als verplicht onderdeel doorliep. Ook blijkt uit het grote aantal ingediende zienswijzen volgens [appellant] en anderen dat draagvlak voor het plan ontbreekt. 5.1. De raad stelt dat het participatietraject zorgvuldig is verlopen. Een van de voorwaarden voor een positief principebesluit van het college was dat de initiatiefnemer de omwonenden bij het plan moest betrekken. Volgens de raad heeft de initiatiefnemer hieraan voldaan. De raad verwijst hierbij naar het participatieverslag. Verder wijst de raad erop dat het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen en zienswijzen ingediend konden worden. Er zijn tien zienswijzen binnengekomen en het plan is naar aanleiding hiervan op enkele punten aangepast. De indieners van zienswijzen zijn op de hoogte gesteld van de raadsvergadering en van de vaststelling van het plan. 5.2. De Afdeling stelt vast dat het plan is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoals bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene
Bronpassage s0004
wet bestuursrecht (Awb). Niet is gebleken dat de raad niet op de juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpplan is ter inzage gelegd en een ieder heeft de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen. Naar aanleiding van de zienswijzen is het plan ook aangepast. Het college heeft aangegeven medewerking te verlenen aan de initiatiefnemer op voorwaarde dat hij direct omwonenden betrekt bij de ontwikkeling van het plan. Uit het participatieverslag blijkt dat er verschillende participatiegesprekken hebben plaatsgevonden. Dat niet alle door [appellant] en anderen gewenste aanpassingen zijn doorgevoerd, betekent niet dat niet is voldaan aan de eisen die aan de voorbereiding van het plan zijn gesteld. Verder bestaat er geen wettelijke regel die bepaalt dat een ruimtelijk plan een ontwikkeling alleen mogelijk mag maken als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat. Het is aan de gekozen raad om hierover besluiten te nemen. De betogen slagen niet. Behoefte aan de voorziene woningen 6. [appellant] en anderen betogen dat er geen behoefte is aan de voorziene woningen. Uit het onderzoek Woningbouwprogramma 2024 van de gemeente Hof van Twente blijkt dat er voor de kern Diepenheim tot 2040 behoefte is aan 40 woningen. Er is echter een plan onherroepelijk voor 54 verpleegappartementen. Volgens [appellant] en anderen worden verpleegappartementen ten onrechte niet meegenomen in de aantallen. Er zijn volgens hen zonder het voor
Bronpassage s0005
liggende plan al voldoende nieuwe woningen in ontwikkeling. Uit de Woonvisie 2024 Hof van Twente blijkt volgens [appellant] en anderen dat het totale aantal te ontwikkelen woningen uitkomt op 137. Meer dan drie keer het aantal dat het woningbouwbehoefte onderzoek aangeeft. [appellant] en anderen voeren aan dat in de laddertoets in de plantoelichting ten onrechte geen gebruik is gemaakt van de meest recente gegevens en prognoses. Er is alleen verwezen naar het Woningbouwprogramma 2022 en de Regionale Woondeal Twente en niet naar het Woningbouwprogramma 2024 van de gemeente Hof van Twente. Zonder deze actuele informatie wordt de behoefte aan extra woningen mogelijk onjuist weergegeven, waardoor er een risico bestaat dat overbodige plancapaciteit wordt gecreëerd. Volgens [appellant] en anderen is het plan daarom in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgesteld. 6.1. De raad stelt dat er behoefte is aan de voorziene woningen. Volgens de raad hoeft het verpleeghuis niet meegenomen te worden in het woningaanbod. Het gaat om een zorgfunctie, waarin geen zelfstandige woningen worden gerealiseerd, maar zorgappartementen waarin enkel gewoond mag worden in de samenhang met centrale voorzieningen ten behoeve van verzorging en verpleging. Ten tijde van het opstellen van het plan (tweede helft 2023) is uitgegaan van de gegevens uit het Woningbouwprogramma 2022. De raad wijst erop dat dit een uitwerking is van de Woonvisie Hof van Twente 2021-2
Bronpassage s0006
025. In deze Woonvisie zijn de uitgangspunten voor de woningbouwopgave voor de periode 2021-2025 vastgelegd. Het Woningbouwprogramma 2024 is ook een uitwerking van de Woonvisie Hof van Twente. Beide woningbouwprogramma's zijn volgens de raad geënt op dezelfde Woonvisie en geven ten aanzien van de cijfers met betrekking tot de woningbouwprognose aan dat het voorliggende plan passend is. Verder merkt de raad op dat de inbreidingslocaties in Diepenheim worden geduid in de concept Omgevingsvisie en niet in de concept Woonvisie. Hierop staan acht locaties weergegeven, waaronder het plangebied. Er staan geen aantallen woningen weergeven per locatie, omdat er ook locaties zijn weergegeven die (nog) niet in ontwikkeling zijn. De raad stelt dat het aantal van 137 woningen niet klopt en dat onduidelijk is waar dit vandaan komt. Er zijn in totaal 48 woningen voorzien in de plannen die in voorbereiding of ontwikkeling zijn in Diepenheim. 6.2. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." 6.3. De Afdeling stelt vast dat het aantal van 40 woningen waar [appellant] en anderen naar verwijzen de ‘richtlijn minimale behoefte’ is voor de kern
Bronpassage s0007
Diepenheim. De raad heeft toegelicht dat er 48 woningen in voorbereiding of ontwikkeling zijn in Diepenheim, inclusief het voorliggende plan. Naar het oordeel van de Afdeling hoefde de raad de zorgwoningen hierin niet mee te nemen en was het Woningbouwprogramma 2022 ten tijde van de vaststelling van het plan niet zo gedateerd dat de raad niet uit kon gaan van dit woningbouwprogramma. De raad heeft ook toegelicht dat het Woningbouwprogramma 2024 is gebaseerd op dezelfde Woonvisie als het Woningbouwprogramma 2022. In de plantoelichting is onderbouwd dat er een lokale behoefte bestaat aan 90 tot 105 grondgebonden woningen en dat met de huidige plancapaciteit en binnenstedelijke ontwikkelruimte onvoldoende ruimte beschikbaar is om te kunnen voorzien in die behoefte. Daarnaast is er ook nog bovenlokale en bovenregionale behoefte. In de nota van zienswijzen is de raad hier verder op ingegaan. Hierin staat dat de behoefte voor de hele gemeente (het verzorgingsgebied) is geraamd op 675 tot 730 extra woningen voor de periode 2020-2030. Verder staat in de nota van zienswijzen: "Daarvan zijn er ca. 400 woningen in harde plancapaciteit (onherroepelijke bestemmingsplannen) beschikbaar. Dat betekent dat er gemeentebreed nog minimaal 330 woningen in plannen bij moeten komen. Bij een programmering van 130% zouden er minimaal 549 woningen in plannen bij moeten komen. Voorliggend plan draagt daaraan bij en past binnen de gemeentelijke woningbehoefte". Naar het oordeel van de Afdeling heeft de
Bronpassage s0008
raad de behoefte aan de voorziene woningen hiermee voldoende onderbouwd. Het betoog slaagt niet. Artikel 2.1.3, eerste lid, Omgevingsverordening Overijssel 7. [appellant] en anderen betogen dat het plan niet voldoet aan de twee voorwaarden uit artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel. In de concept omgevingsvisie Hof van Twente wordt het plangebied pas aangewezen als inbreidingslocatie. Hierin staat echter ook dat Diepenheimers hebben gemeend niet alles vol te bouwen en bestaand groen te behouden. 7.1. De raad stelt dat artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel alleen van toepassing is op gronden buiten ‘bestaand bebouwd gebied’, terwijl het plangebied hierbinnen ligt. Het artikel is erop gericht om inbreiding in de kern (bestaand bebouwd gebied) te laten prevaleren boven uitbreiding in het buitengebied (groene omgeving). Het plangebied ligt in het plangebied van het voorgaande plan "Diepenheim", dat is vastgesteld voor de kern van Diepenheim. Hieruit blijkt volgens de raad dat het plangebied moet worden aangemerkt als 'bestaand bebouwd gebied' en niet als ‘de groene omgeving’. 7.2. Artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel luidt: "Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebo
Bronpassage s0009
uwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut." 7.3. De voorwaarden uit artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel zijn alleen van toepassing op gronden die liggen binnen de ‘groene omgeving’ in de zin van de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening is de ‘groene omgeving’ gedefinieerd als "de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied". Het begrip ‘bestaand bebouwd gebied’ is gedefinieerd als "de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro". Het begrip ‘stedelijke functies’ is in de Omgevingsverordening gedefinieerd als "functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen". Het voorgaande bestemmingsplan kende al stedelijke functies toe aan de gronden in het plangebied. De gronden in het plangebied hadden namelijk de bestemmingen "Bedrijf", "Water", "Groen - Groene ruimte" en de bestemming "Woongebied".
Bronpassage s0010
De gronden in het plangebied zijn daarom naar het oordeel van de Afdeling niet aan te merken als ‘groene omgeving’ in de zin van de Omgevingsverordening, en de twee voorwaarden uit artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening zijn niet van toepassing op het plan. Het betoog slaagt niet. Verlies groen 8. [appellant] en anderen betogen dat de voorziene ontwikkeling ten koste gaat van te veel groen. Er worden groen, bomen en een groenwal vernietigd. Voor het onderhoud van de watergang moet het groen aan de westzijde bebouwingsvrij en groen blijven. Op deze strook gelden wel beperkingen vanuit de planregels, maar er zijn een aantal uitzonderingen en mogelijkheden tot wijziging van de planregel. [appellant] en anderen willen daarom dat de westelijke groenstrook eigendom wordt van de gemeente, in plaats van uitgeefbare grond, zodat de gemeente het onderhoud verzorgt en toezicht houdt op het gebruik van de strook grond. In het groenplan staat dat twee essen behouden blijven, maar [appellant] en anderen vrezen dat de bouw van de dichtstbijzijnde twee-onder-een kap woningen de wortelstructuur zal beschadigen. De wortelstructuur kan namelijk wel drie keer zo groot zijn als de kroondiameter (van zeker vijftien meter). Ook vrezen [appellant] en anderen dat de toekomstige eigenaren de bomen zullen snoeien of een verzoek tot kap zullen doen. Daarnaast biedt het plan de mogelijkheid om een aanbouw/garage te bouwen aan de meest westelijk gelegen twee-onder-een-kap woning. [appellan
Bronpassage s0011
t] en anderen achter deze bouwmogelijkheid ongewenst vanwege de mogelijke aantasting van de essen. Volgens [appellant] en anderen wordt de monumentale eik in de bestaande groenwal ten onrechte gerooid. Onderzoek door initiatiefnemer geeft aan dat aantasting van de boom binnen zo’n tien jaar kan leiden tot een verhoogde kans op windworp of lage stambreuk. Omwonenden zien een gezonde boom. Met een woning minder in de rij had het blok meer oostwaarts verplaatst kunnen worden en had de monumentale eik voorlopig behouden kunnen blijven. 8.1. De raad stelt dat zo veel mogelijk groen in het plangebied behouden blijft door het opnemen van twee groene zones in het plan. Aan de westzijde is een groenzone opgenomen van zeven meter breed. De hier gelegen sloot van het waterschap blijft toegankelijk voor onderhoud, en er wordt een buffer gecreëerd tussen de nieuwe en bestaande woningen. Om de essen niet alleen binnen de groenbestemming te beschermen maar ook binnen de bestemming "Woongebied - 1", is ter plaatse van de bomen de dubbelbestemming "Waarde-boom" opgenomen. De raad wijst erop dat door deze beschermingszone ook binnen deze bestemming het plaatsen van bebouwing binnen de kroonprojectie van de essen is uitgesloten. Bij de meeste essen bedraagt het wortelgestel volgens de raad één tot anderhalf maal de omvang van de kroonprojectie. De essen zijn gesitueerd aan de rand van het perceel, in de beschermde groene zone en met de beschermende dubbelbestemming "Waarde-Boom". Hierdoor is he
Bronpassage s0012
t deel van het wortelgestel dat zou kunnen liggen op gronden waar zou kunnen worden gebouwd volgens de raad beperkt. Verder wijst de raad erop dat de genoemde eik na onderzoek bleek te zijn aangetast met zwam en witrot, waardoor de verwachte levensduur van deze boom aanzienlijk wordt verkort. Daarom is besloten om deze boom te verwijderen. Door het opschuiven van de rijwoningen in oostelijke richting komen deze verder van de bestaande woningen te liggen en komt er aan de westelijke zijde ruimte vrij voor het herplanten van een nieuwe boom. Door deze extra ruimte kan de boom zich volgens de raad ontwikkelen tot zijn verwachte omvang. Verder merkt de raad op dat het niet gaat om een monumentale boom. 8.2. Aan de gronden aan de westzijde van het plangebied naast de watergang is de enkelbestemming "Groen" toegekend, en de dubbelbestemming "Waterstaat - Bebouwingsvrij". Artikel 3.1 van de planregels luidt: "De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. voet- en fietspaden; […]." Artikel 3.2 luidt: "Het bouwen op de gronden met de bestemming 'Groen' is aan een aantal regels gebonden." Artikel 3.2.1 luidt: "Op deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd". Artikel 7.1 luidt: "De voor 'Waarde - Boom' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de levensvatbaarheid en ruimtelijke, monumentale en ecologische betekenis van bomen met
Bronpassage s0013
dien verstande dat bij de beoordeling van het behoud van de bomen ook rekening wordt gehouden met de gemeentelijke Bomenverordening. Bestaande gebouwen en bouwwerken zijn binnen de bestemming toegestaan". Artikel 7.2 luidt: "a. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, daarop uitgezonderd de de herbouw van bestaande gebouwen en bouwwerken. b. Op deze gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd". Artikel 8.1 luidt: "De voor 'Waterstaat - Bebouwingsvrij' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van waterschapsbelangen". Artikel 8.2 luidt: "a. In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming. b. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. c. Op deze gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd." 8.3. In het plangebied zijn twee groenzones opgenomen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor een plan had moeten kiezen met meer groenvoorzieningen. Aan de strook grond aan de westzijde van het plan is door het toekennen van de bestemming "Groen" en de dubbelbestemming "Waterstaat-Bebouwingsvrij" geborgd dat deze strook grond een open groene invulling krijgt. Door artikel 8.2 van de planregels is deze invulling ook geborgd bij verkoop van de gronden. De gronden blijven toegankelijk voor onderhoud aan de sloot. Bij de meeste essen bed
Bronpassage s0014
raagt het wortelgestel volgens de raad één tot anderhalf maal de omvang van de kroonprojectie. De raad heeft aan de gronden rondom de essen tot zo’n anderhalf maal de omvang van de kroonprojectie de dubbelbestemming "Waarde-Boom" toegekend. De raad heeft hiervoor gekozen om het bouwen binnen de kroonprojectie van de essen te voorkomen. Naar het oordeel van de Afdeling hoefde de raad de essen niet verder te beschermen. Het gaat niet om bomen met een beschermde status. Verder heeft de raad het rapport "Quickscan bomen effect analyse plan Ruimersdijk/Leusensweide Diepenheim" van Expedio Arbori van 17 juli 2023 (de quickscan) overgelegd. In de quickscan staat dat de eik, ook in onveranderde omstandigheden, een matig toekomstperspectief heeft. Dat [appellant] en anderen nu een gezonde boom zien doet hier niet aan af. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de eik planologisch beschermd had moeten worden. In de quickscan is overigens als advies gegeven om het woningblok te verschuiven, waardoor er een grotere (openbare) ruimte overblijft voor herplant van een boom welke kan uitgroeien tot een vergelijkbaar formaat als dat nu het geval is. De raad heeft hiervoor gekozen. Er zal dus herplant plaatsvinden. Het betoog slaagt niet. Bebouwingsmogelijkheden 9. [appellant] en anderen betogen dat het plan te ruime bebouwingsmogelijkheden biedt. Er kunnen woningen direct tegen de groenbestemming worden gebouwd. Volgens [appellant] en anderen moet het bouwvlak aan de noordwestzi
Bronpassage s0015
jde van het plangebied naar het oosten worden verschoven. De nieuwe woning die hier is voorzien kan namelijk aanzienlijk dichter op de bestaande woningen komen te staan dan nu geschetst wordt in bijvoorbeeld het groenplan. 9.1. De raad stelt dat het niet aannemelijk is dat een woning aan de noordwestzijde van het plangebied tegen de groenbestemming aan gebouwd zal worden. Het bouwvlak heeft de bouwaanduiding "Twee-aan-een". Het plaatsen van twee vrijstaande woningen binnen dit bouwvlak is niet toegestaan. Hierdoor zal het te plaatsen dubbele blok (twee-onder-een-kap) in het midden op het bouwvlak moeten worden gepositioneerd. Het is mogelijk dat er aan de zijde van de groenbestemming een aanbouw/berging of parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Dit is volgens de raad echter een algemene gangbare invulling van een bouwkavel en gelet op de ruime opzet van het plan ruimtelijk gezien passend binnen de stedenbouwkundige opzet in dit deel van Diepenheim. 9.2. Naar het oordeel van de Afdeling biedt het plan geen onaanvaardbare bebouwingsmogelijkheden. Tussen de bestaande woningen en de nieuwe woningen zit een groenstrook (met watergang) van zeven meter. Tussen het bouwvlak van de dichtstbijzijnde bestaande woning van [appellant] en anderen en het bouwvlak in het voorliggende plan zit vijftien meter. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het dichtstbij de woning van [appellant] en anderen opgenomen bouwvlak meer naar het oosten verplaatst had moeten worden. Het betoog
Bronpassage s0016
slaagt niet. Verkeersveiligheid 10. [appellant] en anderen betogen dat de Leusensweide en de kruising met Kremersweide niet geschikt is voor de ontsluiting van het gebied. De kruising Leusensweide en Kremersweide is vanuit het plangebied onoverzichtelijk. Er is tijdens het participatietraject voorgesteld om de ontsluiting van het plan via de Ruimersdijk te laten lopen eventueel in combinatie met de Leusensweide. Volgens [appellant] en anderen is dit voorstel ten onrechte afgewezen. Het plan zou op zijn minst op twee manieren ontsloten moeten worden. 10.1. De raad stelt dat de voorziene ontsluiting verkeersveilig is. Van de veertien woningen die het plan mogelijk maakt, worden vijf woningen rechtstreeks op de Ruimersdijk ontsloten. De verkeersbewegingen van de overige negen woningen (69 verkeersbewegingen) worden afgewikkeld via een nieuw aan te leggen ontsluiting op de Leusensweide/Kremersweide. Deze wegen en ook het hier gelegen kruispunt hebben volgens de raad een wegprofiel dat het (geringe) aantal van 69 verkeersbewegingen goed kan verwerken. Ook biedt het wegprofiel voldoende ruimte om bij eventuele calamiteiten de hulpdiensten toegang te verschaffen. 10.2. In paragraaf 3.3.3 van de plantoelichting is de voorziene verkeerssituatie rondom het plangebied toegelicht. De ontsluiting van de zuidelijke rij woningen aan de Ruimersdijk vindt plaats op de Ruimersdijk. De overige verkeersgeneratie van 69 verkeersbewegingen wordt afgewikkeld via een nieuw aan te leggen ontsluiting
Bronpassage s0017
op de Leusensweide. De raad heeft toegelicht dat de Leusensweide voldoende capaciteit heeft om het verkeer afkomstig van deze negen woningen in het plangebied op een vlotte en veilige manier af te wikkelen. De omliggende infrastructuur is in voldoende mate ingericht om de verkeersbewegingen eenvoudig en veilig af te wikkelen. De raad heeft ook een interne verkeersmemo van 24 juli 2026 overgelegd. Hierin staat: "De Ruimersdijk is een relatief rustige woonstraat met een wegbreedte van 5 meter en langsparkeervakken buiten de rijbaan. Hierdoor biedt de Ruimersdijk voldoende capaciteit om deze extra hoeveelheid ritten veilig te kunnen afwikkelen". Verder staat in de verkeersmemo: "Het gedeelte van de Leusensweide tussen de Kremersweide en het nieuwe plan is net zo breedte als het gedeelte van de Leusenweide tussen de Kremersweide en de Boinksweide. Op dit gedeelte zijn in de bestaande situatie 11 woningen op ontsloten, zonder dat dit tot verkeersproblemen leidt. De Leusensweide en Kremersweide zijn relatief rustige woonstraten met voldoende capaciteit om deze extra hoeveelheid ritten veilig te kunnen afwikkelen". Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee voldoende onderbouwd dat de wegen de extra verkeersbewegingen goed kunnen verwerken. De kruising Leusensweide en Kremersweide is volgens de raad een standaard kruising en niet onoverzichtelijk. [appellant] en anderen hebben niet geconcretiseerd waarom verkeersonveilige situaties bij deze kruising zouden ontstaan. Het
Bronpassage s0018
betoog slaagt niet. Conclusie 11. Het beroep is ongegrond. 12. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. van der Kolk, griffier. w.g. Knol voorzitter w.g. Van der Kolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 944
De Afdeling verlangt motiveringsherstel en verklaart het beroep van de omwonenden ongegrond.s0016, s0017
De omwonenden krijgen ongelijk; de raad moet binnen achttien weken na verzending het motiveringsgebrek herstellen.s0016, s0017
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5782
De Afdeling verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ongegrond en draagt de raad op binnen achttien weken na verzending het motiveringsgebrek te herstellen. Het plan maakt drie recreatiewoningen in Oude Ade mogelijk. De raad heeft onvoldoende onderbouwd hoe deze aansluiten bij de kwaliteiten van de drie provinciale beschermingscategorieën. De ontwikkeling mocht wel als ‘inpassen’ worden aangemerkt, omdat de bestaande bebouwing en verharding het veenweidegebied hier al onderbreken. Voor de omwonenden eindigt deze procedure; op het beroep van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland volgt nog een einduitspraak.s0002, s0006, s0007, s0016, s0017, s0001
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling geeft de raad van Kaag en Braassem achttien weken na verzending van de tussenuitspraak om het motiveringsgebrek te herstellen. De raad heeft onvoldoende uitgelegd hoe de recreatiewoningen aansluiten bij de kwaliteiten van Buitengebied, Groene Buffers en Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed. De kwalificatie als ‘inpassen’ mag wel: het terrein is al aan drie kanten omsloten door bebouwing en verharding, waardoor het veenweidegebied hier al onderbroken was. Volgens de Afdeling mocht de raad daarom aannemen dat de recreatiewoningen geen verdere wijziging op structuurniveau veroorzaken.s0006, s0007, s0016, s0017
Uit de uitspraak
De afwijking van het provinciale beleid voor recreatiewoningen is volgens de Afdeling voldoende gemotiveerd. De raad heeft dat beleid meegewogen en permanente bewoning in de planregels verboden. Ook de bezwaren over uitzicht en lichtinval slagen niet, gezien onder meer de afstand en de maximale bouwhoogte van vier meter. Het oude recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, blijft van toepassing omdat het ontwerpplan op 28 december 2023 ter inzage is gelegd. Dat geldt ook voor een gewijzigd of nieuw besluit.s0002, s0009, s0010, s0012, s0016
Duiding
Voor de onderbouwing van dit plan betekent de herstelopdracht dat de raad concreet moet aansluiten bij de kwaliteiten die per beschermingscategorie worden genoemd. Alleen verwijzen naar kleinschaligheid en de recreatieve omgeving volstaat hier niet. Meer duidelijkheid over het uiterlijk van de woningen kan die onderbouwing helpen dragen. De herstelmogelijkheid biedt nog geen zekerheid over de uiteindelijke aanvaardbaarheid van het plan: de Afdeling moet het beroep van het college nog afronden.s0007, s0016, s0017, s0019, s0020
Grenzen van deze toelichting
- Voor het beroep van het college is dit een tussenuitspraak; de definitieve uitkomst staat hierin nog niet.
- De Afdeling beoordeelt de klacht over de richtafstand tussen parkeerterrein en recreatiewoningen niet inhoudelijk, omdat die norm de belangen van [appellant sub 1A] niet beschermt.
- De bron bevat afwijkende verwijzingen: de conclusie verwijst naar overweging 5.3 en het dictum noemt 15 juni 2024, terwijl het procesverloop 17 juni 2024 noemt.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
In het besluit van 17 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Kaag en Braassem het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2] [locatie 4]" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van drie recreatiewoningen achter de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in [locatie 4]. [appellanten] is eigenaar van de woning aan het perceel [locatie 3]. Hij vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Het college stelt dat het plan niet in overeenstemming is met het provinciaal beleid en provinciale regelgeving. [partij A] en [partij B] zijn de initiatiefnemers van de ontwikkeling. Beiden wonen naast het plangebied. Het college betoogt dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met de instructieregels voor ruimtelijke kwaliteit uit de Omgevingsverordening.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202404623/1/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, deels tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ([appellant sub 1A]), wonend in [woonplaats], 2. het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, appellanten, en de raad van de gemeente Kaag en Braassem, verweerder. Procesverloop In het besluit van 17 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2] Oude Ade" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en het college beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Het college en [partij A] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar het college, vertegenwoordigd door A. de Roos en mr. K. Giezeman, advocaat in Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door V. Platteeuw, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij B], vergezeld door [persoon A], en [partij A], vergezeld door [persoon B], gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals
Bronpassage s0002
dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 28 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van drie recreatiewoningen achter de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Oude Ade. [appellant sub 1A] is eigenaar van de woning aan het perceel [locatie 3]. Hij vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Het college stelt dat het plan niet in overeenstemming is met het provinciaal beleid en provinciale regelgeving. [partij A] en [partij B] zijn de initiatiefnemers van de ontwikkeling. Beiden wonen naast het plangebied. 3. De relevante regelgeving staat in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Toetsingskader 4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig
Bronpassage s0003
zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Het beroep van het college 5. De Afdeling zal hierna eerst het betoog van het college bespreken dat betrekking heeft op de vraag of het bestemmingsplan in overeenstemming is met de Omgevingsverordening Zuid-Holland (de Omgevingsverordening). Daarna zal de Afdeling stilstaan bij de vraag of het bestemmingsplan (ook) in strijd is met het provinciaal beleid. Ruimtelijke kwaliteit 6. Het college betoogt dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met de instructieregels voor ruimtelijke kwaliteit uit de Omgevingsverordening. Op grond van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening kan een bestemmingsplan slechts voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling als is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Dit kan volgens het college op dit moment onvoldoende beoordeeld worden, omdat een duidelijke beschrijving en schets van de beoogde ontwikkeling ontbreken. Daarnaast gelden ter plaatse van het plangebied "Beschermingscategorie 3 Buitengebied", "Beschermingscategorie 2 Groene buffers" en "Beschermingscategorie 1 Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed". In de plantoelichting is onvoldoende gemotiveerd hoe de beoogde recreatiewoningen aansluiten bij de aanwezige gebiedskwaliteiten die met deze beschermingscategorieën worden beschermd. Ten aanzien van "Beschermingscategorie 3 Buitengebied" bevat de plantoelichting zelfs geheel geen motivering. Ook voert het college aan dat de raad de recreatiewo
Bronpassage s0004
ningen ten onrechte heeft aangemerkt als een ontwikkeling die onder de noemer "inpassen" als bedoeld in artikel 6.9, vijfde lid, van de Omgevingsverordening valt. Van inpassen is sprake wanneer de ontwikkeling geen wijziging op structuurniveau met zich brengt en past bij de aard en schaal van het gebied. Volgens het college moeten de recreatiewoningen onder de noemer "aanpassen" vallen, omdat de omgeving van de beschermde Kagerplassen worden gekenmerkt door een blokvormige kavelstructuur in het open veenweidelandschap. De agrarische gronden krijgen nu een recreatieve bestemming en het bestaande blok wordt in drie delen opgesplitst en bebouwd. De raad heeft ten onrechte alleen op kavelniveau naar de ontwikkeling gekeken in plaats van naar het hele gebied. Hierdoor zou de beoogde ontwikkeling onder "aanpassen" moeten vallen. Voor deze categorie zijn aanvullende maatregelen vereist om te waarborgen dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Deze maatregelen zijn nu niet in het bestemmingsplan opgenomen. Daarnaast is een ontwikkeling die onder de noemer "aanpassen" valt niet toegestaan in de "Beschermingscategorie 1 Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed". Ook ontbreekt een duidelijke beschrijving en schets van de recreatiewoningen, waardoor de ruimtelijke kwaliteit lastig te beoordelen is. Het bestemmingsplan is daarom in strijd met de Omgevingsverordening. 6.1. Volgens artikel 6.9, eerste lid, van de Omgevingsverordening kan een bestemmingsplan voorzien in een nie
Bronpassage s0005
uwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Volgens artikel 6.9, derde lid, moet bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren worden gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. Volgens artikel 6.9, vijfde lid, aanhef en onder a, kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimtelijk ontwikkeling wanneer de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, niet voorziet in een wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen. Volgens artikel 6.9, vijfde lid, aanhef en onder b, kan een bestemmingsplan ook voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling wanneer de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar een wijziging veroorzaakt op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen. Volgens de artikelen 6.9a, 6.9d en 6.9g van de Omgevingsverordening, die zien op de drie beschermingsc
Bronpassage s0006
ategorieën die in het betoog van het college zijn genoemd, moeten in de motivering van een besluit dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie de in de artikelen genoemde kwaliteiten worden betrokken. 6.2. De Afdeling overweegt dat de raad het plan heeft mogen aanmerken als een ontwikkeling die onder de noemer "inpassen" valt. Voor het verschil tussen "inpassen" en "aanpassen" speelt de vraag of er sprake is van een verandering op structuurniveau. In de toelichting bij de Omgevingsverordening wordt als voorbeeld van "aanpassen" het aanleggen of verbreden van een provinciale weg gegeven. De omgeving wordt gekenmerkt door een open veenweidegebied met blokvormige kavelstructuur. In dit geval is zowel ten noorden als ten zuiden van het plangebied al sprake van verhard gebied van ter plaatse aanwezige restaurant en de parkeerplaatsen. Circa 29 m ten zuiden van het plangebied zijn eveneens recreatiewoningen aanwezig. Verder staat er ten westen van het plangebied een rij woningen, waardoor het plangebied aan drie kanten in de bestaande situatie is omsloten met bebouwing en verharding. Hierdoor was er in dit geval al sprake van een onderbreking van het veenweidegebied. De raad heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat de recreatiewoningen geen verdere wijziging op structuurniveau met zich mee brengen. In zoverre slaagt het betoog niet. 6.3. Verder overweegt de Afdeling dat op het plangebied "Beschermingscategorie 3 Buitengebied", "Beschermingscat
Bronpassage s0007
egorie 2 Groene Buffers" en "Beschermingscategorie 1 Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed" van toepassing zijn. In paragraaf 3.2.1 van de plantoelichting heeft de raad weliswaar een omschrijving gegeven van "Beschermingscategorie 1 Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed" en "Beschermingscategorie 2 Groene Buffers", maar heeft hierbij onvoldoende toegelicht hoe de recreatiewoningen daadwerkelijk op de beschermingscategorieën aansluiten. Ook heeft de raad nagelaten om "Beschermingsgebied categorie 3 Buitengebied" in de plantoelichting te betrekken. Een toelichting waarin staat dat de ontwikkeling kleinschalig is en aansluit op de recreatieve omgeving, is hiervoor onvoldoende, omdat in de artikelen 6.9a, 6.9d en 6.9g van de Omgevingsverordening veel meer kwaliteiten genoemd worden die in de motivering dienen te worden betrokken. De raad heeft in zijn verweerschrift eveneens nagelaten om een nadere toelichting te geven. Gelet op deze omstandigheden is het besluit in strijd met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening genomen. Hierbij merkt de Afdeling op dat zolang er weinig bekend is over de uiterlijke verschijning van de ontwikkeling, het lastig zal worden om een deugdelijke motivering te geven over hoe de recreatiewoningen aansluiten op de beschermingscategorieën. In zoverre slaagt het betoog. Strijd met provinciaal beleid 7. Het college betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met de beleidskeuze "Buitenstedelijke recreatieve ontwikkelingen" die onderdeel uitmaakt van de Omgevingsvisie
Bronpassage s0008
Zuid-Holland (de Beleidskeuze). In de Beleidskeuze staat dat nieuwe recreatiewoningen uitsluitend zijn toegestaan binnen een bestaand of nieuw verblijfsrecreatiepark om zo permanente bewoning van recreatiewoningen tegen te gaan. Gelet op de voorzieningen die aanwezig zijn in de recreatiewoningen en de omvang kunnen de met dit plan voorziene drie recreatiewoningen qua aard gebruikt worden voor permanente bewoning, waardoor zij ook niet onder de uitzonderingsbepaling uit de Beleidskeuze kunnen vallen. Het college ziet ook geen mogelijkheid waarop het bestemmingsplan alsnog kan worden vastgesteld met een motivering die recht doet aan het provinciaal belang. Gelet op het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan niet aan een goede ruimtelijke ordening. 7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij beoogd heeft af te wijken van de Beleidskeuze. De afwijking is volgens de raad aanvaardbaar, omdat de recreatiewoningen zich onderscheiden van andere gevallen. Hoewel de recreatiewoningen niet in een verblijfsrecreatiepark zullen staan, is er wel sprake van een aantrekkelijke locatie. Het plangebied is namelijk gelegen aan het [locatie 5] en een jachthaven, waardoor sprake is van een aantrekkelijke locatie. Ook andere woningen naast het plangebied worden recreatief verhuurd. Doordat er veel vraag naar recreatiewoningen op deze locatie is, zal het risico op permanente bewoning klein zijn. Daarnaast is het risico dat recreatiewoningen zullen leiden tot permanente bewoning ook planologis
Bronpassage s0009
ch ondervangen in artikel 8.1, aanhef en onder g, van de planregels. Gelet hierop is een afwijking van de Beleidskeuze in dit geval volgens de raad aanvaardbaar. 7.2. In de Beleidskeuze, zoals die gold vanaf 1 april 2023 tot en met 1 mei 2024, staat dat nieuwe recreatiewoningen alleen zijn toegestaan in bestaande of in nieuwe verblijfsrecreatieparken, om permanente bewoning tegen te gaan. 7.3. Artikel 8.1, aanhef en onder g, van de planregels bepaalt dat tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in ieder geval het gebruik van recreatieve onderkomens voor permanente doeleinden wordt gerekend. 7.4. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid. Wel dient de raad daar rekening mee te houden, wat betekent dat de raad dit beleid in de belangenafweging dient te betrekken. Volgens de Beleidskeuze zijn nieuwe recreatiewoningen alleen toegestaan in bestaande of in nieuwe verblijfsrecreatieparken. Dit bestemmingsplan maakt juist nieuwe recreatiewoningen buiten een verblijfsrecreatiepark mogelijk, wat betekent dat hiermee wordt afgeweken van de Beleidskeuze. De raad heeft toegelicht deze afwijking aanvaardbaar is, omdat de recreatiewoningen zich onderscheiden van andere recreatiewoningen doordat zij in een aantrekkelijke omgeving buiten een verblijfsrecreatiepark staan en het risico op permanente be
Bronpassage s0010
woning planologisch is ondervangen. De Afdeling is van oordeel dat de raad rekening heeft gehouden met provinciaal beleid en voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom er is gekozen om daarvan af te wijken. Het betoog slaagt niet. Het beroep van [appellant sub 1A] Bespreking zienswijzen 8. Over het betoog van [appellant sub 1A] dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb, overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft, wat betekent dat voor een voldoende motivering het niet nodig is dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog slaagt niet. Naam van het bestemmingsplan 9. [appellant sub 1A] betoogt dat ten onrechte niet duidelijk is gemaakt dat het bestemmingsplan voorziet in de bouw van recreatiewoningen achter zijn woning. De naam van het bestemmingsplan wekt het vertrouwen op dat alleen achter de percelen [locatie 1] en [locatie 2] recreatiewoningen zullen worden gebouwd, terwijl het bestemmingsplan ook voorziet in de bouw van een recreatiewoning achter [locatie 3]. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verder heeft de raad hem ten onrechte niet persoonlijk op de hoogte gesteld over het voornemen om recreatiewoningen achter zijn woning te realiseren. 9.1. De Afdeling overweegt dat het niet verplic
Bronpassage s0011
ht is dat de naam van een bestemmingsplan direct de volledige inhoud en locatie van het plan duidelijk maakt. Dat [locatie 3] niet is benoemd in de naam van het bestemmingsplan maakt het plan niet onrechtmatig. Verder is er voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving van de terinzagelegging. In de Wro of in een ander wettelijk voorschrift valt geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerpplan dan wel de inhoud daarvan. Het betoog slaagt niet. Verlies van uitzicht en verminderde lichtinval 10. [appellant sub 1A] betoogt dat het uitzicht vanuit zijn woning ten onrechte door de recreatiewoningen zal worden beperkt. Ook leidt het plan tot een onaanvaardbare vermindering van de lichtinval op zijn perceel. Daarbij komt dat de bouwvlakken groter zijn dan de recreatiewoningen, waardoor het onduidelijk is waar de recreatiewoningen precies binnen de bouwvlakken zullen komen te staan. Dit betekent dat het ook onduidelijk is wat de exacte afstand van de recreatiewoningen tot de woning van [appellant sub 1A] zal worden. Hierbij heeft de raad onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de woning van [appellant sub 1A] geen recreatiewoning, maar een reguliere woning is. Voor reguliere woningen gelden andere voorschriften ten aanzien van de onderlinge afstand dan voor recreatiewoningen. 10.1. De Afdeling overweegt
Bronpassage s0012
dat de afstand tot de woning van [appellant sub 1A] tot het plangebied ongeveer 14,5 m is en de afstand tot het bouwvlak ongeveer 19,4 m is. De maximale bouwhoogte voor de recreatiewoningen is 4 m, wat betekent dat de hoogte van de recreatiewoningen beperkt zal zijn. Het uitgangspunt is dat er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Dit betekent niet dat het belang van [appellant sub 1A] geen gewicht toekomt. Maar wel dat de raad andere belangen belangrijker heeft mogen vinden. De raad heeft in dit geval een groter gewicht mogen toekennen aan de met het plan gediende belangen dan het belang van [appellant sub 1A] bij handhaving van hun uitzicht. Verder acht de Afdeling, gelet op de afstand tot de woning en de beperkte maximale bouwhoogte, het niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van een onaanvaardbare vermindering van lichtinval. Het betoog slaagt niet. Parkeren 11. [appellant sub 1A] betoogt dat de afstand tussen de beoogde recreatiewoningen en het omliggende parkeerterrein onjuist is berekend. De raad stelt zonder enige onderbouwing dat wordt voldaan aan de richtafstand van 10 m. Verder betoogt [appellant sub 1A] dat door de realisatie van de recreatiewoningen de parkeerdruk zal toenemen, waar de raad ten onrechte geen onderzoek naar heeft verricht. 11.1. In artikel 8:69a van de Awb staat: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze r
Bronpassage s0013
egel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 11.2. De Afdeling overweegt dat de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een recreatiewoning, ook de belangen beschermt van toekomstige gebruikers van de recreatiewoningen bij een verblijf zonder onaanvaardbare hinder. [appellant sub 1A] is echter geen gebruiker van de recreatiewoningen. Voor zover de norm van een goede ruimtelijke ordening wordt ingevuld met de richtafstanden uit de VNG-brochure, strekt die norm daarom kennelijk niet tot bescherming van het belangen van [appellant sub 1A]. Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan vernietiging van het besluit vanwege deze beroepsgrond. Daarom bespreekt de Afdeling deze beroepsgrond niet inhoudelijk. Wat betreft het betoog dat er ten onrechte geen parkeeronderzo
Bronpassage s0014
ek is uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat de parkeerbehoefte is berekend aan de hand van "Nota parkeernormen 2018" en op eigen terrein zal worden opgevangen en dat dit ook is geborgd in artikel 10 van de planregels. Doordat in de parkeerbehoefte op eigen terrein wordt voorzien, zal geen sprake zijn van een toename van de parkeerdruk in de omgeving. De raad had hier geen onderzoek naar hoeven doen. Het betoog slaagt niet. Kwetsbare natuurwaarden 12. [appellant sub 1A] betoogt dat er onvoldoende rekening is gehouden met de kwetsbare natuurwaarden. Het voorleggen van het bestemmingsplan aan de Omgevingsdienst zegt volgens hem weinig over hoe het gebied wordt aangetast. Doordat telkens een paar gebouwen in omgeving worden bijgebouwd, waarbij ieder individueel geval de natuurwaarden niet aantast, worden de natuurwaarden door al deze gebouwen bij elkaar wel degelijk aangetast. Dit leidt ook tot aantasting van de leefgebieden van diverse diersoorten. De raad heeft ook geen beoordeling gemaakt in hoeverre het bestemmingsplan gevolgen heeft voor het nabijgelegen Polderlab [locatie 6]. 12.1. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.
Bronpassage s0015
Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat [appellant sub 1A] over het advies heeft aangevoerd. 12.2. De Afdeling overweegt dat aan het bestemmingsplan de "Quickscan Wet natuurbescherming [locatie 1] & [locatie 2] te Oude Ade" van Blom Ecologie van 8 juni 2023 (de Quickscan) ten grondslag ligt. Hierin staat dat de nieuwe recreatiewoningen niet zullen leiden tot aantasting van beschermde natuurwaarden. Ook staat hierin dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde diersoorten. De Omgevingsdienst West-Holland heeft in een advies van 30 oktober 2023 goedkeuring gegeven aan de Quickscan. [appellant sub 1A] heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd op basis waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de conclusie van de Quickscan. Verder is niet gebleken dat het Polderlab een kwetsbaar natuurgebied is dat op basis van wet- of regelgeving extra zou moeten worden beschermd. Voor zover wordt betoogd dat rekening moet worden gehouden met andere ontwikkelingen in de omgeving, wat daar ook van zij, is niet gebleken van dergelijke ontwikkelingen. Alleen het plan zoals dit nu voorligt kan worden beoordeeld. Het betoog slaagt niet. Co
Bronpassage s0016
nclusie 13. Het beroep van [appellant sub 1A] is ongegrond. Voor zijn beroep is deze uitspraak de einduitspraak en daarmee is voor hem een einde gekomen aan deze procedure. 14. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden aan [appellant sub 1A]. 15. Gelet op wat de Afdeling onder 5.3 heeft overwogen, is het besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan ondeugdelijk gemotiveerd, waardoor het in strijd met artikel 3:46 van de Awb is genomen. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil, zal de Afdeling op grond van artikel 8:51d van de Awb de raad opdragen om binnen 18 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen het in overweging 5.3 geconstateerde gebrek in het besluit van 17 juni 2024 te herstellen. 16. De raad dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en een nieuw of gewijzigd besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Bij de voorbereiding van een nieuw of gewijzigd besluit hoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast. 17. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1154, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing. 18. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van het college. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: Einduitspraak I
Bronpassage s0017
. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ongegrond. Tussenuitspraak II. draagt de raad van de gemeente Kaag en Braassem op om: - binnen 18 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen de in overweging 15 geconstateerde gebreken in het besluit van 15 juni 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2] Oude Ade" te herstellen en; - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van der Heijden griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 884-1176 BIJLAGE Omgevingsverordening Zuid-Holland Artikel 6.9 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. 3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwalitei
Bronpassage s0018
t gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. 4. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit
Bronpassage s0019
geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. […] Artikel 6.9a 1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c. het groene karakter, het type functie en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. [...] Artikel 6.9d 1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen groene buffers waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart
Bronpassage s0020
14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; b. de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; c. de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; d. de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. Artikel 6.9g 1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft en de ontwikkeling het behoud en de versterking van het betreffende cultureel erfgoed ondersteunt en overwegend meerwaarde heeft voor kwaliteiten en de gebruikswaarde ervan. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de herkenbaarheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; b. de historische context van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; c. de uniciteit van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; d. de kwetsbaarheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; e. de gaafheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; f. de samenhang van de kwaliteiten van het Cultureel Erfgoed;
Bronpassage s0021
g. de richtpunten die zijn opgesteld voor het specifieke kroonjuweel (zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap). Bestemmingsplan "Achter [locatie 1] en [locatie 2], Oude Ade" Artikel 8.1 Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo, wordt in ieder geval gerekend: […] g. het gebruik van recreatieve onderkomens voor permanente woondoeleinden.
De Afdeling laat het gewijzigde woningbouwplan met verplichte waterberging in stand.s0026, s0011
Het beroep tegen het herstelplan is ongegrond; het beroep tegen het oorspronkelijke plan is niet-ontvankelijk.s0025, s0026
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5789
De Afdeling laat het gewijzigde bestemmingsplan Balgoij-West voor maximaal 37 woningen in stand en verklaart het beroep daartegen ongegrond. De raad heeft de waterhuishouding voldoende onderzocht en mocht onaanvaardbare gevolgen voor de percelen van [appellant A] en [appellant B] uitsluiten. Het herstelplan verplicht tot waterberging en beperkt de mogelijkheden voor kelders. Het beroep tegen het oorspronkelijke plan is niet-ontvankelijk, omdat dat plan is vervangen en procesbelang ontbreekt. De raad moet wel proceskosten en griffierecht vergoeden, omdat hij met de wijzigingen deels aan het beroep tegemoetkwam. De kosten van het laatste rapport van Landslide worden niet vergoed.s0002, s0011, s0017, s0021, s0025, s0026
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling beoordeelt het plan onder het recht van vóór 1 januari 2024, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet. Het ontwerp lag namelijk al op 19 oktober 2023 ter inzage. Na kritiek van de STAB heeft de raad extra waterberging vastgelegd en ondergronds bouwen beperkt. Wonen is alleen toegestaan wanneer minimaal 978,3 m³ waterberging is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Daarnaast gelden afzonderlijke bergingsverplichtingen voor een greppel en een laagte bij Hoeveweg 15.s0002, s0009, s0010, s0011, s0012, s0013
Uit de uitspraak
Kelders zijn uitsluitend toegestaan binnen de daarvoor aangewezen drie bouwvlakken, bij de hoofdgebouwen. De maximale diepte bedraagt 3 meter vanaf het peil en de buitenzijden van de keldermuren moeten met klei of bentoniet worden afgedicht. Door deze beperking mocht de raad afzien van aangepaste kwelberekeningen. De Afdeling aanvaardt ook de onderbouwing van de maaiveldophoging. Zij oordeelt dat de waterhuishouding voldoende is onderzocht en dat de raad onaanvaardbare gevolgen voor de percelen van [appellant A] en [appellant B] mocht uitsluiten.s0010, s0017, s0018, s0021
Duiding
Voor de praktijk laat deze zaak zien waarom de concrete functie van een maatregel aandacht verdient. De noodzakelijke waterberging is hier gekoppeld aan het toegestane woongebruik. De afgesproken beperking van de ontsluiting via Den Bogerd tot fietsers, voetgangers en calamiteiten hoefde daarentegen niet in de planregels te worden vastgelegd. Volgens de Afdeling was die beperking ruimtelijk niet noodzakelijk. Deze uitkomst biedt dus geen grond om bij andere plannen zonder beoordeling van de verkeersgevolgen met alleen een afspraak te volstaan.s0011, s0013, s0022, s0023
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling bespreekt het oorspronkelijke plan niet inhoudelijk, omdat het herstelplan dit vervangt en procesbelang ontbreekt.
- De beroepsgronden over privacy, lichtinval en overbelasting van het bestaande rioolstelsel zijn op de zitting ingetrokken.
- De Afdeling beoordeelt de borging van voldoende parkeerplaatsen niet inhoudelijk, omdat zij parkeeroverlast bij de percelen van appellanten uitsluit.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Wijchen het bestemmingsplan "Balgoij-West" vastgesteld. Het plan maakt de bouw van maximaal 37 woningen mogelijk. Het plangebied grenst aan de noord- en oostzijde aan de bestaande bebouwing van de wijk Balgoij. De gronden van het plangebied hadden voorheen een agrarische bestemming. In de nabijheid van het plangebied stroomt de Maas. [appellant A] en [appellant B] wonen op korte afstand ten oosten van het plangebied. Zij vrezen onder meer voor wateroverlast als gevolg van de realisatie van het plan. Qubus Vastgoed B.V. is de projectontwikkelaar van de voorziene ontwikkeling. Het voornemen is om 17 vrije sector woningen en 20 betaalbare woningen te realiseren. Daarbij zijn 12 kavels in het sociale segment bestemd zijn voor de Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) groep Balgoij en wordt een deel van de woningen gebouwd voor senioren.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202404720/1/R4. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Balgoij, gemeente Wijchen, appellanten, en de raad van de gemeente Wijchen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Balgoij-West" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, voor zover het gaat om de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. [appellant A] en [appellant B] en de raad hebben zienswijzen daarop naar voren gebracht. Bij besluit van 16 december 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Balgoij-West" opnieuw en gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit). [appellant A] en [appellant B] hebben over dit besluit een zienswijze naar voren gebracht. [appellant A] en [appellant B] en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 augustus 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. F.K. van den Akker, advocaat in Eindhoven, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van Vulpen, advocaat in Nijmegen, H. Weemstra en T. van Zonsbeek, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Qubus Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omg
Bronpassage s0002
evingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 19 oktober 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het plan maakt de bouw van maximaal 37 woningen mogelijk. Het plangebied grenst aan de noord- en oostzijde aan de bestaande bebouwing van de wijk Balgoij. De gronden van het plangebied hadden voorheen een agrarische bestemming. In de nabijheid van het plangebied stroomt de Maas. 3. [appellant A] en [appellant B] wonen op korte afstand ten oosten van het plangebied. Zij vrezen onder meer voor wateroverlast als gevolg van de realisatie van het plan. 4. Qubus Vastgoed B.V. is de projectontwikkelaar van de voorziene ontwikkeling. Het voornemen is om 17 vrije sector woningen en 20 betaalbare woningen te realiseren. Daarbij zijn 12 kavels in het sociale segment bestemd zijn voor de Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) groep Balgoij en wordt een deel van de woningen
Bronpassage s0003
gebouwd voor senioren. Betekenis herstelbesluit 5. Bij uitspraak van 16 april 2025 heeft de voorzieningenrechter het bestemmingsplan van 20 juni 2024 geschorst. Naar aanleiding van deze uitspraak en het deskundigenbericht van de STAB heeft de raad een herstelbesluit genomen. Met het herstelbesluit is het bestemmingsplan "Balgoij-West" opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Daarom is met dit besluit het besluit van 20 juni 2024, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Balgoij-West", vervangen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien het herstelbesluit niet geheel aan het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegemoetkomt, heeft het beroep van rechtswege ook betrekking op dit herstelbesluit. De Afdeling zal bij de bespreking van de beroepsgronden eerst uitgaan van het herstelbesluit. Ingetrokken beroepsgronden 6. Op de zitting hebben [appellant A] en [appellant B] hun beroepsgronden over de vrees voor aantasting van hun privacy en vermindering van lichtinval als gevolg van de voorziene ontwikkeling en de vrees dat als gevolg van watertoename door het plan overbelasting van het bestaande rioolstelsel ontstaat, ingetrokken. Toetsingskader 7. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in
Bronpassage s0004
overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Strijd met gemeentelijk beleid 8. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat het plan in strijd is met de op 8 juni 2017 vastgestelde Woonvisie 2025 en het op 20 oktober 2022 door de raad vastgestelde "Strategisch kompas: Wijchen 2035" (het Strategisch kompas). De raad heeft volgens hen onvoldoende gemotiveerd waarom er wordt afgeweken van deze beleidsstukken. Zo staat volgens hen in de Woonvisie 2025 als speerpunt het "versterken van het thuisgevoel", waarbij "wijken en dorpen met identiteit" en de "bestaande woningvoorraad" belangrijke aspecten zijn. Een uitbreiding buiten het dorp past hier niet bij. Daarnaast volgt volgens hen uit het Strategisch kompas dat een uitbreiding van het aantal woningen vooral in de kern van Wijchen plaats moet vinden, vanwege het behoud van een leefbare en vitale kern. 8.1. In het verweerschrift staat dat de raad kort vóór vaststelling van het bestemmingsplan op 30 mei 2024 de woonvisie "Wonen in Wijchen, Woonvisie gemeente Wijchen 2024-2028" (Woonvisie 2024-2028) heeft vastgesteld. In het verweerschrift is uitvoerig toegelicht waarom het plan volgens de raad past in de Woonvisie 2024-2028. Kort samengevat
Bronpassage s0005
omdat het een bijdrage levert aan het terugdringen van het woningtekort, er gebouwd wordt voor diverse doelgroepen (jongeren en senioren) en de woningen duurzaam worden gerealiseerd. De raad wijst erop dat, gelet op het grote woningtekort in de regio en in de gemeente Wijchen, in dit geval is gekozen voor een uitbreiding van het dorp en dat niet valt in te zien dat dit is in strijd zou zijn met de Woonvisie 2024-2028. In wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan in strijd is met de Woonvisie 2024-2028. 8.2. Voor zover [appellant A] en [appellant B] wijzen op het Strategisch kompas, overweegt de Afdeling als volgt. In de inleiding van het Strategisch kompas staat over het document: "Het geeft de richting weer waaraan we de komende periode werken. Het vormt een toetsingskader voor toekomstig beleid. […] Wat dit precies betekent, wordt concreet als het kompas verder wordt uitgewerkt. Dit vindt later plaats: in verschillende beleidsnotities of uitvoeringsplannen". In paragraaf 3.4.4 van de plantoelichting is getoetst aan het Strategisch kompas. De conclusie in de plantoelichting is dat de voorziene ontwikkeling voorziet in de behoefte aan woningen in de gemeente Wijchen en in verschillende woningtype met verschillende prijssegmenten, wat aansluit op de ambities uit het Strategisch kompas. In het verweerschrift stelt de raad dat [appellant A] en [appellant B] wijzen op een korte passage in het Strateg
Bronpassage s0006
isch kompas over het dorpse karakter van bouwen, maar dat bij de uitwerking van dit speerpunt met name de nadruk wordt gelegd op voldoende woningbouw in de gemeente Wijchen voor alle inwoners en nieuwe woonvormen, waarbij jongeren en senioren als doelgroep worden genoemd. De raad wijst erop dat het plan juist ook woningen mogelijk maakt voor jongeren en senioren en overigens ook geen afbreuk doet aan het dorpse karakter van Balgoij. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanknopingspunten dat het plan in strijd is met het Strategisch kompas. 8.3. De betogen slagen niet. Waterhuishouding 9. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat de gevolgen van het plan op de waterhuishouding onvoldoende zijn onderzocht. Zij verwijzen in dit kader naar contra-expertises van Landslide; het rapport "Toekomstige waterhuishoudkundige situatie nieuwbouwplan Balgoij-West (gemeente Wijchen)" van 2 oktober 2024, de reactie op het verweerschrift van Landslide van 19 maart 2025 en het rapport "Controle opmerkingen STAB op waterhuishoudkundig rapport Balgoij- West en praktische oplossingen" van 29 juni 2026. Allereerst is volgens [appellant A] en [appellant B] de berekende waterbergingsopgave en het gereserveerde ruimtebeslag gebaseerd op te lage neerslagnormen. Daarnaast voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat er ten onrechte nog altijd geen grondwaterpeilingen op locatie zijn uitgevoerd en dat de variatie in grondwaterpeilen slechts is bepaald aan de hand van ni
Bronpassage s0007
et-locatiespecifieke gegevens. Zeker bij een voor wateroverlast gevoelige locatie als deze, levert dat geen voldoende betrouwbaar beeld op. Daarbij is onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van de periodiek sterk verhoogde waterstanden in de Maas, aldus [appellant A] en [appellant B]. Verder wijzen [appellant A] en [appellant B] erop dat de STAB in haar deskundigenrapport heeft geconstateerd dat voor de uitgevoerde kwelberekeningen geen betrouwbare uitgangspunten zijn gehanteerd. Volgens [appellant A] en [appellant B] hadden deze kwelberekeningen in het herstelbesluit herzien moeten worden. De werkelijke hoeveelheid kwel en de veranderingen daarin zijn niet alleen relevant voor de beoogde ondergrondse bouwwerken, maar ook voor het functioneren van de wadi’s. Voorts is er volgens [appellant A] en [appellant B] onvoldoende rekening gehouden met de effecten op de waterhuishouding door de vrijwel zeker aanwezige breuk in de ondergrond van de gronden van het plangebied. Tot slot voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat niet wordt onderbouwd waarom de gevolgen van het ophogen van het maaiveld acceptabel is voor hun woningen. Onduidelijk is hoe voorkomen kan en zal worden dat water vanuit het plangebied naar hun achtertuinen gaat afstromen. 10. Aan het besluit van 20 juni 2024 heeft de raad de volgende waterhuishoudkundige rapporten ten grondslag gelegd: het "Waterhuishoudingsplan Maasakkers te Balgoij" van 26 april 2023 van Stantec (bijlage 8 bij de plantoelichting) en
Bronpassage s0008
het "Geohydrologische onderzoek naar kwel in plangebied Maasakkers te Balgoij-West" van 1 mei 2024 van Stantec (bijlage 9 bij de plantoelichting). In het waterhuishoudingsplan staat, kort samengevat, dat door de (her)ontwikkeling 11.940 m² aan extra verhard oppervlak zal ontstaan. Uitgaande van deze toename aan extra verhard oppervlak en gelet op het beleid van Waterschap Rivierenland, is er een watercompensatie nodig van 793 m³. In het plangebied is het mogelijk om dit volume te bergen door de watergangen te verbreden en nieuwe watergangen aan te leggen. Ook staat in het waterhuishoudingsplan dat het maaiveld moet worden verhoogd zodat er voldoende dekking op de rioolbuis is. Het maaiveld zal door het oplopende vuilwaterriool richting het zuiden en noorden hoger worden aangebracht dan in het midden van het plangebied. Het waterschap heeft aangegeven dat afstroming naar omliggende percelen niet is toegestaan. Dit is een randvoorwaarde voor het ophogen van het maaiveld. Het plangebied wordt grotendeels omringd door oppervlaktewater. Hierdoor wordt afstroming naar de omliggende percelen voorkomen. Waar geen oppervlaktewater is, moet afstroming worden voorkomen door een waterkering, bijvoorbeeld een grondrug. In het geohydrologische onderzoek naar kwel staat dat, alles overziend, er in theorie een zeer beperkte toename van de kwel mogelijk is als gevolg van het plan. Deze toename is echter zo beperkt, ook qua duur, dat dit niet tot wateroverlast kan leiden ter plaatse van het pl
Bronpassage s0009
angebied of de directe omgeving. 11. De Afdeling heeft de STAB verzocht om onderzoek te doen naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De STAB concludeert in haar deskundigenrapport dat er, gelet op de aspecten waterberging en kwel, nog een aantal aspecten onvoldoende onderzocht is. Zo concludeert de STAB dat de hoeveelheid waterberging die met de aanleg van drie wadi-systemen in het plangebied wordt gerealiseerd, niet volstaat om aan de waterbergingsopgave te voldoen. Daarnaast concludeert de STAB dat in het geohydrologische onderzoek onvoldoende rekening is gehouden met de maximale invulling van het plan wat betreft de mogelijkheid om in tenminste 40% van het te ontwikkelen stedelijk gebied ondergrondse bouwwerken aan te brengen tot een diepte van 5 m. 12. In het herstelbesluit heeft de raad onder meer naar aanleiding van het deskundigenrapport van de STAB de verbeelding, de planregels en de plantoelichting in het kader van de waterhuishouding aangepast. Zo is een extra waterberging opgenomen en heeft de raad in het plan vastgelegd dat geen kelders gerealiseerd kunnen worden behalve bij drie boerderijwoningen binnen het plangebied. 13. Ten aanzien van de voorziene waterberging als gevolg van de voorziene ontwikkeling zijn daartoe in het herstelplan verschillende wijzigingen in de planregels doorgevoerd. De planregels van de gewijzigde of toegevoegde artikelen luiden als volgt: Artikel 4.1 van de planregels luidt: "De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestem
Bronpassage s0010
d voor: […] f. voorzieningen voor waterberging- en infiltratie (waaronder wadi's);" Artikel 4.3 van de planregels luidt: "Speelvoorzieningen zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van speelplaatsen met de hierbij behorende voorzieningen, met een oppervlakte niet groter dan 100 m², met dien verstande dat speelvoorzieningen niet zijn toegestaan in de groen waterbergingen;" Artikel 5.1 van de planregels luidt: "De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: […] e. voorzieningen voor waterberging- en infiltratie (waaronder wadi's);" Artikel 6.2.1 van de planregels luidt: "Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: […] j. uitsluitend ter plaatse van de (drie) bouwvlakken waarop zowel de bouwaanduiding 'vrijstaand' als de aanduiding 'maatvoering, maximum bouwhoogte: 9 m, maximum goothoogte 3,5 m' gelden, is ondergronds bouwen ten behoeve van kelders toegestaan binnen en beperkt tot de bouwvlakken ter plaatse van het hoofdgebouw" Artikel 10.1 van de planregels luidt: "Ondergronds bouwen is niet toegestaan, met uitzondering van ondergronds bouwen in verband met de aanleg van een kelder als bedoeld in lid 6.2.1, aanhef en onder j, van de planregels en met dien verstande dat: a. de verticale diepte ten hoogste 3,0 m mag bedragen gemeten vanaf het peil; b. de buitenzijden van de keldermuren worden afgedicht door het terugplaatsen van klei of het gebruiken van bentoniet." Artikel 11.3 van de planregels luidt: "Het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoev
Bronpassage s0011
e van wonen is niet toegestaan, tenzij een minimale waterberging van 978,3 m3 in het plangebied is gerealiseerd en in stand wordt gehouden." Artikel 11.4 van de planregels luidt: "Het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen is niet toegestaan, tenzij a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - waterberging Hoeveweg 15 - greppel' een greppel met een minimale waterberging van 7,3 m3 is gerealiseerd en in stand wordt gehouden en; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - waterberging Hoeveweg 15 - laagte' een laagte met een minimale waterberging van 43 m3 is gerealiseerd en in stand wordt gehouden en; c. de onder lid a en b genoemde waterbergingsvoorzieningen na realisatie in stand worden gehouden." - Waterberging 14. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat er op de gronden van het plangebied onvoldoende ruimte is voor een berging van hemelwater en dat bij de berekeningen ten onrechte uit is gegaan van te lage neerslagnormen. In de contra-expertise van Landslide van 29 juni 2026 staat dat bij de berekeningen ten onrechte is uitgegaan van een bui van 66,4 mm in plaats van 70 mm op grond van het Omgevingsprogramma Water en Riolering 2026-2029. 14.1. De raad heeft toegelicht dat de gemeente Wijchen geen beleid heeft waarin een waterbergingseis is opgenomen voor een maatgevende bui en dat de beleidsregeling waar Landslide naar verwijst, is vastgesteld door de gemeente Nijmegen. In paragraaf 6.1 van het waterhuishoudingsp
Bronpassage s0012
lan (bijlage 8 bij de plantoelichting) staat dat bij de berekeningen als uitgangspunt een maatgevende bui van 66,4 mm is gehanteerd omdat dit strookt met het waterbeleid van het Waterschap Rivierenland. 14.2. In het herstelbesluit heeft de raad onder meer extra waterberging mogelijk gemaakt. Zo is artikel 11.3 toegevoegd aan de planregels. In dat artikel staat dat het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de woonbestemming niet is toegestaan, tenzij een minimale waterberging van 978,3 m3 in het plangebied is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Daarnaast staat in paragraaf 6.2.4 van de plantoelichting bij het herstelbesluit dat de bestaande sloot van 135 m3 aan de noordzijde van het plangebied dienst doet als waterberging ter compensatie van de verharding als gevolg van de voorziene woningen. Deze sloot zal vergroot worden en daardoor zal de groenbestemming in het noorden van het plangebied enigszins worden vergroot en de woonbestemming daar iets worden verkleind. Verder is ten behoeve van het perceel Hoeveweg 15 ook een voorwaardelijke verplichting voor extra waterberging toegevoegd (artikel 11.4 van de planregels). 14.3. De Afdeling ziet in het aangevoerde en de overgelegde stukken geen aanknopingspunten waarom de raad zich bij de berekeningen voor de waterberging niet mocht baseren op een maatgevende bui van 66,4 mm conform het beleid van Waterschap Rivierenland. Daarom is er ook geen reden om aan te nemen dat de berekende omvang van de waterverberging t
Bronpassage s0013
en behoeve van het plan te klein is. Gelet op de aanpassingen in de planregels door het herstelbesluit is de berekende noodzakelijke waterberging voldoende geborgd in het plan. Het betoog slaagt niet. - Locatiespecifieke gegevens 15. [appellant A] en [appellant B] voeren verder aan dat er ten onrechte geen locatiespecifieke gegevens zijn gebruikt bij het bepalen van de grondwaterpeilingen. In de contra-expertise van Landslide van 29 juni 2026 staat dat in dat kader ook gekeken had moeten worden naar het peil van de Maas, omdat hoge Maaspeilen kunnen leiden tot verhoogde grondwaterstanden in het plangebied. 15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gebruikte meetgegevens voor het bepalen van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en de invloed van de Maas op het GHG op de gronden van het plangebied voldoende zijn. Op de zitting heeft de heer Weemstra namens de raad nader toegelicht dat de GHG wordt bepaald door een matrix van minimaal 8 jaar. Op de 14de en 28ste van elke maand wordt er gemeten en per hydrologisch jaar worden de drie hoogste waarden geselecteerd en daarvan wordt het gemiddelde berekend. Er wordt daarbij gekeken naar verschillende bronnen, zoals peilbuizen in de omgeving, het hydrologische systeem, grondwatertrappen en isohypen. In dit geval waren er voldoende verschillende bronnen beschikbaar om de GHG te bepalen. Op de zitting heeft de heer Weemstra ook toegelicht dat het niet nodig was om zelf peilbuizen te plaatsen voor lokale metingen, omdat de
Bronpassage s0014
gronden van het plangebied een deklaag van klei hebben. De freatische grondwaterstand is dan vaak van beperkte omvang en kan goed worden ingeschat als gekeken wordt naar de beschikbare data uit verschillende bronnen. Verder wordt in het rapport "Reactie op geohydrologische beoordeling Landslide" van bureau Weemstra Projectmanagement van 15 juli 2026 geconcludeerd dat de lokale grondwatermetingen van [appellant A] en [appellant B] bevestigen dat de freatische GHG en de stijghoogte conservatief zijn ingeschat. Daarmee zitten de berekeningen van de raad dus aan de veilige kant. Voor zover [appellant A] en [appellant B] in dat kader ook wijzen op de invloed van het waterpeil in de Maas op de gronden van het plangebied, staat in het rapport "Reactie op geohydrologische beoordeling Landslide" van bureau Weemstra Projectmanagement van 15 juli 2026 dat een hoge waterstand in de Maas betekent dat er veel neerslag is gevallen in Noord-Frankrijk en België en dan valt er vaak ook veel neerslag in Nederland met als gevolg een stijging van de freatische grondwaterstand. De diepere peilbuis reageert, zoals verwacht, op de gestegen waterstand in de Maas. De tussenliggende kleilaag heeft hier een flinke weerstand want het drukverschil loopt op tot ongeveer 0,8 m in februari-maart 2025. De stijghoogte onder de kleilaag neemt toe als gevolg van een hogere waterstand in de Maas, maar dit zorgt voor een zeer beperkte stroming door de kleilaag heen, waardoor er een groot drukverschil tussen de fre
Bronpassage s0015
atische grondwaterstand en de stijghoogte ontstaat dat intact blijft. Daarnaast heeft Weemstra namens de raad op de zitting toegelicht dat de invloed van de Maas op de freatische grondwaterstand enkel kan worden aangetoond met een tijdreeksanalyse waarbij alle factoren die van invloed kunnen zijn op de grondwaterstand, waaronder dus de invloed van neerslag, apart van elkaar in kaart worden gebracht. In dit geval is daar niet voor gekozen, omdat door de ophoging van de gronden in het plangebied er geen sprake zal zijn van kwel in het maaiveld. 15.2. De Afdeling ziet in het aangevoerde en de overgelegde stukken geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat de gebruikte meetgegevens voor het bepalen van de GHG en de invloed van de Maas op het GHG op de gronden van het plangebied voldoende zijn. Dit wordt ook bevestigd in het rapport van Weemstra Projectmanagment van 15 juli 2026. Daarbij betrekt de Afdeling dat het Waterschap Rivierenland, zoals blijkt uit de door de raad overgelegde e-mail van 8 juli 2026, positief heeft geadviseerd over de ruimtelijke onderbouwing en het waterhuishoudkundig plan behorende bij het bestemmingsplan. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde onvoldoende reden om te oordelen dat er specifieke peilbuizen binnen het plangebied geplaatst hadden moeten worden en deze bij de berekeningen hadden moeten worden betrokken. Het betoog slaagt niet. - Kwelverandering 16. Voorts voe
Bronpassage s0016
ren [appellant A] en [appellant B] aan dat de berekeningen in het geohydrologische onderzoek naar kwel onvoldoende zijn, omdat de raad naar aanleiding van het deskundigenrapport van de STAB de kwelberekeningen in het herstelbesluit had moeten herzien. Zij wijzen daarbij op de hoeveelheid kwel als gevolg van ondergrondse bouwwerken. 16.1. In het geohydrologische onderzoek naar kwel is de kwelflux berekend met de formule van Mazure. De formule van Mazure is ontwikkeld voor kwelberekeningen tussen twee watervoerende lagen met een slecht doorlatende laag hiertussen. Deze slecht doorlatende laag is in dit scenario altijd volledig verzadigd, waardoor de weerstand van de volledige laag gehanteerd dient te worden en er bij een hoge stijghoogte direct kwel uit de slecht doorlatende laag optreedt. Ter plaatse van de gronden van het plan gaat het echter om een deklaag die niet volledig verzadigd is. Bij een hoge stijghoogte zal de grondwaterstand in de deklaag daarom eerst stijgen voordat er kwel optreedt aan het maaiveld, zo staat in het geohydrologische onderzoek naar kwel. 16.2. In haar deskundigenrapport heeft de STAB geconcludeerd dat in het geohydrologisch onderzoek naar kwel onvoldoende rekening is gehouden met de maximale invulling van het plan wat betreft de mogelijkheid om in tenminste 40% van het te ontwikkelen stedelijk gebied ondergrondse bouwwerken aan te brengen tot een diepte van 5 m. De gevolgen van de maximale invulling van het plan op de kwelstromen zijn daarom meer o
Bronpassage s0017
mvattend en complex dan in het geohydrologisch onderzoek naar kwel als uitgangspunt is genomen. Dit betekent dat de kwalitatieve beoordeling van de gevolgen voor de kwelflux op grond van een berekening met de formule van Mazure en aan de hand van geëxtrapoleerde gegevens niet volstaat. 16.3. Uit de verbeelding in samenhang bezien met artikel 6.2.1, aanhef en lid j, en artikel 10.1 van de planregels van het herstelbesluit volgt dat er in het plangebied niet meer ondergronds mag worden gebouwd, met uitzondering van de drie bouwvlakken voor de woonboerderijen waar een maximale verticale diepte van 3,0 m wordt toegestaan, gemeten vanaf het peil. In het besluit van 20 juni 2024, waarop het deskundigenrapport van de STAB betrekking had, was geen beperking opgenomen voor het ondergronds bouwen op de gronden van het plangebied. De Afdeling stelt vast dat in het herstelplan het ondergronds bouwen dus is beperkt van 40% van het plangebied tot drie bouwvlakken met een beperkte omvang. 16.4. De raad stelt in een nader stuk dat met deze beperking van het ondergronds bouwen in het herstelplan sprake is van een kleine lokale ingreep zoals ook in het deskundigenrapport van de STAB is bedoeld. In het rapport "Reactie op geohydrologische beoordeling Landslide" van bureau Weemstra Projectmanagement van 15 juli 2026 wordt dit bevestigd met de conclusie dat nu het plan is gewijzigd, de uitgangspunten van het onderzoek naar kwel volledig in lijn zijn met de bedoeling van het plan zoals dat volgt u
Bronpassage s0018
it de plantoelichting. Daarnaast leiden de aanvullende zakgreppel met een diepte van 0,3 m en de verbreding van de wadi met een gelijkblijvende diepte niet tot een grotere diepte en vallen deze daarmee in dezelfde categorie als de andere wadi's, waarvoor al geconcludeerd is dat deze niet leiden tot een toename van de kwelflux omdat deze zich bevinden in het onverzadigde deel van de deklaag. Dit alles maakt dat een actualisatie van het geohydrologisch onderzoek naar kwel neer zou komen op het toevoegen van enkele regels beschrijvende tekst en op het toevoegen van lokale meetreeksen, waardoor de GHG en de gemiddelde hoogste stijghoogte nog iets naar beneden bijgesteld zouden worden. Dit heeft een positief effect, want de theoretisch zeer beperkte toename van kwel zou dan nog kleiner worden. De conclusie dat de toename van kwel zo beperkt is dat deze niet kan leiden tot wateroverlast blijft daarmee overeind, zo staat in het rapport van 15 juli 2026, aldus Weemstra. 16.5. De Afdeling ziet in het aangevoerde en de overgelegde stukken geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat er geen aanleiding is de kwelberekeningen aan te passen. De conclusies in het rapport van Weemstra Projectmanagment van 15 juli 2026 bevestigen dit standpunt. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat niet voor onaanvaardbare wateroverlast op de percelen van [appellant A] en [appellant B] als gevolg v
Bronpassage s0019
an kwel bij realisatie van het plan behoeft te worden gevreesd. Het betoog slaagt niet. - Tegelenbreuk 17. Voor zover [appellant A] en [appellant B] aanvoeren dat er onvoldoende rekening is gehouden met de vrijwel zeker aanwezige breuk in de ondergrond (de zogenoemde Tegelenbreuk), overweegt de Afdeling het volgende. De raad stelt zich op het standpunt dat uit het rapport "Reactie op geohydrologische beoordeling Landslide" van bureau Weemstra Projectmanagement van 15 juli 2026 blijkt dat het onzeker is of de breuk zich op de gronden van het plangebied bevindt. Als er al een breuk zou zijn, dan begint deze ongeveer vanaf 18 m onder het maaiveld en is deze voor dit plan ruimtelijk niet relevant. Zelfs als de breuk ondieper aanwezig is en versmeerd zou zijn, dan is het hoogst onzeker dat de grondwaterstroming negatief beïnvloed wordt, zonder dat dit in de uitgangspunten en informatie die ten grondslag liggen aan de onderzoeken terecht is gekomen. Dat geen sprake is van een ruimtelijk relevante breuk volgt temeer uit het tot op heden onbekend zijn van een geohydrologische invloed op het watersysteem door een ondiepe versmeerde breuk. Dat zou dan al lang en breed bekend zijn, zo staat in het rapport van 15 juli 2026. 17.1. De Afdeling ziet in het aangevoerde en de overgelegde stukken geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat geen sprake is van een ruimtelijk relevante breuk voor het plangebied. Het betoog slaagt niet
Bronpassage s0020
. - Gevolgen ophogen maaiveld 18. [appellant A] en [appellant B] voeren verder aan dat de raad niet heeft onderbouwd waarom de gevolgen van het ophogen van het maaiveld acceptabel zijn voor hun woningen. Op de zitting hebben zij nog verwezen naar het deskundigenrapport van de STAB waarin het volgende is opgenomen: "Wel zorgt het hogere maaiveld ervoor dat in natte perioden meer water in de onverzadigde zone en in de wadi's kan worden geborgen. Dit resulteert mogelijk in natte perioden in een hogere freatische grondwaterstand in het plangebied dan in de omliggende gronden. Het uitstralingseffect hiervan en de mogelijke gevolgen voor de gronden van appellanten is niet onderzocht." 18.1. De raad heeft op de zitting toegelicht dat de aangehaalde passage uit het deskundigenrapport van de STAB juist in samenhang met de rest van de conclusies van de STAB gelezen moet worden. Zo concludeert de STAB dat het grootste probleem met betrekking tot het ophogen van het maaiveld ziet op de ondergrondse bouwwerken die mogelijk worden gemaakt binnen het plangebied, omdat er dan door de kleilaag heen wordt gebouwd. De raad stelt dat hij in het herstelbesluit juist de mogelijkheid om ondergronds te bouwen heeft beperkt tot slechts drie boerderijwoningen. Op die manier is tegemoetgekomen aan het kritiekpunt van de STAB. Daarnaast heeft Weemstra namens de raad op de zitting toegelicht dat als de gronden van het plangebied worden opgehoogd met 1 m, dat niet direct wil zeggen dat de grondwaterstand
Bronpassage s0021
ook met 1 m stijgt. De grondwaterstand blijft in principe gelijk. Als er neerslag valt, valt dat op de onverzadigde zone van de verhoogde gronden en zal de neerslag er een tijd over doen om door de onverzadigde zone te trekken. Als gevolg hiervan kan de grondwaterstand in theorie met 5 of 10 cm stijgen in periodes dat het veel heeft geregend. Weemstra heeft verder toegelicht dat het extra water in dat geval in de sloot naast het plangebied terecht zal komen, waardoor er geen effecten zullen zijn op de percelen van [appellant A] en [appellant B]. 18.2. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad voldoende heeft onderbouwd dat het ophogen van het maaiveld niet zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de waterhuishouding op de percelen van [appellant A] en [appellant B]. Het betoog slaagt niet. - Conclusie waterhuishouding 19. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de gevolgen van het plan op de waterhuishouding onvoldoende heeft onderzocht. Daarnaast heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de waterhuishouding op de percelen van [appellant A] en [appellant B]. Verkeer 20. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat het plan zal leiden tot verkeersoverlast en verkeersonveilige situaties, vanwege de voorziene ontsluiting via de straat Den Bogerd, die dwars door een bestaande woonwijk ga
Bronpassage s0022
at en waarbij zich direct na de doorsteek vanuit het plangebied een speeltuin voor kinderen bevindt. Volgens hen moet planologisch geborgd worden dat de ontsluiting bij Den Bogerd niet voor gemotoriseerd verkeer toegankelijk is. 20.1. Uit de verbeelding volgt dat de gronden van het plangebied worden ontsloten via de Maasakkers (in het noorden van het plangebied) en via Den Bogerd (in het oosten van het plangebied). De Afdeling stelt vast dat aan de gronden van de ontsluiting aan Den Bogerd onder meer een verkeersbestemming is toegekend. Op grond van artikel 5.1 van de planregels zijn deze gronden bestemd voor ontsluitingen met hoofdzakelijk een verkeersfunctie, te weten voor onder andere wegen en (fiets)paden. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting staat dat de ontsluiting op Den Bogerd wordt afgesloten voor gemotoriseerd verkeer en enkel wordt ingericht voor calamiteiten, dit naar aanleiding van zienswijzen van bewoners van Den Bogerd. 20.2. Uit het verweerschrift, in samenhang gelezen met de notitie "Verkeer en parkeren" (bijlage 10 bij de plantoelichting), volgt dat de wegen rondom het plangebied, waaronder de Maasakkers en Den Bogerd, de verwachte verkeersgeneratie als gevolg van het plan aan kunnen. De raad heeft in zijn verweerschrift en op de zitting toegelicht dat de voorgenomen gebruiksbeperking van de ontsluiting op Den Bogerd voor alleen fietsers, voetgangers en calamiteiten is afgesproken met de ontwikkelaar om tegemoet te komen aan de bezwaren in de zienswijzen,
Bronpassage s0023
maar niet ruimtelijk noodzakelijk is en daarom ook niet in het plan zelf hoeft te worden geborgd. 20.3. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor de vrees van [appellant A] en [appellant B] voor verkeersoverlast en verkeersonveilige situaties. Nu de gebruiksbeperking van de ontsluiting op Den Bogerd niet noodzakelijk is om een goede ruimtelijke ordening te waarborgen, maar uitsluitend het gevolg is van de uitdrukkelijke wens van omwonenden, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad een voorwaardelijke verplichting in het plan had moeten opnemen om die beoogde gebruiksbeperking te borgen. Het betoog slaagt niet. Parkeren 21. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat niet inzichtelijk is gemaakt dat kan worden voorzien in de berekende parkeerbehoefte van 92 parkeerplaatsen. Daarnaast is ook onvoldoende in de planregels geborgd dat er voldoende parkeerplaatsen in openbaar gebied worden aangelegd en in stand worden gehouden. 21.1. De Afdeling is van oordeel dat in dit geval kan worden uitgesloten dat het plan zal leiden tot parkeeroverlast bij de percelen van [appellant A] en [appellant B]. [appellant A] en [appellant B] beschikken over ruime percelen met parkeergelegenheid op eigen terrein. Bovendien liggen de percelen van [appellant A] en [appellant B] ten zuidoosten van het plangebied, terwijl de voorziene in- en uitritten van het plangebied zich bevinden aan de noord- en oostzijde van het plangebied, waarbij de voorzien
Bronpassage s0024
e in- en uitrit aan de oostzijde van het plangebied, zoals onder 20.2 is uiteengezet, alleen zal worden gebruikt voor langzaam verkeer en calamiteiten. De Veldsestraat waaraan [appellant A] en [appellant B] wonen is een smalle weg die niet is voorzien van belijning en waar geen openbare parkeerplaatsen zijn aangelegd, zodat parkeren alleen in de onverharde berm van deze weg mogelijk is en daardoor niet voor de hand ligt. Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat toekomstige bewoners of hun bezoekers hun auto’s zullen parkeren in de berm van de Veldsestraat nabij de percelen van [appellant A] en [appellant B] en zich vervolgens te voet naar de gronden van het plangebied zullen begeven. Om deze redenen kan worden uitgesloten dat ter plaatse van de percelen van [appellant A] en [appellant B] parkeeroverlast zal ontstaan. Het betoog over borging van de aanleg en instandhouding van voldoende parkeerplaatsen behoeft gelet hierop geen inhoudelijke bespreking. Het betoog slaagt niet. Conclusie beroep tegen het herstelplan 22. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het herstelplan ongegrond. Conclusie beroep tegen het besluit van 20 juni 2024 23. Zoals onder 5 is overwogen, is het besluit van 20 juni 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Balgoij-West", bij het herstelbesluit van 16 december 2025 vervangen. Omdat het beroep tegen het herstelplan ongegrond is en dit herstelplan het bestemmingsplan vervangt, leidt dit ertoe dat het oorspr
Bronpassage s0025
onkelijk vastgestelde plan geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet anders is gebleken, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant A] en [appellant B] geen belang meer hebben bij een inhoudelijke bespreking van hun beroep tegen het plan. In verband hiermee is het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 20 juni 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Balgoij-West" niet-ontvankelijk. Proceskosten 24. Gebleken is dat de raad in het herstelbesluit naar aanleiding van het ingediende beroep van [appellant A] en [appellant B] wijzigingen in het plan heeft doorgevoerd waarmee is beoogd om deels aan dat beroep tegemoet te komen. Onder omstandigheden kan dit aanleiding geven om de raad te veroordelen tot vergoeding van de bij [appellant A] en [appellant B] opgekomen proceskosten. Dat is hier ook aan de orde. 25. [appellant A] en [appellant B] hebben daarnaast een proceskostenformulier overgelegd waarin zij vragen om vergoeding van deskundigenkosten. De Afdeling is van oordeel dat de deskundigenkosten zullen moeten worden vergoed, met uitzondering van de kosten voor het opstellen van het rapport "Controle opmerkingen STAB op waterhuishoudkundig rapport Balgoij- West en praktische oplossingen" van Landslide van 29 juni 2026. Dit rapport is besproken in de overwegingen 14 en verder en de Afdeling heeft geconcludeerd dat de betogen met betrekking tot de waterhuishouding waarop dit rapport van 29 juni 2026
Bronpassage s0026
ziet, niet slagen. Er bestaat daarom geen aanleiding om de raad op te dragen deze kosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Wijchen van 20 juni 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Balgoij-West" niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Wijchen van 16 december 2025, waarbij het bestemmingsplan "Balgoij-West" op onderdelen is gewijzigd, ongegrond; III. veroordeelt de raad van de gemeente Wijchen tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 9.245,15, waarvan € 2.335,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 6.847,50 is toe te rekenen aan een deskundige, waarbij dit bedrag moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; IV. gelast dat de raad van de gemeente Wijchen aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastge
Bronpassage s0027
steld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier. w.g. Kaajan voorzitter w.g. Van Ewijk griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 867
De Afdeling laat de planwijziging voor vier woningen in stand.s0001, s0009
De Afdeling verklaart het beroep van [appellant] ongegrond; de raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.s0001, s0009
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5790
De Afdeling verklaart het beroep van [appellant] ongegrond, waardoor de planwijziging voor vier rijtjeswoningen en een parkeerplaats aan Jan Westerlaan 1 in Ter Apel blijft gelden. De raad van Westerwolde heeft voldoende gemotiveerd hoe omwonenden zijn betrokken. Reacties over privacy hebben geleid tot een grotere afstand tussen de nieuwe en bestaande woningen. De Afdeling acht de parkeergelegenheid voldoende en ziet geen onaanvaardbare verkeersgevolgen door de ontwikkeling. Een eventueel bestaand parkeertekort hoeft dit besluit niet op te lossen. De locatie is afzonderlijk beoordeeld, ook al stemde de raad tegelijk over negen wijzigingsbesluiten.s0001, s0004, s0005, s0007, s0008, s0009
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling verwerpt het bezwaar van [appellant] dat hij te laat bij de besluitvorming is betrokken. Het participatieverslag beschrijft schriftelijk en telefonisch contact vóór de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en een gesprek met de wethouder. De raad mocht voor deze locatie kiezen voor contact met betrokkenen. De aangehaalde bepaling verplicht volgens de Afdeling niet tot bewonersavonden of straatinterviews. De reacties over privacy hadden bovendien een concreet gevolg: de nieuwe woningen worden dichter bij de Jan Westerlaan gesitueerd, waardoor de afstand tot de woningen aan de Bentlagestraat groter wordt.s0002, s0003, s0004, s0005
Uit de uitspraak
De Afdeling aanvaardt ook de beoordeling van parkeren en verkeersveiligheid. De parkeerbehoefte van de vier woningen bedraagt zes plaatsen. Het bestaande parkeerterrein groeit van twaalf naar zestien plaatsen en iedere woning krijgt een parkeerplaats op eigen terrein. Er verdwijnen volgens de Afdeling geen parkeerplaatsen. Ook eventuele laadvoorzieningen leiden bij dit ruime aanbod niet tot een tekort. De berekende toename van 22,4 verkeersbewegingen per weekdag is nauwelijks waarneembaar. [appellant] heeft niet geconcretiseerd waarom die toename tot verkeersonveilige situaties leidt.s0006, s0007, s0008
Duiding
Voor de praktijk laat deze zaak zien welke concrete onderbouwing de beoordeling droeg. Het participatieverslag maakte zichtbaar hoe reacties waren behandeld en welke aanpassing daaruit volgde. Bij parkeren en verkeer richtte de beoordeling zich op de gevolgen van de vier woningen; een eventueel bestaand parkeertekort hoefde dit besluit niet op te lossen. Ook de gezamenlijke stemming over negen besluiten gaf hier geen doorslag, omdat iedere locatie afzonderlijk planologisch was beoordeeld en een eigen wijzigingsbesluit had gekregen.s0004, s0007, s0008, s0009
Grenzen van deze toelichting
- Deze uitspraak betreft alleen de planwijziging voor Jan Westerlaan 1, één van de negen woningbouwlocaties.
- Het mogelijke verdwijnen van groenstroken en een voetgangerspad aan de Bentlagestraat valt buiten het beoordeelde besluit.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 26 februari 2025 heeft de raad van de gemeente Westerwolde het "TAM-omgevingsplan Westerwolde, Jan Westerlaan 1" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde vastgesteld (het besluit tot wijziging). In de motivering van het besluit tot wijziging staat dat de gemeente Westerwolde een woningbouwopgave heeft. De gemeente Westerwolde wil daarom negen eigen grondposities ontwikkelen voor woningbouw. Op grond van het omgevingsplan zijn deze woningbouwplannen niet toegestaan. [appellant] betoogt dat de participatie rondom het besluit tot wijziging niet overeenkomstig de wettelijke vereisten heeft plaatsgevonden. [appellant] voert aan dat de gemeente heeft aangegeven bewoners actief bij de besluitvorming te betrekken door gesprekken, bewonersavonden en straatinterviews te houden en de uitkomsten daarvan mee te nemen in de besluitvorming. Volgens hem is hiervan geen sprake te geweest. Er heeft slechts één gesprek plaatsgevonden en daarbij was het besluit tot wijziging al uitgewerkt, zodat van daadwerkelijke inbreng geen sprake was.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202502157/1/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in Ter Apel, gemeente Westerwolde, appellant, en de raad van de gemeente Westerwolde, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 februari 2025 heeft de raad het "TAM-omgevingsplan Westerwolde, Jan Westerlaan 1" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde vastgesteld (het besluit tot wijziging). Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 augustus 2026, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. S.J. Zoer en drs. R. Meendering, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. In de motivering van het besluit tot wijziging staat dat de gemeente Westerwolde een woningbouwopgave heeft. De gemeente Westerwolde wil daarom negen eigen grondposities ontwikkelen voor woningbouw. Op grond van het omgevingsplan zijn deze woningbouwplannen niet toegestaan. Daarom heeft de raad op 26 februari 2025 negen besluiten tot wijziging van het omgevingsplan vastgesteld. Deze procedure gaat over één van deze negen besluiten. Het besluit tot wijziging dat in deze procedure voorligt, voorziet in de realisatie van vier rijtjeswoningen en een parkeerplaats op het perceel Jan Westerlaan 1 in Ter Apel. [appellant] woont aan de [locatie] in Ter Apel. Zijn achtertuin grenst aan het gebied waar het besluit tot wi
Bronpassage s0002
jziging op ziet. [appellant] kan zich niet verenigen met het besluit tot wijziging en heeft daarom beroep ingesteld. Toetsingskader 2. De raad neemt een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of met het besluit tot wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Participatie 3. [appellant] betoogt dat de participatie rondom het besluit tot wijziging niet overeenkomstig de wettelijke vereisten heeft plaatsgevonden. [appellant] voert aan dat de gemeente heeft aangegeven bewoners actief bij de besluitvorming te betrekken door gesprekken, bewonersavonden en straatinterviews te houden en de uitkomsten daarvan mee te nemen in de besluitvorming. Volgens hem is hiervan geen sprake te geweest. Er heeft slechts één gesprek plaatsgevonden en daarbij was het besluit tot wijziging al uitgewerkt, zodat van daadwerkelijke inbreng geen sprake was. 3.1. Artikel 10.2, tweede lid, van het Omgevingsbesluit (Ob) luidt: "2. Bij het vaststellen van een omgevingsplan wordt aangegeven hoe bu
Bronpassage s0003
rgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid." 3.2. Om aan te geven op welke wijze invulling is gegeven aan participatie bij de wijziging van het omgevingsplan, heeft de raad een participatieverslag opgesteld. Dit participatieverslag is als bijlage bij de motivering van het besluit tot wijziging gevoegd. Samengevat en voor zover van belang voor deze procedure blijkt uit het participatieverslag dat het participatieproces als volgt is ingericht. Het participatieproces is gestart door bij alle negen locaties in beeld te brengen welke omwonenden benaderd moeten worden. Deze omwonenden hebben vervolgens een brief ontvangen waarin de gemeente hen van de woningbouwplannen op de hoogte heeft gesteld. Op deze brieven zijn meerdere reacties binnengekomen. Om te beoordelen hoe verder gevolg moest worden gegeven aan participatie, is een verdeling gemaakt tussen locaties met geen tot weinig bezwaren/zorgen, locaties met gemengde reacties door een aantal omwonenden en locaties met bezwaren/zorgen onder groot aandeel omwonenden. De locatie aan de Jan Westerlaan 1 valt onder de categorie "locaties met gemengde reacties door een aantal omwonenden". Voor deze locaties is verder invulling geven aan participatie door telefonisch contact op te nemen met de betrokkenen. In het telefoongesprek is
Bronpassage s0004
toegelicht waarom ervoor is gekozen op deze locatie woningbouw te ontwikkelen en, voor zover daar al wat over gezegd kon worden, besproken welke reacties betrokken konden worden bij het uiteindelijke besluit en welke waarschijnlijk niet. Daarnaast heeft naar aanleiding van een aanvullende reactie over de Jan Westerlaan 1 een gesprek met de wethouder plaatsgevonden. Tot slot staat in hoofdstuk 3 van het participatieverslag wat de opbrengst is van het participatieproject en hoe dit is verwerkt in het besluit tot wijziging. In paragraaf 3.8 wordt de locatie aan de Jan Westerlaan 1 besproken. Daaruit blijkt dat het niet nodig is geacht de opmerkingen over parkeren, bomen en woningbouw in het besluit tot wijziging te verwerken. Wel is naar aanleiding van de opmerkingen over privacy in het besluit tot wijziging verwerkt dat de nieuwe woningen dichter op de Jan Westerlaan worden gesitueerd. Daardoor worden deze woningen op ruimere afstand van de woningen aan de Bentlagestraat gerealiseerd. 3.3. In wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad het besluit tot wijziging in strijd met artikel 10.2, tweede lid, van het Ob heeft vastgesteld. Uit het participatieverslag blijkt dat voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit contact is geweest met [appellant] over zijn ingebrachte reacties op het voornemen woningbouw mogelijk te maken op de locatie aan de Jan Westerlaan 1. Dit contact is zowel schriftelijk als telefoni
Bronpassage s0005
sch geweest. Ook heeft een gesprek plaatsgevonden met de wethouder. De stelling van [appellant] dat hij in een laat stadium bij de besluitvorming is betrokken, volgt de Afdeling dan ook niet. Dat [appellant] zich niet kan vinden in de wijze waarop participatie heeft plaatsgevonden, omdat er geen bewonersavonden en straatinterviews zijn georganiseerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit paragraaf 2.2 en 2.3 van het participatieverslag blijkt dat de locatie Jan Westerlaan 1 is ingedeeld in de categorie "locaties met gemengde reacties door een aantal omwonenden". Voor deze categorie is gekozen voor (telefonisch) contact met betrokkenen en niet voor bewonersavonden of straatinterviews. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad deze keuze kunnen maken. Bovendien volgt uit artikel 10.2, tweede lid, van het Ob ook geen verplichting om bewonersavonden of straatinterviews te houden. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd op welke wijze invulling is gegeven aan de participatieverplichting. Het betoog slaagt niet. Parkeren en verkeersveiligheid 4. [appellant] betoogt dat het besluit tot wijziging ervoor zorgt dat er meer parkeeroverlast ontstaat en daardoor ook verkeersonveilige situaties zullen ontstaan. [appellant] wijst er in dat kader op dat vlakbij de Jan Westerlaan 1 een basisschool is gevestigd. Door de woningbouw zullen 10 parkeerplaatsen die nu worden gebruikt door de basisschool, verdwijnen. [appellant] stelt dat er nu al te wei
Bronpassage s0006
nig parkeerplaatsen zijn. Daarnaast is in het besluit tot wijziging geen rekening gehouden met laadvoorzieningen voor elektrische auto’s. Volgens hem zullen extra parkeerplaatsen nodig zijn voor dergelijke voorzieningen, waardoor de parkeerdruk verder zal toenemen. [appellant] vreest dat het tekort aan parkeerplaatsen dat hierdoor ontstaat ervoor zal zorgen dat er verkeersonveilige situaties bij de basisschool ontstaan. Ook vreest [appellant] dat het tekort aan parkeerplaatsen ervoor zal zorgen dat de verkeersdrukte en parkeeroverlast aan de Bentlagestraat toenemen. [appellant] wijst erop dat de problemen omtrent verkeersveiligheid door de gemeente worden erkend. Er is namelijk een werkgroep opgestart die zich bezig houdt met de herstructurering van verkeersveilige situaties. Maar deze werkgroep is van plan groenstroken en het voetgangerspad aan de Bentlagestraat te laten wijken voor parkeergelegenheid. Daar kan [appellant] zich niet in vinden. 4.1. De raad heeft toegelicht dat de parkeerbehoefte voor de vier woningen is berekend op basis van de parkeercijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw (het CROW). De parkeerbehoefte bedraagt 6 parkeerplaatsen. Het bestaande parkeerterrein bij de basisschool wordt uitgebreid van 12 parkeerplaatsen naar 16 parkeerplaatsen en iedere woning krijgt daarnaast een parkeerplaats op eigen terrein. De raad heeft verder toegelicht dat de afdeling Ruimtelijk Beheer bezig is met een bredere analyse van
Bronpassage s0007
de verkeers- en parkeersituatie in de omgeving. Maar dat staat los van de beoordeling die in het kader van dit besluit tot wijziging is gemaakt. 4.2. In paragraaf 6.6.2 van de motivering van het besluit tot wijziging wordt door de raad toegelicht hoe rekening is gehouden met de verkeersgeneratie van de voorziene ontwikkeling. De raad heeft de verkeersgeneratie als gevolg van de nieuwe situatie berekend. De verwachte verkeersgeneratie bedraagt 22,4 extra verkeersbewegingen per weekdag. De raad licht toe dat de toevoeging van deze verkeersbewegingen nauwelijks waarneembaar is, en dat de Jan Westerlaan deze verkeersbewegingen kan verwerken op een veilige manier. 4.3. De Afdeling overweegt dat bij het mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling door het wijzigen van een omgevingsplan bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte door de komst van die ruimtelijke ontwikkeling. Dat betekent dat een bestaand tekort aan parkeerplaatsen, als dat er al zou zijn, niet door het besluit tot wijziging hoeft te worden opgelost. De Afdeling overweegt verder dat het besluit tot wijziging in meer parkeerplaatsen voorziet dan de parkeerbehoefte van de woningen. Dat is door [appellant] ook niet betwist. Daarnaast verdwijnen er, anders dan [appellant] betoogt, geen parkeerplaatsen door de beoogde ontwikkeling. De Afdeling ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de parkeerdruk
Bronpassage s0008
zal toenemen door het besluit tot wijziging. Mochten de toekomstige bewoners laadvoorzieningen bij hun woning plaatsen of mochten enkele openbare parkeerplaatsen gereserveerd worden voor laadvoorzieningen, zal dat, gelet op het ruime aantal parkeerplaatsen dat mogelijk wordt gemaakt, ook niet leiden tot een tekort aan parkeerplaatsen. Ook ziet de Afdeling geen aanknopingspunten dat het besluit tot wijziging zal leiden tot verkeersonveilige situaties. Zoals blijkt uit de motivering van het besluit tot wijziging, zorgt de komst van de vier woningen voor een nauwelijks waarneembare toename van verkeersbewegingen. [appellant] heeft verder niet geconcretiseerd waarom dit leidt tot verkeersonveilige situaties. Dat de verkeersveiligheid rondom de basisschool in ruime zin de aandacht heeft, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat de verkeersgeneratie die ontstaat door de vier woningen daar geen waarneembare invloed op heeft. Voor zover [appellant] nog heeft gewezen op de mogelijkheid dat groenstroken en een voetgangerspad aan de Bentlagestraat zullen verdwijnen, stelt de Afdeling vast dat het besluit tot wijziging niet daarop ziet. Daarom kan dit niet de rechtmatigheid van het besluit tot wijziging aantasten. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het besluit tot wijziging voorziet in voldoende parkeergelegenheid en dat geen onaanvaardbare verkeerssituatie zal ontstaan als gevolg van het besluit tot wijzigin
Bronpassage s0009
g. Het betoog slaagt niet. Afzonderlijk beoordeeld? 5. [appellant] betoogt dat de locatie Jan Westerlaan 1 ten onrechte onderdeel is gemaakt van het raadsbesluit waarbij voor negen verschillende locaties besluiten tot wijziging zijn vastgesteld. Volgens hem verschilt deze locatie van de overige locaties die in dat besluit zijn opgenomen en had de wijziging voor deze locatie afzonderlijk beoordeeld moeten worden. 5.1. De Afdeling stelt vast dat voor alle negen locaties waar de raad woningbouw mogelijk maakt een besluit tot wijziging van het omgevingsplan is vastgesteld. Zoals de raad ook heeft toegelicht, heeft voor elke locatie afzonderlijk een planologische beoordeling plaatsgevonden en is voor elke locatie afzonderlijk een besluit tot wijziging van het omgevingsplan genomen. Dat tijdens de raadsvergadering van 26 februari 2025 over alle negen besluiten tot wijziging is gestemd, maakt niet dat het besluit tot wijziging niet afzonderlijk is beoordeeld. Het betoog slaagt niet. Conclusie 6. Het beroep is ongegrond. 7. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Perlot, griffier. w.g. Besselink lid van de enkelvoudige kamer w.g. Perlot griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 952-1195
Het college moet na medisch onderzoek opnieuw beslissen over de urgentieaanvraag.s0006
De Afdeling vernietigt het bezwaarbesluit; het college moet na medisch onderzoek binnen tien weken na verzending opnieuw beslissen.s0006, s0007
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5794
De Afdeling vernietigt de rechtbankuitspraak en het besluit op bezwaar, zodat het college van burgemeester en wethouders van Delft opnieuw moet beslissen over de urgentieaanvraag van [appellant]. Hij heeft met medische stukken en een begeleidingsrapport aannemelijk gemaakt dat zijn medische problemen samenhangen met zijn huisvestingsprobleem. Het college had daarom nader medisch onderzoek moeten laten doen om toepassing van de hardheidsclausule zorgvuldig te beoordelen. [appellant] krijgt met deze uitspraak nog geen urgentieverklaring. Het nieuwe besluit moet binnen tien weken na verzending van de uitspraak worden genomen.s0005, s0006, s0007
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling vernietigt de rechtbankuitspraak en het besluit op bezwaar over de urgentieaanvraag van [appellant]. Het college van burgemeester en wethouders van Delft moet binnen tien weken na verzending van de uitspraak opnieuw beslissen. De aanvraag was afgewezen vanwege meerdere weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening Delft 2023. In hoger beroep ging het alleen nog om de vraag of onafhankelijk medisch onderzoek nodig was om toepassing van de hardheidsclausule zorgvuldig te beoordelen.s0002, s0004, s0006, s0007
Uit de uitspraak
De medische stukken beschrijven onder meer verhoogde druk in de hersenen, valneigingen en motorische beperkingen. Antistollingsmedicatie vergroot bij vallen het risico op hersenbloedingen, terwijl een knieprobleem de mobiliteit verder beperkt. KesslerPerspektief beschrijft de woning als onveilig, omdat [appellant] door de beperkte loopruimte meermaals is gevallen en gestruikeld. Volgens de Afdeling maken deze stukken het verband tussen zijn medische problematiek en het huisvestingsprobleem aannemelijk. Het college heeft de juistheid van die informatie niet bestreden en had nader medisch onderzoek moeten laten doen.s0005, s0006
Duiding
Voor de beoordeling van deze aanvraag is het onderscheid tussen aantonen en aannemelijk maken doorslaggevend. Het college verlangde dat [appellant] het oorzakelijke verband zelf aantoonde, terwijl de Afdeling aannemelijkheid voldoende achtte om nader onderzoek nodig te maken. De praktische les uit deze zaak is dat concrete medische informatie over de gevolgen van de woning aanleiding kan geven tot verder onderzoek. Dat onderzoek moet hier de beoordeling van de hardheidsclausule ondersteunen; de uitkomst van die beoordeling staat daarmee nog niet vast.s0005, s0006
Grenzen van deze toelichting
- In hoger beroep was uitsluitend in geschil of het college voor de beoordeling van de hardheidsclausule onafhankelijk medisch onderzoek had moeten laten doen.
- De uitspraak kent [appellant] geen urgentieverklaring toe; het college moet daarover opnieuw beslissen.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 27 maart 2025 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Delft een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] woont met zijn partner en kind in een flatwoning op de tweede verdieping. Hij heeft een urgentieverklaring aangevraagd, omdat de huidige woning niet passend is gelet op zijn lichamelijke en psychische klachten. De woning is te klein, waardoor hij wordt beperkt in zijn bewegingsruimte en de woning is alleen bereikbaar door eerst twee trappen op te lopen. Door een zeldzame ziekte die de druk in de hersenen verhoogt, knieproblemen en meerdere medische complicaties bestaat er noodzaak tot verhuizing. In hoger beroep is alleen nog in geschil of het college, in het kader van het toepassen van de hardheidsclausule, nader medisch onderzoek door een onafhankelijke arts had moeten laten doen.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202505942/1/A2. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Delft, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2025 in zaak nr. 25/5197 en 25/5713 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Delft. Procesverloop Bij besluit van 27 maart 2025 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.J. de Kaste, advocaat in Amersfoort, en het college, vertegenwoordigd door V. Chedi zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] woont met zijn partner en kind in een flatwoning op de tweede verdieping. Hij heeft een urgentieverklaring aangevraagd, omdat de huidige woning niet passend is gelet op zijn lichamelijke en psychische klachten. De woning is te klein, waardoor hij wordt beperkt in zijn bewegingsruimte en de woning is alleen bereikbaar door eerst twee trappen op te lopen. Door een zeldzame
Bronpassage s0002
ziekte die de druk in de hersenen verhoogt, knieproblemen en meerdere medische complicaties bestaat er noodzaak tot verhuizing. 2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 27 maart 2025 heeft het college de aanvraag van [appellant] afgewezen, op grond van meerdere weigeringsgronden genoemd in artikel 4:5 van de Huisvestingsverordening Delft 2023 (de Verordening). Omdat er meerdere weigeringsgronden van toepassing zijn, is het college niet toegekomen aan de beoordeling van de sociale en medische omstandigheden van [appellant]. Het college heeft de hardheidsclausule van artikel 7:3 van de Verordening niet toegepast, omdat de situatie van [appellant], volgens het college, zich niet zodanig onderscheidt van die van andere woningzoekenden in de regio dat aan hem met voorrang boven deze andere woningzoekenden een urgentieverklaring moet worden toegekend. 3. [appellant] heeft op 11 augustus 2025 verzocht om een voorlopige voorziening, omdat hij een knieoperatie in het verschiet had. Voor het herstel is rust, mobiliteit, en een valveilige woonomgeving vereist. Hij zal ook begeleiding en toezicht nodig hebben. [appellant] heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht om onverwijlde toewijzing van een tijdelijke, veilige woonruimte waarin hij kan herstellen en het college te verplichten om een onafhankelijk medisch onderzoek te laten verrichten naar de geschiktheid van de huidige woning voor postoperatief herstel. Uitspraak van de rechtbank 4. Ondanks het feit dat de knieoperatie i
Bronpassage s0003
s uitgesteld, heeft de voorzieningenrechter voldoende aanknopingspunten gezien voor de stelling dat de medische situatie van [appellant] zodanig is dat redelijkerwijs niet van hem kon worden verwacht dat hij de uitspraak op het door hem ingestelde beroep moest afwachten. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er spoedeisend belang was en heeft op het beroep beslist. 5. Het college heeft terecht gesteld dat een te kleine woning niet kan worden aangemerkt als een urgent huisvestingsprobleem. De woning was ook al te klein toen [appellant] deze op 17 januari 2022 betrok. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn medische situatie gedurende de tijd dat hij de woning bewoont, is verslechterd. Verder mocht het college [appellant] ook tegenwerpen dat het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of was te voorzien, omdat hij zijn huishouden heeft uitgebreid zonder over daarvoor passende woonruimte te beschikken. Omdat er meerdere weigeringsgronden van toepassing zijn, was het college niet gehouden de urgentieaanvraag op sociale of medische gronden te beoordelen. Verder heeft [appellant] met de overgelegde medische stukken niet onderbouwd dat zijn huisvestingsprobleem dermate schrijnend is dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen en [appellant] in afwijking van het beleid een urgentieverklaring had moeten verlenen. De medische stukken uit 2017 tonen niet aan dat er een causaal verband bestaat tussen de medische problematiek en het huisvestingsprobleem
Bronpassage s0004
van [appellant]. Het college heeft terecht geen aanleiding hoeven zien om zelf medisch onderzoek in te stellen. Hoger beroep 6. In hoger beroep is alleen nog in geschil of het college, in het kader van het toepassen van de hardheidsclausule, nader medisch onderzoek door een onafhankelijke arts had moeten laten doen. 6.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er ernstige medische omstandigheden zijn die ten onrechte niet zijn meegewogen door het college. Hij heeft medische stukken overgelegd die aantonen dat een stabiele en veilige woonomgeving medisch gezien noodzakelijk is. Het college heeft zich laten leiden door het advies van een Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)-consulente die wel de noodzaak voor verhuizing heeft erkend, maar niet op korte termijn. Het had op de weg van het college gelegen om zijn medische situatie nader te laten beoordelen door een onafhankelijke arts en bij hem om aanvullende informatie te vragen. Door dit na te laten heeft het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel gehandeld. 6.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld er geen aanleiding bestond om een onafhankelijk medisch onderzoek in te stellen. Daarvoor is namelijk vereist dat [appellant] met medische verklaringen kan aantonen dat er een causaal verband bestaat tussen de medische problematiek en zijn huisvestingsprobleem. Daar is [appellant], volgens het college, niet in geslaagd. 6.3. Uit de medische stukken van het Reinier d
Bronpassage s0005
e Graaf Gasthuis blijkt onder andere dat [appellant] kampt met aanhoudende medische complicaties, waaronder hydrocephalus, wat leidt tot verhoogde intracraniële druk, valneigingen en motorische beperkingen. Omdat hij in het verleden diepveneuze trombose heeft gehad, gebruikt hij structureel antistollingsmedicatie, die het risico op hersenbloedingen bij vallen verhoogt. [appellant] wordt verder beperkt in zijn mobiliteit door een degeneratief knieprobleem, dat bijdraagt aan het risico op vallen. Hij staat op de wachtlijst om aan zijn knie geopereerd te worden. Naast de vele medische complicaties (niet alle hier genoemd) die blijken uit de medische stukken, heeft de begeleider van [appellant] bij KesslerPerspektief de conclusie van de Wmo-consulente - dat er geen noodzaak is om op korte termijn te verhuizen - weerlegd. In het rapport van KesslerPerspektief van 18 januari 2024 wordt de woning als onveilig bestempeld voor [appellant], omdat hij al meerdere keren is gevallen en gestruikeld vanwege de beperkte loopruimte in de woning. Daarnaast is er veel overlast door cannabisgebruik van de buren, waar [appellant] met zijn beperkte longfunctie ziek van wordt. 6.4. Voor toepassing van de hardheidsclausule is niet vereist dat [appellant] zelf aantoont dat een causaal verband bestaat tussen de medische problematiek en het huisvestingsprobleem. Het is voldoende dat hij dat aannemelijk maakt. Het is vervolgens aan het college om zo nodig nader onderzoek te (laten) doen naar de klachten
Bronpassage s0006
en de impact daarvan op de huisvestingssituatie. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] met de overgelegde medische stukken aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen de medische problematiek en het huisvestingsprobleem van [appellant]. Gelet op deze informatie, waarvan de juistheid door het college niet is bestreden, en met name de medische stukken van het Reinier de Graaf Gasthuis en het rapport van KesslerPerspektief, had het college nader medisch onderzoek moeten laten doen om zorgvuldig te kunnen beoordelen of de medische situatie reden is voor toepassing van de hardheidsclausule. Omdat het college dit niet heeft gedaan, is het besluit van 14 augustus 2025 onzorgvuldig tot stand gekomen. 7. Het betoog slaagt. Conclusie 8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, verklaart de Afdeling het beroep gegrond en vernietigt zij het besluit van 14 augustus 2025. Het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen. 9. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. 10. Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
Bronpassage s0007
State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2025 in zaak nr. 25/5197 en 25/5713; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 14 augustus 2025 met kenmerk 6157679; V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Delft op om binnen tien weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen; VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Delft tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.068,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Delft aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 483,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Borman lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Loon griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 284-1112
De Afdeling laat € 199,57 aan opruimkosten voor rekening van [appellant].s0002, s0003
Het beroep is ongegrond; [appellant] moet € 199,57 betalen en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.s0002, s0003
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5795
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond, waardoor [appellant] € 199,57 aan het college van burgemeester en wethouders van Den Haag moet betalen. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. [appellant] betwistte niet dat hij een kartonnen doos verkeerd had aangeboden. Het college onderbouwde de kosten van verwijdering in zijn verweerschrift. Het bedrag betreft slechts een deel van de extra kosten. Omdat [appellant] geen concrete argumenten aanvoerde dat deze kosten niet waren gemaakt of redelijkerwijs niet nodig waren, ziet de Afdeling geen aanleiding het bedrag te hoog te vinden.s0001, s0002, s0003
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De bestuursdwang bestond uit het verwijderen van een kartonnen doos naast een ondergrondse papiercontainer in Den Haag. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag herleidde de doos tot [appellant] aan de hand van zijn naam en adres op het adreslabel. Omdat [appellant] niet betwistte dat hij de doos verkeerd had aangeboden, mocht het college hem als overtreder aanmerken.s0001, s0002
Uit de uitspraak
De Afdeling overweegt dat de kosten van verwijdering in beginsel voor rekening van de overtreder behoren te komen en niet voor de gemeenschap. Het college gaf in zijn verweerschrift een uiteenzetting van de gemaakte kosten, die aan [appellant] is toegezonden. Volgens de Afdeling vertegenwoordigt € 199,57 een deel van de extra kosten door het verkeerd aanbieden. [appellant] gaf geen concrete argumenten waarom die kosten niet waren gemaakt of redelijkerwijs niet nodig waren.s0002, s0003
Duiding
Voor het beoordelen van een bezwaar tegen deze kosten is vooral de reactie op de verstrekte onderbouwing van belang. [appellant] vroeg om inzicht in de kosten van zijn geval. Nadat het college die kosten had toegelicht, bleef een concrete betwisting daarvan uit. De uitspraak laat daarmee zien waarom zijn betoog hier onvoldoende was: hij maakte niet concreet welke kosten volgens hem niet waren gemaakt of redelijkerwijs achterwege hadden kunnen blijven. De beslissing biedt geen grond om ieder bedrag voor het verwijderen van verkeerd aangeboden afval aanvaardbaar te achten.s0002, s0003
Grenzen van deze toelichting
- De uitspraak vermeldt dat het college een kostenonderbouwing heeft verstrekt, maar geeft geen uitsplitsing van de bedragen per kostenpost.
- De beoordeling betreft het kostenverhaal voor deze kartonnen doos; [appellant] heeft niet betwist dat hij de doos verkeerd heeft aangeboden.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 20 december 2025 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 12 december 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt. [appellant] voert aan dat het bedrag van € 199,57 niet de kosten zijn die het college daadwerkelijk heeft moeten maken voor het opruimen van de kartonnen doos. Hij heeft daarom verzocht om een onderbouwing van de kosten die in zijn geval zijn gemaakt.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202601412/1/R4. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 20 december 2025 heeft het college zijn beslissing om op 12 december 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt. Bij besluit van 23 april 2026 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. Overwegingen 1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 12 december 2025 door een toezichthouder is aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer ter hoogte van [locatie] in Den
Bronpassage s0002
Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de kartonnen doos staan. 2. [appellant] voert aan dat het bedrag van € 199,57 niet de kosten zijn die het college daadwerkelijk heeft moeten maken voor het opruimen van de kartonnen doos. Hij heeft daarom verzocht om een onderbouwing van de kosten die in zijn geval zijn gemaakt. 2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de kosten die zijn gemaakt, extra kosten zijn voor het verwijderen, onderzoeken en afvoeren van de gevonden kartonnen doos. Er zijn geen omstandigheden op grond waarvan in dit geval zou moeten worden afgezien van kostenverhaal, aldus het college. 2.2. [appellant] heeft niet betwist dat hij de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden. Het college kon er dan ook van uitgaan dat [appellant] degene was die de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden. Het college heeft kosten moeten maken voor het verwijderen van de kartonnen doos. Die kosten behoren op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb in beginsel voor rekening van de overtreder te komen en niet voor de gemeenschap. Het college heeft in zijn verweerschrift een uiteenzetting gegeven van de gemaakte kosten voor het verwijderen van de verkeerd aangeboden kartonnen doos. Die uiteenzetting is door de Afdeling bij brief van 28 juli 2026 aan [appellant] toegezonden. Het bedrag van € 199,57 dat het college voor rekening van [appellant] heeft gebracht, betreft e
Bronpassage s0003
en deel van de extra kosten die het college heeft moeten maken doordat de kartonnen doos verkeerd is aangeboden. [appellant] heeft niet met concrete argumenten betoogd dat het college deze kosten niet heeft gemaakt of redelijkerwijs niet had hoeven maken. Er is dus geen aanleiding voor het oordeel dat de in rekening gebrachte kosten te hoog zijn. Het betoog slaagt niet. 3. Het beroep is ongegrond. 4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier. w.g. Van Veldhuizen lid van de enkelvoudige kamer w.g. Sparreboom griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 195-1089
De Afdeling laat de vergunningweigering voor de dakopbouw van [appellant] in stand.s0002, s0008
De Afdeling bevestigt de rechtbankuitspraak; de vergunningweigering blijft staan en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.s0001, s0008
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5797
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond, waardoor de vergunningweigering voor de verbouwing van de woning van [appellant] blijft staan. De dakopbouw brengt de goothoogte volgens de toepasselijke meetregels op 8,38 meter, terwijl maximaal 3 meter is toegestaan. Dat de bestaande regengoot blijft zitten, verandert dit niet: door de uitbreiding van het platte dak wordt de druiplijn daarvan bepalend. Tegen de weigering om van het bestemmingsplan af te wijken is geen hogerberoepsgrond gericht. Ook blijft het beroep over de eerste, buiten behandeling gestelde aanvraag niet-ontvankelijk wegens ontbrekend procesbelang.s0004, s0006, s0007, s0008
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling bevestigt de rechtbankuitspraak. Daarmee blijft ook de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep over de eerste aanvraag staan: [appellant] heeft geen procesbelang meer bij die beoordeling. Alleen de principiële betekenis van een uitspraak is daarvoor onvoldoende. De Afdeling verwerpt bovendien zijn opvatting dat het college pas informatie over het bouwplan mag opvragen nadat de bestemmingsplantoets is afgerond. Omdat beide aanvragen vóór 1 januari 2024 zijn ingediend, blijft hier de Wabo van vóór die datum van toepassing.s0002, s0004, s0008
Uit de uitspraak
Het bouwplan moet een tweede woning opleveren voor de dochter van [appellant], die hem mantelzorg verleent. De bestaande regengoot en de bouwhoogte aan de voorzijde blijven ongewijzigd. Toch verandert volgens de Afdeling de goothoogte: door de uitbreiding van het platte dak ten opzichte van het resterende schuine dakvlak wordt de druiplijn van het platte dak bepalend. De goothoogte wordt daardoor 8,38 meter, terwijl het bestemmingsplan maximaal 3 meter toestaat. De ingebrachte adviezen gaan niet in op deze redenering.s0002, s0006, s0007
Duiding
Voor de beoordeling van dit bouwplan biedt het behoud van de bestaande regengoot dus onvoldoende houvast. Wie de toelaatbaarheid van deze dakopbouw wil onderbouwen, moet de meetregels en de veranderde verhouding tussen het platte en schuine dak betrekken. Een verwijzing naar dakkapellen in de omgeving weerlegt die uitleg hier niet; de Afdeling wijst erop dat dakkapellen in het achterdakvlak onder voorwaarden vergunningvrij kunnen zijn. Daarnaast bleef de weigering om van het bestemmingsplan af te wijken buiten de inhoudelijke beoordeling in hoger beroep, omdat [appellant] daartegen geen grond had gericht.s0005, s0006, s0007, s0008
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling beoordeelt de volledigheid van de eerste aanvraag niet inhoudelijk, omdat [appellant] daarbij geen procesbelang meer heeft.
- Het oordeel betreft de concrete dakopbouw en de meetregels van het bestemmingsplan "Van Tubergen".
- De Afdeling beoordeelt de weigering om van het bestemmingsplan af te wijken niet inhoudelijk, omdat daartegen geen hogerberoepsgrond is gericht.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 25 november 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het verbouwen van de woning op het perceel [locatie] in Haarlem buiten behandeling gesteld. [appellant] wil zijn woning verbouwen om daarvan twee woningen te maken. Het bouwplan bestaat uit het bouwen van een dakopbouw in het achterdakvlak van de woning en een dakopbouw op het dakterras, zodat daarop een nieuwe woning komt ter hoogte van de tweede verdieping. Het is de bedoeling dat de dochter van [appellant], die hem mantelzorg verleent, in de nieuwe woning komt wonen. [appellant] heeft twee keer een omgevingsvergunning voor het bouwplan aangevraagd. De eerste keer heeft het college de aanvraag buiten behandeling gelaten, omdat de aanvraag volgens het college niet compleet was. De tweede keer heeft het college een inhoudelijk besluit op de aanvraag genomen. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat de gewijzigde goothoogte van het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en vanwege het ontbreken van een parkeerplaats en verdere afspraken daarover. Ook is het college niet bereid om van het bestemmingsplan af te wijken om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202501380/1/R1. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Haarlem, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 februari 2025 in zaak nrs. 23/5520 en 24/665 in het geding tussen: en het college van burgemeester en wethouders van Haarlem. Procesverloop Bij besluit van 25 november 2022 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het verbouwen van de woning op het perceel [locatie] in Haarlem buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten. Bij besluit van 5 mei 2023 heeft het college geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen van de woning op het perceel [locatie] in Haarlem. Bij besluit van 17 januari 2024 heeft het college naar aanleiding van het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar het besluit van 5 mei 2023 in stand gelaten en de motivering daarvan aangepast. Bij uitspraak van 7 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 18 juli 2023 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 17 januari 2024 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de z
Bronpassage s0002
aak op een zitting behandeld op 7 september 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.E. van Gilst, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend op 5 oktober 2022 en 23 februari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellant] wil zijn woning verbouwen om daarvan twee woningen te maken. Het bouwplan bestaat uit het bouwen van een dakopbouw in het achterdakvlak van de woning en een dakopbouw op het dakterras, zodat daarop een nieuwe woning komt ter hoogte van de tweede verdieping. Het is de bedoeling dat de dochter van [appellant], die hem mantelzorg verleent, in de nieuwe woning komt wonen. [appellant] heeft twee keer een omgevingsvergunning voor het bouwplan aangevraagd. De eerste keer heeft het college de aanvraag buiten behandeling gelaten, omdat de
Bronpassage s0003
aanvraag volgens het college niet compleet was. De tweede keer heeft het college een inhoudelijk besluit op de aanvraag genomen. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat de gewijzigde goothoogte van het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en vanwege het ontbreken van een parkeerplaats en verdere afspraken daarover. Ook is het college niet bereid om van het bestemmingsplan af te wijken om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen. [appellant] vindt dat het college de eerste aanvraag inhoudelijk had moeten behandelen en dat de rechtbank daarover ten onrechte geen oordeel heeft gegeven. Bovendien is er volgens [appellant] geen strijd met het bestemmingsplan, zodat er een omgevingsvergunning verleend had moeten worden. De rechtbank deelt de conclusie van het college dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. [appellant] is het daarmee niet eens. 3. Tussen partijen is niet in geschil dat beide aanvragen voor de omgevingsvergunning gelijk zijn. De aanvraag ziet op de activiteit "bouwen". 4. Ter plaatse geldt, voor zover hier van belang, het bestemmingsplan "Van Tubergen". Daarin heeft het perceel, voor zover hier van belang, de bestemmingen "Wonen" en "Waarde - Beschermd stadsgezicht" met de aanduidingen "maximum bouwhoogte" en "maximum goothoogte". Ook geldt het bestemmingsplan "Parapluplan parkeernormen Haarlem 2018". Beoordeling van de buitenbehandelingstelling 5. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankeli
Bronpassage s0004
jk heeft verklaard. Volgens [appellant] heeft hij er recht op om een oordeel te krijgen over de vraag of het college zijn aanvraag buiten behandeling mocht laten. [appellant] stelt dat zijn aanvraag compleet was en in overeenstemming was met het bestemmingsplan, zodat de omgevingsvergunning verleend moest worden. 5.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Alleen de eventueel principiële betekenis van een uitspraak is geen reden om toch inhoudelijk uitspraak te doen. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] geen procesbelang heeft bij een oordeel over het besluit van 18 juli 2023. De Afdeling kan zich in dat oordeel vinden en zoals de rechtbank dat in overweging 3.4 van de uitspraak heeft overwogen. Anders dan [appellant] stelt, is er geen rechtsregel die bepaalt dat het college geen informatie over het bouwplan mag opvragen voordat de toets aan het bestemmingsplan is afgerond. Het betoog slaagt niet. Beoordeling van de w
Bronpassage s0005
eigering van de omgevingsvergunning 6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in strijd is met de planregels. Volgens hem hebben zowel de rechtbank als het college de planregels onjuist uitgelegd en toegepast. De goothoogte wijzigt namelijk niet door realisering van het bouwplan. Het platte dak wordt slechts uitgebreid. De rechtbank heeft volgens [appellant] niet onderkend dat de dakrand van het platte dak niet kan worden aangeduid als goot. Volgens hem moet de aansluiting van de opgetrokken voorgevel met het platte dak als bouwhoogte gekwalificeerd worden. Volgens [appellant] onderschrijven verschillende deskundigen dat de gewijzigde gevel in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Ook wijst hij op verschillende dakkapellen in de omgeving die immers ook niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. 6.1. Artikel 15.2, aanhef en onder l, van de planregels bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding "maximale goothoogte - maximale bouwhoogte" binnen de aangegeven maximale goot- en bouwhoogte moet worden gebouwd, waarbij de maximale bouwhoogte grenst aan openbaar gebied. 6.2. Op de verbeelding van het bestemmingsplan staat dat de maximum goothoogte 3 m is. In de planregels is niet nader gedefinieerd wat onder "goothoogte" wordt verstaan. Wel volgt uit artikel 2.1, aanhef en onder d, van de planregels op welke wijze de goothoogte moet worden gemeten. Artikel 2.1, aanhef en onder e, van de planregels bepaalt verder hoe de goothoogte bij
Bronpassage s0006
gedeeltelijke geveloptrekkingen wordt gemeten. Deze regels luiden als volgt: In artikel 2.1, aanhef en onder d, van de planregels staat dat de goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Artikel 2.1, aanhef en onder e, bepaalt dat indien zich op enige zijde van een gebouw één of meer dakkapellen of gedeeltelijke geveloptrekkingen bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte, de hoogte vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de dakkapel of geveloptrekking als goothoogte wordt aangemerkt. 6.3. Het bouwplan voorziet erin dat een deel van het schuine dakvlak aan de achterzijde van de woning wordt vervangen door een plat dak. De bestaande regengoot aan de achterzijde blijft ongewijzigd. De bouwhoogte van het platte dak aan de voorzijde van de woning blijft ook ongewijzigd. De totale oppervlakte van het platte dak neemt toe, omdat de beoogde opbouw zal aansluiten op het bestaande platte dak. 6.4. Het college heeft zich in het besluit van 17 januari 2024 op het standpunt gesteld dat de goothoogte door realisering van het bouwplan ter hoogte van de bovenkant van de voorziene dakopbouw komt te liggen. Dat betekent dat de nieuwe goothoogte 8,38 m is, hetgeen aanzienlijk hoger is dan de 3 m die ter plaatse is toegestaan. De rechtbank heeft die le
Bronpassage s0007
zing van het college gevolgd, zoals uiteengezet onder 7.2.2 van de uitspraak. De Afdeling sluit zich daarbij aan en onderschrijft hetgeen de rechtbank onder 7.2.2 heeft overwogen. Kort en goed komt dat op het volgende neer. Uit artikel 2.1, aanhef en onder d, van de planregels volgt hoe de goothoogte moet worden gemeten. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:3032) terecht overwogen dat daaruit volgt dat niet de plaats waar de goot is aangebracht bepalend is voor de goothoogte, maar de plaats waar het water vanaf druipt of waar een boeiboord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel is aangebracht. In dit geval betekent het dat de goothoogte niet op de plaats van de regengoot onderaan het schuine dak blijft. Vanwege het toegenomen oppervlak van het platte dak in verhouding tot het resterende schuine dakvlak, komt de goothoogte op de plaats van de druiplijn van het platte dak te liggen. Anders dan [appellant] stelt, betekent de aanwezigheid van dakkapellen in de omgeving niet dat de voorgaande uitleg van de planregels onjuist is. In dat verband is relevant dat dakkapellen in het achterdakvlak van een woning onder bepaalde voorwaarden vergunningvrij kunnen worden gerealiseerd. Verder hebben de door [appellant] ingebrachte adviezen niet de waarde die [appellant] daaraan hecht, alleen al omdat daarin niet wordt ingegaan op de door de rechtbank gevolgde redenering. Het betoog slaagt niet. 7. Op de zitting i
Bronpassage s0008
s gebleken dat er geen grond is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het standpunt van het college dat het niet bereid is om van het bestemmingsplan af te wijken. Slot en conclusie 8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Wijgerde griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 672
De gebruikslast blijft gelden, maar de last tegen de bouwkundige splitsing vervalt.s0001, s0010
De Afdeling bevestigt de gebruikslast voor één huishouden en het vervallen van de bouwkundige herstelplicht.s0001, s0004, s0010
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5798
De Afdeling bevestigt dat [appellant sub 1] de bewoning door meer dan één huishouden moet staken en gestaakt houden, terwijl de bouwkundige herstelplicht vervalt. Het college heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de bovenwoning zelf zonder vergunning heeft gesplitst. Evenmin is aangetoond dat zij bij aankoop concrete aanwijzingen had voor een splitsing zonder vergunning. De rechtszekerheid staat daarom handhaving tegen het in stand laten daarvan in de weg. Het strijdige gebruik blijft wel handhaafbaar. Het huisnummerbesluit, de heffingsaanslagen en de onvoldoende geconcretiseerde bezoeken rechtvaardigen geen vertrouwen dat het college daartegen niet zou optreden.s0005, s0007, s0008, s0009, s0010
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling beoordeelt de last volgens de Wabo zoals die vóór 1 januari 2024 gold, omdat het college de last al op 25 april 2023 had opgelegd. Het college heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant sub 1] de woning zelf zonder vergunning heeft gesplitst. Het aanvraagformulier voor een huisnummer bood daarvoor onvoldoende bewijs. Ook heeft het college niet aangetoond dat zij bij de aankoop in 1985 concrete aanwijzingen had voor een splitsing zonder vergunning. De rechtszekerheid verzet zich daarom tegen handhaving wegens het in stand laten daarvan.s0002, s0005, s0007, s0008
Uit de uitspraak
Voor de bewoning door meerdere huishoudens blijft de last wel gelden. Het bestemmingsplan staat maximaal één huishouden per woning toe. [appellant sub 1] betwist niet dat zij voor het strijdige gebruik als overtreder kan worden aangemerkt. Haar beroep op gewekt vertrouwen slaagt niet. Het huisnummerbesluit verleende geen toestemming voor bewoning en bevatte een disclaimer. De heffingsaanslagen volgden de feitelijke situatie. De gestelde gemeentelijke bezoeken waren onvoldoende concreet beschreven om daaruit vertrouwen te kunnen afleiden.s0003, s0006, s0008, s0009, s0010
Duiding
Deze zaak laat zien waarom de afzonderlijke onderdelen van een handhavingslast aandacht verdienen. Het bewijs over de bouwkundige splitsing en de kennis bij aankoop droeg hier het oordeel over de bouwkundige herstelplicht. Dat oordeel bood [appellant sub 1] geen ruimte om de bewoning door meerdere huishoudens voort te zetten. Voor haar beroep op vertrouwen waren de inhoud van het huisnummerbesluit en de betekenis van de heffingsaanslagen bepalend. Die omstandigheden ondersteunden in deze zaak geen verwachting dat het college van handhaving tegen het gebruik zou afzien.s0005, s0007, s0008, s0009, s0010
Grenzen van deze toelichting
- De uitspraak stelt niet vast wanneer en door wie de bovenwoning bouwkundig is gesplitst.
- Volgens de uitspraak waren nog geen dwangsommen verbeurd, omdat het college nog geen constateringen had gedaan.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 25 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot de woning op het adres [locatie] in Haarlem. [appellant sub 1] is sinds 1985 eigenaar van een bovenwoning aan de [locatie] in Haarlem. [appellant sub 1] woont elders. Bij een controle op 31 maart 2022 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat de bovenwoning in twee aparte woningen is opgedeeld, zonder dat hiervoor de vereiste vergunningen zijn verleend. Het college stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de bovenwoning voor twee woningen niet is toegestaan. Daarom heeft het college aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Reparatieplan C Haarlem 2022", waarin het perceel de bestemming "Wonen" heeft. Gronden met die bestemming zijn bestemd voor wonen in woningen. Volgens de planregels dient een woning voor de huisvesting van maximaal één huishouden.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202503291/1/R1. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend in Haarlem, 2. het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 april 2025 in zaak nr. 23/7637 in het geding tussen: [appellant sub 1] en het college. Procesverloop Bij besluit van 25 april 2023 heeft het college [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot de woning op het adres [locatie] in Haarlem. Bij besluit van 15 november 2023 heeft het college het besluit tot oplegging van de dwangsom in stand gelaten. Bij uitspraak van 29 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 november 2023 vernietigd voor zover daarin een last onder dwangsom wordt opgelegd voor het zonder de benodigde vergunning bouwkundig splitsen van een woning en het in stand laten van deze splitsing, en het besluit van 25 april 2023 herroepen voor zover daarin een last onder dwangsom wordt opgelegd voor het zonder de benodigde vergunningen splitsen van de woning en het in stand laten van de bouwkundige splitsing. Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld. Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant sub 1] heeft een zienswijze ingediend naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep. De Afdeling h
Bronpassage s0002
eeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2026, waar [gemachtigde] namens [appellant sub 1], bijgestaan door mr. P.A.J. van Putten, advocaat in Almere, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Vrij en mr. Z. Aygunes, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluit van 25 april 2023 heeft het college aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellant sub 1] is sinds 1985 eigenaar van een bovenwoning aan de [locatie] in Haarlem. [appellant sub 1] woont elders. Bij een controle op 31 maart 2022 heeft een toezichthouder van de gemeente geconsta
Bronpassage s0003
teerd dat de bovenwoning in twee aparte woningen is opgedeeld, zonder dat hiervoor de vereiste vergunningen zijn verleend. Het college stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de bovenwoning voor twee woningen niet is toegestaan. Daarom heeft het college aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 1] op een aantal punten gehonoreerd. De rechtbank heeft het beroep dat [appellant sub 1] op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan, niet gehonoreerd. [appellant sub 1] is het daarmee niet eens. Het college heeft in het hoger beroep van [appellant sub 1] aanleiding gezien om incidenteel hoger beroep in te stellen. De last onder dwangsom 3. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Reparatieplan C Haarlem 2022", waarin het perceel de bestemming "Wonen" heeft. Gronden met die bestemming zijn bestemd voor wonen in woningen. Volgens de planregels dient een woning voor de huisvesting van maximaal één huishouden. Ook geldt ter plaatse de Huisvestingsverordening "Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2022". Daarin is bepaald dat woonruimten in bepaalde delen van de gemeente niet zonder vergunning mogen worden verbouwd tot twee of meer woonruimten. 4. Partijen gaan ervan uit dat het college een last onder dwangsom heeft opgelegd voor de volgende overtredingen: 1) het bouwkundig splitsen van de bovenwoning zonder de benodigde vergunningen (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo en artikel 3.1.2 van de Huisvestingsvero
Bronpassage s0004
rdening); 2) het instandlaten van de bouwkundige splitsing (artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo); 3) het gebruik van de woning voor meer dan één huishouden (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo gelezen samen met artikel 20.3 van de planregels). Tussen partijen is niet in geschil dat de last inhoudt dat [appellant sub 1] - de splitsing van de originele bovenwoning in twee separate woningen ongedaan moet maken, door deze terug te brengen naar één bovenwoning zoals die laatstelijk is vergund; - het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de bovenwoning moet staken en gestaakt houden door daarin slechts één huishouden te huisvesten. De dwangsom die aan dit besluit is verbonden, is € 10.000,00 voor de eerste keer dat een overtreding wordt geconstateerd, € 15.000,00 voor de tweede geconstateerde overtreding en € 20.000,00 voor de derde geconstateerde overtreding. Het college heeft de begunstigingstermijn laatstelijk verlengd tot 1 februari 2024. Het college heeft tot nu toe geen constateringen gedaan, zodat er nog geen dwangsommen zijn verbeurd. De bevoegdheid van het college 5. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [appellant sub 1] overtreder is van het verbod op het bouwkundig splitsen van de woning zonder de benodigde vergunningen. Volgens het college is het splitsen van woningen altijd vergunningplichtig, ook in het verleden. In dat verband wijst het college erop dat het geen vergunningen verstrekt voor woningen met een opperv
Bronpassage s0005
lakte kleiner dan 50 m2. 5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de bovenwoning is gesplitst zonder dat daarvoor de benodigde vergunningen zijn verleend. Dat betekent dat overtreding 1, zoals vermeld onder overweging 4, aanwezig is. Partijen zijn verdeeld over de vraag wanneer de bovenwoning is gesplitst en door wie. 5.2. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant sub 1] overtreder is van het verbod om de bovenwoning zonder vergunning te splitsen. Het college heeft zich ter onderbouwing van dit standpunt namelijk alleen gebaseerd op het aanvraagformulier van 24 november 2012 voor het huisnummerbesluit. De omstandigheid dat [appellant sub 1] op dit formulier als reden heeft opgegeven "Splitsing woning per 1-9-2012", kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat [appellant sub 1] na aankoop van de woning in 1985 de bovenverdieping bouwkundig heeft gesplitst. [appellant sub 1] heeft betwist dat de woning pas in 2012 is gesplitst. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat de woning toen zij die in 1985 kocht al bouwkundig was gesplitst. Het formulier dat zij heeft ingevuld is hierover niet eenduidig. Bij de vraag "Is er een bouwvergunning aanwezig?" heeft zij opgeschreven dat dat niet van toepassing is. Dat betekent niet dat de woning pas op dat moment bouwkundig is gesplitst. De rechtbank heeft gelet hierop terecht overwogen dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant sub 1] de bovenwoning z
Bronpassage s0006
onder vergunning heeft gesplitst. Het betoog slaagt niet. 6. De andere overtredingen, genoemd onder overweging 4, worden door [appellant sub 1] niet betwist. Het in stand laten van de bouwkundige splitsing van de woning is een overtreding van artikel 2.3a van de Wabo (overtreding 2). Het gebruik van de woning voor meer dan één huishouden is een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo gelezen samen met artikel 20.3 van de planregels (overtreding 3). [appellant sub 1] heeft niet betwist dat zij daarvoor als overtreder kan worden aangemerkt. Dat betekent dat het college jegens [appellant sub 1] bevoegd was om handhavend op te treden tegen de overtreding daarvan. Bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien 7. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden
Bronpassage s0007
moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. 8. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er bijzondere omstandigheden zijn waardoor van handhavend optreden vanwege overtreding van artikel 2.3.a, eerste lid, van de Wabo moet worden afgezien. Volgens het college was het splitsen van woningen ook in het verleden altijd vergunningplichtig. 8.1. De rechtbank heeft onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling (waaronder de uitspraak van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2080, onder 6.3) terecht geoordeeld dat de rechtszekerheid zich ertegen verzet dat het college op grond van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo handhavend optreedt tegenover [appellant sub 1]. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat, zoals ook hiervoor onder 5.2 is overwogen, het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant sub 1] de woning bouwkundig heeft gesplitst zonder de benodigde vergunningen. De niet-onderbouwde stelling dat het splitsen van woningen altijd vergunningplichtig is geweest, heeft de rechtbank terecht onvoldoende geacht. Dat betekent namelijk niet automatisch dat [appellant sub 1] ten tijde van de verkrijgin
Bronpassage s0008
g van de woning in 1985 concrete aanwijzingen had dat de woning zonder benodigde vergunningen bouwkundig was gesplitst. Het college heeft daarvoor in hoger beroep ook geen bewijs aangedragen. Het betoog slaagt niet. 9. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt niet te zullen handhaven tegen het gebruik van de gesplitste bovenwoning door meerdere huishoudens. Het college heeft namelijk op 13 december 2012 een huisnummerbesluit genomen en er zijn heffingsaanslagen over de twee aparte woonruimten aan [appellant sub 1] opgelegd. Verder zijn er volgens [appellant sub 1] bezoeken aan de bovenwoning gebracht. Gelet op deze omstandigheden in combinatie met het ruime tijdsverloop, mocht [appellant sub 1] erop vertrouwen dat het college niet meer zou handhaven. 9.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. 9.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant sub 1] aan het toekennen van een huisnummer niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat daarmee ook woningsplitsing zou zijn toegestaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de door de rechtbank genoemde uitspraak van 2 december 2020 (ECLI:
Bronpassage s0009
NL:RVS:2020:2871), behelst een besluit tot toekenning van een huisnummer op grond van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen geen verlening van toestemming voor het gebruiken van een pand als woning. Dat volgt ook uit de disclaimer die bij het huisnummerbesluit hoort. Daarin staat dat daaraan geen andere rechten kunnen worden ontleend dan het recht om van een bepaald huisnummer gebruik te maken. Dat de gemeente in de loop van de jaren heffingsaanslagen heeft opgelegd, heeft de rechtbank terecht niet gekwalificeerd als uitlating of gedraging waaruit [appellant sub 1] kon en mocht afleiden dat het college niet handhavend zou optreden tegen het gebruik van de woning. Om de hoogte van onroerendzaakbelasting en rioolheffing te bepalen voor twee verschillende huisnummers is de feitelijke situatie relevant, niet de planologisch-juridische situatie op grond waarvan het gebruik van panden al dan niet is toegestaan. De rechtbank heeft in het overige dat [appellant sub 1] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. [appellant sub 1] heeft niet geconcretiseerd wanneer en waarvoor het college bezoeken aan de woning zou hebben gebracht en wat er toen zou zijn besproken. Anders dan [appellant sub 1] stelt, is er geen samenstel van omstandigheden waaruit zij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het college zou hebben berust in de bewoning door meerdere huishoudens. Het betoog slaagt niet. Conclusie hoger beroepen 10. Het hoge
Bronpassage s0010
r beroep is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. 11. De rechtbank heeft de besluitvorming in stand gelaten voor zover de last gaat over het staken en gestaakt houden van het gebruik van de woning voor meer dan één huishouden. Dat verandert niet met deze uitspraak. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Wijgerde griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 672-1207
De Afdeling handhaaft de vergunningweigering en de dwangsom van € 322.s0001, s0007
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak; de vergunningweigering en de dwangsom van € 322 blijven staan.s0001, s0007
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5802
De Afdeling verklaart het hoger beroep van Dama dama ongegrond: de weigering van de vergunning voor een tijdelijke tiny house als bedrijfswoning blijft staan, evenals de dwangsom van € 322 wegens te laat beslissen. De rechtbank gebruikte terecht de regels van het Reparatieplan Buitengebied Zederik met de verbeelding van Herziening Kernen Zederik, waarop het bouwvlak bewust was verwijderd. De dwangsom liep niet verder nadat het college alsnog had beslist. Voor de voorgestelde verplaatsing en wijziging naar een recreatiewoning moet Dama dama een nieuwe aanvraag indienen.s0001, s0002, s0004, s0005, s0006, s0007
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank de juiste combinatie van planregels en verbeelding heeft gebruikt. Voor deze locatie gelden de agrarische regels van het Reparatieplan Buitengebied Zederik uit 2018, samen met de verbeelding van Herziening Kernen Zederik uit 2017. Artikel 41 laat volgens de Afdeling ruimte voor wijzigingen die een tussenliggend bestemmingsplan heeft aangebracht. Het bouwvlak was in 2017 bewust verwijderd. Het reparatieplan beoogde dat bouwvlak niet terug te brengen. Verder blijft op deze aanvraag de Wabo van vóór 1 januari 2024 van toepassing, omdat Dama dama de aanvraag op 20 december 2023 heeft ingediend.s0002, s0004, s0005
Uit de uitspraak
Dama dama krijgt geen hogere dwangsom wegens het te late besluit. Het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden besliste op 10 juni 2024 alsnog op de aanvraag. Vanaf dat moment kon geen verdere dwangsom worden verbeurd. Dat het college dit besluit op 15 juli 2024 verving, liet de dwangsom niet opnieuw oplopen. Het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 322 blijft daardoor staan. Het college hoeft ook geen proceskosten te vergoeden.s0001, s0006, s0007
Duiding
Voor Dama dama betekent dit dat zij de voorgestelde recreatiewoning op een andere locatie via een nieuwe aanvraag moet voorleggen. De Afdeling beoordeelt de verplaatsing en de verandering van bedrijfswoning naar recreatiewoning in deze zaak als te ingrijpend voor een ondergeschikte wijziging. De praktische les is hier dat beide veranderingen niet binnen de bestaande aanvraag kunnen worden verwerkt. De uitspraak geeft geen oordeel over de vergunbaarheid van dat gewijzigde plan.s0006, s0007
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank alleen voor zover die is aangevallen.
- De uitspraak beoordeelt niet of een nieuwe aanvraag voor een recreatiewoning op een andere locatie kan worden toegewezen.
- Op deze aanvraag blijft de Wabo van vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Dama dama heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van een zogeheten tiny house, voor gebruik als bedrijfswoning, op een perceel nabij deZouwendijk 5 in Ameide, gemeente Vijfheerenlanden. Dama dama heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het tijdelijk plaatsen van een tiny house, voor gebruik als bedrijfswoning, op een perceel nabij de Zouwendijk 5 in Ameide. Het college heeft geweigerd om deze omgevingsvergunning te verlenen, omdat een bedrijfswoning volgens het college in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en het college niet bereid is om van het bestemmingsplan af te wijken. De rechtbank heeft deze weigering in stand gelaten, maar wel vastgesteld dat het college niet tijdig op de aanvraag van Dama dama heeft beslist. Dama dama heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Zij vindt onder meer dat de rechtbank bij de beoordeling of de aanvraag in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan is uitgegaan van de verkeerde (combinatie van) planregels en verbeelding.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202504490/1/R4. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Dama dama B.V., gevestigd in Molenlanden, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2025 in zaak nr. 24/3961 in het geding tussen: Dama dama en het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden. Procesverloop Dama dama heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van een zogeheten tiny house, voor gebruik als bedrijfswoning, op een perceel nabij de Zouwendijk 5 in Ameide, gemeente Vijfheerenlanden. Bij besluit van 10 juni 2024 heeft het college beslist op de aanvraag en de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Bij besluit van 15 juli 2024 heeft het college opnieuw beslist op de aanvraag en de gevraagde omgevingsvergunning opnieuw geweigerd. Bij uitspraak van 26 juni 2025 heeft de rechtbank het beroep van Dama dama tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, de door het college wegens het niet tijdig nemen van een besluit verschuldigde dwangsom vastgesteld op € 322,00 en het beroep van Dama dama tegen het besluit van 15 juli 2024 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft Dama dama hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Dama dama heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op
Bronpassage s0002
2 september 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.J. Brakenhoff, is verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Dama dama heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het tijdelijk plaatsen van een tiny house, voor gebruik als bedrijfswoning, op een perceel nabij de Zouwendijk 5 in Ameide. Het college heeft geweigerd om deze omgevingsvergunning te verlenen, omdat een bedrijfswoning volgens het college in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en het college niet bereid is om van het bestemmingsplan af te wijken. De rechtbank heeft deze weigering in stand gelaten, maar wel vastgesteld dat het college niet tijdig op de aanvraag van Dama dama heeft beslist. Dama dama heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraa
Bronpassage s0003
k van de rechtbank. Zij vindt onder meer dat de rechtbank bij de beoordeling of de aanvraag in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan is uitgegaan van de verkeerde (combinatie van) planregels en verbeelding. 3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Bespreking gronden hoger beroep 4. Dama dama betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan getoetst moet worden aan de regels van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" voor de bestemming "Agrarisch", in samenhang met de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik". Volgens Dama dama biedt artikel 41 van de regels van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" geen ruimte om bij de toepassing van die regels uit te gaan van de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik". Volgens Dama dama moet worden uitgegaan van de regels van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik", in samenhang met de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik". Op die verbeelding is, anders dan op de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik", op de locatie van het bouwplan een bouwvlak opgenomen. Subsidiair betoogt Dama dama dat, als toch zou moeten worden uitgegaan van de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik", dan ook zou moeten worden uitgegaan van de regels van dat bestemmingsplan. 4.1. De locatie van het bouwp
Bronpassage s0004
lan ligt binnen de plangebieden van alle drie de onder 4 genoemde bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" uit 2018, dat onder meer herziene regels voor de ter plaatse geldende bestemming "Agrarisch" bevat, is het meest recente bestemmingsplan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daarom bij de toetsing van het bouwplan moet worden uitgegaan van de regels van dat bestemmingsplan. Het subsidiaire betoog kan, gelet hierop, in ieder geval niet slagen. 4.2. Voor de vraag welke verbeelding bij de regels van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" hoort, is artikel 41 van die regels bepalend. Anders dan waarvan Dama dama uitgaat, volgt uit de tekst van dat artikel niet dat in dit geval moet worden uitgegaan van de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" uit 2013. Het tweede lid van artikel 41 moet zo worden uitgelegd dat in dit geval moet worden uitgegaan van de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik" uit 2017. De hoofdregel van artikel 41, tweede lid, is weliswaar dat de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" van toepassing is, maar daarop wordt een uitzondering gemaakt met de zinsnede "voor zover daarin binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ geen wijziging is aangebracht". Daar staat niet dat de daar bedoelde wijziging in de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" moet zijn aangebracht in het bestemm
Bronpassage s0005
ingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" zelf. Er staat enkel dat een wijziging moet zijn aangebracht binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik". De zinsnede moet zo worden gelezen dat de wijziging in de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" ook kan zijn aangebracht in een tussen dat bestemmingsplan en het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" vastgesteld bestemmingsplan, zoals in dit geval het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik". 4.3. Een uitleg van het tweede lid van artikel 41 waarbij voor de locatie van het bouwplan de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik" geldt, is ook een redelijke uitleg. Op de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" was op de locatie van het bouwplan nog een bouwvlak opgenomen, maar dat bouwvlak is op de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik" welbewust verwijderd. Vaststaat dat het niet de bedoeling is geweest om met het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" weer te voorzien in een bouwvlak op deze locatie. Dit betekent dat ook het primaire betoog niet slaagt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bouwplan getoetst moet worden aan de regels van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" voor de bestemming "Agrarisch", in samenhang met de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik". 5. Dama dama voert aan dat de rechtbank de door het college
Bronpassage s0006
op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschuldigde dwangsom onjuist heeft vastgesteld, door ervan uit te gaan dat de periode waarbinnen de dwangsom is verbeurd liep tot het besluit van 10 juni 2024. Volgens Dama dama liep deze periode tot het besluit van 15 juli 2024. 5.1. Dit betoog slaagt niet. Met het besluit van 10 juni 2024 heeft het college alsnog beslist op de aanvraag en vanaf dat moment kon er op grond van artikel 4:17 van de Awb geen dwangsom meer worden verbeurd. Dat het college het besluit van 10 juni 2024 daarna heeft vervangen door het besluit van 15 juli 2024 maakt niet dat in de periode tussen beide besluiten weer een dwangsom is verbeurd. Artikel 4:17 biedt geen ruimte voor een dergelijke berekening van de daarin geregelde dwangsom. 6. Dama dama voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat twee door Dama dama in beroep voorgestelde wijzigingen van het bouwplan niet van ondergeschikte aard zijn. Volgens Dama dama gaat het wel om wijzigingen van ondergeschikte aard en had het college haar in de gelegenheid moeten stellen om de aanvraag in zoverre aan te passen. 6.1. Het college mag en moet zelfs in bepaalde gevallen de indiener van een aanvraag in de gelegenheid stellen om zijn aanvraag te wijzigen. Het doel daarvan is dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden weggenomen. Dat moet beperkt blijven tot wijzigingen van ondergeschikte aard, want daarvoor is volgens vaste rechtspraa
Bronpassage s0007
k van de Afdeling geen nieuwe aanvraag vereist. De vraag of een wijziging van ondergeschikte aard is, moet per concreet geval worden beantwoord. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zo ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, dan moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend. 6.2. Dama dama heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning volgens haar wel verleend kan worden als de locatie van het bouwplan wordt verplaatst en in plaats van een bedrijfswoning een recreatiewoning wordt gebouwd. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat deze verplaatsing en verandering van de aard van de woning niet kunnen worden aangemerkt als wijziging van ondergeschikte aard. Dit betekent dat Dama dama voor dit gewijzigde bouwplan een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning moet indienen. Het betoog slaagt niet. Conclusie 7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. 8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier. w.g. Van Gastel lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Grinsven griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 462 Bijlage Algemene wet bes
Bronpassage s0008
tuursrecht 4:17 1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. 2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag. 3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. 4. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op. […] Bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" Artikel 41 Overige regels 41.1 Wijzigen van de verbeelding Dit bestemmingsplan, zoals vervat in het GML bestand NL.IMRO.0707.BPZDRREPBUITENGEB-VG01 wijzigt op onderdelen de verbeelding van: het bestemmingsplan Buitengebied Zederik, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Zederik op 24 juni 2013 en zoals vervat in het gml bestand NL.IMRO.0707.BPBuitengebiedZDR-VG01. 41.2 Verbeelding bestemmingsplan Buitengebied van toepassing De verbeelding van het bestemmingsplan Buitengebied Zederik, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Zederik op 24 juni 2013 en zoals vervat in het gml bestand NL.IMRO.0707.BPBuitengebiedZDR-VG01 is onverko
Bronpassage s0009
rt van toepassing, voor zover daarin binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ geen wijziging is aangebracht, de wijzigingen die betrekking hebben op het toekennen van een dubbelbestemming Waarde - Archeologie, de dubbelbestemming Waterstaat - Waterhuishoudkundige en waterstaatkundige functie en de aanduidingsvlakken ‘veiligheidszone - bevi en ‘veiligheidszone - lpg’ buiten beschouwing gehouden. 41.3 Reparatieplan van toepassing Het Reparatieplan is niet alleen van kracht als aanvulling op het vigerende bestemmingsplan Buitengebied, maar ook voor alle wijzigingsplannen en herzieningen in dit plangebied.
De Afdeling vernietigt eerdere plandelen, maar laat het herstelde bestemmingsplan volledig gelden.s0021, s0027
De Afdeling vernietigt de eerdere plannen gedeeltelijk; het herstelbesluit blijft volledig in stand.s0021, s0027
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5803
De Afdeling laat het herstelde bestemmingsplan voor Schiermonnikoog volledig in stand; dit bepaalt welke bestemmingen en regels voor de betrokken gronden gelden. Zij vernietigt wel onderdelen van de eerdere plannen wegens de eerder vastgestelde gebreken. De raad heeft onder meer het bouwvlak van [appellanten sub 1] aangepast, woongebruik van bepaalde aanbouwen verruimd en regelingen voor recreatieve bewoning gewijzigd. De terrasaanduiding bij [locatie 10] is verwijderd. De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] tegen het herstel zijn ongegrond. Het beroep van [appellant sub 8] en anderen is niet-ontvankelijk: zij zijn niet benadeeld en hadden eerder kunnen opkomen.s0008, s0013, s0015, s0020, s0021, s0027
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling beoordeelt deze zaak volgens het recht van vóór 1 januari 2024, waaronder de Wet ruimtelijke ordening. Voor [appellanten sub 1] heeft de raad het bouwvlak correct aangepast. Ook is de eis van functionele ondergeschiktheid vervallen voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming Wonen. Daardoor mag een dergelijke aanbouw bijvoorbeeld een keuken of slaapkamer bevatten. De aanbouw moet wel architectonisch ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. Voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken blijft de eis van functionele ondergeschiktheid bestaan.s0003, s0007, s0008, s0012
Uit de uitspraak
Het herstel raakt ook recreatieve bewoning en het terras. De raad heeft de regeling voor voorwaardelijk recreatief gebruik aangepast zodat één peilmoment geldt waarop recreatieve bewoning niet meer is toegestaan. Voor [locatie 9] is het toegestane aandeel ondergeschikte recreatieve bewoning verhoogd naar 48% van het bruto-vloeroppervlak. De Afdeling bevestigt voor [locatie 7] dat de regeling bij de toegekende aanduiding van toepassing is. Bij [locatie 10] heeft de raad de terrasaanduiding en de bijbehorende regels verwijderd. Deze wijzigingen blijven gelden.s0015, s0017, s0018, s0020
Duiding
Voor de praktijk laat deze zaak zien waarom eerdere gebreken en het uiteindelijke herstel afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Een gegrond beroep tegen een eerdere planversie betekent hier niet dat het herstelde plan vervalt. Ook bood het herstel [appellant sub 8] en anderen geen nieuwe gelegenheid om alsnog grotere bouwvlakken te verlangen. Zij hadden daartegen eerder kunnen opkomen. De Afdeling zag geen verslechtering door het herstelbesluit en geen gewijzigde omstandigheden die hun eerdere stilzitten verschoonbaar maakten. Hun beroep is daarom niet-ontvankelijk.s0009, s0010, s0011, s0013, s0021
Uit de uitspraak
Daarnaast krijgt [appellant sub 5] € 2.500 schadevergoeding wegens een termijnoverschrijding van 29 maanden. De raad moet daarvan € 1.379,31 betalen en de Staat € 1.120,69. De overige appellanten krijgen deze schadevergoeding niet, omdat zij daarvoor geen verzoek hebben ingediend.s0025, s0026, s0030
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling past het recht van vóór 1 januari 2024 toe, waaronder de Wet ruimtelijke ordening.
- Voor [locatie 8] betreft de vernietiging uitsluitend het bestemmingsplan van 15 februari 2022.
- De uitspraak beschrijft de aanpassing van de regeling voor voorwaardelijk recreatief gebruik, maar geeft de volledige regeling niet weer.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5623, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Schiermonnikoog opgedragen om binnen 26 weken na verzending van die uitspraak de daarin genoemde gebreken in het besluit van 16 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" te herstellen. Bij besluit van 15 februari 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" voor het eerst vastgesteld. Terwijl daartegen beroep was ingesteld bij de Afdeling, heeft de raad op 16 juli 2024 het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" opnieuw gewijzigd vastgesteld. Onder 9.10.1, 10.4.2, 11.4, 15.5 en 21.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling verschillende gebreken geconstateerd in het besluit van 16 juli 2024. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen deze gebreken te herstellen. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" bij besluit van 21 april 2026 opnieuw gewijzigd vastgesteld.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202201923/6/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in Schiermonnikoog, 2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Schiermonnikoog, 3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend in Schiermonnikoog, 4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], beiden wonend in Schiermonnikoog, 5. [appellant sub 5], wonend in Schiermonnikoog, 6. [appellant sub 6], wonend in [woonplaats], en anderen, 7. [appellant sub 7A], wonend in [woonplaats], en [appellant sub 7B], wonend in Schiermonnikoog, 8. [appellant sub 8], wonend in Schiermonnikoog, en anderen, appellanten, en de raad van de gemeente Schiermonnikoog, verweerder. Procesverloop Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5623, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van die uitspraak de daarin genoemde gebreken in het besluit van 16 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" te herstellen. Bij besluit van 21 april 2026 heeft de raad het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gewijzigd vastgesteld. [appellanten sub 1], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en [appellanten sub 7] hebben een zienswijze over dit gewijzigde bestemmingsplan naar voren gebracht. [appellant sub 8] en anderen hebben beroep ingesteld tegen het op 2
Bronpassage s0002
1 april 2026 vastgestelde bestemmingsplan. De raad heeft naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 8] en anderen en de zienswijze van [appellanten sub 1] een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure. De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 8 september 2026, waar zijn verschenen [appellant sub 1A], mede als gemachtigde van [appellant sub 8] en anderen, namens wie ook [appellant sub 6] is verschenen, en de raad, vertegenwoordigd door H. de Muinck. Overwegingen Opmerking vooraf 1. Op de zitting heeft [appellant sub 1A] twijfels geuit over de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog en de heer De Muinck, werkzaam bij de gemeente Schiermonnikoog, tot het voeren van verweer namens de raad. Op dit punt wijst de Afdeling erop dat het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder e, van de Gemeentewet bevoegd is om namens de raad beroepsprocedures te voeren, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, anders beslist. Hiervan is niet gebleken. De Muinck heeft daarnaast op de zitting een machtiging overgelegd, waarin het college van burgemeester en wethouders hem heeft gemachtigd om op de zitting het woord te voeren. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat in deze procedure onbevoegd zou zijn gehandeld. Overgangsrecht inwer
Bronpassage s0003
kingtreding Omgevingswet 2. Zoals in de tussenuitspraak onder 6 is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. De tussenuitspraak en het herstelbesluit van 21 april 2026 3. Bij besluit van 15 februari 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" voor het eerst vastgesteld. Terwijl daartegen beroep was ingesteld bij de Afdeling, heeft de raad op 16 juli 2024 het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" opnieuw gewijzigd vastgesteld. Onder 9.10.1, 10.4.2, 11.4, 15.5 en 21.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling verschillende gebreken geconstateerd in het besluit van 16 juli 2024. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen deze gebreken te herstellen. 4. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" bij besluit van 21 april 2026 opnieuw gewijzigd vastgesteld. Hierna zal de Afdeling per appellant ingaan op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, de wijze waarop de raad deze gebreken heeft beoogd te herstellen en de eventuele zienswijzen die naar aanleiding van het herstelbesluit zijn ingediend. [appellanten sub 1] De gebreken die zijn geconstateerd in de tussenuitspraak 5. In de tussenuitspraak zijn onder 21 en verder de beroepsgronden van [appellanten sub 1] beoordeeld over de vraag of hun woning op de locatie [locatie 1] a
Bronpassage s0004
ls zodanig was bestemd. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 21.2 vastgesteld dat in zowel het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan als in het herstelbesluit van 16 juli 2024 sprake was van een gebrek, omdat het hoofdgebouw van de woning van [appellanten sub 1] niet geheel binnen het bouwvlak lag, terwijl de planregels voor de aan deze woning toegekende bestemming "Wonen" wel vereisten dat hoofdgebouwen binnen het bouwvlak dienden te worden gebouwd. Ook heeft de Afdeling een gebrek geconstateerd wat betreft de aanbouw bij de woning van [appellanten sub 1], die ook buiten het bouwvlak was gesitueerd. De planregels vereisten dat bijbehorende bouwwerken in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt dienden te zijn aan het hoofdgebouw. Van deze functionele ondergeschiktheid was wat betreft de aanbouw bij de woning van [appellanten sub 1] echter geen sprake, zo is in de tussenuitspraak overwogen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van [appellanten sub 1] gericht tegen de op 15 februari 2022 en op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond is. Deze besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de locatie [locatie 1] in Schiermonnikoog. De aanpassingen in het herstelbesluit van 21 april 2026 6. Met het herstelbesluit van 21 april 2026 heeft d
Bronpassage s0005
e raad naar aanleiding van het beroep van [appellanten sub 1] de volgende aanpassingen in het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" doorgevoerd: 1. de begripsomschrijving van aangebouwd bijbehorend bouwwerk zoals dat was opgenomen in artikel 1.6 van de planregels van het op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan is vervallen; 2. de begripsomschrijving van bijbehorend bouwwerk in artikel 1.21 van de planregels is als volgt gewijzigd: oude begripsomschrijving van bijbehorend bouwwerk opgenomen in artikel 1.21 van de planregels van het op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan: "a. indien sprake van een bijbehorend bouwwerk in de bestemming Tuin - Overtuin: een functioneel met een hoofdgebouw verbonden gebouw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw behorende bij de door middel van de figuur 'relatie' gekoppelde percelen, zoals weergeven in Bijlage 5 bij de regels opgenomen kaart Overtuinen; b. indien sprake van een bijbehorend bouwwerk in overige bestemmingen: een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden gebouw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw"; nieuwe begripsomschrijving van bijbehorend bouwwerk opgenomen in artikel 1.21 van de planregels van het op 21 april 2026 vastgestelde bestemmingsplan: "a. indien sprake van een bijbehorend bouwwerk in de bestemming Tuin - Overtuin: een functioneel met een hoofdgebouw verbonden gebo
Bronpassage s0006
uw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw behorende bij de door middel van de figuur 'relatie' gekoppelde percelen, zoals weergeven in Bijlage 5 bij de regels opgenomen kaart Overtuinen; b. indien sprake van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk in overige bestemmingen: een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden gebouw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; c. indien sprake van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in de bestemming Wonen: een functioneel met een hoofdgebouw verbonden en daaraan aangebouwd gebouw dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; d. indien sprake van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in overige bestemmingen: een functioneel met een hoofdgebouw verbonden en daaraan aangebouwd gebouw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw"; 3. de begripsomschrijving van hoofdgebouw opgenomen in artikel 1.44 van de planregels is als volgt gewijzigd: oude begripsomschrijving van hoofdgebouw opgenomen in artikel 1.44 van de planregels van het op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan: "een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is"; nieuwe begripsomschrijving van hoofdgebouw opgenomen in artik
Bronpassage s0007
el 1.44 van de planregels van het op 21 april 2026 vastgestelde bestemmingsplan: "een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is, met dien verstande dat binnen de bestemming Wonen een gebouw uitsluitend als hoofdgebouw wordt aangemerkt voor zover dit gelegen is binnen een bouwvlak"; 4. tot slot is de begrenzing van het bouwvlak ter plaatse van de locatie [locatie 1] in Schiermonnikoog op de verbeelding bij het op het 21 april 2026 vastgestelde bestemmingsplan aangepast. De zienswijze van [appellanten sub 1] 7. De Afdeling stelt voorop dat zij, zoals hiervoor onder 5 is overwogen, de raad in de tussenuitspraak opdracht heeft gegeven de volgende twee aanpassingen in het bestemmingsplan door te voeren: - aanpassing van het bouwvlak ter plaatse van de woning van [appellanten sub 1]; - aanpassing van de planregels in die zin dat wat betreft het aangebouwde bijbehorende bouwwerk bij de woning van [appellanten sub 1] niet langer is vereist dat het gebruik hiervan functioneel ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. 8. Zoals hiervoor onder 6 is overwogen, heeft de raad met het herstelbesluit van 21 april 2026 naar aanleiding van het beroep van [appellanten sub 1] verschillende aanpassingen doorgevoerd in het bestemmingsplan. Zo is het bouwvlak ter plaatse van de woning van [appellanten sub 1] aan
Bronpassage s0008
gepast. Op de zitting heeft [appellant sub 1A] bevestigd dat deze aanpassing voor zijn woning correct heeft plaatsgevonden. Ook is in artikel 1.44 van de planregels de omschrijving van bijbehorend bouwwerk gewijzigd. Deze wijziging heeft tot gevolg dat een binnen de bestemming "Wonen" aan het hoofdgebouw aangebouwd bijbehorend bouwwerk dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw ook voor woonfuncties mag worden gebruikt, omdat niet langer is vereist dat het gebruik van dit aangebouwd bijbehorend bouwwerk functioneel ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. [appellant sub 1A] heeft op de zitting bevestigd dat daarmee het in de tussenuitspraak op dit punt voor zijn woning geconstateerde gebrek is hersteld. Dit betekent dat de raad de twee in de tussenuitspraak voor het beroep van [appellanten sub 1] geconstateerde gebreken met het herstelbesluit van 21 april 2026 heeft hersteld. 9. [appellanten sub 1] hebben in hun zienswijze weliswaar kritiek geuit op de redactie van de met het herstelbesluit van 21 april 2026 gewijzigde planregels, maar die kritiek ziet op andere woningen in het plangebied, zo blijkt uit wat is besproken op de zitting. [appellant sub 1A] heeft namens verschillende eigenaren van deze andere woningen beroep ingesteld tegen het herstelbesluit van 21 april 2026. Dit beroep wordt in deze uitspraak aangeduid als het beroep van [appellant sub 8] en anderen en wordt hierna vanaf 10 en verder besproken. [appellanten sub 1] kunnen in hun zienswijze ger
Bronpassage s0009
icht tegen het herstelbesluit van 21 april 2026 uitsluitend beroepsgronden naar voren brengen die betrekking hebben op hun eigen woning. Op de zitting is vastgesteld dat voor hun eigen woning de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld. Om die reden moet de Afdeling het op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege ontstane beroep van [appellanten sub 1] gericht tegen het herstelbesluit van 21 april 2026 ongegrond verklaren. Dit betekent dat dit bestemmingsplan wat betreft de aan de woning van [appellanten sub 1] toegekende bestemming "Wonen" met de daarbij behorende planregels in stand blijft. [appellant sub 8] en anderen 10. [appellant sub 8] en anderen hebben voor het eerst beroep ingesteld tegen het herstelbesluit van 21 april 2026. Hun beroep is ingediend door [appellant sub 1A] als gemachtigde en heeft betrekking op de hiervoor onder 6 bij het beroep van [appellanten sub 1] genoemde wijzigingen in de planregels. 10.1. De Afdeling stelt voorop dat vanwege het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van andere partijen niet kan worden aanvaard dat tegen een herstelbesluit dat hangende de procedure wordt genomen, beroep wordt ingesteld door een belanghebbende die geen beroep heeft ingesteld tegen het eerdere besluit. Dit geldt niet als die belanghebbende door het nieuwe besluit in een nadeliger positie is komen te verkeren of als door gewijzigde feiten of omstandigheden de belanghebbende redelijkerwijs niet k
Bronpassage s0010
an worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen dat eerdere besluit. 10.2. Op de zitting heeft de Afdeling [appellant sub 1A], als gemachtigde van [appellant sub 8] en anderen, in de gelegenheid gesteld om toe te lichten waarom [appellant sub 8] en anderen door het herstelbesluit van 21 april 2026 in een nadeliger positie zijn gekomen. Op de zitting is gebleken dat [appellant sub 8] en anderen in de kern voor hun woningen een aanpassing van het bouwvlak wensen, net zoals dat is gebeurd voor de woning van [appellanten sub 1]. Op dit punt geldt echter dat, als zij die wens hadden, zij net als [appellanten sub 1] al beroep hadden kunnen en moeten instellen tegen het oorspronkelijk op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp", waarin de bouwvlakken voor hun woningen al waren verkleind in vergelijking met het daarvoor geldende bestemmingsplan. Dat zij dit hebben nagelaten moet voor hun rekening en risico komen. Zoals hiervoor onder 10.1 is toegelicht, kan niet worden aanvaard dat zij deze wens pas voor het eerst naar voren brengen in hun beroep gericht tegen het herstelbesluit van 21 april 2026. Op de zitting heeft [appellant sub 1A] namens [appellant sub 8] en anderen ook gewezen op de begripsomschrijving van hoofdgebouw, zoals opgenomen in artikel 1.44 van de planregels van het op 21 april 2026 vastgestelde herstelbesluit. In vergelijking met de definitie van hoofdgebouw zoals opgenomen in het daarvoor geldende herste
Bronpassage s0011
lbesluit van 16 juli 2024, is aan deze definitie de volgende zinssnede toegevoegd: "met dien verstande dat binnen de bestemming Wonen een gebouw uitsluitend als hoofdgebouw wordt aangemerkt voor zover dit gelegen is binnen een bouwvlak". Anders dan [appellant sub 1A] namens [appellant sub 8] en anderen heeft gesteld, is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 8] en anderen door deze wijziging niet zijn benadeeld. Dezelfde zinsnede was ook al opgenomen in de definitie van hoofdgebouw, zoals opgenomen in artikel 1.40 van de planregels van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp". Die zinssnede was abusievelijk vervallen in het herstelbesluit van 16 juli 2024 en is om die reden weer toegevoegd aan de definitie van hoofdgebouw in de planregels van het herstelbesluit van 21 april 2026. Omdat [appellant sub 8] en anderen destijds geen aanleiding hebben gezien beroep in te stellen naar aanleiding van de definitie van hoofdgebouw, zoals opgenomen in de planregels van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan, kunnen zij dit nu niet alsnog doen naar aanleiding van het herstelbesluit van 21 april 2026. Daarbij wijst de Afdeling er ook nog op dat in de eerdere bestemmingsplannen van 15 februari 2022 en 16 juli 2024 in de bouwregels voor de bestemming "Wonen" ook al was bepaald dat hoofdgebouwen binnen het bouwvlak dienen te worden gebouwd. Dit is ongewijzigd met het laatste herstelbesluit van 21 april 2026. De Afdeli
Bronpassage s0012
ng ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 8] en anderen door de overige wijzigingen in de planregels van het herstelbesluit van 21 april 2026 zijn benadeeld. [appellant sub 1A] heeft namens [appellant sub 8] en anderen weliswaar gewezen op de wijzigingen in de definitie van bijbehorend bouwwerk, maar die wijzigingen zijn niet in het nadeel van [appellant sub 8] en anderen. De wijzigingen hebben juist een verruiming van de gebruiksmogelijkheden voor [appellant sub 8] en anderen tot gevolg. Waar in de planregels van het op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan immers voor zowel vrijstaande als ook voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming "Wonen" was vereist dat het gebruik hiervan functioneel ondergeschikt moest zijn aan het hoofdgebouw, is deze gebruiksbeperking in de planregels van het herstelbesluit van 21 april 2026 alleen nog gehandhaafd voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming "Wonen". Voor aan het hoofdgebouw aangebouwde en architectonisch ondergeschikte bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming "Wonen" is met het herstelbesluit van 21 april 2026 de gebruiksmogelijkheid verruimd door niet langer te vereisen dat het gebruik daarvan functioneel ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. Daarmee zijn in deze aangebouwde bijbehorende bouwwerken ook niet functioneel ondergeschikte woonfuncties toegestaan, zoals een keuken of slaapkamer. Dit is een verruiming in het voordeel van [appellant sub 8] en ander
Bronpassage s0013
en. Niet is gebleken dat zij van deze verruiming ook nadeel kunnen ondervinden. 10.3. De Afdeling concludeert dat zij geen aanknopingspunten ziet om te kunnen oordelen dat [appellant sub 8] en anderen door het herstelbesluit van 21 april 2026 in een nadeliger positie zijn gekomen in vergelijking met wat was geregeld in de daarvoor op 15 februari 2022 en 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp". Omdat ook niet is gebleken dat [appellant sub 8] en anderen als gevolg van gewijzigde feiten of omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten niet eerder beroep te hebben ingesteld, concludeert de Afdeling dat [appellant sub 8] en anderen niet pas voor het eerst beroep kunnen instellen tegen het herstelbesluit van 21 april 2026. Hun beroep gericht tegen dit herstelbesluit is daarom niet-ontvankelijk. [appellant sub 6] en anderen, [appellanten sub 4], [appellanten sub 7] en [appellanten sub 3]: mogelijkheden voor recreatieve bewoning De gebreken in de tussenuitspraak over de mogelijkheden voor reactieve bewoning 11. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 9.4 en 9.5, 9.10.1, 10.4.2 en 11.4 gebreken geconstateerd die betrekking hebben op de mogelijkheden voor recreatieve bewoning van de volgende woningen: - [locatie 2], eigendom van [appellant sub 6A], onderdeel van de groep [appellant sub 6] en anderen; - [locatie 3], eigendom van [appellant sub 6B], onderdeel van de groep [appellant sub 6] en anderen; - [locatie 4], eigend
Bronpassage s0014
om van [appellant sub 6C], onderdeel van de groep [appellant sub 6] en anderen; - [locatie 5], eigendom van [appellant sub 6D], onderdeel van de groep [appellant sub 6] en anderen; - [locatie 6], eigendom van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B]; - [locatie 7], eigendom van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B]; - [locatie 8] en [locatie 9] van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B]. Deze gebreken hebben zowel betrekking op het bestemmingsplan dat op 15 februari 2022 is vastgesteld als ook op het op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan. Dit betekent dat de beroepen van [appellant sub 6] en anderen, voor zover ingediend namens [appellant sub 6A], [appellant sub 6B], [appellant sub 6C] en [appellant sub 6D], als ook de beroepen van [appellanten sub 4], [appellanten sub 7] en [appellanten sub 3] gericht tegen de op 15 februari 2022 en 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond zijn. Deze besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de locaties [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 5], [locatie 4], [locatie 6] en [locatie 9], [locatie 7] en [locatie 8]. Daarbij geldt dat voor [locatie 8] deze vernietiging alleen ziet op het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" dat op 15 februari 2022 is vastgesteld. De Afdeling verwijst hierbij terug naar overweging 9.5 van de tussenuitspraak. De
Bronpassage s0015
aanpassingen in het herstelbesluit van 21 april 2026 12. Met het herstelbesluit van 21 april 2026 heeft de raad naar aanleiding van de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken met betrekking tot recreatieve bewoning de volgende aanpassingen in het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" doorgevoerd: 1. artikel 28.5.3 van de planregels is aangepast. Dit is gedaan naar aanleiding van overweging 9.10.1 van de tussenuitspraak met als doel dat er één peilmoment geldt wanneer recreatieve bewoning ter plaatse van de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik 2" niet meer is toegestaan; 2. aan de locatie [locatie 5] is alsnog de aanduiding "overige zone - voorwaardelijke recreatief gebruik" toegekend. Dit is gedaan naar aanleiding van overweging 10.4.2 van de tussenuitspraak; 3. wat betreft de locatie [locatie 9] zijn wijzigingen doorgevoerd op de verbeelding en de planregels, waarmee het toegestane percentage ondergeschikte recreatieve bewoning voor deze locatie is verhoogd naar 48% van het bruto-vloeroppervlak. Dit is gedaan naar aanleiding van overweging 11.4 van de tussenuitspraak. De ingekomen zienswijzen 13. Van de groep [appellant sub 6] en anderen heeft niemand een zienswijze over het herstelbesluit van 21 april 2026 naar voren gebracht. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat zij nog belang hebben bij een vernietiging van dit herstelbesluit, omdat niet is gebleken dat met dat besluit de voor hen in de tussenuitspraak geconstatee
Bronpassage s0016
rde gebreken niet zouden zijn hersteld. Voor hen is dus geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan tegen het herstelbesluit van 21 april 2026. 14. [appellanten sub 4] hebben wel een zienswijze over het herstelbesluit van 21 april 2026 naar voren gebracht. Zij vermelden in hun zienswijze weliswaar in algemene zin dat zij het niet eens zijn met overwegingen in de tussenuitspraak, maar vermelden daarbij ook te constateren dat de raad met het herstelbesluit van 21 april 2026 in voldoende mate aan de door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven opdracht heeft voldaan en dat zij daarover geen verdere opmerkingen hebben. Zij geven daarmee in feite aan zich met het herstelbesluit van 21 april 2026 te kunnen verenigen, waardoor daartegen voor hen geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is ontstaan. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat de Afdeling behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, reeds omdat [appellanten sub 4] hun opmerking dat zij het niet eens zijn met de overwegingen uit de tussenuitspraak niet hebben onderbouwd. De Afdeling gaat dan ook uit van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel. 15. Ook [appellanten sub 3] hebben een zienswijze naar voren gebracht waarin zij te kennen gegeven dat zij zich met het herstelbesluit van 21 april 2026 kunnen verenigen. Gelet hierop is ook voor
Bronpassage s0017
hen geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog moet worden beslist. 16. [appellanten sub 7] hebben in hun zienswijze die zij naar aanleiding van het herstelbesluit van 21 april 2026 naar voren hebben gebracht, de opmerking geplaatst dat zij bevestigd willen zien dat de regeling die geldt voor gronden met de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik 2" van toepassing is op hun locatie [locatie 7]. De in artikel 28.5.3 van de planregels opgenomen regeling voor de aanduiding "overige zone - voorwaardelijke recreatief gebruik 2" is van toepassing wanneer aan de desbetreffende locatie de aanduiding "overige zone - voorwaardelijke recreatief gebruik 2" is toegekend. Die aanduiding is toegekend aan de locatie van [appellanten sub 7] aan de [locatie 7], waarmee de in artikel 28.5.3 van de planregels opgenomen regeling voor die locatie van toepassing is. Dit volgt onder meer ook uit overweging 9.47 van de tussenuitspraak. Omdat [appellanten sub 7] in hun zienswijze verder niet te kennen hebben gegeven zich niet met herstelbesluit van 21 april 2026 te kunnen verenigen, is voor hen tegen dit herstelbesluit geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog moet worden beslist. Conclusie 17. Samengevat geldt dat het beroep van [appellant sub 6] en anderen, voor zover het betreft [appellant sub 6A], [appellant sub 6B], [appellant sub 6C] en [appellant sub 6D], en de b
Bronpassage s0018
eroepen van [appellanten sub 4], [appellanten sub 7] en tot slot [appellanten sub 3] gericht tegen de op 15 februari 2022 en 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond zijn. Voor hen zijn geen beroepen van rechtswege ontstaan tegen het herstelbesluit van 21 april 2026, omdat met dit herstelbesluit aan hun beroepen tegemoet is gekomen. Dat betekent dat het op 21 april 2026 vastgestelde bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" wat betreft de aan hun locaties toegekende bestemming(en) met de daarbij behorende planregels in stand blijft. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat het beroep van [appellant sub 6] en anderen is ingediend namens een groep personen. Van deze personen zijn in deze einduitspraak de beroepen van [appellant sub 6A], [appellant sub 6B], [appellant sub 6C] en [appellant sub 6D] gericht tegen de besluiten van 15 februari 2022 en 16 juli 2024 gegrond verklaard. In de tussenuitspraak is deze gegrondverklaring al uitgesproken voor de tot de groep [appellant sub 6] en anderen behorende personen [appellant sub 6E] en [appellant sub 6F]. Het beroep van [appellant sub 6] en anderen, voor zover ingediend namens andere personen, gericht tegen de besluiten van 15 februari 2022 en 16 juli 2024 is ongegrond. [appellanten sub 2], [appellant sub 5] en [appellanten sub 4]: terras Het gebrek in de tussenuitspraak 18. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 15.5 een gebrek geconstateerd wat betreft h
Bronpassage s0019
et terras dat in de op 15 februari 2022 en 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen aan de achterzijde van de aan de locatie [locatie 10] toegekende horecabestemming was toegestaan. Dit gebrek is in de tussenuitspraak geconstateerd naar aanleiding van de beroepen van [appellanten sub 2], [appellant sub 5] en [appellanten sub 4]. Hoewel [appellanten sub 2] als eigenaren van de locatie [locatie 3] belang hebben bij de realisatie van het terras, welk belang tegengesteld is aan het belang van [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] om in hun woonomgeving gevrijwaard te blijven van de hinder van dit terras, geldt dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek naar aanleiding van de beroepen van [appellanten sub 2], [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] hetzelfde is. Zo hebben zij allen betoogd dat de mogelijkheid voor het exploiteren van het terras in de planregels ten onrechte is gekoppeld aan een nader afwegingsmoment. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 15.5 deze betogen gevolgd en geconcludeerd dat op dit punt sprake is van een gebrek in de planregels. Om die reden zijn ook de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 5] gericht tegen de op 15 februari 2022 en op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond. Dat ook voor [appellanten sub 4] sprake is van een gegrond beroep, is hiervoor onder 11 al overwogen. De besluiten van 15 februari 2022 en 16 juli 2024 dienen te worden vernietigd wegens s
Bronpassage s0020
trijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de aanduiding "terras" op de gronden bij de locatie [locatie 10]. De aanpassingen in het herstelbesluit van 21 april 2026 19. Met het herstelbesluit van 21 april 2026 heeft de raad naar aanleiding van het in de tussenuitspraak onder 15.5 geconstateerde gebrek de aanduiding terras op de gronden bij de locatie [locatie 10] verwijderd. Ook heeft de raad de oorspronkelijk voor die aanduiding opgenomen planregels verwijderd. De ingekomen zienswijzen 20. [appellant sub 5] heeft in zijn zienswijze te kennen gegeven dat hij zich met het herstelbesluit van 21 april 2026 kan verenigen. Gelet hierop is ook voor [appellant sub 5] wat betreft dit herstelbesluit geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog moet worden beslist. 21. [appellanten sub 2] hebben naar aanleiding van het herstelbesluit van 21 april 2026 geen zienswijze ingediend en dus niet te kennen gegeven dat zij zich niet met het herstelbesluit van 21 april 2026 kunnen verenigen. Dit betekent dat zij geen beroepsgronden tegen dit besluit hebben aangevoerd. Het op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb voor [appellanten sub 2] van rechtswege ontstane beroep tegen het herstelbesluit van 21 april 2026 is ongegrond. 22. Voor [appellanten sub 4] verwijst de Afdeling terug naar wat hiervoor onder 14 over hun zienswijze is overwogen. Eindconclusie 23. Samengevat geldt wat betreft het herstelbesluit van 21 april 2026
Bronpassage s0021
dat het beroep van [appellant sub 8] en anderen tegen dit besluit niet-ontvankelijk is. Voor de overige op het voorblad vermelde appellanten geldt dat tegen het herstelbesluit van 21 april 2026 alleen een beroep van rechtswege is ontstaan voor [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2]. Hun van rechtswege ontstane beroepen zijn, gelet op wat hiervoor onder 7-9 en 21 is overwogen, ongegrond. Voor de andere appellanten is tegen het herstelbesluit geen beroep van rechtswege ontstaan, ofwel omdat zij in de zienswijze te kennen hebben gegeven zich met het herstelbesluit te kunnen verenigen, of wel omdat niet is gebleken dat met het herstelbesluit de in de tussenuitspraak voor desbetreffende appellant geconstateerde gebreken niet zouden zijn hersteld. Omdat de van rechtswege ontstane beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] gericht tegen het herstelbesluit ongegrond zijn, blijft dit herstelbesluit volledig in stand. Daarmee is dit bestemmingsplan, dat een integraal nieuwe vaststelling vormt en daarmee de eerdere bestemmingsplannen van 5 februari 2022 en 16 juli 2024 heeft vervangen, voor alle appellanten bepalend voor de vraag welke planregels en bestemmingen gelden voor hun gronden. Proceskosten en griffierecht 24. Voor alle appellanten, met uitzondering van [appellant sub 8] en anderen, geldt dat hun beroepen tegen de op 15 februari 2022 en 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond zijn. Zij hebben om die red
Bronpassage s0022
en recht op terugbetaling van het betaalde griffierecht. De Afdeling zal de raad daar in de beslissing van deze uitspraak toe opdragen. 25. Wat betreft de proceskosten geldt dat [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] en anderen zijn bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Om die reden moet de raad de proceskosten van deze appellanten vergoeden. De Afdeling zal de raad daar in de beslissing van deze uitspraak toe opdragen. [appellanten sub 1] zijn niet bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Zij hebben tijdens de eerste zitting op 22 september 2025 wel een proceskostenformulier overlegd, waarin zij vragen om vergoeding van reis- en overnachtingskosten. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen deze kosten te vergoeden, omdat deze kosten noodzakelijk waren gezien de duur van de zitting op 22 september 2025 en de beperkte mogelijkheid voor [appellanten sub 1] om daarna terug te reizen naar Schiermonnikoog. De Afdeling zal de raad echter opdragen niet het volledige door [appellanten sub 1] gevraagde bedrag aan reis- en overnachtingskosten van € 414,96 te vergoeden. De reden daarvoor is dat de reis- en overnachtingskosten zijn gevraagd voor twee personen, terwijl in geval meerdere personen gezamenlijk één beroepschrift hebben ingediend, in dit geval [appellanten sub 1] gezamenlijk, ten behoeve van maar één van de gezamenlijk procederende appellanten reis- en overnachtingskoste
Bronpassage s0023
n worden toegekend. Van de gevraagde kosten van € 414,96 zijn de hotelkosten van € 173,48 ongeacht het aantal personen. Die kosten komen daarom volledig voor vergoeding in aanmerking. De overige kosten van € 241,48 komen voor de helft voor vergoeding in aanmerking, omdat die kosten zijn gebaseerd op twee personen en maar voor één persoon de kosten worden vergoed, wat neerkomt op € 120,74, namelijk de helft van € 241,48. De totaal aan [appellanten sub 1] te vergoeden reis- en verblijfskosten bedraagt daarmee € 173,48 + € 120,74 = € 294,22. [appellanten sub 1] hebben ook een proceskostenformulier overgelegd tijdens de tweede zitting, waarin zij vragen om vergoeding van hun reiskosten. De Afdeling kent hiervoor geen vergoeding toe, omdat hun beroep gericht tegen het herstelbesluit van 21 april 2026 ongegrond is. [appellanten sub 7] hebben geen recht op een proceskostenvergoeding, omdat zij niet zijn bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener en op de zitting ook geen proceskostenformulier hebben overgelegd. 26. [appellant sub 8] en anderen hebben geen recht op terugbetaling van het griffierecht en eventueel gemaakte proceskosten, omdat hun beroep gericht tegen het herstelbesluit van 21 april 2026 niet-ontvankelijk is. Verzoek om schadevergoeding van [appellant sub 5] vanwege overschrijding van de redelijke termijn 27. [appellant sub 5] heeft in een nader stuk voorafgaand aan de zitting van 22 september 2025 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de
Bronpassage s0024
redelijke termijn. Zoals de Afdeling in de tussenuitspraak onder 29 heeft overwogen, wordt op dit verzoek in deze einduitspraak beslist. 27.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant sub 5], dat door zijn gemachtigde is ingediend, ontvangen op 14 april 2022. Om een overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen, had de Afdeling uiterlijk twee jaar later einduitspraak moeten doen. Die termijn is niet gehaald, waarmee [appellant sub 5], overeenkomstig zijn verzoek, recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 27.2. Over de hoogte en de toerekening van de schadevergoeding overweegt de Afdeling als volgt. De tussenuitspraak is gedaan op 19 november 2025. Op dat moment was de redelijke termijn 19 maanden overschreden. Van deze overschrijding moeten 6 maanden worden toegerekend aan de raad. De reden daarvoor is dat de raad voorafgaand aan de zitting die plaatsvond op 22 september 2025 een herstelbesluit heeft genomen op 16 juli 2024, wat een spoedige behandeling van de zaak heeft bemoeilijkt. De overige overschrijding van 13 maanden tot aan de tussenuitspraak moet worden toegerekend a
Bronpassage s0025
an de Afdeling. In de tussenuitspraak van 19 november 2025 zijn door de Afdeling verschillende gebreken geconstateerd in de vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp". Daarop heeft de Afdeling een bestuurlijke lus toegepast om de raad de gelegenheid te geven de gebreken te herstellen. Hierdoor is de redelijke termijn met nog meer maanden overschreden dan al het geval was. De overschrijding van de redelijke termijn voor zover die het gevolg is van het toepassen van een bestuurlijke lus om gebreken te herstellen, moet aan het bestuursorgaan worden toegerekend, mits de Afdeling binnen één jaar na ontvangst van het herstelbesluit einduitspraak doet. Dat is het geval, aangezien de Afdeling binnen één jaar na de ontvangst van het herstelbesluit van 21 april 2026 einduitspraak doet. In de periode vanaf de tussenuitspraak tot aan de einduitspraak is de redelijke termijn met nog eens 10 maanden overschreden, welke termijn gelet op voorgaande toelichting volledig aan de raad moet worden toegerekend. 28. Het voorgaande betekent dat de totale termijnoverschrijding 29 maanden bedraagt, namelijk 19 maanden in de periode tot aan de tussenuitspraak en 10 maanden in de periode vanaf de tussenuitspraak tot aan de einduitspraak. Hiervan worden, gelet op wat hiervoor onder 27.2 is overwogen, 16 maanden toegerekend aan de raad, namelijk 6 maanden in de periode voor de tussenuitspraak en 10 maanden in de periode na de tussenuitspraak. De overige 13 maanden oversch
Bronpassage s0026
rijding van voor de tussenuitspraak worden toegerekend aan de Afdeling. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dat betekent dat [appellant sub 5], uitgaande van de hiervoor genoemde overschrijding van 29 maanden, recht heeft op een schadevergoeding voor een overschrijding van de termijn van vijfmaal een halfjaar van steeds € 500, dus € 2.500. Omdat de overschrijding deels aan de raad en deels aan de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de raad en de Staat. De raad wordt veroordeeld tot betaling aan [appellant sub 5] van 16/29e deel van € 2.500, dus € 1.379,31, en de Staat tot 13/29e deel van € 2.500, dus € 1.120,69. 29. De raad en de Staat worden ieder veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten die [appellant sub 5] heeft gemaakt in verband met de behandeling van zijn verzoek om schadevergoeding. 30. Ten overvloede overweegt de Afdeling nog dat de overige appellanten geen verzoek hebben ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl zij die mogelijkheid wel hadden. Omdat zij geen verzoek om schadevergoeding hebben ingediend, kan aan hen geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn worden toegekend. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de v
Bronpassage s0027
olgende beroepen tegen de besluiten van de raad van de gemeente Schiermonnikoog van 15 februari 2022 en 16 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond: - [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]; - [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], - [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], - [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], - [appellant sub 5], - [appellant sub 6] en anderen, voor zover ingediend namens [appellant sub 6A], [appellant sub 6B], [appellant sub 6C] en [appellant sub 6D], - [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], II. vernietigt de onder I. genoemde besluiten, voor zover het betreft: - het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de locaties [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 5], [locatie 4], [locatie 6] en [locatie 9], [locatie 7] en [locatie 1] en [locatie 8]. Daarbij geldt dat voor [locatie 8] deze vernietiging alleen ziet op het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" dat op 15 februari 2022 is vastgesteld; - de aanduiding "terras" op de gronden bij de locatie [locatie 10]; III. verklaart het beroep van [appellant sub 6] en anderen, voor zover ingediend namens andere personen dan [appellant sub 6A], [appellant sub 6B], [appellant sub 6C], [appellant sub 6D], [appellant sub 6E] en [appellant sub 6F], gericht tegen de besluiten van de raad van de gemeente Schiermonnikoog van 15 februari 2022 en 16 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte
Bronpassage s0028
Schiermonnikoog - Dorp" ongegrond; IV. verklaart de van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Schiermonnikoog van 21 april 2026 ongegrond; V. verklaart het beroep van [appellant sub 8] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Schiermonnikoog van 21 april 2026 niet-ontvankelijk; VI. veroordeelt de raad van de gemeente Schiermonnikoog tot vergoeding van bij de hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten ten bedrage van: a. € 294,22 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan, b. € 1.401,00 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan, c. 2.802,00 aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan, d. € 2.802,00 aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij
Bronpassage s0029
betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan, e. € 2.802,00 aan [appellant sub 5], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, f. € 2.335,00 aan [appellant sub 6] en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan; VII. gelast dat de raad van de gemeente Schiermonnikoog aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: a. € 184,00 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan, b. € 365,00 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan, c. € 184,00 aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan, d. € 184,00 aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan, e. € 184,00 aan [appellant sub 5], f. € 184,00 aan [appellant sub 6] en anderen, met dien verstande
Bronpassage s0030
dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan, g. € 184,00 aan [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan, VIII. wijst het verzoek om schadevergoeding van [appellant sub 5] toe; IX. veroordeelt de raad van de gemeente Schiermonnikoog tot betaling aan [appellant sub 5] van een schadevergoeding van € 1.379,31; X. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan [appellant sub 5] van een schadevergoeding € 1.120,69; XI. veroordeelt de raad van de gemeente Schiermonnikoog tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; XII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier. w.g. Hoekstra voorzitter w.g.
Bronpassage s0031
Van Zuijlen griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 810
De Afdeling laat de rechtsgevolgen van de vernietigde recreatiewoningvergunning in stand.s0003, s0009
Het hoger beroep is ongegrond; de rechtsgevolgen van de vernietigde vergunning voor de recreatiewoning blijven gelden.s0003, s0009
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5805
De Afdeling verklaart het hoger beroep van [appellant] en anderen ongegrond, waardoor de rechtsgevolgen van de vernietigde vergunning voor de recreatiewoning behouden blijven. De woning wijkt af van het bestemmingsplan, maar de aangevoerde bezwaren maken de verleende afwijking niet onhoudbaar. De ruimtelijke onderbouwing vermeldt ten onrechte een bestaande recreatiewoning. Het college heeft zijn beoordeling echter gebaseerd op de juiste, onbebouwde situatie. Ook heeft het voldoende gemotiveerd waarom de gekozen situering en landschappelijke inpassing het open karakter van de omgeving niet onevenredig aantasten.s0002, s0003, s0005, s0006, s0008, s0009
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling bevestigt de rechtbankuitspraak voor zover die is aangevallen. Daarmee blijft de toestemming voor [partij] om de recreatiewoning aan [locatie] in Breukelen te bouwen werkzaam, hoewel de rechtbank het vergunningbesluit heeft vernietigd. Het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht hoeft geen proceskosten te vergoeden. De beoordeling vindt plaats onder de Wabo zoals die vóór 1 januari 2024 gold. Dat volgt uit het overgangsrecht, omdat de aanvraag op 20 januari 2017 is ingediend.s0001, s0002, s0003, s0009
Uit de uitspraak
Bij het parkeren volgt de Afdeling de toelichting van het college. Een vergelijkbare norm ontbreekt in de gemeentelijke parkeernota, maar volgens het college verandert de parkeerbehoefte door de kleinschalige recreatiewoning nauwelijks en is voldoende openbare parkeerruimte beschikbaar. Ook maakt de beperkte verkeerstoename een verslechtering van de verkeersveiligheid niet aannemelijk. Voor het landschap acht de Afdeling de motivering eveneens voldoende. De onopvallende uitstraling, de plaatsing evenwijdig aan het water, het open grasland aan de noordzijde en de beperkte gebiedseigen beplanting aan de zuidzijde dragen dat oordeel.s0006, s0007, s0008
Duiding
Voor de praktijk laat deze zaak zien waarom een feitelijke fout in een ruimtelijke onderbouwing in samenhang met de gehele besluitmotivering moet worden bekeken. Hier stond ten onrechte dat al een recreatiewoning aanwezig was. Het college had bij zijn beoordeling echter wel de juiste, onbebouwde situatie betrokken aan de hand van luchtfoto’s. De Afdeling achtte de onderbouwing van de afwijkingen daardoor niet onjuist of ontoereikend. Ook het landschapsoordeel blijft concreet begrensd: de genoemde inrichting en situering onderbouwen hier dat het open karakter niet onevenredig wordt aangetast.s0005, s0006, s0008
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling bespreekt de nieuwe hogerberoepsgronden over oppervlakte, welstandsbeoordeling en nummeraanduiding niet inhoudelijk.
- De Afdeling beoordeelt de bereikbaarheid voor hulpdiensten niet inhoudelijk, omdat de ingeroepen regel hier niet de belangen van [appellant] en anderen beschermt.
- De gronden over bodemonderzoek en belangenverstrengeling ten aanzien van een ambtenaar zijn op de zitting ingetrokken.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 5 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht een omgevingsvergunning verleend aan [partij] voor het bouwen van een recreatiewoning op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Breukelen, sectie [...], nummer [...], plaatselijk bekend als [locatie] in Breukelen. De aanvraag van 20 januari 2017 is gedaan voor het bouwen van een recreatiewoning op het perceel. Op het perceel gelden de bestemmingsplannen "Landelijk Gebied West" en "Landelijk Gebied West, 1e herziening" (het bestemmingsplan). Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de recreatiewoning gedeeltelijk buiten de functieaanduiding ‘recreatiewoning’ is voorzien. Ook voldoet het bouwplan niet aan de bouwregels van het bestemmingsplan. [appellant] en anderen wonen in de directe omgeving van het perceel.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202305762/1/R4. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant] en anderen, allen wonend in Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 augustus 2023 in zaak nr. 22/3986 in het geding tussen: [appellant] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht. Procesverloop Bij besluit van 5 juli 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [partij] voor het bouwen van een recreatiewoning op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Breukelen, sectie [...], nummer [...], plaatselijk bekend als [locatie] in Breukelen (het perceel). Bij uitspraak van 1 augustus 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 juli 2022 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld. Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 juni 2026, waar [appellant] en [appellant A] en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Ralović en mr. P. Kooijman, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvr
Bronpassage s0002
aag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 januari 2017. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. De aanvraag van 20 januari 2017 is gedaan voor het bouwen van een recreatiewoning op het perceel. Op het perceel gelden de bestemmingsplannen "Landelijk Gebied West" en "Landelijk Gebied West, 1e herziening" (het bestemmingsplan). De gronden hebben de enkelbestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering", met de functieaanduiding "recreatiewoning". Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de recreatiewoning gedeeltelijk buiten de functieaanduiding ‘recreatiewoning’ is voorzien. Ook voldoet het bouwplan niet aan de bouwregels van het bestemmingsplan. Het college heeft bij besluit van 5 juli 2022 een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo verleend voor de activiteiten "bouwen" en "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening". Voor het afwij
Bronpassage s0003
ken van het bestemmingsplan heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onder 3°, van de Wabo. [appellant] en anderen wonen in de directe omgeving van het perceel. Bij uitspraak van 1 augustus 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 juli 2022 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. [appellant] en anderen kunnen zich niet met de uitspraak verenigen en hebben daartegen hoger beroep ingesteld. Ingetrokken gronden 3. Op de zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgronden over het bodemonderzoek en de belangenverstrengeling ten aanzien van ambtenaar Y. de Bourgraaf ingetrokken. Geen nieuwe gronden in hoger beroep 4. [appellant] en anderen voeren in het hoger beroepschrift gronden aan over de omstandigheid dat de aanvraag en de daarbij behorende tekeningen en documenten tegenstrijdigheden bevatten over de oppervlakte van de aangevraagde recreatiewoning, dat de bij de aanvraag behorende tweede tekening ten onrechte niet is beoordeeld door de welstandscommissie en dat in de aanvraag om omgevingsvergunning een onjuiste nummeraanduiding is gebruikt. Zij hebben dit niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij dez
Bronpassage s0004
e beroepsgronden niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgronden daarom niet inhoudelijk bespreken. Relativiteitsvereiste 5. [appellant] en anderen betogen dat het perceel in strijd met artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012 niet bereikbaar is via de openbare weg voor hulpdiensten. 5.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 5.2. Het beroep van [appellant] en anderen op de bereikbaarheid strekt niet tot bescherming van hun eigen belangen, maar heeft betrekking op het belang van de gebruikers van het perceel. Om die reden staat artikel 8:69a van de Awb in de weg aan vernietiging van het besluit van 5 juli 2022 als deze beroepsgrond zou slagen. De Afdeling ziet hierin aanleiding de beroepsgrond buiten bespreking te laten. Verwijzing naar het verkeerde bestemmingsplan 6. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft verwezen naar het verkeerde bestemmingsplan. 6.1. De Afdeling is van oordeel dat de verwijzing in de uitspraak van de rechtbank naar het be
Bronpassage s0005
stemmingsplan "Breukelen Centrum" dient te worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving. Niet is gebleken dat de rechtbank, gelet op de bespreking daarvan in de uitspraak, is uitgegaan van een juridisch onjuist wettelijk kader. Het betoog slaagt niet. Ruimtelijke onderbouwing 7. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de bij de aanvraag gevoegde ruimtelijke onderbouwing van 1 december 2020 niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Zij voeren daartoe aan dat er in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte van wordt uitgegaan dat er een bestaande recreatiewoning aanwezig is op het perceel. 7.1. In het besluit van 5 juli 2022 wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing. In die ruimtelijke onderbouwing van 1 december 2020 staat ten onrechte dat er een bestaande recreatiewoning is op het perceel. [appellant] en anderen voeren op zichzelf terecht aan dat dat niet klopt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen maakt dit niet dat de inhoudelijke onderbouwing van de aangevraagde afwijkingen van het bestemmingsplan onjuist of ontoereikend is. Daartoe merkt de Afdeling op dat de ruimtelijke onderbouwing een onderdeel is van de motivering in het besluit van 5 juli 2022 van het college. De rechtbank heeft daar verder terecht bij betrokken dat het college bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning aan de hand van luchtfoto’s uit 2022 wel is uitgegaan van de juiste feitelijke situatie ten tijde van de aan
Bronpassage s0006
vraag, te weten, dat er geen bebouwing aanwezig was op het perceel. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank daarom terecht overwogen dat de omstandigheid dat in de ruimtelijke onderbouwing nog ten onrechte staat dat er een bestaande recreatiewoning op het perceel aanwezig zou zijn terwijl dat niet meer het geval was, niet leidt tot het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing om die reden niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht worden gelegd. Het betoog slaagt niet. Parkeerplaatsen 8. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het parkeren aan de openbare weg gevaarlijk is vanwege de al bestaande drukte. Verder zijn er volgens hen onvoldoende parkeerplaatsen aan de openbare weg. 8.1. Het college heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting en op de zitting van de Afdeling toegelicht dat het een kleinschalige recreatiewoning betreft, waarvoor een (vergelijkbare) norm in de Nota parkeernormen (deel B van het GVVP Stichtse Vecht) ontbreekt. Het college heeft zich echter op het standpunt gesteld dat vanwege de kleinschaligheid van de recreatiewoning, de bestaande parkeerbehoefte nauwelijks zal wijzigen en er voldoende openbare parkeerruimte is. Het college heeft verder toegelicht dat het niet verboden is dat op de openbare weg langs het perceel wordt geparkeerd en dat de beperkte toename van de verkeersintensiteit als gevolg van de recreatiewoning niet zodanig is dat het aannemelijk is dat de verkeersveiligheid zal verslechteren. De Afdeling ka
Bronpassage s0007
n deze motivering van het college volgen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college vanwege de gestelde parkeerproblemen de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen. Het betoog slaagt niet. Provinciaal beleid en landschapsadvies 9. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vergunde recreatiewoning in strijd is met de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht (de Interim Omgevingsverordening). Zij voeren aan dat door het bouwen van recreatiewoning, de kernkwaliteit over het open karakter die geldt voor het landschap Groene Hart, waarin het perceel is gelegen, verloren gaat. In dit kader wijzen zij ook op verschillende landschapsadviezen. 9.1. Artikel 1.3 van de Interim Omgevingsverordening luidt: "1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder een bestemmingsplan mede verstaan: a. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;[…]" Artikel 7.9 van de Interim Omgevingsverordening luidt: "1. Landschap bestaat uit landschap Eemland, landschap Gelderse Vallei, landschap Groene Hart, landschap Rivierengebied en landschap Utrechtse Heuvelrug. 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening. 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap be
Bronpassage s0008
vat: a. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. 4. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan." 9.2. Het college heeft zich in het besluit van 5 juli 2022, onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing, op het standpunt gesteld dat de recreatiewoning stedenbouwkundig en landschappelijk passend is in de omgeving door een onopvallende uitstraling van de recreatiewoning en een landschappelijke inpassing die uitgaat van open grasland aan de noordzijde en beperkte, gebiedseigen opgaande beplanting aan de zuidzijde. In de schriftelijke uiteenzetting heeft het college nader toegelicht dat, doordat de recreatiewoning evenwijdig aan het water wordt geplaatst, deze minder opvalt. Daarmee heeft het college naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd dat de recreatiewoning niet leidt tot een onevenredige aantasting van de in de Interim Omgevingsverordening opgenomen kernkwaliteit over het open karakter van de omgeving, zodat geen strijd bestaat met artikel 7.9 van de Interim Omgevingsverordening. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank dan ook terecht overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning om deze reden had moeten weigeren. Het betoog slaagt niet.
Bronpassage s0009
Belangenverstrengeling 10. [appellant] en anderen betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 5 juli 2022 met vooringenomenheid tot stand is gekomen. Daartoe wijzen zij erop dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van belangenverstrengeling. Volgens hen heeft oud-wethouder K. Wiersema gedurende een periode opgetreden als adviseur van Dhondt. 10.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het besluit van 5 juli 2022 in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb tot stand is gekomen. Op de zitting is onbetwist door het college naar voren gebracht dat Wiersema geen wethouder was ten tijde van de procedure voor de verlening van de omgevingsvergunning en dat hij dan ook geen invloed heeft gehad op de besluitvorming. Het betoog slaagt niet. Conclusie 11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. 12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen. Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier. w.g. Knol lid van de enkelvoudige kamer w.g. Hielkema griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 776-1096
De Afdeling laat de weigering van dit bestemmingsplan voor één woning overeind.s0001, s0009
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond; de weigering van het bestemmingsplan voor één woning blijft staan.s0001, s0009
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5806
De Afdeling verklaart het beroep van [appellant] ongegrond, waardoor de weigering van het bestemmingsplan voor één woning aan de [locatie] in Blijham blijft staan. De raad van Westerwolde mocht de woning in strijd met de Woonvisie achten. Morige is geen kleine kern en het perceel ligt niet aan een bebouwingslint. Geen van de drie uitzonderingen voor woningbouw in het buitengebied is van toepassing; ook ontbreekt structuurversterking. Deze reden draagt de weigering zelfstandig. De Afdeling bespreekt de overige weigeringsgronden daarom niet inhoudelijk. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.s0001, s0006, s0007, s0008, s0009
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling verklaart het beroep van [appellant] ongegrond. De raad van de gemeente Westerwolde hoeft het aangevraagde bestemmingsplan voor één woning aan de [locatie] in Blijham daarom niet vast te stellen. De raad hoeft ook geen proceskosten te vergoeden. Omdat [appellant] de aanvraag op 3 maart 2022 heeft ingediend, blijft het recht van vóór 1 januari 2024 van toepassing, waaronder de Wet ruimtelijke ordening. De Afdeling toetst de weigering binnen dat wettelijke kader.s0001, s0002, s0009
Uit de uitspraak
De ligging van het perceel is doorslaggevend voor de toepassing van de Woonvisie. Morige staat niet in de opsomming van kleine kernen en heeft minder bebouwing en voorzieningen dan de genoemde plaatsen. De Hoofdweg zou zich volgens de Afdeling kunnen kenmerken als bebouwingslint, maar het perceel ligt daarachter. De [locatie] heeft veel open ruimtes en slechts verspreide woningen. De raad mocht daarom aannemen dat het perceel buiten een kleine kern en buiten een bebouwingslint ligt. Daarmee ontbreekt hier ook een structuurversterkende plek.s0005, s0006, s0007, s0008
Duiding
Voor de beoordeling van dit woningbouwverzoek betekent dit dat nabijgelegen bebouwing op zichzelf onvoldoende was om de weigering te bestrijden. Beslissend was hoe de concrete ligging aansloot op de categorieën en uitzonderingen van de Woonvisie. Ook het betoog van [appellant] dat de woning zorgvuldig zou worden ingepast, veranderde die beoordeling niet. De raad heeft beleidsruimte en de Afdeling maakt de belangenafweging niet zelf. Deze uitspraak biedt geen inhoudelijk oordeel over de afzonderlijke bezwaren rond draagvlak of nutsvoorzieningen, omdat de beoordeelde beleidsgrond de weigering al droeg.s0002, s0004, s0007, s0008, s0009
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling beoordeelt de overige weigeringsgronden niet inhoudelijk, omdat de strijd met de Woonvisie de weigering al kan dragen.
- De uitspraak past het recht van vóór 1 januari 2024 toe en beoordeelt de aanvraag niet onder de Omgevingswet.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
In het besluit van 24 april 2024 heeft de raad van de gemeente Westerwolde de aanvraag van [appellant] om een bestemmingsplan vast te stellen voor de bouw van één woning aan de [locatie], in Blijham (het perceel), afgewezen. [appellant] is eigenaar van het perceel en heeft de raad verzocht om een bestemmingsplan vast te stellen om op dit perceel de bouw van één woning mogelijk te maken. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met een gesloten landschap". Het bestemmingsplan is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Met ingang van 6 juli 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan "Blijham, [locatie]" zes weken ter inzage gelegen. Over dit ontwerpbestemmingsplan zijn vier zienswijzen ingediend. De raad heeft vervolgens op 24 april 2024 besloten om het bestemmingsplan niet vast te stellen. [appellant] is het niet eens met dit besluit. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte heeft besloten om het plan niet vast te stellen, omdat dit voldoet aan alle relevante wettelijke- en beleidskaders en getuigt van een goede ruimtelijke ordening. [appellant] voert daartoe aan dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsverordening en de Woonvisie omtrent het bouwen van woningen in het buitengebied.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202501971/1/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en de raad van de gemeente Westerwolde, verweerder. Procesverloop In het besluit van 24 april 2024 heeft de raad de aanvraag van [appellant] om een bestemmingsplan vast te stellen voor de bouw van één woning aan de [locatie], in Blijham (het perceel), afgewezen. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [persoon A] en [persoon B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 juni 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.A. Westers, advocaat in Groningen, vergezeld door [persoon A], en de raad, vertegenwoordigd door J.P. Keizer, zijn verschenen. Verder is op de zitting [persoon B], bijgestaan door mr. M. de Boer, advocaat in Heerenveen, gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om het bestemmingsplan vast te stellen is ingediend
Bronpassage s0002
op 3 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellant] is eigenaar van het perceel en heeft de raad verzocht om een bestemmingsplan vast te stellen om op dit perceel de bouw van één woning mogelijk te maken. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met een gesloten landschap". 2.1. Het bestemmingsplan is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Met ingang van 6 juli 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan "Blijham, [locatie]" zes weken ter inzage gelegen. Over dit ontwerpbestemmingsplan zijn vier zienswijzen ingediend. De raad heeft vervolgens op 24 april 2024 besloten om het bestemmingsplan niet vast te stellen. [appellant] is het niet eens met dit besluit. Toetsingskader 3. Bij het besluit over de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsruimte en moet hij de betrokken belangen afwegen. De Afdeling maakt die belangenafweging niet zelf, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Bestreden besluit 4. Aan het besluit om het plan niet vast te stellen heeft de raad zeven weigeringsgronden ten grondslag
Bronpassage s0003
gelegd. De raad heeft gesteld dat a. het gebied Morige niet kan worden aangemerkt als "kleine kern", maar als buurtschap in het buitengebied. Op grond van de "Woonvisie Westerwolde 2019-2024" (Woonvisie) en de "Geconsolideerde Omgevingsverordening november 2022" (Omgevingsverordening) geldt het uitgangspunt dat in het buitengebied geen nieuwe woningen worden toegevoegd, behoudens via specifieke regelingen. Deze specifieke regelingen zijn hier, volgens de raad, niet van toepassing. Daarnaast heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat: b. de beoogde locatie geen structuurversterkende plek is, c. er in de bebouwde kom van Blijham nog 35 locaties voor woningbouw aanwezig zijn, d. woningbouw op deze locatie een precedent zou scheppen voor vergelijkbare percelen in de omgeving, wat door de raad onwenselijk wordt geacht voor het open landschap, e. de toestemming van de provincie waarschijnlijk is gebaseerd op de onjuiste kwalificatie van het gebied als "kleine kern", f. er onvoldoende draagvlak is in de omgeving, en g. het plan mogelijk niet uitvoerbaar is, omdat niet zeker is dat de eigenaren van omliggende percelen medewerking zullen verlenen aan de benodigde aansluiting op nutsvoorzieningen. Het beroep 5. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte heeft besloten om het plan niet vast te stellen, omdat dit voldoet aan alle relevante wettelijke- en beleidskaders en getuigt van een goede ruimtelijke ordening. [appellant] voert daartoe aan dat het plan in overeenstemming is m
Bronpassage s0004
et de Omgevingsverordening en de Woonvisie omtrent het bouwen van woningen in het buitengebied. Er is namelijk sprake van een kleine kern met bebouwing in de directe omgeving van het plangebied. Omdat het plangebied in een kleine kern ligt, moet daarnaast worden voldaan aan het vereiste van ‘structuurversterking’. Het betreft hier, volgens [appellant], een kleinschalige toevoeging die past binnen de structuur van het gebied en die zorgvuldig is ontworpen en wordt ingepast in de landschappelijke en stedenbouwkundige structuur. Aan het vereiste van structuurversterking wordt daarmee voldaan. Over de weigeringsgrond van de raad dat onvoldoende aan participatie is gedaan en er draagvlak ontbreekt voert [appellant] aan dat de aanvraag nog onder de Wro valt, waarin participatie niet verplicht is. Bovendien heeft hij onverplicht een omgevingsdialoog gehouden met omwonenden. Ook weerspreekt hij dat er geen draagvlak is. Dit is daarbij ook geen grond om het besluit niet vast te stellen, aldus [appellant]. Tot slot voert [appellant] aan dat op het perceel sprake is van een erfdienstbaarheid. Vaststelling van het plan had dus niet geweigerd mogen worden vanwege een evidente privaatrechtelijke belemmering. 5.1. De Afdeling gaat eerst in op de vraag of de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren van een woning op het perceel in strijd is met de Woonvisie en hij al daarom niet mee hoefde te werken aan vaststelling van het bestemmingsplan. In hoofdst
Bronpassage s0005
uk 7 van bijlage 4 van de Woonvisie zijn de verschillende woonmilieus die binnen de regio Oost-Groningen van elkaar kunnen worden onderscheiden nader gedefinieerd. Het gaat om stedelijke kernen, centrumkernen, woonkernen en kleine kernen. Een kleine kern heeft volgens die beschrijving de volgende kenmerken: veel kleiner dan 3.500 inwoners; weinig stedelijke (perifere landelijke) omgeving; ook lintbebouwing/lintdorpen; een laag tot zeer laag voorzieningenniveau; lokale tot beperkte verzorgingsfunctie; zeer beperkte voorzieningen; en redelijke tot matige bereikbaarheid. Daarbij wordt ook een opsomming gegeven van kleine kernen binnen Oost-Groningen. Als kleine kernen binnen de gemeente Westerwolde worden daar genoemd: Wedde, Vriescheloo, Veelerveen, Bourtange en Sellingen. In paragraaf 3.2 van de Woonvisie staat dat er in de gemeente ruimte is voor 200 extra nieuwbouwwoningen voor kwalitatieve verrijking en vernieuwing. In de centrumkern Ter Apel is ruimte voor 75 extra nieuwe woningen, in de woonkernen Bellingwolde, Blijham en Vlagtwedde samen 75 extra woningen en in de kleine kernen samen kunnen nieuwe kleinschalige plannen voor 50 extra woningen worden toegevoegd. In het buitengebied kunnen in principe geen woningen worden toegevoegd. In het Addendum op de Woonvisie staat in paragraaf 3.3 dat men een aantal uitzonderingen wil maken op de algemene regel uit de Woonvisie dat woningen in principe niet worden toegevoegd in het buitengebied. Deze uitzonderingen zijn: woningen toe
Bronpassage s0006
voegen in het buitengebied door middel van woningsplitsing; woningen toevoegen in het buitengebied door middel van de Ruimte-voor-ruimte-regeling; en woningen toevoegen in bebouwingslinten in het buitengebied. In paragraaf 4.3 van de Woonvisie staat dat binnen de gemeente in principe enkel nog op structuurversterkende plekken wordt gebouwd. Bij de kleine kernen wordt daarbij genoemd dat het moet gaan om: een perceel in de dorpskern of het bestaande lint; aanpak van rotte kies, structurele leegstand of beeldbepalende plek; (eventueel) hergebruik van bestaand vastgoed; en binnen bestaand stedelijk gebied. 5.2. De Afdeling overweegt dat het voor het antwoord op de vraag of het realiseren van een woning op het perceel in overeenstemming is met de Woonvisie dus van belang is om vast te stellen of het perceel ligt in een kleine kern, aan een bebouwingslint in het buitengebied of op een structuurversterkende plek. De Afdeling overweegt daarover het volgende. Morige is naar het oordeel van de Afdeling niet te kwalificeren als kleine kern zoals bedoeld in de Woonvisie, en behoort dus tot het buitengebied, zoals de raad stelt. Ten eerste wordt Morige niet genoemd in de opsomming van kleine kernen in de Woonvisie. Ten tweede zijn de plaatsen binnen de gemeente die wel worden genoemd als kleine kern, namelijk Wedde, Vriescheloo, Veelerveen, Bourtange en Sellingen alle een stuk groter dan Morige en zijn daar meer bebouwing en voorzieningen aanwezig. Morige bestaat alleen uit de Hoofdweg,
Bronpassage s0007
met daaraan aansluitend enkele zijstraten/lanen, waaronder de [locatie]. De [locatie] bestaat, net als de andere zijstraten/lanen van de Hoofdweg, uit een aantal, verspreid uit elkaar liggende woningen met daartussen open ruimtes. Omdat Morige kleiner van omvang is en er minder bebouwing, woningen en andere voorzieningen aanwezig zijn heeft Morige niet dezelfde kenmerken als de plaatsen die als kleine kern zijn genoemd en daarom heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat Morige niet als kleine kern is aan te merken. Daarnaast heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat het perceel niet aan een bebouwingslint in het buitengebied zoals bedoeld in de Woonvisie ligt. De [locatie] is een laan ten zuiden van de woonkern Blijham met hier en daar een woning die, zoals hiervoor is overwogen, uitkomt op de Hoofdweg. Dat is de doorgaande weg tussen Blijham en Wedde. De Afdeling stelt vast dat die Hoofdweg zich zou kunnen kenmerken als een bebouwingslint in het buitengebied, vanwege de langgerekte vorm van de bebouwing die zich vrij dicht op elkaar langs die weg bevindt, terwijl het daar achterliggende gebied agrarisch en open is. Het perceel bevindt zich echter niet aan dat bebouwingslint, maar daarachter. Op de zitting heeft [appellant] nader toegelicht dat rondom het perceel wel sprake is van een bebouwingslint. Daarmee doelt hij wellicht ook op de Hoofdweg. De raad heeft in zijn motivering om het plan niet vast te stellen toegelic
Bronpassage s0008
ht dat de [locatie] zich kenmerkt door veel open ruimtes met hier en daar een woning en dat daarom geen sprake is van lintbebouwing. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op de genoemde kenmerken van de laan op dit standpunt mogen stellen. Omdat het perceel niet ligt in een kleine kern en ook niet aan een bebouwingslint in het buitengebied, kan al daarom van een structuurversterkende plek geen sprake zijn. Zoals hiervoor onder 5.1 is overwogen, bevinden structuurversterkende plekken zich altijd in kernen of langs bestaande linten. 5.3. In de Woonvisie staat dat in het buitengebied in principe geen woningen worden toegevoegd. Dit is slechts anders wanneer aan één van de drie uitzonderingen wordt voldaan die zijn genoemd in het Addendum op de Woonvisie. Tussen partijen is niet in geschil dat niet wordt voldaan aan de eerste twee uitzonderingen: woningen toevoegen in het buitengebied door middel van woningsplitsing en woningen toevoegen in het buitengebied door middel van de Ruimte-voor-ruimte-regeling. Gelet op wat onder 5.2 is overwogen, wordt ook niet voldaan aan de derde uitzondering: woningen toevoegen in bebouwingslinten in het buitengebied. Van structuurversterking is ook geen sprake. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs op het standpunt mogen stellen dat de realisatie van een woning op dit perceel in strijd is met de Woonvisie. Het betoog slaagt niet. 5.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft d
Bronpassage s0009
e raad alleen al hierom deugdelijk gemotiveerd waarom hij heeft besloten het bestemmingsplan niet vast te stellen. Omdat de hiervoor besproken weigeringsgronden het besluit van de raad al kunnen dragen, ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van de overige door [appellant] aangevoerde beroepsgronden, die zien op de andere weigeringsgronden die de raad ook aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1067, onder 6.5. Conclusie 6. Het beroep is ongegrond. 7. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier. w.g. Hoekstra lid van de enkelvoudige kamer w.g. Wolvers-Poppelaars griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 780 - 1205
De Afdeling laat de handhaving en invordering van € 2.500 in stand.s0003, s0006
De Afdeling bevestigt de rechtbankuitspraak; het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.s0006
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5807
De Afdeling verklaart het hoger beroep van [appellante] ongegrond, waardoor de last onder dwangsom en de invordering van in totaal € 2.500 in stand blijven. De benodigde omgevingsvergunning voor haar schutting met overkapping ontbrak. De aangevoerde omstandigheden verplichtten het college van burgemeester en wethouders van Groningen niet om van handhaving af te zien. De gestelde afstand tot de erker maakt de overtreding niet gering. Ook heeft [appellante] niet geconcretiseerd waarom haar ligrolstoel niet elders op het perceel kan worden opgeborgen. Tegen het oordeel over de invorderingsbesluiten heeft zij geen gronden aangevoerd.s0003, s0005, s0006
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling beoordeelt deze last en de invordering volgens het recht dat vóór 1 januari 2024 gold, waaronder de Wabo. Het overgangsrecht houdt dat kader hier van toepassing omdat het college de last al in 2022 oplegde. Partijen betwisten niet dat voor de schutting met overkapping een omgevingsvergunning nodig was en dat die ontbrak. De last bood twee mogelijkheden om de overtreding te beëindigen: [appellante] kon het bouwwerk verwijderen en verwijderd houden, of het minimaal één meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw plaatsen.s0002, s0003
Uit de uitspraak
Het geschil gaat over de vraag of het college vanwege de omstandigheden van [appellante] van handhaving had moeten afzien. Zij wees op haar angststoornis, haar bedgebondenheid, de afscherming van een stroomkast en de behoefte aan een plek voor haar ligrolstoel. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de aangevoerde omstandigheden daarvoor onvoldoende zijn. Zij voegt daaraan toe dat de gestelde afstand van één meter achter de erker de overtreding niet gering maakt. Ook heeft [appellante] niet geconcretiseerd waarom zij de ligrolstoel nergens anders op het perceel kan opbergen.s0004, s0005, s0006
Duiding
Voor de praktijk laat deze zaak zien waarom een beroep op persoonlijke omstandigheden een concrete toelichting vraagt. Bij de ligrolstoel was vooral van belang dat onduidelijk bleef waarom een andere bergplek op het perceel niet mogelijk was. Dat oordeel betekent niet dat persoonlijke omstandigheden nooit tot het afzien van handhaving kunnen leiden. De Afdeling beoordeelt of die omstandigheden in dit concrete geval voldoende zwaar wegen om het belang van handhaving te laten wijken.s0005, s0006
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling neemt het oordeel uit rechtsoverweging 6.4 van de rechtbank over, maar die overweging is niet weergegeven in de bron.
- De invorderingsbesluiten zijn in hoger beroep niet met afzonderlijke gronden bestreden.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
In het besluit van 24 november 2022 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Groningen [appellante] gelast de strijdigheid met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op het perceel [locatie 1] in Groningen op te heffen. [appellante] woont aan de [locatie 1] in Groningen. Op 10 februari 2022 is naar aanleiding van een klacht uit de buurt een inspectie uitgevoerd door de afdeling vergunningverlening, toezicht en handhaving van de gemeente Groningen. Tijdens deze controle is geconstateerd dat [appellante] een schutting met overkapping (het bouwwerk) heeft geplaatst tussen haar woning en [locatie 2] zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo. In het besluit van 24 november 2022 heeft het college [appellante] gelast om de overtreding vóór 1 maart 2023 te beëindigen, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 2.500,00.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202403855/1/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Groningen, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 mei 2024 in zaak nr. 23/2324 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Groningen. Procesverloop In het besluit van 24 november 2022 heeft het college [appellante] gelast de strijdigheid met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op het perceel [locatie 1] in Groningen op te heffen. In het besluit van 18 april 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In de besluiten van 12 juli 2023 en 2 oktober 2023 heeft het college besloten tot invordering van twee verbeurde dwangsommen bij [appellante]. In de uitspraak van 8 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 juli 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.N. Huisman, advocaat in Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. I. Simonides, drs. A.H.M. Drijvers-Nijland en T.P. Sikkema, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgeving
Bronpassage s0002
swet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. In het besluit van 24 november 2022 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellante] woont aan de [locatie 1] in Groningen. Op 10 februari 2022 is naar aanleiding van een klacht uit de buurt een inspectie uitgevoerd door de afdeling vergunningverlening, toezicht en handhaving van de gemeente Groningen. Tijdens deze controle is geconstateerd dat [appellante] een schutting met overkapping (het bouwwerk) heeft geplaatst tussen haar woning en [locatie 2] zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo. In het besluit va
Bronpassage s0003
n 24 november 2022 heeft het college [appellante] gelast om de overtreding vóór 1 maart 2023 te beëindigen, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 2.500,00. In dat besluit staat hierover dat voor de werkzaamheden geen vergunning kan worden verleend, omdat het plan niet ruimtelijk en cultuurhistorisch akkoord is. De overtreding kan volgens het besluit ongedaan worden gemaakt door het bouwwerk te verwijderen en verwijderd te houden, of door het minimaal 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw te plaatsen. In het besluit van 18 april 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In de besluiten van 12 juli 2023 en 2 oktober 2023 heeft het college besloten tot invordering van de dwangsommen van in totaal € 2.500,00. Het hoger beroep 3. Niet in geschil is dat het bouwwerk is gebouwd zonder benodigde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo, zodat het college bevoegd was om handhavend op te treden. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het college in dit geval van handhavend optreden had moeten afzien. Had het college moeten afzien van handhavend optreden? 4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden onevenredig en niet proportioneel is. Volgens [appellante] had aan haar belangen bij het behoud van het bouwwerk een doorslaggevend gewicht moeten worden toegekend. Daarover voert z
Bronpassage s0004
ij verder aan dat de door haar gekozen oplossing, waarbij het bouwwerk op 37,5 cm achter de voorgevel is geplaatst, nauwelijks afwijkt van de situatie waarin het bouwwerk vergunningvrij zou zijn. Gelet hierop is volgens haar slechts sprake van een relatief kleine overschrijding van geringe aard. Op de zitting heeft zij hieraan toegevoegd dat het bouwwerk gemeten vanaf de erker wel 1 meter naar achteren staat. Daarbij is deze oplossing volgens [appellante] zeer passend voor het straatbeeld en is er geen sprake van verstoring van de karakteristieke bebouwing of een onevenredige inbreuk op de oorspronkelijk lintbebouwing. Ook wordt de stroomkast, die zij aan deze zijde van het huis heeft geplaatst, op deze wijze aan het zicht onttrokken. Het is volgens haar vanwege deze stroomkast niet mogelijk om het bouwwerk nog verder naar achter te plaatsen. Het bouwwerk is namelijk nodig om deze stroomkast af te schermen en te voorkomen dat een onveilige hoek ontstaat waar hangjongeren verblijven. Dat heeft een wijkagent haar ook aangeraden. Zij kampt met een gegeneraliseerde angststoornis en is aan bed gebonden. Zij heeft daarom behoefte aan een overzichtelijke situatie rondom haar woning. Tot slot dient de overkapping als plek om haar ligrolstoel te plaatsen. Gelet op deze omstandigheden had het college volgens haar van handhavend optreden moeten afzien. 4.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de t
Bronpassage s0005
oets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. 4.2. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank en verwijst naar rechtsoverweging 6.4 van de aangevallen uitspraak. Wat in hoger beroep is aangevoerd geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Daaraan voegt de Afdeling nog toe dat het college ook in de omstandigheid dat het bouwwerk op 1 meter achter de erker staat, zoals [appellante] op zitting heeft gesteld, geen reden heeft hoeven zien om van handhavend optreden af te zien. Dit maakt namelijk niet dat de overtreding van geringe aard en ernst
Bronpassage s0006
is. Over de ligrolstoel overweegt de Afdeling tot slot dat [appellante] niet heeft geconcretiseerd waarom het niet mogelijk is om deze elders op het perceel op te bergen. Ook daarin ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van omstandigheden die maken dat er een bijzonder geval is waarin het college had moeten afzien van handhaving. Het betoog slaagt niet. Invorderingsbesluiten 5. [appellante] heeft geen gronden aangevoerd over het oordeel van de rechtbank over de invorderingsbesluiten. Conclusie 6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier. w.g. Bangma lid van de enkelvoudige kamer w.g. Buskermolen griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 896-1200
De Afdeling vernietigt oorspronkelijke plandelen, maar laat het herstelbesluit in stand.s0022
De Afdeling vernietigt de oorspronkelijke plandelen voor [locatie 1] en [locatie 3]; het herstelbesluit blijft in stand.s0022
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5808
De Afdeling vernietigt het oorspronkelijke bestemmingsplan voor [locatie 1] en [locatie 3], maar laat het herstelbesluit met toegevoegde geluidnormen in stand. Het beroep van Manege De Lourenshoeve B.V. tegen dat herstelbesluit is ongegrond; de beroepen van de overige appellanten zijn niet-ontvankelijk. De raad heeft de gekozen geluidnormen voldoende onderbouwd. Daarbij tellen de gebiedskenmerken, het tijdelijke verblijf in recreatiewoningen en de beperkingen aan evenementen mee. De Afdeling acht onaanvaardbare geluidoverlast bij de bedrijfswoning en recreatiewoningen niet aannemelijk. De toegestane activiteiten moeten wel aan de bindende geluidnormen voldoen.s0022, s0012, s0013, s0016, s0019, s0021
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De gedeeltelijke vernietiging betreft het oorspronkelijke besluit van de raad van Twenterand voor [locatie 1] en [locatie 3] in Den Ham. Dat besluit was onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. Het herstelbesluit voegt bindende geluidnormen toe en doorstaat de beoordeling van de Afdeling. Daardoor blijven de gewijzigde planmogelijkheden bestaan, met de verplichting die normen na te leven. Op deze procedure blijft het recht van vóór 1 januari 2024 van toepassing, waaronder de Wet ruimtelijke ordening. De raad moet Manege De Lourenshoeve B.V. € 2.335 aan proceskosten en € 365 aan griffierecht vergoeden.s0002, s0003, s0011, s0022, s0023
Uit de uitspraak
De Afdeling aanvaardt de onderbouwing van de etmaalwaarde van 50 dB(A) aan de hand van de verschillende recreatieve functies in het gebied. Voor recreatiewoningen acht zij hogere geluidnormen aanvaardbaar vanwege het tijdelijke recreatieve verblijf. Bij de specifiek toegestane activiteiten van manege De Bosruiters accepteert zij 58 dB(A), mede omdat de evenementen in aantal zijn beperkt en uiterlijk om 23:00 uur moeten eindigen. Die norm biedt geen ruimte om bij verder gelegen recreatiewoningen 58 dB(A) te veroorzaken als daardoor bij dichterbij gelegen recreatiewoningen de grens wordt overschreden.s0012, s0013, s0016, s0019, s0020
Duiding
Voor de beoordeling van dit herstelbesluit is het onderscheid tussen onderzoeksuitkomsten en bindende planregels bepalend. Een lagere berekende geluidbelasting in een bijlage bij de plantoelichting betekende hier niet dat die lagere waarde juridisch was vastgelegd. De toegevoegde geluidnormen brachten de andere appellanten daarom niet in een nadeliger positie: het oorspronkelijke plan bevatte zulke normen niet. Hun beroepen waren niet-ontvankelijk. Deze zaak laat daarmee zien waarom een vergelijking van de oude en nieuwe bindende regels nodig is om een gestelde verslechtering te onderbouwen.s0005, s0006, s0007, s0008
Grenzen van deze toelichting
- De vernietiging betreft uitsluitend de oorspronkelijke plandelen voor [locatie 1] en [locatie 3] in Den Ham.
- De beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3] en de VvE tegen het herstelbesluit zijn niet inhoudelijk beoordeeld.
- De Afdeling beoordeelt het herstelbesluit onder het recht van vóór 1 januari 2024.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2090 heeft de Afdeling de raad van de gemeente Twenterand opgedragen om binnen 24 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 15 februari 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Twenterand PH [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]" te herstellen. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het beroep van Manege De Lourenshoeve B.V. tegen het besluit van 15 februari 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan behandeld. Manege De Lourenshoeve B.V. is eigenaresse van de bedrijfswoning aan de Flierdijk 1 en de recreatiewoningen aan de Flierdijk 3 in Den Ham. Zij vreest dat de activiteiten die het bestemmingsplan bij de manage aan het [locatie 3] en de (recreatieve) activiteiten op het perceel [locatie 1] mogelijk maken, leiden tot een aantasting van het verblijfsklimaat in en bij deze (recreatie)woningen. Naar aanleiding van dit beroep heeft de Afdeling een aantal gebreken in dit besluit geconstateerd.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202201981/2/R3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. Manege De Lourenshoeve B.V., gevestigd in Den Ham, gemeente Twenterand, 2. [appellant sub 2] en anderen, gevestigd respectievelijk wonend in Den Ham, gemeente Twenterand, 3. [appellante sub 3], gevestigd in Den Ham, gemeente Twenterand, 4. Vereniging van Eigenaren "Vakantiepark de Lourenshoeve" (VvE), gevestigd in Utrecht, appellanten, en de raad van de gemeente Twenterand, verweerder. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2090 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 24 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 15 februari 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Twenterand PH [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]" te herstellen. Bij besluit van 16 december 2025 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld (herstelbesluit). Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben Manege De Lourenshoeve B.V. en Adventure Point een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld. [appellant sub 2] en anderen, de VvE en [appellante sub 3] hebben beroep ingesteld tegen het herstelbesluit. De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant sub 2] en anderen, de VvE, [appellante sub 3] en Adventure Point hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:57,
Bronpassage s0002
tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere behandeling van de zaak op een zitting achterwege blijft, waarna zij het onderzoek met toepassing van het derde lid van dat artikel heeft gesloten. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. De tussenuitspraak 2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het beroep van Manege De Lourenshoeve B.V. tegen het besluit van 15 februari 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan behandeld. Manege De Lourenshoeve B.V. is eigenaresse van de bedrijfswoning aan de Flierdijk 1 en de recreatiewoningen aan de Flierdijk 3 in Den Ham. Zij vreest dat de activiteiten die het bestemmingsplan bij de manage aan het [locatie 3] en de (recreatieve) activiteiten op het perceel [locatie 1] mogelijk maken, leiden tot een aantasting van het verblijfsklimaat in en bij deze (recreatie)woningen. Naar aanleiding van dit beroep heeft de Afdeling een aantal gebreken in dit besluit geconstateerd. Het gaat om de volgende gebreken: - onder 13.5 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad bij de beantwoording van de vraag of het bestemmingsplan voorziet in een aanvaardbaar verblijfsklimaat niet is uitgegaan van de uiterste situering van de gevels van de bedrijfswoning en de recreatiewoningen die op grond
Bronpassage s0003
van het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk zijn; - onder 14.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad ten onrechte niet heeft gemotiveerd dat voor de beoordeling van de geluidniveaus in het kader van het gemeentelijk geluidbeleid kon worden uitgegaan van een etmaalwaarde van 50 dB(A); - onder 16.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad ten onrechte niet heeft beoordeeld welk beschermingsniveau aan de recreatiewoningen toekomt; - onder 16.3 en 20.1 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling verder overwogen dat in de einduitspraak een oordeel zal worden gegeven over het betoog dat in de planregels ten onrechte niet is geborgd dat het muziekgeluid afkomstig van de manege op het perceel [locatie 3] bij woningen van derden niet hoorbaar mag zijn, het betoog over de aanvaardbaarheid van het verblijfsklimaat bij de recreatiewoningen en het betoog dat het gebruik van de in- en uitrit op het perceel [locatie 1] tot geluidoverlast bij de bedrijfswoning zal leiden. Daar komt de Afdeling op terug onder 16 van deze uitspraak. 3. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het besluit van 15 februari 2022 in zoverre vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep van Manege De Lourenshoeve B.V. tegen het besluit van 15 februari 2022 is gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd voor zover het betreft de plandelen die betrekking hebben op de percelen [locatie 1] en [locatie 3] in Den Ham. 4.
Bronpassage s0004
In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 24 weken na verzending van de tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 15 februari 2022 te herstellen. Het herstelbesluit 5. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad in het herstelbesluit het bestemmingsplan op enkele onderdelen gewijzigd en voorzien van een nadere onderbouwing, onder meer in de vorm van een aanvullend akoestisch onderzoek van Akoestisch Buro Tideman van 2 september 2025 (akoestisch onderzoek van 2 september 2025). 6. De raad heeft artikel 5.3.1 van de planregels voor wat betreft het perceel [locatie 1] in Den Ham gewijzigd. Dit artikel luidt: "Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend: […] c. een gebruik waar de geluidsbelasting tot gevolg heeft dat de in de onderstaande tabel aangegeven waarden worden overschreden. d. een gebruik waar de geluidsbelasting tot gevolg heeft dat de in de onderstaande tabel aangegeven waarden worden overschreden. 7. Daarnaast heeft de raad artikel 6.3.3 van de planregels voor wat betreft het perceel [locatie 3] in Den Ham gewijzigd door daar sub e en f aan toe te voegen. Dit artikel luidt: "Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van gronden en opstallen voor: […] e. een gebruik overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.1, onder a en b, waar de geluidsbelasting tot gevolg heeft dat de in de onderstaande tabel aangegeven waarden worden overschreden. f. ee
Bronpassage s0005
n gebruik overeenkomstig het bepaalde in artikelen 6.3.1 en 6.3.2 waar de geluidsbelasting tot gevolg heeft dat de in de onderstaande tabel aangegeven waarde wordt overschreden. 8. Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Ontvankelijkheid Vooraf 9. Zoals hiervoor is overwogen, is het besluit van 16 december 2025 een herstelbesluit. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 2] en anderen en [appellante sub 3] geen beroep hebben ingesteld tegen het eerdere besluit van 15 februari 2022. De VvE heeft wel beroep ingesteld tegen het besluit van 15 februari 2022, maar dit beroep is in de uitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2090, onder 4.1, niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling zal daarom beoordelen of de beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3] en de VvE tegen het herstelbesluit ontvankelijk zijn. 9.1. De Afdeling overweegt in dit verband dat vanwege het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van andere partijen niet kan worden aanvaard dat tegen een herstelbesluit dat hangende de procedure wordt genomen, beroep wordt ingesteld door een belanghebbende die geen beroep heeft ingesteld tegen het eerdere besluit. Dat geldt niet als die belanghebbende door het nieuwe besluit in een nadeliger positie is komen te verkeren of als door gewijzigde feiten of omstandigheden de belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen beroep
Bronpassage s0006
heeft ingesteld tegen dat eerdere besluit. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5762, onder 7.1. 9.2. De Afdeling heeft [appellant sub 2] en anderen en [appellante sub 3] in de gelegenheid gesteld aan te geven of zij door het nieuwe besluit in een nadeliger positie zijn komen te verkeren of dat hen door gewijzigde feiten of omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen het eerdere besluit. De Afdeling heeft de VvE vanwege de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep in de uitspraak van 7 mei 2025 alleen in de gelegenheid gesteld uit te leggen of zij door het herstelbesluit in een nadeliger positie is komen te verkeren. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen 10. [appellant sub 2] en anderen hebben geen gewijzigde feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat het hen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen beroep hebben ingesteld tegen het besluit van 15 februari 2022. De door [appellant sub 2] en anderen gegeven toelichting dat in de aan het herstelbesluit ten grondslag gelegde oplegnotitie wordt verwezen naar de vaststellingsovereenkomst van 22 maart 2005, kan niet als zo'n omstandigheid worden gezien. 10.1. Ook is de Afdeling niet gebleken dat [appellant sub 2] en anderen door het herstelbesluit in een nadeliger positie zijn komen te verkeren dan waarin zij zich bevonden als gevolg van het besluit van 15 februari 2022. De Afdeling is van oordeel
Bronpassage s0007
dat de door hen genoemde geluidnormen in de artikelen 5.3.1 en 6.3.3 van de planregels hen niet in een nadeliger positie hebben gebracht, omdat aanvankelijk in de planregels geen geluidnormen ter beperking van de geluidoverlast van de met het plan mogelijk gemaakte activiteiten op de percelen [locatie 3] en [locatie 1] waren opgenomen. De Afdeling wijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4394, onder 9. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellante sub 3] 11. [appellante sub 3] heeft in reactie op de brief van de Afdeling uiteengezet dat in het akoestisch onderzoek "Buitengebied Twenterand PH [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]" van Akoestisch Buro Tideman van 2 februari 2021, dat aan het besluit van 15 februari 2022 ten grondslag lag, van een lagere geluidbelasting werd uitgegaan. Volgens haar staan de in artikel 6.3.3, onder e en onder f, van de planregels opgenomen geluidnormen ten onrechte een hogere geluidbelasting toe. 11.1. [appellante sub 3] heeft geen gewijzigde feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat het haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 15 februari 2022. Ook is de Afdeling niet gebleken dat [appellante sub 3] door het herstelbesluit is komen te verkeren in een nadeliger positie dan waarin zij zich bevond als gevolg van het besluit van 15 februari 2022. De Afdeling is van oor
Bronpassage s0008
deel dat artikel 6.3.3, onder e en onder f, van de planregels [appellante sub 3] niet in een nadeliger positie heeft gebracht omdat aanvankelijk geen geluidnormen ter beperking van de geluidoverlast van de met het plan mogelijk gemaakte activiteiten op het perceel [locatie 3] in de planregels waren opgenomen. Dat in het akoestisch onderzoek van 2 februari 2021 van een lagere geluidbelasting is uitgegaan - los van de vraag of dat zo is - doet hier niet aan af, alleen al niet omdat het akoestisch onderzoek als bijlage bij de plantoelichting geen juridisch bindend onderdeel is van het bestemmingsplan. De Afdeling wijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:237, onder 3.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] niet-ontvankelijk. Het beroep van de VvE 12. De VvE heeft in reactie op de brief van de Afdeling gesteld dat het herstelbesluit een hogere geluidnorm legaliseert en dat zij daardoor in een nadeliger positie is komen te verkeren. 12.1. De Afdeling is niet gebleken dat de VvE door het herstelbesluit in een nadeliger positie is komen te verkeren dan waarin zij zich bevond als gevolg van het besluit van 15 februari 2022. De Afdeling verwijst in dit verband naar wat zij heeft overwogen onder 10.1. Gelet op het voorgaande is het beroep van de VvE niet-ontvankelijk. Beoordeling van het herstelbesluit 13. Manege De Lourenshoeve B.V. heeft naar aanleiding van het herstelbesluit een zienswijze naar voren gebracht. Volgens ha
Bronpassage s0009
ar zijn niet alle gebreken die in de tussenuitspraak zijn geconstateerd, hersteld. 14. De Afdeling zal hierna aan de hand van de door Manege De Lourenshoeve B.V. naar voren gebrachte zienswijze over het herstelbesluit beoordelen of de raad heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak. Onzorgvuldige voorbereiding 15. Manege De Lourenshoeve B.V. betoogt dat het herstelbesluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij stelt dat het herstelbesluit in strijd is met de vaststellingsovereenkomst van 22 maart 2005. Daaruit volgt volgens haar dat de raad voorafgaand aan de vaststelling van het herstelbesluit overleg met haar had moeten voeren. Zij stelt verder dat de vaststellingsovereenkomst een privaatrechtelijke belemmering is die aan de vaststelling van het herstelbesluit in de weg staat. 15.1. De Afdeling stelt voorop dat onder 29 van de tussenuitspraak is bepaald dat afdeling 3.4 van de Awb bij de voorbereiding van het gewijzigde of nieuwe besluit niet opnieuw hoeft te worden toegepast. De raad hoefde dus niet opnieuw een ontwerpplan ter inzage te leggen waarover zienswijzen naar voren konden worden gebracht. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval desondanks uit het oogpunt van zorgvuldigheid in overleg had moeten treden met Manege De Lourenshoeve B.V. Voor zover zij een beroep doet op de vaststellingsovereenkomst tussen de gemeente Twenterand en onder meer "De Lourenshoeve", overweegt de Afdeling dat uit artikel 6, on
Bronpassage s0010
der d, van de vaststellingsovereenkomst slechts volgt dat de bij de overeenkomst betrokken partijen de intentie uitspreken voor een oplossing in overleg in plaats van het voeren van juridische procedures. Daaruit volgt niet dat voorafgaand aan de vaststelling van het herstelbesluit in overleg had moeten worden getreden met Manege De Lourenshoeve B.V. Het betoog slaagt in zoverre niet. 15.2. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957. Er is niet gebleken van het bestaan van enig privaatrechtelijk recht aan de zijde van Manege De Lourenshoeve B.V. dat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Het betoog slaagt ook in zoverre niet. Geluid 16. Zoals hiervoor onder 6 en 7 is overwogen, heeft de raad in het herstelbesluit geluidnormen aan het plan t
Bronpassage s0011
oegevoegd waaraan moet worden voldaan. De Afdeling stelt vast dat de raad met deze planregels in het herstelbesluit is tegemoetgekomen aan het beroep van Manege De Lourenshoeve B.V., voor zover dat ziet op mogelijke geluidoverlast. Hieruit vloeit voort dat het oorspronkelijk bestreden besluit in zoverre geen betekenis meer heeft. Wat Manege De Lourenshoeve B.V. in relatie tot geluid over het oorspronkelijk bestreden besluit heeft gesteld, behoeft daarom geen bespreking meer. Om die reden gaat de Afdeling niet meer afzonderlijk in op de hiervoor onder 2 weergegeven gebreken met betrekking tot het oorspronkelijk bestreden besluit, maar beperkt de Afdeling zich in het vervolg van de uitspraak tot de bespreking van de beroepsgronden die naar aanleiding van het herstelbesluit naar voren zijn gebracht. Maximale geluidnorm van 50 dB(A) etmaalwaarde 17. Manege De Lourenshoeve B.V. betoogt dat het herstelbesluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Hierover voert zij aan dat op pagina 3 van de oplegnotitie waarin de raad een nadere motivering heeft opgenomen, ten onrechte wordt verwezen naar de aanwezigheid van een pitch- en puttbaan terwijl deze niet meer aanwezig is. 17.1. De raad heeft voor de beoordeling van de geluidniveaus aansluiting gezocht bij de maximale geluidnorm van 50 dB(A) etmaalwaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid en de VNG-brochure. De Afdeling heeft de raad onder 28 van de tussenuitspraak opgedragen om alsnog toereikend te motiveren dat voor de beoordeling van de gelu
Bronpassage s0012
idniveaus in het kader van het gemeentelijk geluidbeleid kon worden uitgegaan van een maximale geluidnorm van 50 dB(A) etmaalwaarde. 17.2. De raad heeft in de oplegnotitie de verschillende kenmerken van het gebied betrokken die in dit geval maken dat voor de beoordeling van de geluidniveaus in het kader van het gemeentelijk geluidbeleid kon worden uitgegaan van 50 dB(A) etmaalwaarde. Zo staat daarin onder meer het volgende: "In de omgeving van de Flierdijk zijn onder meer twee maneges, enkele verblijfsrecreatieparken inclusief groepsaccommodaties en een pitch- en puttbaan met actieve recreatie (nu Adventure Point) aanwezig. Manege De Lourenshoeve B.V. en anderen exploiteren op hun gronden aan de Flierdijk een manege en vakantiepark met groepsaccommodatie inclusief dagrecreatieve voorzieningen. Aan de overzijde aan de [locatie 1] bevindt zich een pitch- en puttbaan met actieve recreatie (nu Adventure Point) en grenzend aan de Flierdijk is al lange tijd een manege aan het [locatie 3] aanwezig. Verder is ook nog sprake van de aanwezigheid van een groepsaccommodatie met dagrecreatieve activiteiten ([appellante sub 3]) aan het [locatie 4]. In deze omgeving is een hogere milieubelasting tot de bovengrens aanvaardbaar." 17.3. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht om alsnog toereikend te motiveren dat voor de beoordeling van de geluidniveaus in het kader van het gemeentelijk geluidbeleid kon worden u
Bronpassage s0013
itgegaan van een maximale geluidnorm van 50 dB(A) etmaalwaarde. Daarmee heeft de raad het geconstateerde gebrek in het besluit van 15 februari 2022 hersteld. Wat Manege De Lourenshoeve B.V. op dit punt aanvoert, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de aanwezigheid van een pitch- en puttbaan, wat daar verder ook van zij, niet het enige kenmerk van het gebied is waaraan de raad in zijn motivering betekenis heeft toegekend. Het betoog slaagt niet. Geluidbelasting ter plaatse van de bedrijfswoning en de recreatiewoningen 18. Manege De Lourenshoeve B.V. kan zich niet verenigen met de in het herstelbesluit toegevoegde geluidnormen. De Afdeling bespreekt hierna de beroepsgronden hierover. - Geluidnormen in artikel 5.3.1, onder c, van de planregels voor (bedrijfs)woningen 19. Manege De Lourenshoeve B.V. betoogt dat niet aan de in artikel 5.3.1, onder c, van de planregels opgenomen geluidnormen van 45 dB(A) in de avond- en 40 dB(A) in de nachtperiode zal kunnen worden voldaan, aangezien horeca-activiteiten tussen 19:00 uur en 01:30 uur zijn toegestaan. 19.1. Aan de gronden in het oosten van het perceel [locatie 1] in Den Ham is de bestemming "Recreatie" toegekend. Aan een deel van die gronden is ook de functieaanduiding "horeca" toegekend. Artikel 5.1 van de planregels luidt: "De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor recreatie in de vorm van: […] b. horeca-activiteiten die direct verband houden met de onder
Bronpassage s0014
sub a toegestane recreatieve functies alsmede zelfstandige horeca-activiteiten ten behoeve van feesten en partijen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca', een en ander met in achtneming van de volgende voorwaarden: […] 4. De horeca-activiteiten zijn uitsluitend toegestaan tussen 10.00 uur 's morgens en 1:30 uur 's nachts, met dien verstande dat zelfstandige horeca-activiteiten ten behoeve van feesten en partijen uitsluitend zijn toegestaan tussen 19:00 uur 's avonds en 1:30 uur 's nachts; […] 19.2. Volgens de tabel in artikel 5.3.1, onder c, van de planregels mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door activiteiten op gronden met de bestemming "Recreatie" op de gevel van (bedrijfs)woningen van 19:00 uur tot 23:00 uur niet meer dan 45 dB(A) bedragen, en van 23:00 uur tot 07:00 uur niet meer dan 40 dB(A). In het akoestisch onderzoek van 2 september 2025 zijn de relevante geluidbronnen, in het bijzonder de horeca-activiteiten en voertuigbewegingen, betrokken. Daarbij is een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau berekend op de gevel van de bedrijfswoning van Manege De Lourenshoeve van ten hoogste 42,2 dB(A) in de avondperiode en 36,4 dB(A) in de nachtperiode. Manege De Lourenshoeve B.V. heeft de juistheid van deze berekeningen niet betwist. Voor het oordeel dat niet aan de in artikel 5.3.1, onder c, van de planregels opgenomen geluidnormen zal kunnen worden voldaan, bestaat dan ook geen aanleiding. Het betoog slaagt niet. - Geluidnormen in artikel
Bronpassage s0015
5.3.1, onder d, van de planregels voor recreatiewoningen 20. Manege De Lourenshoeve B.V. betoogt dat de in artikel 5.3.1, onder d, van de planregels opgenomen geluidnormen van 50 dB(A) in de dag- en avondperiode en 45 dB(A) in de nachtperiode te hoog zijn. Zij heeft daartoe een tegenrapport van DGMR van 16 februari 2026 overgelegd. Daarin staat dat uit het akoestisch onderzoek van 2 september 2025 blijkt dat de geluidbelasting van de met het plan mogelijk gemaakte activiteiten op het perceel [locatie 1] in Den Ham voldoen aan de maximale geluidnorm van 50 dB(A) etmaalwaarde. Dit betekent volgens DGMR dat de geluidbelasting 50 dB(A) in de dag-, 45 dB(A) in de avond- en 40 dB(A) etmaalwaarde in de nachtperiode zou moeten bedragen. 20.1. Volgens de tabel in artikel 5.3.1, onder d, van de planregels mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door activiteiten op gronden met de bestemming "Recreatie" op de gevel van recreatiewoningen van 07:00 uur tot 23:00 uur niet meer dan 50 dB(A) bedragen, en van 23:00 uur tot 07:00 uur niet meer dan 45 dB(A). Uit het akoestisch onderzoek van 2 september 2025 volgt dat de met het plan mogelijk gemaakte activiteiten aan deze geluidnormen kunnen voldoen. Manege De Lourenshoeve B.V. heeft dit niet betwist. Naar het oordeel van de Afdeling is het dan ook aannemelijk dat het plan ter plaatse van gronden met de bestemming "Recreatie" een invulling mogelijk maakt waarmee aan de geluidnormen van artikel 5.3.1, onder d, van de planregel
Bronpassage s0016
s kan worden voldaan. De bij het herstelbesluit toegevoegde geluidnormen waarborgen dat ter hoogte van de recreatiewoningen geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidoverlast als gevolg van de activiteiten van Adventure Point. Voor een verdergaande geluidnormering bestaat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen aanleiding. Daarvoor acht de Afdeling van belang dat de raad in de oplegnotitie gemotiveerd heeft toegelicht dat hogere geluidnormen op de gevel van recreatiewoningen aanvaardbaar zijn omdat deze zijn bedoeld voor tijdelijk recreatief verblijf. Dat Manege De Lourenshoeve B.V. de voorkeur geeft aan lagere geluidnormen, betekent niet dat de raad gehouden was die lagere geluidnormen te hanteren. Het betoog slaagt niet. - Geluidnormen in artikel 6.3.3, onder e, van de planregels 21. Manege De Lourenshoeve B.V. betoogt dat de in artikel 6.3.3, onder e, van de planregels opgenomen geluidnormen van 50 dB(A) in de dag- en avondperiode en 45 dB(A) in de nachtperiode te hoog zijn. Ter onderbouwing wijst zij op het tegenrapport van DGMR van 16 februari 2026. Daarin staat dat uit het akoestisch onderzoek van 2 september 2025 blijkt dat de geluidbelasting van de met het plan mogelijk gemaakte activiteiten op het perceel [locatie 3] voldoen aan de maximale geluidnorm van 50 dB(A). Dit betekent volgens DGMR dat de geluidbelasting 50 dB(A) in de dag-, 45 dB(A) in de avond- en 40 dB(A) etmaalwaarde in de nachtperiode zou moeten bedragen. 21.1. Volgens de tabel in ar
Bronpassage s0017
tikel 6.3.3, onder e, van de planregels mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door activiteiten op gronden met de bestemming "Sport" op de gevel van recreatiewoningen van 07:00 uur tot 23:00 uur niet meer dan 50 dB(A) bedragen, en van 23:00 uur tot 07:00 uur niet meer dan 45 dB(A). Uit het akoestisch onderzoek van 2 september 2025 volgt dat de met het plan mogelijk gemaakte activiteiten aan deze geluidnormen kunnen voldoen. Manege De Lourenshoeve B.V. heeft dit niet betwist. Naar het oordeel van de Afdeling is het dan ook aannemelijk dat het plan ter plaatse van gronden met de bestemming "Sport" een invulling mogelijk maakt waarmee aan de geluidnormen van artikel 6.3.3, onder e, van de planregels kan worden voldaan. De bij het herstelbesluit toegevoegde geluidnormen waarborgen dat ter hoogte van de recreatiewoningen geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidoverlast als gevolg van de representatieve bedrijfssituatie van manege De Bosruiters. Voor een verdergaande geluidnormering bestaat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen aanleiding. De Afdeling verwijst in dit verband naar wat zij heeft overwogen onder 20.1. Dat Manege De Lourenshoeve B.V. de voorkeur geeft aan lagere geluidnormen, maakt niet dat de raad gehouden was die lagere geluidnormen te hanteren. Het betoog slaagt niet. - Geluidnorm in artikel 6.3.3, onder f, van de planregels 22. Manege De Lourenshoeve B.V. betoogt dat de in artikel 6.3.3, onder f, van de planregels opgenom
Bronpassage s0018
en geluidnorm van 58 dB(A) te hoog is. Zij voert in de eerste plaats aan dat in artikel 6.3.3, onder f, van de planregels ten onrechte een hogere geluidnorm is opgenomen dan in het akoestisch onderzoek van 2 september 2025 is berekend. Daaruit volgt namelijk dat de incidentele bedrijfssituatie een geluidbelasting op de gevel van de recreatiewoningen van 58 dB(A) in de dag- en 52 dB(A) in de avondperiode veroorzaakt. Zij voert in de tweede plaats aan dat in artikel 6.3.3, onder f, van de planregels ten onrechte geen onderscheid is gemaakt tussen de maximale geluidniveaus in de dag-, avond- en nachtperiode. Dit is volgens haar in strijd met de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai". 22.1. Artikel 6.3.1 van de planregels luidt: "De gronden binnen deze bestemming zijn naast het bepaalde in artikel 6.1 bestemd voor: a. manege-activiteiten in de vorm van hippische wedstrijden met een maximum van 17 dagen per kalenderjaar, waarvan maximaal 12 dagen per kalenderjaar er ook hippische wedstrijdactiviteiten buiten de gebouwen mogen plaatsvinden; b. ringsteken, inpandig in een gebouw; c. manege-activiteiten buiten het gebouw zonder mechanische geluidversterking; d. een clubkampioenschap buiten het gebouw met geluidversterking, met een maximum van één dag per kalenderjaar; e. overige in de buitenlucht te houden hippische wedstrijden en/of concoursen, met een maximum van twaalf dagen per kalenderjaar, met dien verstande dat geluidversterking uitsluitend is toegestaan op de momenten
Bronpassage s0019
dat de wedstrijd of het concours plaatsvindt; f. een paardenmarkt, met een maximum van één dag per kalendermaand; g. evenementen ten behoeve van andere verenigingen uit Twenterand, die geen betrekking hebben op paardensport, in de vorm van huldigingen, overige verenigingsactiviteiten van paardenverenigingen, dierenkeuringen, rommelmarkten, kerst- of culturele markten, country- en, of gardenfairs, tentoonstellingen en, of beurzen met een maximum van drie dagen per kalenderjaar, waarbij het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement voor ten hoogste één dag per evenement is toegestaan. Artikel 6.3.2 luidt: "Een eendaags of meerdaags evenement vindt maximaal plaats tussen 07:00 uur en 23:00 uur." 22.2. De Afdeling heeft de raad onder 28 van de tussenuitspraak opgedragen om alsnog te beoordelen welk beschermingsniveau aan de recreatiewoningen toekomt. Uit de oplegnotitie volgt dat bij een maximaal geluidniveau van 58 dB(A) tijdens de specifiek toegestane activiteiten van manege De Bosruiters sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat bij de recreatiewoningen van Manege De Lourenshoeve B.V. Uit de oplegnotitie volgt dat de raad deze geluidnorm aanvaardbaar acht omdat het gaat om een beperkt aantal evenementen per jaar, de evenementen tot 23:00 uur mogen duren en het bovendien gaat om niet permanent bewoonde recreatiewoningen. 22.3. Voor zover Manege De Lourenshoeve B.V. betoogt dat ten onrechte een ruimere maximale geluidbelasting is opgenomen dan i
Bronpassage s0020
s berekend in het akoestisch onderzoek van 2 september 2025, overweegt de Afdeling als volgt. De in artikel 6.3.3, onder f, van de planregels opgenomen maximale geluidnorm van 58 dB(A) komt overeen met de volgens het akoestisch onderzoek van 2 september 2025 berekende hoogste geluidniveaus op de gevels van de maatgevende recreatiewoningen. Dat betekent niet dat deze hoogste geluidniveaus op de gevels van alle recreatiewoningen rond het [locatie 3] in Den Ham zijn toegestaan. Een maximaal toegelaten geluidniveau op een verder weg gelegen recreatiewoning zou namelijk tot gevolg hebben dat het maximale geluidniveau op een dichterbij gelegen recreatiewoning, in strijd met artikel 6.3.3, onder f, van de planregels wordt overschreden. Het betoog slaagt in zoverre niet. 22.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in artikel 6.3.3, onder f, van de planregels voor de maximale geluidbelasting ten onrechte geen onderscheid is gemaakt tussen de dag-, avond- en nachtperiode. In artikel 6.3.3, aanhef en onder f, van de planregels is bepaald dat tot een strijdig gebruik wordt gerekend een gebruik overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6.3.1 en 6.3.2 van de planregels dat een hogere geluidbelasting dan 58 dB(A) op de gevel van recreatiewoningen veroorzaakt. De Afdeling acht van belang dat de artikelen 6.3.1 en 6.3.2 van de planregels het aantal evenementen per jaar en het aantal uren per dag waarop eendaagse of meerdaagse evenementen mogen plaatsvinden beperken. Daarom h
Bronpassage s0021
eeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling van kunnen afzien om dit ook in artikel 6.3.3, onder f, van de planregels op te nemen. Voor zover Manege De Lourenshoeve B.V. verwijst naar de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" leidt dat niet tot een ander oordeel. Deze handleiding geeft richtlijnen en aanwijzingen voor het meten en berekenen van geluid afkomstig van inrichtingen. Dat de handleiding in dat verband het uitgangspunt hanteert dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt bepaald per etmaalperiode, betekent nog niet dat dit ook zo in de planregels tot uitdrukking moet worden gebracht. Het betoog slaagt ook in zoverre niet. - Conclusie geluid 23. De Afdeling concludeert gelet op het voorgaande dat het niet aannemelijk is dat het plan voor Manege De Lourenshoeve B.V. ter hoogte van haar bedrijfswoning en recreatiewoningen tot onaanvaardbare geluidoverlast zal leiden. Verkeer 24. Manege De Lourenshoeve B.V. betoogt dat er veel meer verkeersbewegingen plaatsvinden dan waarvan in het aanvullend verkeersonderzoek "Verkeersadvies [locatie 1] Den Ham" van Roelofs van 9 juli 2025 is uitgegaan. Zij heeft dit niet onderbouwd. Alleen al daarom slaagt het betoog niet. Overige gronden 25. Manege De Lourenshoeve B.V. betoogt verder dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de ruime horecamogelijkheden van Adventure Point. Ook is het plan volgens haar in strijd met de "Structuurvisie Flierdijk" uit 2004 omdat het gebied rondom de Flierdijk hierin
Bronpassage s0022
is omschreven als een stil buitengebied. 25.1. Deze gronden zijn reeds afgedaan in de tussenuitspraak. Voor zover Manege De Lourenshoeve B.V. zich keert tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Conclusie over het herstelbesluit 26. De beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3] en de VvE tegen het herstelbesluit zijn niet-ontvankelijk. 27. Gelet op het voorgaande is het beroep van Manege De Lourenshoeve B.V. tegen het herstelbesluit ongegrond. Proceskosten 28. De raad moet de proceskosten van Manege De Lourenshoeve B.V. vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: ten aanzien van het besluit van 15 februari 2022 I. verklaart het beroep van Manege De Lourenshoeve B.V. gegrond; II. vernietigt het besluit van 15 februari 2022 voor zover het betreft de plandelen die betrekking hebben op de percelen [locatie 1] en [locatie 3] in Den Ham; ten aanzien van het besluit van 16 december 2025 III. verklaart het beroep van Manege De Lourenshoeve B.V. ongegrond; IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3] en Vereniging van Eigenaren "Vakantiepark de Lourenshoeve" niet-ontvankelijk; ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht V. veroordeelt de ra
Bronpassage s0023
ad van de gemeente Twenterand tot vergoeding van bij Manege De Lourenshoeve B.V. in verband met de behandeling van deze zaak opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00; VI. gelast dat de raad van de gemeente Twenterand aan Manege De Lourenshoeve B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 365,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.R. Mosterd, griffier. w.g. Hoekstra voorzitter w.g. Mosterd griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 1091
De Afdeling vernietigt de handhavingsbesluiten; het college moet opnieuw over geluidsoverlast beslissen.s0030
De Afdeling vernietigt de handhavingsbesluiten; het college moet binnen zestien weken na verzending opnieuw beslissen.s0030, s0034
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5812
De Afdeling vernietigt de eerdere handhavingsbesluiten en het herstelbesluit over geluidsoverlast bij basisschool De Buut. Het college van Nijmegen moet binnen zestien weken na verzending opnieuw op de bezwaren beslissen. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd of het voorgestelde hek van 180 centimeter volgens de regels voor vergunningverlening aanvaardbaar is. Daardoor is ook onvoldoende onderbouwd dat het volledige maatregelenpakket de overtreding beëindigt. Het beroep van [appellant] en anderen tegen het herstelbesluit slaagt; de beroepen van Conexus en [appellanten sub 2] daartegen zijn ongegrond. Tegen het nieuwe besluit staat alleen beroep bij de Afdeling open.s0028, s0029, s0030, s0034
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling vernietigt zowel de eerdere handhavingsbesluiten als het herstelbesluit over het speelterrein van Stichting Conexus. De hoger beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] zijn gegrond. Hun uitkomst tegen het herstelbesluit verschilt echter: het beroep van [appellanten sub 2] daartegen is ongegrond, evenals dat van Conexus. Het beroep van [appellant] en anderen slaagt wel. Het college had moeten beoordelen of het voorgestelde hek aanvaardbaar was volgens de regels voor vergunningverlening. Zonder die beoordeling is ook onvoldoende gemotiveerd dat het aangeboden maatregelenpakket de geluidsovertreding kan beëindigen.s0028, s0029, s0030, s0033, s0034
Uit de uitspraak
De Afdeling beoordeelt deze handhaving onder het oude recht. Zij stelt vast dat de maximale geluidwaarden in het Nijmeegse omgevingsplan gelijk zijn gebleven aan die uit het Activiteitenbesluit. Ook de aangevoerde wijziging van degene tot wie de normen zich richten, levert hier geen gewijzigde materiële normstelling op. De Afdeling beschouwt het bestendige gebruik van het schoolgebouw met het speelterrein als de milieubelastende activiteit. Zij ziet geen grond om Conexus niet als overtreder aan te merken.s0024, s0025, s0026, s0027
Duiding
Voor het nieuwe besluit vraagt deze zaak om aandacht voor zowel het geluidsdoel als de uitvoerbaarheid van aangeboden maatregelen. Het college moet de huidige situatie onderzoeken. Als het opnieuw maatregelen noemt waarmee Conexus zeker aan de last voldoet, moet het aannemelijk maken dat uitvoering de overtreding daadwerkelijk beëindigt. Wil het college het hek behouden, dan moet het ook de aanvaardbaarheid daarvan motiveren. De uitleg van het vernietigde herstelbesluit laat bovendien ruimte voor alternatieven: zonder uitvoering van het voorgestelde pakket ontstaat pas een dwangsom wanneer een toezichthouder daadwerkelijk een overschrijding van de geluidsnormen vaststelt.s0008, s0016, s0028, s0031
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling beslist niet dat het hek onaanvaardbaar is; zij oordeelt dat de aanvaardbaarheid onvoldoende is gemotiveerd.
- De uitspraak bevat geen nieuw besluit op bezwaar en stelt niet vast welke maatregelen het college uiteindelijk zal opnemen.
- De Afdeling bespreekt de overige beroepsgronden van [appellant] en anderen niet, omdat het motiveringsgebrek al tot vernietiging leidt.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij tussenuitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4723 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in de besluiten van 17 juni 2019 te herstellen. Bij die besluiten is beslist op de bezwaren van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en aan Stichting Conexus een last onder dwangsom opgelegd, zoals gewijzigd bij de besluiten van 23 maart 2021 en 21 april 2021. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] wonen in het appartementencomplex Parc Margriet 9 aan de Dr. Claas Noorduijnstraat in Nijmegen. Het appartementencomplex grenst aan een speelterrein dat hoort bij basisschool De Buut. Conexus is het schoolbestuur van De Buut. Bij het speelterrein horen onder andere een pannaveldje en speeltoestellen. Het speelterrein is ook buiten schooluren toegankelijk. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] ervaren veel geluidsoverlast van het gebruik van het speelterrein, met name van het gebruik van het pannaveldje. Onder andere [appellant sub 2A] heeft daarom het college verzocht om hiertegen handhavend op te treden.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202105812/2/R4. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: 1. [appellant sub 1], wonend in Nijmegen, 2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Nijmegen, Tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 juli 2021 in zaken nrs. 19/3561, 19/3600, 19/3701, 19/3721, 19/3907 en 19/4017 in het geding tussen, onder meer,: 1. [appellant sub 1], 2. [appellanten sub 2] en het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen, Alsmede Uitspraak in het geding tussen: [appellant] en anderen, allen wonend in Nijmegen, appellanten, en het college, verweerder. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4723 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in de besluiten van 17 juni 2019 te herstellen. Bij die besluiten is beslist op de bezwaren van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en aan Stichting Conexus (hierna: Conexus) een last onder dwangsom opgelegd, zoals gewijzigd bij de besluiten van 23 maart 2021 en 21 april 2021. Bij beschikking van 30 april 2025 heeft de Afdeling de in de tussenuitspraak bepaalde termijn, op verzoek van het college, verlengd tot en met 26 juni 2025. Het college heeft bij besluiten van 20 juni 2025 en 26 juni 2025 opnieuw beslist op de bezwaren van [appellant sub 2A], [appellant sub 1] en [appellant sub 2B] en de aan Conexus opgelegde la
Bronpassage s0002
st onder dwangsom in stand gehouden. Hierna zal de Afdeling deze besluiten gezamenlijk aanduiden als het herstelbesluit. Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellanten sub 2], [appellant sub 1] en Conexus een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek volgens het college is hersteld. [appellant] en anderen hebben tegen het herstelbesluit beroep ingesteld. [appellant] en anderen, het college en [appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak opnieuw op een zitting behandeld op 19 november 2025, waar [appellant sub 1], [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. H. Nijman, advocaat in Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Benhadi en mr. W. van de Rijt, beiden advocaat in Nijmegen, vergezeld door A. Ok en B.L.T.M. Overes, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting Conexus, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat in Arnhem, vergezeld door ir. W.G. van Velden en [persoon A], en [appellant] en anderen, in de personen van [persoon B], [persoon C] en [persoon D], bijgestaan door mr. R.H.M. Sipman, advocaat in Baarn, gehoord. Overwegingen Inleiding 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 2. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] wonen in het appartementencomplex Parc Margriet 9 aan de Dr. Claas Noorduijnstraat in Nijmegen. Het appartementencomplex grenst aan een speelterrein dat hoort bij basisschool De Buut. Conexus is het schoolbestuur van De Buut. Bij h
Bronpassage s0003
et speelterrein horen onder andere een pannaveldje en speeltoestellen. Het speelterrein is ook buiten schooluren toegankelijk. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] ervaren veel geluidsoverlast van het gebruik van het speelterrein, met name van het gebruik van het pannaveldje. Onder andere [appellant sub 2A] heeft daarom het college verzocht om hiertegen handhavend op te treden. Bij besluiten van 17 juni 2019 heeft het college Conexus onder oplegging van een dwangsom gelast om overtreding van de geluidsnormen te voorkomen door het pannaveldje te verwijderen. Naar aanleiding van een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 11 november 2019 heeft het college vervolgens aan DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. (hierna: DGMR) de opdracht gegeven om een nieuw akoestisch onderzoek naar de geluidsniveaus te doen. Bij besluiten van 23 maart 2021 en 21 april 2021 heeft het college de besluiten van 17 juni 2019 gewijzigd op basis van het onderzoek van DGMR. In het gewijzigde dwangsombesluit heeft het college Conexus onder oplegging van een dwangsom gelast om de overtreding van de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit opgenomen geluidsnormen ter plaatse van de gevels van de aan de Dr. Claas Noorduijnstraat gelegen woningen te beëindigen en beëindigd te houden en daartoe de nodige maatregelen te treffen. Bij uitspraak van 26 juli 2021 heeft de rechtbank, onder meer, beslist op de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] tegen
Bronpassage s0004
het besluit van 17 juni 2019 en het beroep van [appellant sub 2A] tegen de besluiten van 23 maart 2021 en 21 april 2021. De hoger beroepen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] tegen deze uitspraak hebben geleid tot de tussenuitspraak van de Afdeling van 20 november 2024. De tussenuitspraak 3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het college de besluiten van 23 maart 2021 en 21 april 2021 in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet deugdelijk heeft gemotiveerd, omdat onder meer niet aannemelijk is gemaakt dat de aan Conexus opgelegde herstelmaatregelen leiden tot beëindiging van de overtreding van artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat bij het besluit van 17 juni 2019 ten onrechte de bezwaren van [appellant sub 1] en [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk zijn verklaard. Met toepassing van artikel 8:51d van de Awb heeft de Afdeling het college daarom opgedragen om binnen 16 weken na verzending de geconstateerde gebreken te herstellen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het college de gebreken kan herstellen door alsnog toereikend te motiveren dat met de genoemde herstelmaatregelen de overtreding van artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit kan worden beëindigd, of door een nieuw besluit te nemen. Daarnaast dient het college een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van [appellant sub 1] en
Bronpassage s0005
[appellant sub 2B]. Het herstel 4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college opnieuw beslist op de bezwaren van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2]. Hun bezwaren zijn door het college ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarnaast heeft het college met het herstelbesluit de aan Conexus opgelegde last onder dwangsom in stand gehouden. De in het besluit opgenomen herstelmaatregelen zijn als volgt gewijzigd: "Het schoolbestuur, Conexus, dient de overtreding van de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit vastgelegde geluidsnormen, respectievelijk de afwijkende geluidsnormen zoals vastgelegd in het maatwerkbesluit van 19 mei 2021, met kenmerk W.Z21.101146.01, ter plaatse van de gevels van de aan de Dr. Claas Noorduijnstraat gelegen woningen te beëindigen en beëindigd te houden en hiertoe de nodige maatregelen te treffen. Deze overtreding kan in ieder geval worden beëindigd door het nemen van de volgende cumulatieve maatregelen: […] d) het treffen van zodanige maatregelen dat wordt voorkomen dat met een (voet)bal direct wordt geschoten tegen de houten palen, zoals weergegeven op de als Bijlage 1 aan dit besluit gehechte kaart, door (1) deze houten palen, vanaf maximaal 5 cm van de grond tot de top van de paal, te omhullen met synthetisch vlastouw met een minimale diameter van 12 mm, zoals weergegeven op pagina 3 van het onderzoek van DGMR van 14 januari 2025 met kenmerk M.2024.0652.01.N001 en in die hoedanigheid te houden, waarbij de b
Bronpassage s0006
al de houten paal niet direct kan raken óf (2) het verwijderen van deze houten palen; e) het treffen van maatregelen waarmee voorkomen wordt dat er in de avond- en nachtperiode met een (voet)bal hard gestuiterd wordt en tegen een voetbal wordt geschoten op het speelterrein - inclusief het pannaveldje zoals aangeduid op de als Bijlage 1 aan dit besluit gehechte kaart - door (1) de poorten die toegang geven tot het speelterrein alle dagen van de week tussen 19.00u en 07.00u te sluiten én (2) het bestaand dubbelstaafmathekwerk hekwerk aan de zijde van de Ten Hoetstraat (zoals weergegeven op de als Bijlage 2 aan dit besluit gehechte kaart) te verhogen tot minimaal 180 cm en het hekwerk aan de zijde van de Hugo de Grootstraat ter hoogte van de parkeerplaatsen (zoals weergegeven op de als Bijlage 2 aan dit besluit gehechte kaart) te vervangen door hetzelfde hekwerk als aan de zijde van de Ten Hoetstraat, waarbij dit hekwerk eveneens minimaal 180 cm hoog moet zijn en in stand gehouden moet worden. Alle maten dienen gemeten te worden vanaf het maaiveld. Indien het hekwerk wordt uitgevoerd met een poort, dient de poort afsluitbaar te zijn; f) het treffen van maatregelen waarmee voorkomen wordt dat er op maandag tot en met vrijdag van 07.00 uur tot 07.30 uur met een (voet)bal hard gestuiterd wordt en tegen een (voet)bal wordt geschoten op het speelterrein - inclusief het pannaveldje zoals aangeduid op de als Bijlage 1 bij dit besluit aangehechte kaart - door (1) de poorten die toegang
Bronpassage s0007
geven tot het speelterrein gedurende deze periode te sluiten of (2) tijdens voornoemde periode zodanig feitelijk toezicht te houden dat voornoemde activiteiten niet plaatsvinden; g) geen versterkte muziek op het speelterrein - inclusief het pannaveldje zoals aangeduid op de als Bijlage 1 bij dit besluit aangehechte kaart - ten gehore ten brengen, met uitzondering van festiviteiten die voldoen aan de festiviteitenregeling van afdeling 1 van hoofdstuk 4 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Nijmegen en de op grond daarvan door het college gestelde nadere regels door het college. […] Als na afloop van de begunstigingstermijn blijkt dat Stichting Conexus niet aan de last heeft voldaan, verbeurt Stichting Conexus een dwangsom van € 2.500,00 ineens per overtreding, met een maximum van € 10.000,00." Uitleg van het herstelbesluit 5. Op de zitting is gebleken dat partijen verdeeld houdt hoe de door het college opgelegde last onder dwangsom moet worden uitgelegd. Daarom zal de Afdeling voor de bespreking van de zienswijzen van partijen uiteenzetten hoe het herstelbesluit naar het oordeel van de Afdeling moet worden begrepen. Uit het herstelbesluit volgt dat Conexus de overtreding van de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit vastgelegde geluidsnormen en de afwijkende geluidsnormen zoals vastgelegd in het maatwerkbesluit van 19 mei 2021, bij de gevels van de woningen aan de Dr. Claas Noorduijnstraat dient te beëindigen en beëindigd te houden. Daarvoo
Bronpassage s0008
r moet Conexus de nodige maatregelen treffen. Het college heeft een lijst met herstelmaatregelen opgenomen waarmee de overtreding in ieder geval kan worden beëindigd. Het college heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op akoestische onderzoeksrapporten van DGMR van 8 februari 2021, 14 januari 2025 en 13 juni 2025. De Afdeling begrijpt het herstelbesluit zo, dat met het treffen van deze maatregelen aan de last wordt voldaan en Conexus na uitvoering van die maatregelen geen dwangsommen verbeurt. Dit laat echter onverlet dat Conexus er ook voor kan kiezen slechts een deel van deze maatregelen of geheel andere maatregelen te treffen. Het doel dat het college met het herstelbesluit voor ogen staat, is namelijk dat de overtreding van de geluidsnormen daadwerkelijk wordt beëindigd. Volgens het college gebeurt dat op basis van de onderzoeken van DGMR in ieder geval als de voorgestelde maatregelen worden getroffen. Dat betekent dus niet dat wanneer Conexus de door het college voorgestelde maatregelen niet treft, Conexus direct een dwangsom zal verbeuren. Dit gebeurt immers pas als de geluidsnormen uit artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit en het maatwerkbesluit van 19 mei 2021 daadwerkelijk worden overtreden. Of dat het geval is, zal moeten worden vastgesteld met een meting. 6. De Afdeling bespreekt in deze uitspraak eerst de beroepen van rechtswege tegen het herstelbesluit. Daarna bespreekt de Afdeling het beroep van [appellant] en anderen tegen het herstelbesluit. A
Bronpassage s0009
an het eind van deze uitspraak beslist de Afdeling op de hoger beroepen en beroepen. Ten slotte worden de gevolgen van deze uitspraak uitgelegd en wordt geoordeeld over de vergoeding van de proceskosten. De beoordeling van de zienswijze van [appellant sub 1] 7. [appellant sub 1] heeft in zijn zienswijze te kennen gegeven dat hij zich met het herstelbesluit kan verenigen. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog moet worden beslist. De beoordeling van de zienswijze van stichting Conexus Mag Conexus gronden aanvoeren tegen het herstelbesluit? 8. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben zich op het standpunt gesteld dat Conexus geen gronden kan aanvoeren tegen die onderdelen van het herstelbesluit die niet voortvloeien uit de opdracht in de tussenuitspraak, omdat zij geen zelfstandige rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het herstelbesluit. Dat betekent volgens hen dat Conexus wel gronden kan aanvoeren tegen het te plaatsen hek van 180 cm uit herstelmaatregel e, maar niet tegen de uitbreiding van herstelmaatregelen f en g over onder andere het gebruik van versterkte muziek, terwijl Conexus in haar zienswijze juist daarover gronden heeft aangevoerd. 8.1. De Afdeling stelt vast dat het herstelbesluit een besluit tot wijziging is van de oorspronkelijk bestreden besluiten van 17 juni 2019, zoals gewijzigd bij besluiten van 23 maart 2021 en 21 april 2021. De Afdeling stelt verder vast dat de wijziging en
Bronpassage s0010
uitbreiding van de herstelmaatregelen in het herstelbesluit een nadelige wijziging inhouden voor Conexus. De herstelmaatregelen f en g zijn namelijk voor het eerst in het herstelbesluit opgenomen en zijn nadeliger voor Conexus dan de herstelmaatregelen in de oorspronkelijke bestreden besluiten. Dat betekent dat Conexus ook gronden mag aanvoeren tegen de herstelmaatregelen f en g uit het herstelbesluit. Herstelmaatregel e 9. Conexus betoogt dat de wijziging van herstelmaatregel e te ingrijpend is en dat deze herstelmaatregel niet noodzakelijk is om overlast in de avond- en nachtperiode te voorkomen. Conexus voert aan dat de feitelijke situatie sinds het besluit van 21 april 2021 is veranderd, maar dat het college deze niet opnieuw heeft onderzocht. Volgens Conexus had het college in het herstelbesluit aannemelijk moeten maken dat in de avond en tijdens de nacht nog geluidsoverlast vanaf het schoolplein plaatsvindt. De verplichting om een hek van 1.80 m hoog te plaatsen, past volgens Conexus bovendien niet bij de onderwijskundige visie en de uitstraling van de school. 9.1. Zoals op de zitting en onder 5 van deze uitspraak is besproken, verplicht herstelmaatregel e Conexus niet om een hek van 180 cm hoog te plaatsen om het speelterrein in de avonduren en ’s nachts feitelijk onbegaanbaar te maken. In het herstelbesluit heeft het college gemotiveerd dat deze maatregel, mede op grond van de bevindingen van DGMR, ertoe leidt dat de overtreding buiten schooltijden daadwerkelijk niet
Bronpassage s0011
meer plaatsvindt doordat het schoolterrein feitelijk onbegaanbaar wordt gemaakt door het hek. Maar dat betekent niet dat Conexus geen andere maatregelen mag treffen, waarmee de overtreding van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit en het maatwerkbesluit van 19 mei 2021 wordt beëindigd. Voor zover Conexus aanvoert dat er in de avond en gedurende de nacht geen geluidsoverlast meer plaatsvindt vanaf het schoolplein en dat het hek niet past bij de onderwijskundige visie en uitstraling van de school, merkt de Afdeling onder verwijzing naar wat is overwogen onder 5 op dat het Conexus vrij staat herstelmaatregel e niet te treffen als zij meent dat de geluidsnormen, zonder dat zij maatregelen heeft getroffen of doordat zij voor andere maatregelen kiest, niet worden overtreden. Daarom geeft het betoog van Conexus geen aanleiding voor het oordeel dat het college herstelmaatregel e niet op deze wijze had mogen opnemen in het herstelbesluit. Het betoog slaagt niet. Herstelmaatregelen f en g 10. Conexus betoogt dat het college geen nieuwe herstelmaatregelen zoals de herstelmaatregelen f en g had mogen opnemen in het herstelbesluit. Bovendien betoogt Conexus dat het verbod op versterkte muziek uit herstelmaatregel g te ingrijpend is wegens het incidentele en kortdurende karakter van de activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van versterkte muziek. Aangezien deze activiteiten doorgaans een uur tot anderhalf uur duren, wordt volgens Conexus hiermee het toegestane langtijd
Bronpassage s0012
gemiddeld geluidsniveau niet overschreden. 10.1. Voor zover Conexus betoogt dat het college voor de uitvoering van de opdracht uit de tussenuitspraak geen aanvullende herstelmaatregelen had mogen opnemen, stelt de Afdeling vast dat het onveranderd gaat om handhaving van de geluidswaarden uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit bij activiteiten die op het schoolplein van Conexus plaatsvinden. Het college heeft in de tussenuitspraak de opdracht gekregen beter te motiveren dat de opgelegde herstelmaatregelen daadwerkelijk de beëindiging van deze overtreding als gevolg hebben. Een gevolg van die opdracht kan zijn dat het college de herstelmaatregelen aanpast en aanvullende herstelmaatregelen oplegt. De herstelmaatregelen strekken dan ook niet verder dan waartoe de opdracht in de tussenuitspraak verplicht. Daarvoor verwijst de Afdeling naar wat zij onder 5 heeft overwogen over de uitleg van het herstelbesluit. Het betoog slaagt in zoverre niet. 10.2. Over herstelmaatregel g overweegt de Afdeling het volgende. Op grond van artikel 4:3 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Nijmegen (hierna: de APV) is het een inrichting toegestaan op maximaal twee dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in onder andere artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, niet van toepassing zijn, mits daarvan melding is gemaakt. In het geluidsrapport van DGMR van 8 februari 2021 staat dat het schoolplein van Conexus een pa
Bronpassage s0013
ar keer per jaar als presentatieruimte wordt gebruikt. Als voorbeeld wordt genoemd het afspelen van muziek tijdens de Sinterklaasviering of het uitvoeren van een voorstelling voor het afscheid van groep 8. Die activiteiten zijn beperkt tot hoogstens 12 keer per jaar. Volgens het college leidt het gebruik van luidsprekers op het schoolplein tot een overschrijding van de geluidsnormen uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. Het college baseert dit standpunt op een aanvullend geluidsonderzoek van DGMR van 13 juni 2025. Uit pagina 4 en verder van dit rapport blijkt ook dat, anders dan Conexus stelt, het langtijdgemiddeld geluidsniveau wordt overschreden bij gebruik van versterkte muziek. Nu blijkt dat met versterkte muziek de geluidswaarden uit het Activiteitenbesluit worden overschreden, moet Conexus het gebruik hiervan beperken tot de toegestane twee keer per kalenderjaar om te voldoen aan artikel 4:3 van de APV. Die verplichting op grond van de APV bestond al. Alleen al daarom kan het betoog van Conexus niet leiden tot het oordeel dat herstelmaatregel g te verstrekkend is. Overigens bevat herstelmaatregel g geen algeheel verbod op festiviteiten op het schoolplein. Het betoog slaagt ook in zoverre niet. Conclusie beroep Conexus 11. Het beroep van Conexus tegen het herstelbesluit is ongegrond. De beoordeling van de zienswijze van [appellanten sub 2] Herstelmaatregel d 12. [appellanten sub 2] betogen dat het omwikkelen van de houten palen met vlastouw zoals voorgeschreven i
Bronpassage s0014
n herstelmaatregel d geen passende herstelmaatregel is waarmee Conexus aan de geluidsnormen kan voldoen. Zij voeren aan dat het onderzoeksrapport van DGMR van 14 januari 2025 niet verifieerbaar is, omdat de geluidmeting niet op het speelterrein van Conexus heeft plaatsgevonden en hierbij het trappen van een bal tegen een met touw omwikkelde paal slechts is nagebootst. Zo lang de geluidmeting niet heeft plaatsgevonden bij de palen op het speelterrein van Conexus, zullen er volgens [appellanten sub 2] altijd variabelen zijn die de resultaten kunnen beïnvloeden, zoals de hardheid van de paal. Ook is de geluidsdeskundige van [appellanten sub 2] niet in de gelegenheid gesteld bij de geluidmetingen aanwezig te zijn. Daarnaast betwisten [appellanten sub 2] dat het schoppen van een bal tegen de paal maximaal 73 dB(A) oplevert en dat dus slechts een reductie van 3 dB nodig is. Volgens hen heeft het college met onvoldoende zekerheid aangetoond dat het omwikkelen van de palen met vlastouw tot beëindiging van de overtreding leidt. Daarom moet volgens [appellanten sub 2] ook een controlemeting worden voorgeschreven. 12.1. [appellanten sub 2] hebben geen tegenadvies van een geluidsdeskundige overgelegd op grond waarvan twijfel ontstaat aan de juistheid van het rapport van DGMR van 14 januari 2025. De enkele stelling dat hun eigen geluidsdeskundige niet bij de metingen van DGMR aanwezig mocht zijn, is geen aanleiding voor het oordeel dat het rapport van DGMR onjuist is. DGMR heeft de maatre
Bronpassage s0015
gelen nagebootst op een andere locatie. Volgens DGMR kunnen de gemeten maximale geluidniveaus na toepassing van de maatregelen direct vergeleken worden. Bij de metingen is de bal met vergelijkbare, forse kracht tegen de paal of in het net geschopt. De metingen zijn meermaals herhaald om een consistent beeld van de geluidreductie te vinden. Waarom deze gebruikte meetmethode zou leiden tot onjuiste meetresultaten en de geluidmeting noodzakelijk verricht zou moeten worden bij de houten palen op het schoolplein van Conexus, hebben [appellanten sub 2] naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderbouwd. In wat zij hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de methode die DGMR heeft gebruikt om de geluidsreductie van herstelmaatregel d vast te stellen. Met de enkele stelling dat onvoldoende zeker is dat het schoppen van een bal tegen de palen maximaal 73 dB(A) oplevert, hebben [appellanten sub 2] evenmin onderbouwd waarom de vaststelling hiervan in het rapport van DGMR van 8 februari 2021 onjuist is. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college herstelmaatregel d niet kon opnemen in de herstelbesluiten. Het betoog slaagt niet. De formulering van de last 13. [appellanten sub 2] betogen verder dat de formulering van de last onder dwangsom in de herstelbesluiten onduidelijk is. Zij constateren dat het college het gebruik van de zinsnede "in ieder geval" in de herstelbesluiten heeft gehandhaafd. Daardoor is volgens [a
Bronpassage s0016
ppellanten sub 2] weliswaar duidelijk dat Conexus aan de last voldoet indien de voorgeschreven herstelmaatregelen worden getroffen, maar het blijft onduidelijk wat er gebeurt als Conexus geen maatregelen of alternatieve maatregelen treft. Uit de formulering van de last onder dwangsom blijkt volgens [appellanten sub 2] niet of Conexus al een dwangsom verbeurt als de maatregelen niet zijn getroffen of alleen als er ook daadwerkelijk een overschrijding van de geluidsgrenswaarden uit artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit wordt geconstateerd door een toezichthouder. Om discussies in de toekomst over de verbeurte en invordering van de dwangsommen te voorkomen, verzoeken [appellanten sub 2] de Afdeling te overwegen dat de last onder dwangsom die in het herstelbesluit aan Conexus is opgelegd als gevolg heeft dat er dwangsommen worden verbeurd als de voorgeschreven herstelmaatregelen na de begunstigingstermijn niet zijn getroffen. 13.1. Gelet op wat de Afdeling heeft overwogen onder 5 van deze uitspraak, moet de last zo begrepen worden dat in het geval Conexus geen maatregelen of alternatieve maatregelen treft, zij pas een dwangsom verbeurt als er daadwerkelijk een overschrijding van de geluidsgrenswaarden uit artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit wordt geconstateerd door een toezichthouder. Dat kan ook niet anders want de last die ziet op het naleven van de geluidsnormen mag geen nieuwe, op zichzelf staande verplichtingen (het realiseren van de opgenom
Bronpassage s0017
en voorzieningen) voor Conexus in het leven roepen die tot het verbeuren van een dwangsom zouden leiden. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de herstelbesluiten op dit punt onduidelijk zijn dan wel aanvulling behoeven. Het betoog slaagt niet. Conclusie beroep [appellanten sub 2] 14. Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond. Het beroep van [appellant] en anderen De ontvankelijkheid van het beroep 15. Bij brief van 23 september 2025 hebben [appellant] en anderen na afloop van de termijn in artikel 6:7 van de Awb beroep ingesteld tegen het herstelbesluit. Zij hebben niet eerder als partij deelgenomen aan de procedure die tot de tussenuitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4723, heeft geleid. De Afdeling beoordeelt eerst of de termijnoverschrijding van [appellant] en anderen verschoonbaar is. Daarna zal de Afdeling beoordelen of het al dan niet verwijtbaar is dat [appellant] en anderen geen beroep hebben ingesteld tegen de eerdere besluiten van 17 juni 2019, 23 maart 2021 en 21 april 2021. Verschoonbaarheid termijnoverschrijding 15.1. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Een termi
Bronpassage s0018
jnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. 15.2. Omdat het college het herstelbesluit heeft bekendgemaakt door het te verzenden aan de partijen die bij de procedure betrokken waren, konden [appellant] en anderen niet eerder dan na de beroepstermijn kennisnemen van het herstelbesluit. Naar het oordeel van de Afdeling kan de termijnoverschrijding dan ook niet aan [appellant] en anderen worden toegerekend, omdat zij redelijkerwijs niet eerder met het herstelbesluit bekend konden zijn 15.3. Een indiener die niet bekend was met een besluit en dat redelijkerwijs ook niet kon zijn, is in ieder geval niet verwijtbaar te laat als hij een bezwaarschrift of beroepschrift indient binnen zes weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen dat zijn belangen kan raken. [appellant] en anderen hebben aangetoond dat zij binnen zes weken nadat zij bekend zijn geraakt met het genomen herstelbesluit een beroepschrift hebben ingediend. Daarmee hebben zij hun beroepschrift zo spoedig mogelijk ingediend als redelijkerwijs van hen kon worden verlangd. 15.4. Aangezien de termijnoverschrijding niet aan [appellant] en andere
Bronpassage s0019
n kan worden toegerekend en zij hun beroepschrift zo spoedig mogelijk hebben ingediend als redelijkerwijs van hen kon worden verlangd, is de termijnoverschrijding naar het oordeel van de Afdeling in dit geval verschoonbaar. Geen beroep tegen het eerdere besluit 16. Vanwege het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van andere partijen kan niet worden aanvaard dat tegen een herstelbesluit dat hangende de procedure wordt genomen, beroep wordt ingesteld door een belanghebbende die geen beroep heeft ingesteld tegen het eerdere besluit. Dat betekent dat een belanghebbende tegen het herstelbesluit alleen maar kan opkomen voor zover dat besluit deze belanghebbende ten opzichte van het oorspronkelijke besluit in een nadeliger positie heeft gebracht of als door gewijzigde feiten of omstandigheden de belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen het eerdere besluit (vergelijk onder meer de uitspraken van de Afdeling van 11 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3771, en van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3735). 16.1. De Afdeling stelt vast dat [appellant] en anderen naar aanleiding van het herstelbesluit beroep hebben ingesteld, omdat zij willen opkomen tegen de nieuwe herstelmaatregel e. Uit die herstelmaatregel volgt dat Conexus om de overtreding te beëindigen een hek van 180 cm kan bouwen aan de zijde van de Hugo de Grootstraat en aan de zijde van de Ten Hoetstraat. De Afdeling stelt vast dat [appellant] en ander
Bronpassage s0020
en door het herstelbesluit in een nadeliger positie zijn komen te verkeren ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De voormelde herstelmaatregel is namelijk voor het eerst in het herstelbesluit opgenomen en impliceert, zoals de Afdeling hierna onder 20.1. overweegt, de toestemming om een hek van 180 cm hoog te bouwen. Voor het voldoen aan een last is in beginsel namelijk geen vergunning vereist, vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, onder 5.3. [appellant] en anderen kunnen hun bezwaren tegen het bouwwerk dan ook alleen in deze procedure uiten. Naar het oordeel van de Afdeling is het niet verwijtbaar dat [appellant] en anderen geen beroep hebben ingesteld tegen de eerdere besluiten. In zoverre bestaat er dan ook geen grond voor het oordeel dat hun beroep niet-ontvankelijk is. Belanghebbendheid [appellant] en anderen 17. [appellanten sub 2] hebben zich op het standpunt gesteld dat [appellant] en anderen niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden, omdat een verhoging van het bestaande hek voor geen van hen gevolgen van enige betekenis voor hun woon- en leefklimaat heeft. Volgens [appellanten sub 2] zijn zij geen van allen eigenaar van een perceel dat grenst aan het perceel van Conexus en is de afstand tussen hun percelen en het hek tussen de 10 tot 20 m. Daarnaast hebben [appellant] en anderen volgens [appellanten sub 2] geen of zeer beperkt zicht op het vanwege de herstelmaatregel te bouwen hek. [appellant] en [appella
Bronpassage s0021
nt A] die op [locatie 1] wonen, hebben hierop volgens [appellanten sub 2] hoogstens vanaf hun bovenverdieping zicht. [appellant B] en [appellant C] die aan de [locatie 2]-[locatie 3] wonen, zouden slechts als zij dicht achter het raam staan zicht hebben op het hek, voor zover dat niet wordt beperkt door de daar aanwezige bosschages. [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G] die allen in het appartementencomplex Parc Margriet aan de Dr Claas Noorduijnstraat wonen, hebben volgens [appellanten sub 2] slechts beperkt zicht op het hek vanaf hun balkon. De verhoging van het hek zorgt er volgens [appellanten sub 2] bovendien niet voor dat hun zicht op de omgeving wordt belemmerd. Zij wonen namelijk beiden op de bovenste verdieping van het appartementencomplex. 17.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de ac
Bronpassage s0022
tiviteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 17.2. De perceelsgrens van de woning van [appellant] en [appellant A] op [locatie 1] bevindt zich circa 12 m vanaf de perceelsgrens van het speelterrein van Conexus. Ook de perceelsgrens van de woning van [appellant B] en [appellant C] aan de [locatie 2]-[locatie 3] ligt op korte afstand van de perceelsgrens van het speelterrein, namelijk op ongeveer 13 m. De anderen wonen in het appartementencomplex Parc Margriet, waar [appellanten sub 2] ook wonen. Het appartementencomplex grenst aan het terrein van Conexus. Allen hebben ook enige vorm van zicht op het speelterrein. Alleen al vanwege de korte afstand waarop [appellant] en anderen van het speelterrein wonen en het zicht dat zij daarop hebben, ondervinden zij rechtstreeks feitelijke gevolgen van het hek van 180 cm dat het herstelbesluit toestaat. De Afdeling ziet in wat [appellanten sub 2]
Bronpassage s0023
hebben aangevoerd geen reden voor het oordeel dat dit geen gevolgen van enige betekenis zijn. [appellant] en anderen zijn daarom belanghebbenden bij het herstelbesluit. Toepasselijk recht 18. [appellant] en anderen betogen dat het college in het herstelbesluit ten onrechte het oude recht heeft toegepast. Zij voeren aan dat Conexus onder de Omgevingswet niet als overtreder kan worden aangemerkt. [appellant] en anderen voeren aan dat de geluidsnormen onder de Omgevingswet zich niet langer richten tot de drijver van de inrichting, maar tot degene die de milieubelastende activiteit feitelijk verricht. Daardoor kan Conexus volgens [appellant] en anderen onder de Omgevingswet minder snel als "functioneel pleger" worden aangemerkt. Volgens [appellant] en anderen betekent dit dat niet Conexus, maar derden die gebruik maken van het speelterrein als overtreder moeten worden aangemerkt. 18.1. Het overgangsrecht met betrekking tot bestuurlijke sanctiebesluiten is geregeld in de artikelen 4.22 en 4.23 van de Iw Ow. Artikel 4.23 van de Iw Ow bepaalt dat oud recht op bestuurlijke sanctiebesluiten van toepassing blijft als voor 1 januari 2024 een overtreding is begonnen én het bestuurlijk sanctiebesluit is opgelegd. Op besluiten op verzoeken om handhavend optreden blijft het oude recht van toepassing als voor 1 januari 2024 een verzoek om handhavend optreden is gedaan. Dat volgt uit artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Iw Ow. Als echter na 1 januari 2024 de materiële normstelling is gewijz
Bronpassage s0024
igd ten opzichte van het recht zoals dat gold op het moment van het verzoek om handhavend optreden of het bestuurlijk sanctiebesluit, dan moet het bestuursorgaan in het besluit op het verzoek om handhavend optreden en/of het besluit op bezwaar beoordelen in hoeverre naar nieuw recht nog een overtreding plaatsvindt. Een andere uitleg van artikel 4.23 van de Iw Ow zou onredelijk zijn, omdat anders een sanctie wordt opgelegd om een handelen of een nalaten af te dwingen waartoe het nieuwe recht niet verplicht. Wanneer het handelen of nalaten onder nieuw recht (gedeeltelijk) niet meer verboden is, dan moet het bestuursorgaan het primaire besluit herroepen per 1 januari 2024 voor zover het bestuurlijke sanctiebesluit gericht is op de niet meer verboden situatie na die datum. Als er onder nieuw recht nog steeds sprake is van dezelfde overtreding, dan blijft op het bestuurlijk sanctiebesluit het oude recht van toepassing. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645, onder 14 en verder. 18.2. Gelet op het door [appellant] en anderen aangevoerde ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of de materiële normstelling na 1 januari 2024 is gewijzigd. Alleen als dit het geval is, dan had het college moeten toetsen in hoeverre naar nieuw recht nog een overtreding plaatsvindt. De Afdeling stelt vast dat in tabel 22.3.1. bij artikel 22.63 van het omgevingsplan gemeente Nijmegen (hierna: het omgevingsplan), zoals dat gold ten tijde van het herstelb
Bronpassage s0025
esluit, dezelfde maximale geluidwaarden zijn opgenomen als in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de materiële normstelling is veranderd door de wijziging van de normadressaat onder de Omgevingswet, waardoor niet Conexus, maar derden die gebruik maken van het speelterrein moeten worden aangemerkt als overtreder, overweegt de Afdeling het volgende. Uit artikel 22.43 van het omgevingsplan volgt in dit geval dat degene die de milieubelastende activiteit verricht zorg draagt voor de naleving van de regels over de activiteit. Het standpunt van [appellant] en anderen impliceert dat de milieubelastende activiteit het gebruik van het schoolplein door derden is en dat deze derden door dat gebruik de geluidsnormen overtreden. Deze uitleg kan niet worden gevolgd. De aard van de geluidsnormen, waarin zowel een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als maximale waarden voor geluid op een geluidgevoelig gebouw in de omgeving zijn vastgelegd, brengt mee dat als milieubelastende activiteit moet worden aangemerkt het bestendige gebruik van het schoolgebouw met het bijbehorende speelterrein. Bij het beantwoorden van de vraag tot wie artikel 22.43 van het omgevingsplan is gericht en wie de overtreder is in de zin van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb, is daarmee de zeggenschap over de locatie waarop een milieubelastende activiteit verricht wordt een relevant criterium. Naar het oordeel van de Afdeling is de materiële normstellin
Bronpassage s0026
g dan ook niet gewijzigd ten opzichte van het recht zoals dat gold op het moment van het verzoek om handhavend optreden. Gelet op het voorgaande heeft het college de overtreding dan ook terecht getoetst aan het oude recht. Het betoog slaagt niet. Overtreder 19. [appellant] en anderen betogen dat Conexus ook onder oud recht niet kan worden aangemerkt als overtreder. Het rapport van DGMR van 8 februari 2021 is volgens [appellant] en anderen geen constateringsrapport, maar een geluidonderzoek waarin scenario’s zijn doorgemeten. Bovendien moet Conexus, om te kunnen worden aangemerkt als functioneel pleger beschikkingsmacht hebben en die overtreding ook aanvaarden. Dit is volgens [appellant] en anderen door het college niet onderbouwd. Dat Conexus het speelterrein in de avonduren afsluit en daar een verbodsbord heeft geplaatst, wijst er volgens hen juist op dat Conexus de overtreding niet aanvaardt. 19.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Voor beantwoording van de vraag of een rechtspersoon als overtreder kan worden aangemerkt, is de Afdeling aangesloten bij de criteria van de Hoge Raad voor de toerekening van verboden gedragingen aan rechtspersonen, waarbij van belang is of een gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3954. Onder andere uit het rapport van DGMR van 8 februari 2021 blijkt dat d
Bronpassage s0027
e langtijdgemiddelde geluidsnormen en de maximale geluidsnormen worden overschreden door het gebruik van het schoolgebouw met het bijbehorende speelterrein. Dit geldt niet alleen voor de avond- en nachtperiode, maar ook als onder schooltijd op het schoolplein wordt gespeeld. In wat [appellant] en anderen hierover hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat Conexus niet als overtreder van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit kan worden aangemerkt. Het betoog slaagt niet. Herstelmaatregel e 20. [appellant] en anderen betogen dat het college herstelmaatregel e niet had mogen opnemen in het herstelbesluit. Zij voeren aan dat voor de bouw van een dergelijk hek normaliter een omgevingsvergunning is vereist. Het hek bevindt zich aan de zijde van de Ten Hoetstraat namelijk niet recht achter de voorkant van het hoofdgebouw en op korte afstand van de openbare weg. Op grond van de artikelen 22.26 en 22.27 van het omgevingsplan is om die reden een omgevingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, voor de bouw van een dergelijk hek. Zij wijzen er echter op dat het vaste rechtspraak is dat voor het nemen van maatregelen ter uitvoering van een last geen omgevingsvergunning is vereist. 20.1. Op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan is een omgevingsvergunning vereist voor het verrichten van een bouwactiviteit. De uitzondering op die regel uit artikel 22.27, onder f, van het omgevingsplan doet zich
Bronpassage s0028
in dit geval niet voor. Het in de last als herstelmaatregel opgenomen hek is weliswaar niet hoger dan 2 m, maar bevindt zich niet achter de lijn die loopt langs de voorkant van het gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied. Daarom is voor het verhogen en bouwen van een hek tot 180 cm op die locatie een omgevingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Het college is er echter vanuit gegaan dat deze activiteit vergunningvrij is en heeft het te plaatsen hek niet getoetst aan de regels die gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Aangezien voor het voldoen aan een last in beginsel geen vergunning meer is vereist, zie de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, onder 5.3., en het college zich in het herstelbesluit geen rekenschap heeft gegeven van de regels die normaliter voor het verlenen van een omgevingsvergunning gelden, is het herstelbesluit alleen al daarom onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt. 21. Wat [appellant] en anderen in beroep voor het overige hebben aangevoerd, behoeft naar het oordeel van de Afdeling verder geen bespreking. Het beroep van [appellant] en anderen is reeds vanwege het geconstateerde motiveringsgebrek in het herstelbesluit gegrond. Conclusie beroep [appellant] en anderen 22. Vanwege het ontbreken van een motivering voor het plaatsen van het hek uit herstelmaa
Bronpassage s0029
tregel e is het op dit moment niet duidelijk of die maatregel aanvaardbaar is en als herstelmaatregel mag worden opgenomen in de last. Dat heeft naar het oordeel van de Afdeling gevolgen voor de motivering van het gehele herstelbesluit. Zoals de Afdeling hiervoor onder 5. heeft overwogen, voldoet Conexus volgens het college aan de last met het treffen van de voorgeschreven herstelmaatregelen. Als zou blijken dat het plaatsen van het hek onaanvaardbaar is en daarom niet als herstelmaatregel in de last had mogen worden opgenomen, is niet duidelijk of het college zich op het standpunt stelt dat de resterende herstelmaatregelen tot beëindiging van de overtreding leiden. Gelet hierop heeft het college het in overweging 17 van de tussenuitspraak geconstateerde gebrek naar het oordeel van de Afdeling niet hersteld. Daarom zal de Afdeling het herstelbesluit vernietigen vanwege strijd met artikel 7:12 van de Awb. Conclusie en slotoverweging 23. De hoger beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] zijn, gelet op wat onder 17 van de tussenuitspraak is overwogen, gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet, voor zover de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 17 juni 2019 van [appellant sub 1] en [appellant sub 2B] ongegrond heeft verklaard, het beroep van [appellant sub 2A] tegen die besluiten niet-ontvankelijk heeft verklaard en het beroep van [appellant sub 2A] tegen de besluiten van 23 maart 2021 en 21 april 2021 ongegrond heeft verklaard, worden vernietigd. Doende wa
Bronpassage s0030
t de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] tegen de besluiten van het college van 17 juni 2019 en het beroep van [appellant sub 2A] tegen de besluiten van 23 maart 2021 en 21 april 2021 gegrond verklaren. De Afdeling zal de besluiten van 17 juni 2019, zoals gewijzigd bij besluiten van 23 maart 2021 en 21 april 2021, vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. De beroepen van Conexus en [appellanten sub 2] tegen het herstelbesluit zijn ongegrond. Het beroep van [appellant] en anderen is gegrond. De Afdeling ziet, zoals is overwogen onder 20.1. en 22., in de zienswijze van [appellant] en anderen, aanleiding de besluiten van 20 en 26 juni 2025, waarbij aan Conexus een last onder dwangsom is opgelegd, te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. De Afdeling zal bepalen dat het college binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt. 24. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe besluiten alleen bij haar beroep kan worden ingesteld Wat betekent deze uitspraak? 25. Deze uitspraak brengt met zich dat het college opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van [appellant sub 2A], [appellant sub 1] en [appellant sub 2B] over de aan Conexus opgelegde last onder dwangsom. Dit kan het college in één besluit doen waarbij het beslist op de bezware
Bronpassage s0031
n. Gelet op de ontwikkelingen en het tijdsverloop wijst de Afdeling erop dat het college de huidige stand van zaken moet onderzoeken en bij de besluitvorming moet betrekken. Als het college in het nieuw te nemen besluit herstelmaatregel e wenst te handhaven, dient het hieraan een deugdelijke motivering ten grondslag te leggen. De Afdeling wijst er voor de volledigheid op dat het college ook tot de conclusie kan komen dat kan worden volstaan met een last onder dwangsom die strekt tot het voldoen aan artikel 2.17, tweede lid, van het Activiteitenbesluit, zonder daarbij herstelmaatregelen op te nemen waarvan het college op voorhand bepaalt dat deze in ieder geval voldoende zijn om de overtreding te beëindigen. Als het college ervoor kiest vast te houden aan het opnemen van herstelmaatregelen moet het college aan de hand van een deugdelijke motivering aannemelijk maken dat als deze herstelmaatregelen worden uitgevoerd er daadwerkelijk geen overtreding meer zal zijn. Proceskosten 26. Het college moet de proceskosten van [appellant] en anderen en [appellanten sub 2] vergoeden. Overschrijding van de redelijke termijn 27. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben de Afdeling in de nadere stukken van 4 september 2025 en 3 september 2025 verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. 27.1. De redelijke termijn is overschr
Bronpassage s0032
eden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] ontvangen op 29 augustus 2018. De redelijke termijn is in deze procedure dus met vier jaar en een maand overschreden. Deze overschrijding moet aan het college, de rechtbank en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 25/49e deel aan het college, voor 6/49e deel aan de rechtbank en voor 18/49e deel aan de Afdeling worden toegerekend. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 4.500,00 per persoon. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellanten sub 2] samen procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Deze matiging acht de Afdeling redelijk, vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedur
Bronpassage s0033
e. [appellanten sub 2] ontvangen daarom ieder een bedrag van € 2.250,00 aan schadevergoeding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de hoger beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 juli 2021 in zaak nrs. 19/3561, 19/3600, 19/3701, 19/3721, 19/3907 en 19/4017, voor zover de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 17 juni 2019, kenmerk JZ20/Z18.039648/D190334975 en kenmerk OD60/W.Z18.105953.04/D190336321, van [appellant sub 1] en [appellant sub 2B] ongegrond heeft verklaard, het beroep van [appellant sub 2A] tegen die besluiten niet-ontvankelijk heeft verklaard en het beroep van [appellant sub 2A] tegen de besluiten van 23 maart 2021, kenmerk JZ20/Z18.039648/D210697852, en 21 april 2021, kenmerk OD60/W.Z18.105953.04/D210850273 ongegrond heeft verklaard; III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 17 juni 2019 en het beroep van [appellant sub 2A] tegen de besluiten van 23 maart 2021 en 21 april 2021 gegrond; IV. vernietigt die besluiten; V. verklaart de beroepen van Stichting Conexus en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen de besluiten van 20 juni 2025, kenmerk VJ50/ZD2500054839/ en het besluit van 26 juni 2025, kenmerk VJ50/ZD250005
Bronpassage s0034
4839/D252449554, ongegrond; VI. verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen de besluiten van 20 juni 2025, kenmerk VJ50/ZD2500054839/ en het besluit van 26 juni 2025, kenmerk VJ50/ZD2500054839/D252449554, gegrond; VII. vernietigt die besluiten; VIII. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt; IX. bepaalt dat tegen het nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; X. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep tegen de besluiten van 20 juni 2025 en het besluit van 26 juni 2025 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.270,60, waarvan een deel ter hoogte van € 3.269,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; XI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen tot vergoeding van bij [appellant sub 2B], in verband met de behandeling van het beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 juli 2021 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; XII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders
Bronpassage s0035
van Nijmegen tot vergoeding van bij [appellant] en anderen, in verband met de behandeling van het beroep tegen de besluiten van 20 juni 2025 en 26 juni 2025 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; XIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen aan [appellant sub 1], het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 444,00 vergoedt; XIV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 270,00 vergoedt, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; XV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen aan [appellant sub 2A], het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 vergoedt; XVI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen aan [appellant sub 2B], het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 vergoedt. XVII. wijst het verzoek om schadevergoeding toe; XVIII. veroordeelt het college
Bronpassage s0036
van burgemeester en wethouders van Nijmegen om aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een schadevergoeding van € 2.295,90 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; XIX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen om aan [appellant sub 1] een schadevergoeding van € 2.295,90 te betalen; XX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een schadevergoeding van € 2.204,10 te betalen (€ 551,00 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.653,10 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; XXI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 1] een schadevergoeding van € 2.204,10 te betalen (€ 551,00 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.653,10 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier. w.g. Jurgens lid van de enkelvoudige kamer w.g. V
Bronpassage s0037
ermeulen griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 700-1133 Bijlage Wettelijk kader Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Nijmegen Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan op maximaal twee dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twee dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4.De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.Voor de
Bronpassage s0038
in het eerste lid en twee lid genoemde incidentele festiviteiten stelt het college de normen en voorschriften vast in een nadere regel. Omgevingsplan gemeente Nijmegen Artikel 1.4 Aan de regels voor activiteiten in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in dit omgevingsplan nadrukkelijk anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 22.26 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken." Artikel 22.27 Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: […] f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 2. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat gebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; […]" Afdeling 22.3 Milieubelastende activiteiten Artikel 22.43 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 22.63 Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, b
Bronpassage s0039
edoeld in tabel 22.3.1.
De Afdeling laat de lasten wegens permanente bewoning van recreatiewoningen in stand.s0002, s0008
De Afdeling bevestigt de rechtbankuitspraak; de lasten onder dwangsom voor [appellant A] en [appellant B] blijven gelden.s0002, s0008
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5813
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en laat daarmee de lasten onder dwangsom voor [appellant A] en [appellant B] wegens permanente bewoning van recreatiewoningen in stand. De BRP-inschrijvingen en toegekende huisnummers rechtvaardigen geen vertrouwen dat het college niet zou handhaven. Ook het tijdsverloop en de gestelde rustigere ruimtelijke uitstraling maken handhaving hier niet onevenredig. Het college mocht meewegen dat de overtreding doorloopt en het gebruik een andere ruimtelijke uitstraling heeft. Appellanten hebben hun betwisting van de overtreding ingetrokken. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.s0002, s0004, s0006, s0007, s0008
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling bevestigt de rechtbankuitspraak, waardoor de lasten voor [appellant A] en [appellant B] blijven gelden. [appellant A] is eigenaar van de percelen; haar dochter [appellant B] woont in een van de wooneenheden. Zij hebben hun betwisting van de overtreding op de zitting ingetrokken. De beoordeling vindt plaats onder de Wabo zoals die vóór 1 januari 2024 gold. Dat oude kader blijft door het overgangsrecht van toepassing op de lasten die in januari 2023 zijn opgelegd.s0002, s0004, s0008, s0003
Uit de uitspraak
De BRP-inschrijvingen leveren volgens de Afdeling geen definitief standpunt van het college op dat permanente bewoning is toegestaan of dat handhaving achterwege blijft. Ook veranderen aparte huisnummers de planologische kwalificatie als recreatiewoningen niet. Het tijdsverloop van ruim een jaar tussen voornemen en besluit verhindert handhaving evenmin. Het college mocht de doorlopende overtreding, met een ander gebruik en een andere ruimtelijke uitstraling, voldoende ernstig achten. De gestelde rustigere situatie hoefde geen aanleiding te geven om van handhaving af te zien.s0005, s0006, s0007
Duiding
Voor de praktijk laat deze zaak zien dat een beroep op vertrouwen concreet moet aansluiten bij wat de overheid over het toegestane gebruik of de handhaving heeft laten blijken. De inschrijvingen en huisnummers boden deze appellanten daarvoor onvoldoende steun. Ook vraagt een beroep op onevenredigheid om omstandigheden die in het concrete geval zwaar genoeg wegen tegenover het handhavingsbelang. De enkele stelling dat permanente bewoning rustiger is dan recreatief verblijf overtuigde hier niet. Daarmee stelt de Afdeling niet vast dat permanente bewoning daadwerkelijk minder ruimtelijke gevolgen had.s0004, s0005, s0006, s0007
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling beoordeelt niet meer of sprake is van een overtreding, omdat [appellant A] en [appellant B] die beroepsgrond hebben ingetrokken.
- De Afdeling laat open of een BRP-inschrijving in een geval als dit wettelijk kan worden geweigerd.
- De uitspraak vermeldt niet welke dwangsombedragen en uitvoeringstermijnen aan de lasten zijn verbonden.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluiten van 17 en 24 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten aan [appellant A] respectievelijk [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd wegens permanente bewoning van recreatiewoningen in strijd met het bestemmingsplan op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid. Het college heeft, aan zowel [appellant A] als [appellant B], een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van recreatiewoningen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid vanwege permanente bewoning in meerdere wooneenheden. [appellant A] is de eigenaar van de percelen en [appellant B] woont op [locatie 1] in één van de wooneenheden. [appellant A] en haar dochter [appellant B] zijn samen opgekomen tegen de besluiten tot het opleggen van de lasten onder dwangsom door daartegen bezwaar te maken bij het college en vervolgens beroep in te stellen bij de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de permanente bewoning sprake is van een overtreding en dat het college terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd. [appellant A] en [appellant B] zijn het hier niet mee eens, omdat zij menen dat er zich bijzondere omstandigheden voordoen waardoor van handhaving moest worden afgezien.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202504455/1/R1. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], wonend in [woonplaats], en [appellant B], wonend in Sint Geertruid, gemeente Eijsden-Margaten, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 juni 2025 in zaak nr. 23/2289 in het geding tussen: [appellant B] en het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten. Procesverloop Bij besluiten van 17 en 24 januari 2023 heeft het college aan [appellant A] respectievelijk [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd wegens permanente bewoning van recreatiewoningen in strijd met het bestemmingsplan op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid. Bij besluit van 6 september 2023 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 juli 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.H.H. Emmen-Hurenkamp en M.T.M. Post, zijn verschenen. [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat in Valkenburg aan de Geul, hebben via een videoverbinding aan de
Bronpassage s0002
zitting deelgenomen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluiten van 17 januari 2023 en 24 januari 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Het college heeft, aan zowel [appellant A] als [appellant B], een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van recreatiewoningen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid vanwege permanente bewoning in meerdere wooneenheden. [appellant A] is de eigenaar van de percelen en [appellant B] woont op [locatie 1] in één van de wooneenheden. [appellant A] en haa
Bronpassage s0003
r dochter [appellant B] zijn samen opgekomen tegen de besluiten tot het opleggen van de lasten onder dwangsom door daartegen bezwaar te maken bij het college en vervolgens beroep in te stellen bij de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de permanente bewoning sprake is van een overtreding en dat het college terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd. [appellant A] en [appellant B] zijn het hier niet mee eens, omdat zij menen dat er zich bijzondere omstandigheden voordoen waardoor van handhaving moest worden afgezien. Tenaamstelling van de uitspraak van de rechtbank 3. Bij de behandeling van het hoger beroep is aan de orde gekomen dat in de uitspraak van de rechtbank alleen [appellant B] als procespartij is vermeld en [appellant A] niet. De Afdeling heeft op de zitting samen met partijen geconcludeerd dat dit duidt op een kennelijke verschrijving en dat hierom moet worden aangenomen dat de uitspraak zowel [appellant A] als [appellant B] betreft. Toetsingskader 4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te gebruiken. Op grond van artikel 2.3, aanhef en onder b, van de Wabo is het verboden om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, f, g, h of i. Het bestemmingsplan 5. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Sint Geertruid". Het p
Bronpassage s0004
erceel heeft daarin de bestemming "Centrum" en de aanduiding "verblijfsrecreatie". Artikel 7.1, aanhef en onder g, van de planregels luidt: "De voor ‘Centrum’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: verblijfsrecreatie ter plaatse van de aanduiding ‘verblijfsrecreatie’." Ingetrokken beroepsgrond 6. Op de zitting hebben [appellant A] en [appellant B] de beroepsgrond dat geen sprake is van een overtreding gelet op wat is bepaald in het bestemmingsplan en in de verleende omgevingsvergunning, ingetrokken. Wanneer zijn er bijzondere omstandigheden waardoor van handhaving af moest worden gezien? 7. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval
Bronpassage s0005
kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Vertrouwensbeginsel 8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat het college niet over zou gaan tot handhavend optreden en zij hiermee een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen doen. Hiertoe voeren zij aan dat het college heeft meegewerkt aan een inschrijving van de bewoners in de Basisregistratie Personen (BRP) en dat aan de woningen huisnummers zijn toegekend. Op de zitting heeft de gemachtigde van [appellant A] en [appellant B] toegelicht dat de rechtbank volgens hen niet heeft onderkend dat het college op grond van artikel 2.4 van de Wet basisregistratie personen de inschrijvingen in de BRP had moeten weigeren als op voorhand duidelijk was dat het niet is toegestaan om permanent op de percelen te wonen. 8.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe. 8.2. De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant A] en [appellant B] in dit opzicht aanvoeren, niet maakt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is ge
Bronpassage s0006
komen dat er geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is. De rechtbank heeft geoordeeld dat het inschrijven in de BRP geen bewuste standpuntbepaling van het college inhoudt dat de bewoning is toegestaan op grond van het bestemmingsplan en dat het college daartegen niet handhavend zal optreden. Verder kan volgens de rechtbank een inschrijving in de BRP niet worden geweigerd. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat de recreatiewoningen aparte huisnummers hebben, niet afdoet aan de planologische kwalificatie van de woningen als recreatiewoningen. De Afdeling stelt vast dat het oordeel van de rechtbank dat een inschrijving in de BRP geen definitieve standpuntbepaling van het college inhoudt dat bewoning is toegestaan en dat hiertegen niet zal worden gehandhaafd, overeenkomt met het oordeel dat de Afdeling heeft gegeven in haar uitspraak van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2591, onder 6.2. Er bestaat geen grond voor de conclusie dat hierover in deze zaak anders moet worden geoordeeld, daargelaten de vraag of het wettelijk mogelijk is in een geval als hier aan de orde een inschrijving in het BRP te weigeren. Verder onderschrijft de Afdeling het oordeel van de rechtbank over het toekennen van een huisnummer. Het betoog slaagt niet. Evenredigheidsbeginsel 9. [appellant A] en [appellant B] betogen dat er ook andere bijzondere omstandigheden zijn waardoor handhaving in dit concrete geval onevenredig moest worden geacht. Hiertoe voeren zij aan dat tussen het vo
Bronpassage s0007
ornemen en het handhavingsbesluit ruim een jaar heeft gezeten. Ook is volgens [appellant A] en [appellant B] sprake van een overtreding van geringe ernst, omdat de ruimtelijke uitstraling niet wezenlijk anders is geworden dan bij het toegestane recreatieve gebruik. Volgens [appellant A] en [appellant B] is de ruimtelijke uitstraling zelfs zo dat zich een rustigere situatie voordoet ingeval van permanente bewoning dan wanneer het toegestane gebruik als recreatiewoningen zou bestaan. 9.1. De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant A] en [appellant B] over dit onderdeel aanvoeren, niet maakt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat er geen geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel is. Het tijdsverloop tussen het voornemen en het handhavingsbesluit is naar het oordeel van de Afdeling niet zo lang dat het college om die reden het besluit niet mocht nemen. Ook mocht het college zich op het standpunt stellen dat er geen sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst, in aanmerking genomen dat de overtreding doorlopend is en er sprake is van een ander gebruik met een andere ruimtelijke uitstraling. De enkele omstandigheid dat volgens [appellant A] en [appellant B] de ruimtelijke uitstraling van permanente bewoning minder groot is dan van recreatief verblijf hoefde, wat daarvan overigens zij, voor het college geen aanleiding te vormen om van handhaving af te zien. Wat [appellant A] en [appellant B] aanvoeren kan in verband hiermee niet leiden tot (g
Bronpassage s0008
edeeltelijke) vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het betoog slaagt niet. Conclusie 10. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier. w.g. Gundelach lid van de enkelvoudige kamer w.g. Sparreboom griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 195-1185
Bij besluiten van 1 oktober 2022 heeft de burgemeester van Haarlem aan [wederpartijen] lasten onder dwangsom opgelegd inhoudende dat zij demonstraties op niet-openbare plaatsen direct moeten beëindige
Raad van State, 30 sep 2026 — ECLI:NL:RVS:2026:5814. Inhoudsindicatie van Rechtspraak: Bij besluiten van 1 oktober 2022 heeft de burgemeester van Haarlem aan [wederpartijen] lasten onder dwangsom opgelegd inhoudende dat zij demonstraties op niet-openbare plaatsen direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe opdracht geeft. Op 1 oktober 2022 hebben [wederpartijen] deelgenomen aan een demonstratie van Extinction Rebellion in de Albert Heijn aan het Soendaplein in Haarlem. Zij hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van de manager van de winkel om de winkel te verlaten. De burgemeester heeft daarom op 1 oktober 2022 aan [wederpartijen] een last onder dwangsom opgelegd op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht. De last houdt kort gezegd in dat [wederpartijen] een demonstratie op een niet-openbare plaats direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe de opdracht geeft op grond van artikel 8 van de Wet openbare manifestaties. [wederpartijen] verbeuren € 1.000,00 per keer dat zij geen gehoor geven aan de opdracht van de burgemeester, tot een maximum van € 5.000,00. In de besluiten op bezwaar heeft de burgemeester, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, zich op het standpunt gesteld dat de last voldoende concreet en duidelijk is. Daarnaast is volgens de burgemeester geen begunstigingstermijn nodig, omdat de begunstigingstermijn afhankelijk zal zijn van de opdracht van de burgemeester. Een gecontroleerde toelichting is nog niet beschikbaar. Lees de volledige uitspraak bij Rechtspraak.
De Afdeling laat de tot € 1.500 beperkte invordering in stand.s0003, s0008
De Afdeling bevestigt de uitspraak voor zover aangevallen; de invordering blijft beperkt tot € 1.500.s0003, s0008
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5815
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak, waardoor het college van Medemblik € 1.500 mag blijven invorderen. De rechtbank had de oorspronkelijke invordering van € 15.000 al met € 13.500 verminderd wegens onvoldoende onderbouwing door de overige controles. Het controlerapport van 9 januari 2023 draagt het resterende bedrag wel: daaruit blijkt volgens de rechter dat de last niet tijdig was nageleefd. [appellant] heeft de bevindingen uit dat onder ambtsbelofte opgestelde rapport niet weerlegd. Ook de afwijzing van schadevergoeding blijft staan, omdat onderbouwende stukken ontbreken. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.s0003, s0004, s0005, s0007, s0008
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De last verplichtte [appellant] om de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel [locatie] in Wervershoof te beëindigen en beëindigd te houden. De verlengde begunstigingstermijn liep tot en met 1 januari 2023. Omdat de last in 2022 was opgelegd, blijft volgens het toegepaste overgangsrecht de Wabo gelden zoals die vóór 1 januari 2024 luidde. Voor de resterende invordering is het controlerapport van 9 januari 2023 doorslaggevend. Daaruit volgt dat twee bewoners verklaarden met twee stellen in de woning te wonen. De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat [appellant] de bevindingen niet heeft weerlegd.s0002, s0003, s0004, s0005
Uit de uitspraak
Het beroep tegen het invorderingsbesluit had volgens de Afdeling geen schorsende werking. De last zelf stond al vast, omdat [appellant] daartegen geen bezwaar of beroep had ingesteld. Zijn stelling dat hij geen overtreder was, had hij tegen die last kunnen aanvoeren. Het daadwerkelijk innen van de ingevorderde dwangsommen valt bovendien buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter. De gevraagde schadevergoeding van € 5.000 blijft afgewezen doordat onderbouwende stukken ontbreken. Ook volgt geen vergoeding voor rechtsbijstand: de gemachtigde bevestigde dat zij geen professionele rechtsbijstandverlener is.s0006, s0007, s0008
Duiding
Deze zaak laat zien hoe bepalend de onderbouwing van afzonderlijke controles kan zijn voor het bedrag dat overblijft. De rechtbank schrapte € 13.500 omdat de overige controles onvoldoende onderbouwing boden. Het resterende rapport hield wel stand tegenover de gestelde miscommunicatie. Voor de praktijk volgt hieruit dat bezwaren tegen de vaststelling van niet-naleving concreet moeten aansluiten bij het bewijs. Tegelijk biedt deze invorderingsprocedure slechts beperkte ruimte om de vaststaande last opnieuw ter discussie te stellen: de Afdeling noemt daarvoor uitzonderlijke gevallen.s0003, s0005, s0006, s0007
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling beoordeelt de uitspraak van de rechtbank uitsluitend voor zover [appellant] die heeft aangevallen.
- De Afdeling beoordeelt het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM niet inhoudelijk.
- De beroepsgrond over het verwijderen van de beslagvermelding uit het openbaar register is op de zitting ingetrokken.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluit van 21 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Medemblik een volgens het college door [appellant] verbeurde dwangsom van € 15.000,00 ingevorderd. Het college heeft bij besluit van 11 augustus 2022, verzonden op diezelfde datum, gelast het huisvesten van arbeidsmigranten op het perceel [locatie] in Wervershoof, te beëindigen en beëindigd te houden, onder aanzegging van een dwangsom van €1.500,00 per week met een maximum van €15.000,00. De begunstigingstermijn van de last is gesteld op acht weken na de verzenddatum. Naar aanleiding van de brief van [appellant] van 6 september 2022 heeft het college op 11 oktober 2022 de begunstigingstermijn verlengd tot en met 1 januari 2023. Het besluit tot oplegging van de dwangsom van 11 augustus 2022 is in rechte onaantastbaar geworden. Het college heeft meermaals geconstateerd dat niet aan de last is voldaan en heeft op 21 november 2023 een besluit tot invordering van de dwangsom genomen. Volgens het college is de volledige dwangsom verbeurd.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202505725/1/R1. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Wervershoof, gemeente Medemblik, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 oktober 2025 in zaak nr. 24/1139 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Medemblik. Procesverloop Bij besluit van 21 november 2023 heeft het college een volgens het college door [appellant] verbeurde dwangsom van € 15.000,00 ingevorderd. Bij besluit van 13 februari 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en het ingevorderde bedrag gematigd tot in totaal € 1.500,00. Verder heeft de rechtbank het door [appellant] bij haar ingediende verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 30 juli 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen. Het college, vertegenwoordigd door S. Cavusoglu, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getre
Bronpassage s0002
den. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluit van 11 augustus 2022 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Het college heeft bij besluit van 11 augustus 2022, verzonden op diezelfde datum, gelast het huisvesten van arbeidsmigranten op het perceel [locatie] in Wervershoof, te beëindigen en beëindigd te houden, onder aanzegging van een dwangsom van €1.500,00 per week met een maximum van €15.000,00. De begunstigingstermijn van de last is gesteld op acht weken na de verzenddatum. Naar aanleiding van de brief van [appellant] van 6 september 2022 heeft het college op 11 oktober 2022 de begunstigingstermijn verlengd tot en met 1 januari 2023. Het besluit tot oplegging van de dwangsom van 11 augustus 2022 is
Bronpassage s0003
in rechte onaantastbaar geworden. Het college heeft meermaals geconstateerd dat niet aan de last is voldaan en heeft op 21 november 2023 een besluit tot invordering van de dwangsom genomen. Volgens het college is de volledige dwangsom verbeurd. De rechtbank heeft geoordeeld dat met het controlerapport van 9 januari 2023 dat mede aan het invorderingsbesluit ten grondslag ligt, is vast komen te staan dat op dat moment niet aan de last werd voldaan. Maar de andere uitgevoerde controles vormen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing. Volgens de rechtbank kan daarom alleen worden geconcludeerd dat er tot en met 9 januari 2023 niet aan de last is voldaan. De rechtbank heeft daarom het besluit van 13 februari 2024 vernietigd voor zover dat ziet op de invordering van € 13.500,00 en het besluit van 21 november 2023 herroepen voor zover dit ziet op de invordering van dat bedrag. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank, omdat het college volgens [appellant] in het geheel niet tot invordering had mogen overgaan. Het bestemmingsplan 3. Op grond van artikel 10.1, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Dorpskernen III" zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor: "woonhuizen en bijbehorende bouwwerken bij woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten". Op grond van artikel 1.137 van de planregels is een woonhuis "een gebouw, dat één woning omvat en dat qua ui
Bronpassage s0004
terlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden". Op grond van artikel 1.135 van de bestemmingsplanregels is een woning "een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Bij een afzonderlijk huishouden moet het gaan om personen of een groep personen waarbij er sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling zoals een traditioneel gezin." Ingetrokken beroepsgrond 4. Op de zitting heeft de gemachtigde van [appellant] de hoger beroepsgrond over het verwijderen van de vermelding van een beslag in het openbaar register, ingetrokken. Vaststelling overtreding van de last 5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat met het controlerapport van 9 januari 2023 voldoende vast is komen te staan dat de last op dat moment niet werd nageleefd. Hiertoe voert hij aan dat de controle van 9 januari 2023 berust op een niet te verifiëren miscommunicatie tussen bewoners, visite en toezichthouders, die volgens hem heeft geleid tot een zogenoemde tunnelvisie. 5.1. De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant] aanvoert over dit onderdeel, niet maakt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat met het rapport van 9 januari 2023 voldoende vast is komen te staan dat niet binnen de begunstigingstermijn is voldaan aan de last en dat de dwangsom ter grootte van € 1.500,00 is verbeurd. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat uit het controlerapport volgt dat twee be
Bronpassage s0005
woners hebben verklaard met twee stellen in de woning te wonen. Het betoog van [appellant] dat de mannelijke bewoner alleen maar aanwezig was om zijn spullen te halen, is door de rechtbank gemotiveerd weerlegd. De Afdeling volgt de rechtbank daarin. Verder is het controlerapport onder ambtsbelofte opgesteld. Het college mag in beginsel uitgaan van een onder ambtsbelofte opgesteld proces-verbaal. [appellant] is er niet in geslaagd om de bevindingen in het rapport te weerleggen en daarom kan wat hij in dit opzicht aanvoert niet leiden tot (gedeeltelijke) vernietiging van de aangevallen uitspraak. Het betoog slaagt niet. Toepassing artikel 6:16 van de Awb 6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het voortduren van de tegen hem gerichte maatregelen met toepassing van artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft toegestaan, door niet te onderkennen dat niet tot het innen van de dwangsommen mocht worden overgegaan zolang de beroepsprocedure over het invorderingsbesluit nog liep. Volgens [appellant] is artikel 6:16 ondeugdelijke wetgeving, omdat iemand hierin bij voorbaat wordt gekenmerkt als overtreder zonder enig bewijs van een strafbaar feit of overtreding van de wet. Volgens [appellant] is dit in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 6.1. Op grond van artikel 6:16 van de Awb schorst het bezwaar of beroep niet de werking van het besluit waartegen het is
Bronpassage s0006
gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. 6.2. Een belanghebbende kan in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd of betrokkene geen overtreder is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466. 6.3. De Afdeling vat het betoog van [appellant] zo op dat hij stelt dat het door hem ingestelde beroep tegen het besluit op bezwaar tegen het invorderingsbesluit ten onrechte geen schorsende werking heeft en dat de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 6:16 van de Awb, omdat dit volgens hem ondeugdelijke wetgeving is. De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat volgens artikel 6:16 van de Awb het beroep geen schorsende werking heeft. Voor zover [appellant] stelt dat dit artikel buiten toepassing moet blijven omdat hij hierdoor bij voorbaat wordt gekenmerkt als overtreder, kan dit niet in deze procedure aan de orde komen. De last onder dwangsom van 11 augustus 2022 is namelijk in rechte vast komen te staan, doordat [appellant] hiertegen geen bezwaar en/of beroep heeft aangetekend. Voor zover [appellant] stelt dat hij
Bronpassage s0007
geen overtreder is, had hij dit in een procedure tegen de last onder dwangsom kunnen aanvoeren. Bovendien is het innen van ingevorderde dwangsommen een kwestie van burgerlijk recht, die buiten de bevoegdheden van de bestuursrechter ligt en die dus ook het bestek van deze procedure te buiten gaat. Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het betoog over artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM. Het betoog slaagt niet. Verzoek om schadevergoeding 7. [appellant] betoogt dat het afwijzen van het verzoek tot schadevergoeding door de rechtbank duidt op onvoldoende dossierkennis. Volgens [appellant] is gelet op artikel 8:88 van de Awb en artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, voldoende informatie verstrekt om het verzoek op schadevergoeding toe te wijzen. 7.1. De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant] aanvoert over dit onderdeel, niet maakt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat geen recht op schadevergoeding bestaat. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door [appellant] verzochte schadevergoeding van € 5.000,00 onvoldoende is onderbouwd, omdat hiervoor geen stukken zijn ingediend. In hoger beroep zijn geen stukken overgelegd waarmee het verzoek om schadevergoeding alsnog wordt onderbouwd. De gemachtigde van [appellant] heeft dit op de zitting van de Afdeling overigens erkend. Voor zover [appellant] een beroep doet op artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, overweegt de Afdeling dat zij niet bevoegd
Bronpassage s0008
is om hierover te oordelen. Dat is een kwestie van burgerlijk recht. Het betoog slaagt niet. Kostenvergoeding voor professionele rechtsbijstand 8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door zijn gemachtigde uitgevoerde werkzaamheden niet voor proceskostenvergoeding in aanmerking komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 8.1. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb of een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Awb betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. 8.2. De gemachtigde van [appellant] heeft op de zitting bevestigd dat zij geen professionele rechtsbijstandverlener is. Naar het oordeel van de Afdeling kon alleen al hierom geen veroordeling in proceskosten voor het verlenen van rechtsbijstand volgen en leidt het betoog daarom niet tot een (gedeeltelijke) vernietiging van de aangevallen uitspraak. Het betoog slaagt niet. Conclusie 9. Het beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. 10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van
Bronpassage s0009
mr. C. Sparreboom, griffier. w.g. Gundelach lid van de enkelvoudige kamer w.g. Sparreboom griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 195-1185
De Afdeling bevestigt de herroeping van de dwangsomlasten voor toekomstige demonstraties op niet-openbare plaatsen.s0001, s0002, s0007
De Afdeling bevestigt de herroeping van beide dwangsomlasten; de burgemeester moet de proceskosten vergoeden.s0001, s0007
Raad van State · 30 september 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5816
De Afdeling verklaart het hoger beroep van de burgemeester van Haarlem ongegrond, waardoor de dwangsomlasten voor [wederpartij A] en [wederpartij B] herroepen blijven. De burgemeester mocht artikel 125 van de Gemeentewet niet gebruiken om toekomstige beëindigingsopdrachten voor demonstraties op niet-openbare plaatsen met dwangsommen af te dwingen. De preventieve lasten beperken het betogingsrecht door hun afschrikkende werking. De gekozen grondslag en het stelsel van de Wom bieden daarvoor geen bevoegdheid. Ten overvloede overweegt de Afdeling dat een dwangsomlast niet kan worden opgelegd voor gedrag dat nog niet verboden is. De burgemeester moet € 1.955,90 aan proceskosten vergoeden; daarnaast wordt € 559 griffierecht geheven.s0001, s0002, s0004, s0005, s0006, s0007
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De Afdeling bevestigt de rechtbankuitspraak, waardoor de aan [wederpartij A] en [wederpartij B] opgelegde dwangsomlasten herroepen blijven. Deze lasten verplichtten hen om toekomstige demonstraties op niet-openbare plaatsen direct te beëindigen zodra de burgemeester daartoe opdracht gaf op grond van artikel 8 van de Wom. Bij ongehoorzaamheid zouden zij ieder € 1.000 per keer verbeuren, tot maximaal € 5.000. De burgemeester moet de proceskosten van het hoger beroep vergoeden.s0001, s0002, s0007
Uit de uitspraak
Volgens de Afdeling beperken de preventieve lasten het betogingsrecht, omdat zij de betrokkenen kunnen afschrikken om te demonstreren. Artikel 125 van de Gemeentewet noemt geen van de grondwettelijke doelen die een beperking van dat recht kunnen dragen. Ook het uitputtende stelsel van de Wom biedt geen ruimte voor deze algemene herstelsanctiebevoegdheid. Daarnaast overweegt de Afdeling ten overvloede dat het verbod pas ontstaat wanneer de burgemeester een beëindigingsopdracht geeft. Een dwangsomlast kan niet worden opgelegd voor iets wat nog niet verboden is.s0004, s0005, s0006
Duiding
Voor de beoordeling van een vergelijkbare preventieve last vraagt deze uitspraak aandacht voor de bevoegdheidsgrondslag én het moment waarop een verbod ontstaat. Dat een last alleen naleving van een toekomstige opdracht beoogt, neemt volgens de Afdeling de beperking van het betogingsrecht niet weg. De conclusie betreft hier de inzet van artikel 125 van de Gemeentewet ter handhaving van artikel 8 van de Wom. De Afdeling noemt ook andere bevoegdheden die onder voorwaarden beperkingen van demonstraties kunnen dragen.s0004, s0005, s0006
Grenzen van deze toelichting
- De Afdeling bespreekt de overige hogerberoepsgronden niet, omdat de burgemeester de benodigde bevoegdheid mist.
- De uitspraak vermeldt de strafrechtelijke aanhouding, maar geeft geen uitkomst van een strafprocedure.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Bij besluiten van 6 december 2022 heeft de burgemeester aan [wederpartij A] en [wederpartij B] lasten onder dwangsom opgelegd inhoudende dat zij demonstraties op niet-openbare plaatsen direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe opdracht geeft. 17 oktober 2022 hebben [wederpartij A] en [wederpartij B] deelgenomen aan een demonstratie van Extinction Rebellion op het terrein van het provinciehuis aan de Dreef in Haarlem. De locatiemanager van het provinciehuis had geen toestemming gegeven voor de demonstratie en [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van de beveiligers van het provinciehuis om het terrein te verlaten. Nadat de politie ter plaatse was gekomen heeft de burgemeester op grond van artikel 8 van de Wet openbare manifestaties (Wom) de demonstranten de opdracht gegeven het terrein te verlaten. [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben geen gehoor gegeven aan deze opdracht en zij zijn daarom strafrechtelijk aangehouden. De burgemeester heeft met zijn besluiten van 6 december 2022 aan [wederpartij A] en [wederpartij B] een last onder dwangsom opgelegd op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De last houdt kort gezegd in dat [wederpartij A] en [wederpartij B] een demonstratie op een niet-openbare plaats direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe de opdracht geeft op grond van artikel 8 van de Wom. [wederpartij A] en [wederpartij B] verbeuren € 1.000,00 per keer dat zij geen gehoor geven aan de opdracht van de burgemeester, tot een maximum van € 5.000,00.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
202405897/1/A3. Datum uitspraak: 30 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de burgemeester van Haarlem, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 augustus 2024 in zaken nrs. 23/5504 en 23/5508 in het geding tussen: [wederpartij A] en [wederpartij B] en de burgemeester. Procesverloop Bij besluiten van 6 december 2022 heeft de burgemeester aan [wederpartij A] en [wederpartij B] lasten onder dwangsom opgelegd inhoudende dat zij demonstraties op niet-openbare plaatsen direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe opdracht geeft. Bij besluiten van 19 juli 2023 en 20 juli 2023 heeft de burgemeester de door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 augustus 2024 heeft de rechtbank de door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 19 juli 2023 en 20 juli 2023 vernietigd en de besluiten van 6 december 2022 herroepen. Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld. [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2026, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat in Haarlem, bijgestaan door J.A.M. Lubbers, en [wederpartij A] en [wederpartij B], bijgestaan door mr. R.E. van Zijl, advoca
Bronpassage s0002
at in Amsterdam, en mr. J.L. Baar, advocaat in Arnhem, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Op 17 oktober 2022 hebben [wederpartij A] en [wederpartij B] deelgenomen aan een demonstratie van Extinction Rebellion op het terrein van het provinciehuis aan de Dreef in Haarlem. De locatiemanager van het provinciehuis had geen toestemming gegeven voor de demonstratie en [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van de beveiligers van het provinciehuis om het terrein te verlaten. Nadat de politie ter plaatse was gekomen heeft de burgemeester op grond van artikel 8 van de Wet openbare manifestaties (Wom) de demonstranten de opdracht gegeven het terrein te verlaten. [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben geen gehoor gegeven aan deze opdracht en zij zijn daarom strafrechtelijk aangehouden. 1.1. De burgemeester heeft met zijn besluiten van 6 december 2022 aan [wederpartij A] en [wederpartij B] een last onder dwangsom opgelegd op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De last houdt kort gezegd in dat [wederpartij A] en [wederpartij B] een demonstratie op een niet-openbare plaats direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe de opdracht geeft op grond van artikel 8 van de Wom. [wederpartij A] en [wederpartij B] verbeuren € 1.000,00 per keer dat zij geen gehoor geven aan de opdracht van de burgemeester, tot een maximum van € 5.000,00. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heef
Bronpassage s0003
t geoordeeld dat de burgemeester niet bevoegd was de lasten onder dwangsom op te leggen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wom volgt dat de burgemeester terughoudend moet zijn in het beëindigen van demonstraties op niet-openbare plaatsen. De burgemeester kan via artikel 11 van de Wom strafrechtelijk handhaven en de Wom kent geen mogelijkheid voor bestuursrechtelijke handhaving. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgelegde lasten niet duidelijk en concreet zijn geformuleerd. Het is niet duidelijk welke demonstratie beëindigd moet worden en op welke niet-openbare plaatsen de lasten zien. De burgemeester had bovendien in de besluiten moeten opnemen wanneer de handhavingsbevoegdheid vervalt, aldus de rechtbank. Hoger beroep 3. De burgemeester betoogt dat hij bevoegd was de lasten onder dwangsom op te leggen op grond van artikel 5:4 en 5:32 van de Awb en artikel 125 van de Gemeentewet. Hij is belast met de bescherming van de openbare orde en hij mag daarom op grond van artikel 125 Gemeentewet herstelsancties opleggen om naleving van de Wom te verzekeren. Het is niet vereist dat zijn herstelsanctiebevoegdheid ook in een andere, specifieke wet is vermeld. 3.1. De vraag die centraal staat in deze zaak is of de burgemeester bevoegd is om op grond van artikel 125 van de Gemeentewet een last onder dwangsom op te leggen ter handhaving van artikel 8 van de Wom. De Afdeling beantwoordt die vraag ontkennend. Hieronder legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt. 3.2. In ar
Bronpassage s0004
tikel 9 van de Grondwet is het betogingsrecht neergelegd. Uit artikel 9, tweede lid, van de Grondwet volgt dat een demonstratie beperkt mag worden ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en/of ter voorkoming van wanordelijkheden. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat van een beperking van het betogingsrecht hier geen sprake is, omdat de last onder dwangsom slechts dient ter handhaving van de opdracht die de burgemeester in de toekomst kan geven aan betogers op niet-openbare plaatsen om uiteen te gaan, op grond van artikel 8 van de Wom. Dit standpunt van de burgemeester volgt de Afdeling niet. Door de preventieve last onder dwangsom zijn [wederpartij A] en [wederpartij B] minder snel geneigd om van hun betogingsrecht gebruik te maken. Het is aannemelijk dat de preventieve last onder dwangsom daarom een ‘chilling effect’ heeft. In zoverre is hun betogingsrecht dan ook beperkt. 3.3. Voordat de vraag aan bod komt of deze beperking gerechtvaardigd is, ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of de burgemeester op grond van artikel 125 van de Gemeentewet een bevoegdheid heeft een last onder dwangsom op te leggen ter handhaving van artikel 8 van de Wom. Vooropgesteld moet worden, zoals hiervoor onder 3.2 is overwogen, dat een beperking van het betogingsrecht alleen mogelijk is, indien dit gebeurt ter bescherming van de in artikel 9, tweede lid, van de Grondwet genoemde doelcriteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van he
Bronpassage s0005
t verkeer en/of ter voorkoming van wanordelijkheden. De Wom kent verschillende bepalingen waarin de burgemeester een bevoegdheid is toebedeeld om beperkingen te stellen aan het betogingsrecht, indien hij motiveert dat dit noodzakelijk is ter bescherming van de hiervoor genoemde doelcriteria. Zie bijvoorbeeld artikel 2 of artikel 8 van de Wom. Ook het instrument van een noodbevel, artikel 175 Gemeentewet, noemt een doelcriterium van artikel 9, tweede lid, van de Grondwet en kan daarom onder omstandigheden door de burgemeester gebruikt worden om beperkingen te stellen aan het betogingsrecht. 3.4. De burgemeester heeft in dit geval beperkingen gesteld aan het betogingsrecht met gebruik van de algemene herstelsanctiebevoegdheid uit artikel 125 van de Gemeentewet. Dit artikel noemt geen van de doelcriteria uit artikel 9, tweede lid, van de Grondwet en kan daarom niet als grondslag dienen voor een beperking van het betogingsrecht. Ook past het niet in het systeem van de Wom dat de burgemeester met gebruik van de algemene herstelsanctiebevoegdheid uit artikel 125 van de Gemeentewet voorschriften kan verbinden aan demonstraties op niet-openbare plaatsen. De Wom kent geen artikel waarin een bestuursdwangbevoegdheid is neergelegd. Uit de systematiek of totstandkomingsgeschiedenis van de Wom is evenmin af te leiden dat desalniettemin een bestuursdwangbevoegdheid bestaat ter handhaving van de bepalingen in de Wom. In de Wom heeft de wetgever een uitputtend systeem van regels en bevoegdhe
Bronpassage s0006
den rondom manifestaties vastgelegd. De verwijzing van de burgemeester naar de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2814, brengt in het bovenstaande geen verandering. In die uitspraak was de vraag aan de orde of sprake was van ‘onmiddellijke handhaving van de openbare orde’ als bedoeld in artikel 5:23 van de Awb, omdat dit zou betekenen dat de bepalingen over herstelsancties uit de Awb niet van toepassing zijn. Omdat de Afdeling van oordeel is dat de burgemeester geen herstelsanctiebevoegdheid heeft op grond van artikel 125 van de Gemeentewet wordt aan de vraag of sprake is van ‘onmiddellijke handhaving van de openbare orde’ als bedoeld in artikel 5:23 van de Awb niet toegekomen. Ten overvloede overweegt de Afdeling nog het volgende. De last onder dwangsom van de burgemeester houdt in dat [wederpartij A] en [wederpartij B] een (toekomstige) betoging moeten beëindigen op straffe van verbeurte van een dwangsom, als de burgemeester daartoe de opdracht geeft op grond van artikel 8 van de Wom. Dit betekent dat het verbod om te demonstreren pas ontstaat wanneer de burgemeester een opdracht geeft op grond van artikel 8 Wom. Het is niet mogelijk een last onder dwangsom op te leggen voor iets wat nog niet is verboden. Het betoog van de burgemeester slaagt niet. 3.5. Omdat de Afdeling van oordeel is dat de burgemeester geen bevoegdheid heeft om op grond van artikel 125 van de Gemeentewet een last onder dwangsom op te leggen ter handhaving van artikel 8 van d
Bronpassage s0007
e Wom, is een bespreking van de overige hogerberoepsgronden overbodig. Slotsom 4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 5. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden. 6. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb wordt van de burgemeester griffierecht geheven. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de burgemeester van Haarlem tot vergoeding van bij [wederpartij A] en [wederpartij B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.955,90 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand; III. bepaalt dat van de burgemeester van Haarlem een griffierecht van € 559,00 wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. V.V. Essenburg en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier. w.g. Sevenster voorzitter w.g. Bus griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026 1013
De rechter schorst de chaletvergunningen niet; zijn oordeel blijft voorlopig.s0009, s0001, s0002
De voorzieningenrechter wijst beide verzoeken af; de chaletvergunningen blijven ongeschorst, zonder definitief oordeel over hun houdbaarheid.s0009, s0001, s0002
Rechtbank Gelderland · 29 september 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7426
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken van [verzoekster] af, waardoor de vergunningen voor twee chalets op Park Tergouw niet worden geschorst. Het college van Overbetuwe kan het ontbreken van een uitdrukkelijke vergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit volgens de rechter in bezwaar herstellen als de relevante afwegingen zijn gemaakt. Het college moet ook onderzoeken of gemeenteraadsadvies nodig was. De problemen met nutsvoorzieningen hangen volgens de rechter niet samen met de vergunde afwijkingen; het toegestane aantal woningen neemt niet toe. Het oordeel is voorlopig en beslist niet over handhaving of technische bouweisen.s0001, s0002, s0004, s0006, s0008, s0009
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De voorzieningenrechter ziet geen reden om de vergunningen tijdens de bezwaarprocedure te schorsen. Het voormalige bestemmingsplan maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan en vormt hier het kader voor de toegestane bebouwing. De chalets wijken daarvan af doordat zij deels in de bestemming Tuin en binnen de bestemming Leiding – Hoogspanningsverbinding worden gebouwd. Het college heeft een buitenplanse omgevingsplanactiviteit beoogd, maar niet uitdrukkelijk vergund. Volgens de rechter kan het college dit in bezwaar herstellen als de relevante afwegingen zijn gemaakt.s0003, s0004, s0006, s0009
Uit de uitspraak
Het college moet nog onderzoeken of Park Tergouw binnen de bebouwde kom ligt. Daarvan hangt volgens de gemeentelijke regels af of voor deze twee chalets advies van de gemeenteraad nodig is. Ook dit mogelijke gebrek acht de rechter herstelbaar. Tennet heeft ingestemd met de bebouwing bij de hoogspanningsverbinding. De problemen met nutsvoorzieningen hangen volgens de rechter samen met de toegestane permanente bewoning, terwijl de voorzieningen daarop niet zijn berekend. De afwijkingen vergroten het planologisch toegestane aantal woningen niet.s0005, s0006, s0007, s0008
Duiding
Voor de beoordeling van deze vergunningen is het verband tussen de aangevoerde problemen en de vergunde afwijkingen doorslaggevend. De zorgen van [verzoekster] over nutsvoorzieningen leveren hier geen grond voor schorsing op. Dat laat de verantwoordelijkheid van het college voor toezicht op bouwkundige eisen, waaronder brandveiligheid, bestaan. Bij vermoedens van overtredingen moet het college onderzoeken of handhaving nodig is. Deze uitspraak beslist daar niet over; een vergunning voor een technische bouwactiviteit is evenmin aangevraagd of verleend.s0007, s0008, s0009
Grenzen van deze toelichting
- Het oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.
- Het is onduidelijk gebleven of Park Tergouw binnen de bebouwde kom ligt en gemeenteraadsadvies nodig was.
- Het stedenbouwkundige advies is niet overgelegd.
- De naleving van bouwkundige eisen en de vraag of handhaving nodig is, liggen in deze zaak niet voor.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
buitenplanse omgevingsvergunning voor de bouw van twee chalets op voormalig recreatiepark
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 26/3875 en 26/3876 uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 september 2026 in de zaken tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe (gemachtigden: mr. N. Thorborg en mr. M.J. Tunnissen). Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [persoon 1] uit [woonplaats] (vergunninghouder 1: [x] ), en [persoon 2] (vergunninghouder 2: [x] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghouders bij afzonderlijke besluiten van 13 juli 2026 verleende omgevingsvergunningen voor het plaatsen van een chalet op de percelen [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] in Oosterhout . Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert zij een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de bestreden besluiten te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bin
Bronpassage s0002
dt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met de bestreden besluiten van 13 juli 2026 heeft het college vergunninghouders 1 en 2 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk . Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 15 september 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekster en vergunninghouders deelgenomen. Van de zijde van het college was [persoon 3] aanwezig, bijgestaan door mr. Tunnissen. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Verzoekster woont op park Tergouw in Oosterhout. Dit was voorheen een recreatiepark, maar met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Oosterhout , Park Tergouw” mag er ter plaatse gewoond worden. 4. Vergunninghouders hebben een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van een chalet. 5. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunningen verleend voor de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’. 6. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunningen. Volgens verzoekster zijn de op het park aanwezige nutsvoorzieningen verouderd en vertonen deze gebreken. De riolering en stroomvoorziening zijn ontoereikend voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt. De stroom valt geregeld uit, stroomkastjes zouden ontploffen door overbelasting en de riolering is regelmatig verstopt. Verzoekster vreest dat door het
Bronpassage s0003
plaatsen van extra chalets, die ook op de verouderde nutsvoorziening aangesloten moeten worden, de problemen verergeren. 7. Ter zitting is vastgesteld dat vergunninghouder 2 al werkzaamheden verricht ten behoeve van het plaatsen van het chalet. Niet in geschil is daarom dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van het verzoek. Wettelijk kader 8. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de voorzieningen gerealiseerd zijn/worden, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Oosterhout, Park Tergouw’ van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. Volgens dat bestemmingsplan geldt op het perceel de bestemming Wonen – 2 en de dubbelbestemmingen Leiding – Hoogspanningsverbinding en Waarde – Archeologische verwachting 2. 9. De te plaatsen chalets zijn in strijd met het omgevingsplan, omdat een hoofdgebouw in de bestemming Tuin wordt opgericht. Bovendien mogen er geen nieuwe hoofdgebouwen worden gebouwd binnen de bestemming “Leiding Hoogspanningsverbinding”. 10. Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk dee
Bronpassage s0004
l van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. 11. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). 12. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college alleen een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouw van de chalets en niet voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Uit de tekst van de verleende omgevingsvergunning blijkt dat het college dat wel beoogd heeft te doen. De voorzieningenrechter is echter voorshands van oordeel dat, hoewel het college niet uitdrukkelijk een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit heeft verleend, het college dit gebrek in bezwaar kan herstellen indien de daartoe relevante afwegingen wel zijn gemaakt. Het college heeft beoordeeld of het bouwen in de bestemming Tuin voldoet aan ETFAL en of daarnaast wordt voldaan aan de in het bestemmingsplan opgenomen regels om in afwijking van de hoofdregel toch bouwwerken toe te staan op gronden met de best
Bronpassage s0005
emming Leiding – Hoogspanningsverbinding. Verplicht advies gemeenteraad? 13. Uit artikel 16.15 van de Omgevingswet volgt dat in sommige gevallen bestuursorganen in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag advies uit te brengen over een aanvraag. Artikel 16.15a, onder b, onder 1, van de Omgevingswet bepaalt dat de raad, bij een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning, in de gelegenheid wordt gesteld om advies uit te brengen in de door de raad aangewezen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Als een college ten onrechte de raad niet om advies vraagt, ontbreekt de bevoegdheid van het college om op de vergunningaanvraag te beslissen. 13.1. Op 23 maart 2021 heeft de gemeenteraad regels vastgesteld over het adviesrecht van de gemeenteraad. Als sprake is van het toevoegen van 4 of meer woningen binnen de bebouwde kom, dan wel het toevoegen of bouwen van 1 of meer woningen in het buitengebied (tenzij sprake is van functieveranderingsbeleid), dient verplicht advies bij de gemeenteraad te worden ingewonnen. Dit betekent dat geen advies nodig is voor de twee chalets als de plek waar deze zijn voorzien behoort tot de bebouwde kom. 13.2. Onder ‘bebouwde kom’ wordt volgens het besluit van de gemeenteraad verstaan: dat gebied dat volgens de Bouwverordening gemeente Overbetuwe als zodanig is aangemerkt. Het buitengebied is het gebied buiten de bebouwde kom. 13.3. Op de zitting is de vraag aan de orde gesteld of park Tergouw binnen of buiten de bebouwde
Bronpassage s0006
kom is gelegen. Verzoekster heeft gesteld dat het park binnen de bebouwde kom ligt, maar het college moest deze vraag schuldig blijven. Daardoor is onduidelijk gebleven of het college eerst een bindend advies aan de gemeenteraad had moeten vragen. Het college zal dit bij de beoordeling van het bezwaarschrift nader moeten onderzoeken. Omdat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat dit mogelijke gebrek in de beslissing op het bezwaarschrift kan worden hersteld, ziet hij hierin geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Is voldoende onderbouwd dat wordt afgeweken van het bestemmingsplan? 14. Voor zover in afwijking van het bestemmingsplan voor een deel in de bestemming ‘Tuin’ wordt gebouwd, heeft het college in de vergunning verwezen naar een stedenbouwkundig advies. Uit dit stedenbouwkundig advies zou blijken dat niet in strijd wordt gehandeld met ETFAL. Hoewel het stedenbouwkundig advies niet is overgelegd wordt dit door verzoekster ook niet betwist, zodat de voorzieningenrechter hier in het kader van de beoordeling van het verzoek vanuit zal gaan. Het college zal dit bij de beoordeling van het bezwaarschrift wel nader moeten beoordelen. 14.1. Voor zover de bouwwerken worden opgericht in de bestemming Leiding-Hoofspanningsverbinding heeft het college overwogen dat het bevoegd gezag op grond van artikel 10.3 door middel van een omgevingsvergunning kan toestaan dat gebouwen worden gebouwd, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig function
Bronpassage s0007
eren van de hoogspanningsverbinding; b. vooraf een schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de hoogspanningsverbinding. 14.2. Uit een opgevraagd advies blijkt dat de beheerder van de hoogspanningsverbinding, Tennet, akkoord is. 14.3. Verzoekster heeft betoogd dat Tennet niet op de hoogte zou zijn gebracht van het bestaan van grondvervuiling door groot puin en asbesthoudende materialen. Verder heeft zij erop gewezen dat in principe geen nieuwe 'gevoelige gebouwen' worden gebouwd binnen de magneetveldzone. Het college had volgens verzoekster moeten controleren of de grens van 0,4 microtesla (μ T) zou worden overschreden. 14.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of Tennet op de hoogte is van eventuele grondvervuiling en of het college had moeten controleren of de grens van 0,4 µ T wordt overschreden hier niet voor ligt. Het omgevingsplan staat bebouwing immers al toe, mits Tennet akkoord is. Daarvan is sprake. 14.5. Verzoekster stelt dat het college bij de afweging van de belangen om een vergunning te verlenen ook de problemen met de nutsvoorzieningen had moeten betrekken die de bewoners op het park ervaren. De voorzieningenrechter overweegt dat het college bij de ruimtelijke afweging slechts de gevolgen van die afwijking kan betrekken. In dit geval maakt het omgevingsplan de bouw van de woningen mogelijk, zij het dat in strijd met het omgevingsplan een klein deel van de chalets in de bestemming Tuin wordt gerealiseerd en binnen de bestemming ho
Bronpassage s0008
ogspanningsverbinding. De door verzoekster geschetste problemen hangen echter niet samen met deze afwijkingen. Het aantal woningen dat volgens het bestemmingsplan is toegestaan wordt niet vergroot. De problemen met de nutsvoorzieningen, het riool en de gasvoorziening zijn het gevolg van het feit dat de woningen door bestemmingswijziging permanent bewoond mogen worden, terwijl de nutsvoorzieningen daar niet op zijn berekend. De problemen met de nutsvoorzieningen moeten dan ook op een andere manier worden opgelost. Dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige voor de gezondheid en de gevraagde omgevingsvergunning op die grond geweigerd zou moeten worden , is niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling daartoe en het bestaan van problemen met de nutsvoorzieningen is niet genoeg. 15. Wel overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Het college is verantwoordelijk voor de handhaving van eisen die worden gesteld aan voorzieningen van de woningen op het park en de daaraan gestelde bouwkundige eisen, zoals op het gebied van brandveiligheid. In dit kader moet het college ook toezicht houden op de naleving van deze regels op het park en bij vermoedens van overtredingen onderzoeken of handhavend moet worden opgetreden. De vraag of die regels worden nageleefd en handhavend moet worden opgetreden ligt in deze zaak echter niet voor. Voor liggen de besluiten tot verlening van een ruimtelijke vergunning vo
Bronpassage s0009
or twee nieuwe chalets. Een vergunning voor een technische bouwactiviteit is niet aangevraagd en dus ook niet verleend. Of de aanvragen voldoen aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving ligt daarom niet voor. Conclusie en gevolgen 16. De voorzieningenrechter concludeert dat het college nader dient te beoordelen of Park Tergouw binnen of buiten de bebouwde kom ligt en of advies gevraagd had moeten worden aan de gemeenteraad. Dit eventuele gebrek kan evenwel in de beslissing op bezwaar worden hersteld. Ook kan het college in de beslissing op bezwaar alsnog toevoegen dat ook een bopa wordt verleend, zoals door het college ook bij de primaire besluiten is beoogd te doen. Voor het overige is er geen reden om aan te nemen dat de verleende omgevingsvergunningen in bezwaar niet in stand zullen blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen reden. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daarom af. 17. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerd publicatie op rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Besluit van
Bronpassage s0010
de gemeenteraad van de gemeente Overbetuwe houdende regels omtrent het adviesrecht gemeenteraad en verplichte participatie onder de Omgevingswet Artikel 5:32 van de Omgevingswet maakt het mogelijk een vergunning op die grond te weigeren.
Het college mag € 50.000 aan dwangsommen bij [eiseres 1] B.V. invorderen.s0001, s0007
Het beroep van [eiseres 1] B.V. is ongegrond; de beroepen van beide andere vennootschappen zijn niet-ontvankelijk.s0003, s0007
Rechtbank Midden-Nederland · 29 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6807
De rechtbank verklaart het beroep van [eiseres 1] B.V. ongegrond, waardoor de invordering van € 50.000 in stand blijft. De beroepen van [eiseres 2] B.V. en Waterzuivering Urk B.V. zijn volgens de beoordeling niet-ontvankelijk. Eiseres had geen bezwaar gemaakt tegen de last om de beluchtingstank af te dekken. Haar bezwaren tegen het overtrederschap, de uitvoeringstermijn en de geschiktheid van de maatregel hadden eerder kunnen worden aangevoerd. De rechtbank ziet geen uitzonderlijk geval dat herbeoordeling rechtvaardigt. Ook haar inspanningen om aan de last te voldoen verhinderen de invordering niet. Zij krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.s0001, s0002, s0003, s0004, s0005, s0007
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De rechtbank laat de invordering bij [eiseres 1] B.V. in stand. Toezichthouders hadden na de opgelegde last vastgesteld dat de overtredingen niet waren beëindigd: de beluchtingstank van de biologische afvalwaterzuivering moest worden afgedekt. De rechtbank kent veel gewicht toe aan het belang van invordering en ziet geen bijzondere omstandigheden om daarvan af te zien. De twee andere vennootschappen hebben volgens de rechtbank geen eigen belang dat tegengesteld is aan dat van [eiseres 1] B.V.; hun beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk.s0002, s0003, s0007
Uit de uitspraak
De rechtbank vindt niet evident dat [eiseres 1] B.V. geen overtreder is. Via [bedrijf 2] B.V. heeft zij zeggenschap over [eiseres 2] B.V. Over Waterzuivering Urk B.V. heeft zij geen gegevens overgelegd die tot een andere conclusie leiden. De vermelding van [eiseres 2] in de onderwerpregel van het bestreden besluit is slordig, maar de geadresseerde was duidelijk. Ook de gestelde korte uitvoeringstermijn, het overleg met de gemeente en de pogingen om aan de last te voldoen leiden niet tot het achterwege laten van invordering.s0004, s0005, s0006, s0007
Duiding
Deze zaak laat zien waarom bezwaren tegen de inhoud en uitvoerbaarheid van een last tijdig aandacht vragen. Eiseres had haar bezwaren tegen het overtrederschap en de begunstigingstermijn tegen de last kunnen inbrengen. Haar kritiek op de afdekking had zij tegen de vergunning of de last kunnen aanvoeren. In deze invorderingsprocedure bood haar goede wil geen uitweg. De rechtbank hield ruimte voor uitzonderlijke gevallen, maar vond daarvoor hier onvoldoende grond.s0003, s0005, s0007
Grenzen van deze toelichting
- De rechtbank beoordeelt de invordering; zij beoordeelt de geschiktheid van de afdekking in deze procedure niet opnieuw.
- Eiseres heeft geen gegevens over Waterzuivering Urk B.V. overgelegd waarmee kon worden vastgesteld dat zij evident geen overtreder was.
- De beoordeling vermeldt dat de beroepen van de twee andere vennootschappen niet-ontvankelijk zijn, maar het dictum vermeldt uitsluitend dat het beroep ongegrond is.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
het college heeft niet hoeven afzien van het invorderen van verbeurde dwangsommen. Beroep ongegrond.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/2795 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen [eiseres 1] B.V., [eiseres 2] B.V. en Waterzuivering Urk B.V. , gevestigd op [vestigingsplaats] , eisers (gemachtigde: mr. R.G.J. Laan), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Urk (het college), verweerder (gemachtigde: J. van Kooten). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een bedrag van € 50.000,- aan verbeurde dwangsommen bij [eiseres 1] B.V. in te vorderen. Eisers zijn het daar niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college tot invordering mocht overgaan. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Met het besluit van 2 september 2015 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor (onder andere) het in werking hebben van een visverwerkend bedrijf en het in werking hebben van een biologische afvalwaterzuiveringsinstallatie op de locatie [adres] op [vestigingsplaats] . Deze omgevingsvergunning is verleend aan [bedrijf 1] B.V., die volgens de akte van fusie van 8 juli 2025 is opgegaan in [eiseres 2] B.V.. 4. Met het besluit van 31 januari 2025 heeft het college aan [eiseres 1] B.V. een last onder dwangsom opgelegd, omdat bij milieucontroles is geconstateerd dat [eiseres
Bronpassage s0002
2] B.V. en Waterzuivering Urk B.V. een aantal voorschriften van de omgevingsvergunning van 2 september 2025 hebben overtreden. Om deze overtreding te beëindigen, moet de beluchtingstank van de biologische afvalwaterzuivering afgedekt worden. Eisers hebben geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 5. Op 29 april 2025 en 3 juni 2025 is door toezichthouders van de omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek geconstateerd dat de overtredingen niet zijn beëindigd. Daarom heeft het college op 2 oktober 2025 een invorderingsbeschikking genomen, waarin een bedrag van € 50.000,- aan verbeurde dwangsommen van [eiseres 1] B.V. wordt gevorderd. [eiseres 1] B.V. heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het bezwaar wordt vermeld dat het bezwaar voor zover nodig ook wordt ingediend namens [eiseres 2] B.V. en Waterzuivering Urk B.V.. 6. Met het bestreden besluit van 5 maart 2026 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. 7. De rechtbank heeft het beroep op 24 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eisers [A] en gemachtigde mr. L.F. Waalkes deelgenomen en namens het college zijn gemachtigde samen met [B] , toezichthouder. Beoordeling door de rechtbank Ontvankelijkheid 8. De rechtbank stelt vast dat de invorderingsbeschikking is gericht aan [eiseres 1] B.V., die hiertegen ook bezwaar heeft gemaakt. Het bestreden besluit vermeldt dat het bezwaarschrift is ingediend door [eiseres 1] B.V. en dat dit bezwaar ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard. De bestreden besluitvo
Bronpassage s0003
rming is dus niet gericht aan [eiseres 2] B.V. en Waterzuivering Urk B.V. en zij hebben bij deze besluitvorming geen eigen, aan [eiseres 1] B.V. tegengesteld, belang. Het beroep, voor zover dat is ingediend door [eiseres 2] B.V. en Waterzuivering Urk B.V., is dan ook niet-ontvankelijk. 9. Het beroep van [eiseres 1] B.V. is wel ontvankelijk. Voor een betere leesbaarheid van de uitspraak wordt zij hierna aangeduid als eiseres. Toetsingskader 10. Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. 11. Verder kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd of betrokkene geen overtreder is. Is het besluit gericht aan de juiste overtreder? 12. Eiseres voert allereerst aan dat het college de verkeerde rechtspersoon heeft aangeschreven. De voorbereiding en realisatie van de afdekking van de biologische afvalwaterzuivering valt o
Bronpassage s0004
nder Waterzuivering Urk B.V., zodat de invordering niet jegens de juiste B.V. is ingesteld. Verder vindt eiseres de besluitvorming niet duidelijk nu de invorderingsbeschikking aan haar is gericht maar het bestreden besluit [eiseres 2] B.V. vermeldt. 13. Het college wijst er op dat eiseres [bedrijf 2] B.V. bestuurt, die op haar beurt Waterzuivering Urk B.V. bestuurt. Eiseres heeft het in haar macht de overtreding te beëindigen en kan dus als overtreder aangemerkt worden. Daarom kan aan haar een last onder dwangsom en ook de invorderingsbeschikking worden opgelegd. 14. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat uit het bestreden besluit duidelijk blijkt dat het een beslissing is op het bezwaar dat is ingediend door eiseres. Dat in de onderwerpregel [eiseres 2] wordt vermeld is slordig, maar betekent niet dat de besluitvorming niet juist is. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres ook bevestigd dat duidelijk was voor welke B.V. het bestreden besluit was bedoeld en dat het besluit eiseres ook tijdig heeft bereikt. Voor zover eiseres er op wijst dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt, overweegt de rechtbank dat dit een grond is die eiseres tegen de last onder dwangsom had kunnen inbrengen. De vraag of sprake is van een uitzonderlijk geval omdat evident is dat eiseres geen overtreder is , beantwoordt de rechtbank ontkennend. Uit het handelsregister blijkt dat eiseres bestuurder is van [bedrijf 2] B.V, die op haar beurt enig aandeelhouder en best
Bronpassage s0005
uurder is van [eiseres 2] B.V.. Dit betekent dat eiseres zeggenschap heeft over de gedragingen van [eiseres 2] B.V.. Eiseres heeft geen gegevens overgelegd over Waterzuivering Urk B.V., zodat ook daaruit niet kan worden afgeleid dat eiseres evident geen overtreder is. Het college heeft eiseres dan ook als overtreder kunnen aanmerken. Is de begunstigingstermijn te kort? 15. Eiseres voert ook aan dat zij adequate actie heeft ondernomen om de afdekking van de zuivering te realiseren, maar dat een begunstigingstermijn van tien weken hiervoor te kort is. Dat was ook voor het college duidelijk. Zij heeft sinds 2024 getracht de problemen onder controle te krijgen en wil graag dat het college afziet van de invordering zodat de geldelijke bedragen ten dienste kunnen staan van het voorkomen van geuroverlast, waarmee alle betrokken belangen worden gediend. 16. Het college stelt zich op het standpunt dat er in de last onder dwangsom op is gewezen dat verlenging van de termijn kon worden aangevraagd, maar dat daar geen gebruik van is gemaakt. Volgens het college heeft eiseres ook onvoldoende onderbouwd dat de last evident onuitvoerbaar was. Het overleg en de offertes dateren van ná het verbeuren van de dwangsommen dus daarmee kon hij geen rekening houden. 17. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat ook deze grond had kunnen worden ingebracht tegen de last onder dwangsom. Dat eiseres daar geen gebruik van heeft gemaakt, blijft voor haar rekening. Tijdens de zitting is name
Bronpassage s0006
ns eiseres nog verklaard dat er tijdens de begunstigingstermijn overleg is geweest met de gemeente maar een gepland gesprek afgezegd moest worden vanwege familieomstandigheden. Ook dat maakt echter niet dat sprake is van een uitzonderlijk geval op grond waarvan het college had moeten afzien van het invorderen. Is de invordering onrechtmatig? 18. Eiseres wijst er verder op dat het ontbreken van een overkapping de geuroverlast niet heeft veroorzaakt. De geuremissie werd volgens haar veroorzaakt door het materiaal in de zuivering. De opgelegde herstelmaatregel (het realiseren van een overkapping) vindt eiseres ook geen geschikt middel om het doel te bereiken. De overkapping kent namelijk openingen waardoor geuremissie nog steeds kan plaatsvinden. Omdat het dwangsombesluit onrechtmatig is, wordt er ook ten onrechte ingevorderd. 19. Het college stelt zich op het standpunt dat er sprake was van ernstige geurhinder, waardoor handhavend optreden op zijn plaats was. De verplichting tot het afdekken van de beluchtingstank volgt uit een voorschrift bij de omgevingsvergunning. Op het moment van het verlenen van de vergunning is beoordeeld dat afdekken een effectieve maatregel zou zijn om geurhinder te voorkomen en/of te verminderen. Daarmee is dit ook in het kader van handhaving een geschikt middel. Mocht het nodig zijn dan kan vrijkomende lucht uit de openingen ook door een filter worden geleid. 20. Ook deze gronden slagen niet. De vraag of het afdekken van de zuivering een geschikt mid
Bronpassage s0007
del is, kan niet meer aan de orde komen in het beroep tegen het invorderingsbesluit. Dit is iets wat eiseres tegen de verleende omgevingsvergunning had kunnen inbrengen of tegen de opgelegde last onder dwangsom. Eiseres heeft niet aangetoond dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden waardoor er nu, in deze procedure over invordering, alsnog gronden naar voren gebracht kunnen worden over de last onder dwangsom. Dat eiseres van goede wil is en heeft geprobeerd aan de last te voldoen brengt ook niet mee dat het college niet tot invordering kan overgaan. Het wettelijk systeem gaat uit van de verbeurte van de dwangsom van rechtswege als een last niet wordt nageleefd. Het besluit waarbij de last onder dwangsom is opgelegd met de daaraan gekoppelde begunstigingstermijn heeft dan ook de functie van een laatste waarschuwing en als eiseres het daarmee niet eens was, had zij daartegen moeten opkomen. Conclusie en gevolgen 21. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuur
Bronpassage s0008
srechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4409 en van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466. Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4257. Zie het bestreden besluit, pagina 1, onder de kopjes “Bezwaar” en “Besluit”. Zie rechtsoverweging 5.
De rechter schorst voorlopig de esdoornkap en het kandelaberen van 25 bomen.s0015, s0016
De rechter schorst esdoornkap en kandelaberen van 25 bomen tot vier weken na verzending van de beslissing op bezwaar.s0015, s0016
Rechtbank Oost-Brabant · 29 september 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:6999
Waterschap Aa en Maas mag voorlopig esdoorn 182 niet kappen en 25 lindebomen langs de Maasdijk in Ravenstein niet kandelaberen. De rechter schorst deze onderdelen van de omgevingsvergunning tot vier weken na verzending van de beslissing op bezwaar. Het college van Oss heeft de waarde van de esdoorn en de gevolgen voor de levensvatbaarheid van de lindebomen onvoldoende gemotiveerd. Het moet deze punten bij de heroverweging onderzoeken en onderbouwen. De onomkeerbare gevolgen rechtvaardigen tijdelijke bescherming, ondanks het belang van de dijkversterking. De vier andere bomen mogen wel worden gekapt. Het college moet [verzoekster] € 397 griffierecht vergoeden.s0001, s0012, s0013, s0015, s0016
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De voorzieningenrechter vindt de beoordeling van de esdoorn onvoldoende duidelijk. Het college van burgemeester en wethouders van Oss heeft volgens de gemeentelijke APV beleidsruimte, maar moet de relevante feiten en belangen meewegen. De aanwijzing door de Bomenstichting maakt de esdoorn niet tot een boom met het zwaardere beschermingsregime van de APV. Het college moet die aanwijzing wel betrekken bij de afweging van de cultuurhistorische waarde. Een Bomen Effect Analyse is volgens de rechter niet verplicht op grond van de APV; het verrichte deskundigenonderzoek is inhoudelijk vergelijkbaar.s0008, s0010, s0011, s0012
Uit de uitspraak
Ook de gevolgen van het kandelaberen zijn onvoldoende onderbouwd. De deskundige van de Bomenstichting beschrijft risico’s voor de energiehuishouding, snoeiwonden en waterafvoer. Deze punten zijn op de zitting onvoldoende weersproken. Het college moet per boom verduidelijken welke werkzaamheden plaatsvinden en bezien of aanvullende voorschriften nodig zijn om schade te beperken. De rechter weegt de onomkeerbare gevolgen af tegen het maatschappelijke belang van tijdige dijkversterking. De verwachte vertraging rechtvaardigt volgens haar niet dat een voorlopige voorziening geheel achterwege blijft.s0013, s0014, s0015
Duiding
Voor de verdere behandeling van deze vergunning ligt de praktische opgave bij een gerichte aanvulling van de onderbouwing. Het college moet de waarde van de esdoorn onderzoeken en de gevolgen van de werkzaamheden voor de overige betrokken bomen verduidelijken. Het vaststaande damwandtracé neemt die opgave in deze zaak niet weg. De schorsing geeft hiervoor tijdelijk ruimte, maar de rechter verwacht dat het college de beslissing op bezwaar voortvarend neemt. De uitspraak bepaalt daarmee nog niet of de esdoorn uiteindelijk behouden moet blijven.s0004, s0012, s0013, s0015
Grenzen van deze toelichting
- Het oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.
- De uitspraak bevat nog geen beslissing op bezwaar; het college moet de ontbrekende onderbouwing bij die heroverweging aanvullen.
- Het tracé van de damwand staat in deze procedure vast, omdat het onderliggende projectplan onherroepelijk is.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan het Waterschap Aa en Maas verleende omgevingsvergunning voor het kappen van vijf bomen en het kandelaberen van 25 lindebomen langs de Maasdijk te Ravenstein in verband met de uitvoering van het project Meanderende Maas. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omgevingsvergunning onvoldoende is gemotiveerd ten aanzien van de waarde van de esdoorn die gekapt wordt (boom 182) en de mogelijke gevolgen voor de levensvatbaarheid van de bomen die gekandelaberd worden. De omgevingsvergunning is geschorst voor zover het gaat om de kap van esdoorn (boom 182) en het kandelaberen van 25 bomen. De schorsing duurt tot vier weken na de verzending van de beslissing op bezwaar
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 26/2550 uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 september 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, het college (gemachtigde: H.J.M. Marcus). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Waterschap Aa en Maas , te ’s-Hertogenbosch, vergunninghouder (gemachtigde: [naam] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan het Waterschap Aa en Maas verleende omgevingsvergunning voor het kappen van vijf bomen en het kandelaberen van 25 lindebomen langs de Maasdijk te Ravenstein in verband met de uitvoering van het project Meanderende Maas. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omgevingsvergunning onvoldoende is gemotiveerd ten aanzien van de waarde van de esdoorn die gekapt wordt (boom 182) en de mogelijke gevolgen voor de levensvatbaarheid van de bomen die gekandelaberd worde
Bronpassage s0002
n. Het college dient bij de volledige heroverweging in bezwaar op deze aspecten in te gaan. De voorzieningenrechter neemt ook in aanmerking dat het kappen van de esdoorn en het kandelaberen onomkeerbare gevolgen hebben. De omgevingsvergunning wordt geschorst tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Bij besluit van 3 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft het college aan het Waterschap Aa en Maas een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van vijf bomen en het kandelaberen van 25 lindebomen op verschillende locaties langs de Maasdijk te Ravenstein (kenmerk [nummer] . Ook is een herplantplicht van 28 bomen opgelegd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Ook is een schriftelijke reactie ontvangen van vergunninghouder. Van het college is een aanvullend verweerschrift ontvangen. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] namens verzoekster, de gemachtigde van het college vergezeld door [naam] en [naam] en de gemachtigde van vergunninghouder vergezeld door [naam] , [naam]
Bronpassage s0003
en [naam] . Beoordeling door de voorzieningenrechter Vooraf 3. De omgevingsvergunning is verleend in het kader van het gebiedsontwikkelings-project Meanderende Maas. Dit project heeft als doel de waterveiligheid te verbeteren voor ongeveer 270.000 bewoners en bedrijven in de regio Oss en Den Bosch. Dit gebeurt door 26 kilometer Maasdijk te versterken tussen Ravenstein en Lith en door rivierverruimende maatregelen te treffen. Daarnaast wordt zo’n 375 hectare aan nieuwe natuur aangelegd. Meanderende Maas is een project van tien partijen, waaronder Waterschap Aa en Maas, gemeente Oss, het ministerie van I&W, Natuurmonumenten en de provincies Noord-Brabant en Gelderland. Het Waterschap Aa en Maas is trekker van het project. 4. Met de in 2024 vastgestelde projectbesluiten en bijbehorende vergunningen en milieueffectrapportage is het ontwerp voor het hele project planologisch vastgelegd. Op 8 april 2026 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) uitspraak gedaan over de beroepen, waaronder die van verzoekster. De beroepen zijn door de Afdeling ongegrond verklaard en daarmee zijn de in 2024 vastgestelde besluiten onherroepelijk. De Afdeling heeft in rechtsoverweging 11.6 van de uitspraak overwogen dat het kappen van de bomen noodzakelijk is voor het realiseren van de damwand en dat voor een aantal bomen geldt dat ze via hun wortelstelsel ook de fundamenten van de rondelen aantasten. Er is volgens de Afdeling een afweging gemaakt tussen ecologische en
Bronpassage s0004
cultuurhistorische waarden, waarbij het behoud van de rondelen en het realiseren van de muur zwaarder is gewogen dan het belang om in het geheel geen bomen te verwijderen. De Afdeling heeft de gemaakte belangenafweging niet onredelijk geacht en is van oordeel dat het belang van de bomen voldoende in het projectplan is betrokken. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat volgens het projectplan alleen een beperkt aantal bomen verwijderd hoeft worden. Daarnaast is ook door het college aangegeven dat zij zo min mogelijk bomen wil kappen en zoveel mogelijk de lintstructuur wenst te behouden. Daarom is de muur op ongeveer acht meter van de rijbaan voorzien. Dat is volgens het college ver genoeg om de meeste bomen te ontzien en dichtbij genoeg om de rondelen voldoende zichtbaar te houden. 5. In het projectplan is de situering van de damwand met het opnemen van een constructiezone vastgelegd. De Afdeling heeft geen reden gezien voor het oordeel dat het belang van de bomen onvoldoende bij het projectplan is betrokken. De Afdeling heeft het beroep van verzoekster (en anderen) ongegrond verklaard. De voorliggende omgevingsvergunning dient ter uitvoering van het onherroepelijke projectplan. Het tracé van de damwand kan daarom in deze procedure over de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen niet meer aan de orde komen en geldt voor de hier te maken beoordeling als uitgangspunt. De opmerkingen van verzoekster over de situering van de damwand en het voorgestelde alternatieve tr
Bronpassage s0005
acé behoeven daarom geen bespreking. 6. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht de omgevingsvergunning te schorsen. In het bestreden besluit is bepaald dat de omgevingsvergunning pas in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking en dat als binnen die termijn een voorlopige voorziening wordt gevraagd de omgevingsvergunning niet in werking treedt voordat op het verzoek is beslist. Het verlenen van de omgevingsvergunning is op 5 augustus 2026 gepubliceerd en het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend op 27 augustus 2026 zodat de omgevingsvergunning nog niet in werking is getreden. Alvorens aan de inhoud van het verzoek toe te komen zal de voorzieningenrechter nagaan of verzoekster kan worden aangemerkt als belanghebbende. Is verzoekster belanghebbende? 7. Het college heeft twijfels geuit of verzoekster wel aangemerkt kan worden als belanghebbende bij de voorliggende omgevingsvergunning. Als verzoekster geen belanghebbende is, zijn haar bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Het college stelt dat het doel van verzoekster zo algemeen geformuleerd is dat de omgevingsvergunning geen betrekking heeft op een statutair belang van verzoekster en dat er (recent) geen relevante feitelijke werkzaamheden ter verwezenlijking van statutaire doeleneinden zijn. Het enkel voeren van procedures is volgens het college onvoldoende. 7.1. In artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht i
Bronpassage s0006
s bepaald dat een belanghebbende degene is wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Voor rechtspersonen wordt als hun belang mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. 7.2. In artikel 2 van de Statuten van verzoekster staat dat zij zich ten doel stelt het (doen) in stand houden van het rijksbeschermd stadsgezicht Ravenstein, zoals aangewezen op grond van de Monumentenwet door de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk op éénentwintig januari negentienhonderdzevenenzeventig, en zijn omgeving. De stichting tracht haar doel te bereiken door onder andere het actief voeren van juridische en niet-juridische procedures wanneer het rijksbeschermd stadsgezicht met zijn omgeving en de daarin gelegen afzonderlijke gemeentelijke en rijksbeschermde monumenten alsmede roerend cultureel erfgoed, met inbegrip van landschappelijke elementen en natuurwaarden, worden aangetast of dreigen te worden aangetast of tenietgedaan. Verder beoogt verzoekster haar doelstellingen in de ruimste zin van het woord onder de aandacht te brengen van het brede publiek. 7.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omschrijving van de doelstelling voldoende specifiek is in relatie tot de bestreden omgevingsvergunning. Verzoekster zet zich statutair en feitelijk in voor het behouden van cultuurhistorische waarden, landschap en erfgoed in Ravenstein. De bomenrij lang
Bronpassage s0007
s de Maasdijk vormt een essentiële hoofdstructuur binnen het beschermd stadsgezicht. Desgevraagd heeft verzoekster heeft op de zitting haar werkzaamheden toegelicht en aangegeven dat er los van de onderhavige procedure ook bijeenkomsten en onderzoeken hebben plaatsgevonden. De voorzieningenrechter ziet in de aard en omvang van deze feitelijke werkzaamheden vooralsnog geen aanleiding om te veronderstellen dat verzoekster niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Verzoekster kan naar voorlopig oordeel ontvangen worden in haar bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal hierna het verzoek inhoudelijk bespreken. Aan welke regels is getoetst? 8. Op grond van artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Omgevingswet (Ow) in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 4:10E van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Oss (APV) is een omgevingsvergunning vereist voor het vellen van houtopstanden. In artikel 4.10F van de APV zijn de criteria voor het verlenen van een vergunning opgenomen. 8.1. In artikel 4:10E, eerste lid, van de APV (kapverbod overig) is bepaald dat het verboden is, onverminderd het gestelde in artikel 4:10C, eerste lid, zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen die eigendom zijn van de gemeente Oss en onderdeel zijn van een houtwal of houtsingel, eigendom zijn van de gemeente Oss en op een hoogte van 1,30 meter boven het maaiveld een stamdiameter van meer dan 40 cm hebben of zijn aangelegd
Bronpassage s0008
op basis van een herplant- en instandhoudingsplicht op grond van de artikelen 4:10I en 4:10J van deze verordening. 8.2. In artikel 4:10F, eerste lid, van de APV (criteria vergunning overig) is bepaald dat het bevoegd gezag een vergunning om te vellen als bedoeld in artikel 4:10E kan weigeren of verlenen. In het tweede lid is bepaald dat de vergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 4:10E kan worden geweigerd, indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 8.3. Het college legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat de voorgenomen kap van de bomen 120, 182, 184, 186 en 189 noodzakelijk is omdat deze zich bevinden op het vastgestelde tracé van de damwand en daarom niet behouden kunnen blijven. Het ontwerp is er op gericht het aantal te kappen bomen tot een minimum te beperken en voorziet in herplant. Gelet op de noodzaak van de werkzaamheden en het belang van de dijkversterking heeft het college ingestemd met de voorgenomen kapwerkzaamheden. De voorgenomen snoei van de bomen 123, 124, 126, 127, 128, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 135, 136, 155, 157, 159,
Bronpassage s0009
163, 165, 167, 169, 171, 174, 175, 177 en 191 is noodzakelijk om voldoende werkruimte te creëren voor het uitvoeren van de werkzaamheden. De bomen blijven daarbij behouden. Gelet op de noodzaak van de werkzaamheden, het zwaarwegende maatschappelijke belang van het project en het behoud van de bomen na uitvoering, heeft het college ingestemd met de voorgenomen snoeiwerkzaamheden. Het college vindt deze factoren zwaarder wegen dan het belang bij behoud van de bomen (ten aanzien van de te kappen bomen) dan wel het belang bij het huidige aanzien van de bomen (ten aanzien van de te kandelaberen bomen). 8.4. Ten aanzien van de weigeringsgronden van artikel 4.10F, eerste lid, a tot en met f van de APV heeft het college in de bestreden omgevingsvergunning per weigeringsgrond respectievelijk het volgende opgenomen: de te kappen bomen leveren (a) een bijdrage aan de lokale biodiversiteit, (b) maken onderdeel uit van de hoofdgroenstructuur langs de Maasdijk en dragen bij aan het landschappelijk beeld, (c) versterken het groene karakter van Ravenstein en de Maasdijk, (d) hebben door hun omvang en ligging een beeldbepalende functie in het straat- en dijkbeeld, (e) zijn niet aangemerkt als monumentaal of cultuurhistorisch waardevol, (f) dragen bij aan de kwaliteit van de leefomgeving door hun groene uitstraling en schaduwwerking. De te snoeien bomen vertegenwoordigen (a) geen bijzondere natuurwaarde, (b) maken onderdeel uit van de hoofdstructuur langs de Maasdijk, (c) dragen bij aan het gr
Bronpassage s0010
oene karakter van de omgeving, (d) zijn onderdeel van het straatbeeld, (e) zijn niet aangemerkt als monumentaal of cultuurhistorisch waardevol, (f) leveren een bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving. 8.5. Het wel of niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen is een discretionaire bevoegdheid van het college. Het college heeft hierbij beleidsruimte. Daarbij moet het college alle relevante feiten, omstandigheden en belangen meewegen. Is de waarde van bomen op een juiste wijze beoordeeld? 9. Verzoekster voert aan dat voor de kap van de vijf bomen ten onrechte geen zogenoemde Bomen Effect Analyse (BEA) is opgesteld. In de omgevingsvergunning wordt ten onrechte gesteld dat de te kappen bomen “geen cultuurhistorische waarde” hebben. Verzoekster voert aan dat de cultuurhistorische waarde van met name de esdoorn (boom 182) onjuist is beoordeeld. De Bomenstichting heeft de esdoorn beoordeeld en deze is op 2 september 2026, onder registratienummer 1697363, toegevoegd aan de Landelijke Lijst van Monumentale bomen, waarmee de monumentaliteit van deze boom volgens verzoekster is komen vast te staan. De boom is naar schatting 200 jaar oud en daarmee mogelijk de oudste boom in de gemeente Oss. 9.1. Het college stelt dat de bomen zijn beoordeeld en dat het (beweerdelijk) onjuist beoordelen van de cultuurhistorische waarden niet kan leiden tot herroeping, vernietiging of schorsing van de omgevingsvergunning. Het college erkent dat de esdoorn en de andere bomen
Bronpassage s0011
een respectabele leeftijd hebben, maar wijst erop dat de esdoorn en andere bomen niet als bijzondere boom in de zin van de APV is aangemerkt. Er is ook geen verzoek gedaan om de esdoorn als zodanig aan te merken. 9.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het opstellen van een zogenoemde BEA geen verplichting is die uit de APV voortvloeit. Een BEA is een onderzoek dat de gevolgen van bouw- of werkzaamheden in de buitenruimte op de gezondheid en levensduur van bestaande bomen in kaart brengt. De bomen zijn wel ter plaatse beoordeeld door een deskundige op conditie, vitaliteit en snoeibaarheid. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een inhoudelijk vergelijkbaar onderzoek verricht. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat geen sprake is van een monumentale of bijzondere boom die op grond van APV een zwaarder beschermingsregime kent. Dat laat onverlet dat het college moet nagaan of de weigeringsgronden van artikel 4:10F van de APV zich voordoen en ten aanzien van die weigeringsgronden een zorgvuldige afweging moet maken. In de omgevingsvergunning staat ten aanzien van de weigeringsgrond over de cultuurhistorische waarde van de houtopstand dat de te kappen en de te kandelaberen bomen niet zijn aangemerkt als monumentaal of cultuurhistorisch waardevol. Na het verlenen van de omgevingsvergunning heeft de Bomenstichting de esdoorn aangemerkt als monumentale boom. Gelet hierop is deze constatering, zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet
Bronpassage s0012
zonder meer navolgbaar. Het college moet de aanwijzing door de Bomenstichting in zijn afweging betrekken. Als gevolg hiervan is niet uit te sluiten dat ook deze weigeringsgrond hier aan de orde is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende duidelijk is of de waarde van de esdoorn juist is beoordeeld en in de besluitvorming is betrokken. Het college zal dit nader moeten onderzoeken en motiveren in de beslissing op bezwaar. De volledige heroverweging in bezwaar maakt dat mogelijk. 9.3. Ten aanzien van de andere vier te kappen bomen hebben verzoekers onvoldoende aangevoerd om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht. Het college heeft zijn keuze om de noodzaak van de werkzaamheden en het zwaarwegende maatschappelijke belang van het project zwaarder te laten wegen dan het belang van het behoud van de bomen deugdelijk onderbouwd. Zijn de effecten van het kandelaberen goed gewogen? 10. Verzoekster stelt dat het college de effecten van het kandelaberen op de bomen niet goed in zijn besluitvorming heeft betrokken. Verzoekster verwijst naar de reactie van een deskundige van de Bomenstichting op vragen van verzoekster. Verzoekster stelt dat door het uitvoeren van de werkzaamheden en het plaatsen van de damwand op 5,5 meter vanuit de stamvoet de lindebomen naar verwachting geleidelijk zullen bezwijken. Verzoekster geeft aan dat niet duidelijk is welke bomen gekandelaberd en welke enkel gesnoeid zullen worden, terwijl ka
Bronpassage s0013
ndelaberen zeer ingrijpend is voor de levensvatbaarheid van een boom. 10.1. Het college stelt dat het kandelaberen gericht is op het behoud van de bomen voor de toekomst. Het college geeft aan dat bij de uitvoering van de werkzaamheden een boomdeskundige en een toezichthouder van de gemeente aanwezig zullen zijn die ter plaatse een beoordeling maken. 10.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd is. Dit in het licht van de reactie van de deskundige van de Bomenstichting. Deze deskundige geeft aan dat het inkorten van één kant van de kroon met maximaal 4 meter langdurige gevolgen heeft voor de bladhoeveelheid en daardoor op de assimilatie met een negatief gevolg voor de energiehuishouding van de boom. Bovendien vormen de vele snoeiwonden een invalspoort voor hout parasitaire schimmels. Deze kunnen inrotten veroorzaken en daarmee de tak breukgevoelig maken. De damwand kan de afvoer van overtollig water verhinderen wat zuurstoftekort en wortelrot kan veroorzaken. Dit heeft een negatief effect op de conditie en daarmee de restlevensverwachting van de bomen. Op de zitting zijn deze aspecten onvoldoende weersproken. Het college dient bij het nemen van de beslissing op bezwaar meer duidelijkheid te geven over de gevolgen van het kandelaberen. Voorts dient het college aan te geven wat de werkzaamheden per boom precies behelzen (kandelaberen of snoeien) en te bezien of het nodig is aanvullende voorschriften aan de omgevi
Bronpassage s0014
ngsvergunning te verbinden om te borgen dat de schade aan de bomen tot een minimum beperkt wordt. 10.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college nadere gegevens bij de besluitvorming moet betrekken. De bestreden omgevingsvergunning is niet deugdelijk gemotiveerd voor zover het gaat om de te kappen esdoorn (boom 182) en de te kandelaberen bomen. Het college heeft de mogelijkheid de motivering aan te vullen bij de volledige heroverweging in bezwaar. De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of in afwachting van de beslissing op bezwaar de bestreden omgevingsvergunning geschorst dient te worden. 10.4. Bij de belangenafweging of een voorlopige voorziening dient te worden getroffen merkt de voorzieningenrechter allereerst op dat het uitvoering geven aan de omgevingsvergunning onomkeerbare gevolgen heeft voor de bomen. Hiertegenover staat het grote maatschappelijke belang dat is gediend met het tijdig kunnen plaatsen van de damwand. Het uitstellen van de uitvoering van de omgevingsvergunning zal vertraging opleveren voor archeologisch onderzoek dat moeten worden uitgevoerd voordat het terrein ingericht kan worden en de damwand kan worden geplaatst. De voorzieningenrechter begrijpt dat iedere vertraging voor vergunninghouder onwenselijk is, gelet op de planning die is gemaakt. Een reden om geheel af te zien van het treffen van een voorlopige voorziening ziet de voorzieningenrechter hierin echter niet. Vergunninghouder heeft op de zitting desgevraagd aangegeven dat
Bronpassage s0015
er wel enige ruimte in de planning zit, maar niet veel. Het college heeft aangegeven dat de beslissing op bezwaar na de hoorzitting van de bezwaarcommissie binnen ongeveer zeven weken kan worden genomen, maar dat er nog geen hoorzitting is gepland en dat eerst de uitspraak van de voorzieningenrechter wordt afgewacht. Daarmee lijkt de beslissing op bezwaar langer op zich te laten wachten dan strikt noodzakelijk. Van het college mag juist worden verwacht dat het de besluitvorming voortvarend ter hand neemt en indien nodig, vanwege het grote maatschappelijke belang, zoveel mogelijk versnelt. Na afweging van alle betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding de bestreden omgevingsvergunning te schorsen voor zover het gaat om de kap van boom 182 en het kandelaberen van de 25 bomen. De schorsing duurt tot vier weken na de verzending van de beslissing op het bezwaar van verzoekster. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat het college nu op zo kort mogelijke termijn een beslissing op bezwaar neemt, waardoor de vertraging zoveel mogelijk beperkt wordt. In het geval er beroep wordt ingesteld tegen de beslissing op bezwaar, wijst de rechtbank nu al op de mogelijkheid om dat beroep versneld te behandelen. Conclusie en gevolgen 11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de bestreden omgevingsvergunning is geschorst voor zover het gaat om de kap van esdoorn (boom 182) en het kandelaberen van 25 bomen. De schorsing duurt tot vier
Bronpassage s0016
weken na de verzending van de beslissing op bezwaar. De omgevingsvergunning wordt niet geschorst voor zover deze betrekking heeft op de kap van de bomen 120, 184, 186 en 189. Die bomen kunnen na deze uitspraak op basis van de omgevingsvergunning worden gekapt. 12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter: schorst het bestreden besluit voor zover dat besluit betrekking heeft op de kap van boom 182 en het kandelaberen van 25 bomen; bepaalt dat de schorsing duurt tot vier weken na de verzending van de beslissing op het bezwaar van verzoekster; bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. ECLI:NL:RVS:2026:1959
De rechtbank vernietigt de vergunning, maar aanvaardt doelsturing bij jaarlijkse sensorvervanging.s0060, s0050, s0061
De rechtbank vernietigt de vergunning zonder behoud van rechtsgevolgen; het college moet opnieuw beslissen.s0060, s0061, s0002
Rechtbank Gelderland · 28 september 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7321
De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning voor de veehouderij en laat de rechtsgevolgen niet in stand. Het college van burgemeester en wethouders van Berkelland moet een nieuw besluit nemen. Gedeputeerde staten hebben onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat andere maatregelen binnen afzienbare termijn de noodzakelijke stikstofdaling opleveren. Het additionaliteitsgebrek is daarom niet hersteld. Ook is onvoldoende gemotiveerd of de wijziging gezondheidsgevolgen heeft die een milieueffectrapport nodig maken. De rechtbank aanvaardt wel de doelsturing: het meetplan en de voorschriften borgen de emissiegrenswaarde voldoende, mits de voorschriften vervanging van de sensoren binnen één jaar vastleggen.s0003, s0050, s0058, s0059, s0060, s0061
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de omgevingsvergunning voor het wijzigen en uitbreiden van de veehouderij van [vergunninghouder] in Neede. Het college van burgemeester en wethouders van Berkelland moet opnieuw beslissen, omdat de rechtbank de rechtsgevolgen niet in stand laat. De aanvraag omvat een nieuwe stal met een combiscraper, met of zonder biologische luchtwasser. De rechtbank past het oude recht toe, waaronder de Wabo en de Wet natuurbescherming, omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 is ingediend.s0003, s0004, s0006, s0007, s0060, s0061
Uit de uitspraak
De aanvullende natuurmotivering maakt onvoldoende inzichtelijk dat andere maatregelen binnen afzienbare termijn de noodzakelijke stikstofdaling opleveren om verslechtering van natuurwaarden tegen te gaan. De berekende daling neemt voor veel habitattypen de overschrijding van de kritische depositiewaarde niet weg. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat intern salderen aan het additionaliteitsvereiste voldoet. Daarnaast beoordeelde het college de gezondheidsgevolgen alleen voor de variant met luchtwasser. Voor de variant zonder luchtwasser ontbreekt een voldoende motivering over de toename van zoönosen en endotoxinen die samenhangt met meer fijnstof.s0022, s0023, s0026, s0058, s0059
Duiding
Voor de voorbereiding van het nieuwe besluit laat deze zaak zien welke onderdelen afzonderlijk aandacht vragen. De aanvaarde meetmethode lost de gebreken in de natuurmotivering en de gezondheidsbeoordeling niet op. De rechtbank acht de beschikbare sensor geschikt, maar verlangt dat de voorschriften vervanging binnen één jaar borgen. Met die aanpassing bieden het meetplan en de vergunningvoorschriften volgens haar voldoende zekerheid over naleving van de emissiegrenswaarde. Het college kan nieuwe stikstofmaatregelen meenemen in het nieuwe besluit; deze uitspraak beoordeelt de toereikendheid daarvan nog niet.s0040, s0049, s0050, s0060
Grenzen van deze toelichting
- De uitspraak bepaalt niet dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld; het college moet de beoordeling van de gezondheidsgevolgen beter motiveren.
- De rechtbank laat de subsidiaire betogen van gedeputeerde staten over het additionaliteitsvereiste onbesproken.
- De uitspraak bevat geen beslissing op het nieuwe besluit dat het college moet nemen.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Omgevingsvergunning voor het wijzigen en uitbreiden van een veehouderij met een nieuwe stal die beschikt over meetsensoren. Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Milieueffectrapport. BBT. De rechtbank oordeelt dat de vergunning voor wat betreft de doelsturing deugt. De meetsensoren zijn geschikt om de ammoniakuitstoot te meten en met de voorschriften is geborgd dat de meetsensoren goed blijven functioneren. Op een punt dient de vergunning nog wel te worden aangepast. Uit onderzoek blijkt dat de meetsensor na verloop van tijd slechter kan functioneren. Daarom dient in de voorschriften te zijn geborgd dat de meetsensor niet na 3 jaar maar na 1 jaar wordt vervangen. Het beroep is gegrond voor wat betreft de motivering van het additionaliteitsvereiste. De rechtbank ziet geen aanleiding om naar aanleiding van de nieuwe motivering de rechtsgevolgen in stand te laten.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 25/581 en 25/608 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 september 2026 in de zaken tussen Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Stichting Mobilisation for the Environment , uit Nijmegen [eiser 2] , uit [plaats] , [eiser 3] , uit [plaats] , (gemachtigde: mr. M. Woudwijk) (25/581) Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland , uit Groenlo, (25/608) (gemachtigde: mr. D. Delibes-Vermeulen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland , het college (gemachtigde: mr. S.J. van Winzum). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder) (gemachtigde: [gemachtigde] ) en het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland (gemachtigde: mr. S.J. van Winzum). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die is verleend om na de sloop van oude stallen een nieuwe stal te bouwen. De nieuwe stal beschikt over een mestschuif en/of een luchtwasser die zorgen voor minder ammoniakuitstoot. Deze ammoniakuitstoot wordt gemeten met sensoren. Dit wordt ook wel doelsturing genoemd. Doelsturing is één van de maatregelen waar de regering op inzet om doelen op het gebied van stikstof, klimaat en waterkwaliteit te behalen. Omdat deze omgevingsvergunning inhoudelijk erg lijkt op een omgevingsvergunning die is verleend door het college van burgemeester en wethouders van Oost-Gelre zijn de beroepen behandeld op dezelf
Bronpassage s0002
de zitting en wordt tegelijk uitspraak gedaan. 2. De rechtbank oordeelt dat de vergunning voor wat betreft de doelsturing deugt. De meetsensoren zijn geschikt om de ammoniakuitstoot te meten en met de voorschriften is geborgd dat de meetsensoren goed blijven functioneren. Op één punt dient de vergunning nog wel te worden aangepast. Uit onderzoek blijkt dat de meetsensor na verloop van tijd slechter kan functioneren. Daarom dient in de voorschriften te zijn geborgd dat de meetsensor niet na drie jaar maar na één jaar wordt vervangen. 3. De verleende vergunningen staan ook toe dat stikstof wordt uitgestoten. Deze hoeveelheid stikstof is lager dan in de oude situatie. Dit wordt intern salderen genoemd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 18 december 2024 haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd. De motivering in de omgevingsvergunningen was nog gebaseerd op de oude rechtspraak. De beroepen zijn daarom op dit punt wel gegrond. Tijdens de procedure is een nieuwe motivering aangeleverd. Deze motivering is naar het oordeel van de rechtbank nog onvoldoende. Daarom moet een nieuw besluit worden genomen met inachtneming van deze uitspraak. Daarin moet worden gemotiveerd dat de vergunde stikstofuitstoot niet nodig is voor herstel van Natura 2000-gebieden. Ook dient het college de motivering om geen milieueffectrapport op te stellen te verbeteren. Procesverloop 4. De maatschap exploiteert op het perceel [adres 2] in Neede een veehouderij. D
Bronpassage s0003
e veehouderij ligt op ongeveer 6,4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied “Stelkampsveld”. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland heeft aan het bedrijf op 9 juni 2022 een omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” verleend. In die omgevingsvergunning zijn de volgende dieraantallen en stallen vergund: In de vergunning zijn in totaal 3.485 vleesvarkens en 60 stuks rundvee vergund. 4.1. Op 25 mei 2022 heeft het college van gedeputeerde staten een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) geweigerd in verband met het ontbreken van de vergunningplicht door intern salderen (positief weigeringsbesluit). Eerder is door het college van burgemeester en wethouders op 24 mei 2017 een omgevingsvergunning verleend, en in het kader van deze omgevingsvergunning heeft het college van gedeputeerde staten op 10 mei 2017 wel een VVGB verleend. 4.2. De maatschap heeft op 24 november 2022 een aanvraag ingediend om het bedrijf te wijzigen. Deze aanvraag is meerdere malen gewijzigd en aangevuld. Onderdeel van deze aanvraag vormt de bijlage “Integrale milieu-informatie”, waarin de maatschap een onderbouwing geeft van de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het milieu. De aangevraagde wijziging houdt in dat vijf oude stallen/gebouwen worden gesloopt. Daarvoor in de plaats komt een nieuwe stal met daarin 1.990 varkens (stal 2). Stal 1 en 3 blijven staan. Het totale aantal vleesvarkens wordt uitgebreid met 465 en er wordt gestopt met het houden van 60 stu
Bronpassage s0004
ks rundvee. In de aanvraag worden twee varianten aangevraagd: één variant met alleen een combiscraper en één variant met een combinatie combiscraper en een biologische luchtwasser met 70% ammoniakreductie. 4.3. De maatschap heeft het college in de aanvraag verzocht om toepassing te geven aan artikel 7ae van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) omdat voor de combiscraper in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) geen emissiefactor is vastgesteld. Daarom wil zij in plaats van de in de Rav-gehanteerde emissiefactoren gebruik maken van meetsensoren die de feitelijke emissies meten voor het beoordelen of wordt voldaan aan artikel 3, 4 of 5 van het Besluit emissiearme huisvesting. In de toelichting bij de aanvraag staat de volgende systeembeschrijving: “De ondernemers willen een stal bouwen met mestschuiven, deze schuiven verwijderen de mest meerdere keren per dag. De urine en de mest wordt zo veel mogelijk bij de bron gescheiden. De mest valt in de kelder op de aanwezige hellende vloer, de urine komt ook op de hellende keldervloer en loopt in een lager gelegen urine goot, vervolgens stroomt dit naar het aflaatpunt. De mest wordt middels een schuif onder de roosters weggeschoven naar de afstort. De mest wordt door een schuif uit de stal verwijderd. Een vijzel draait de mest in een afgedekte container buiten de stal. De container wordt al naar gelang productie geleegd. De urine wordt in een aparte afgesloten vlakbodemsilo opgeslagen. Er is reeds uitgebreid gemeten
Bronpassage s0005
aan dit systeem, het systeem wordt geleverd door [bedrijf 2] . Via de DVL is er een proefstal status in behandeling bij de overheid. Deze aanvraag is door de uitspraak van de Raad van State van vorige week m.b.t. de emissie arme vloeren on hold gezet. Gezien de discussie over de totstandkoming van de RAV-factoren zien we ons genoodzaakt om in de ontstane situatie voor het traject via de Crisis- en herstelwet (artikel 7ae) te kiezen. Om uit de RAV-discussie te komen wordt er nu een aanvraag gedaan met real-time meten.” 4.4. Bij de aanvraag is het rapport “Meetplan voor ammoniakonderzoek bij varkensstal met combiscraper-systeem, vleesvarkensbedrijf [vergunninghouder] ” van [advies en ingenieursbureau] van 9 december 2024 gevoegd. In dit rapport is beschreven hoe de ammoniakuitstoot met sensoren wordt gemeten. 4.5. De aanvraag betreft een gefaseerde aanvraag die alleen ziet op de activiteiten “milieu” (veranderingsvergunning) en “natuur” . 4.6. Op 26 september 2024 heeft het college van gedeputeerde staten een ontwerp-VVGB verleend. 4.7. De ontwerp-omgevingsvergunning heeft vanaf 11 oktober 2024 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Alle eisers, behalve [eiser 3] , hebben een zienswijze ingediend. 4.8. Op 11 december 2024 heeft het college van gedeputeerde staten een VVGB verleend. 4.9. In het bestreden besluit van 17 december 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten: “milieu” (veranderingsvergunning); “natuur”. In de om
Bronpassage s0006
gevingsvergunning zijn beide aangevraagde varianten vergund. 4.10. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De maatschap heeft ook een reactie ingediend. 4.11. De rechtbank heeft de beroepen op 25 maart 2026 op zitting behandeld, samen met twee andere beroepen tegen een andere omgevingsvergunning voor een veehouderij in Oost Gelre waarin ook toepassing is gegeven aan doelsturing (zaaknummers 25/586 en 25/607). In die zaken wordt apart uitspraak gedaan. Aan de zitting hebben deelgenomen: Namens Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland: [persoon 1] , mr. D. Delibes-Vermeulen; Namens MOB: [persoon 2] en mr. M. Woudwijk; Namens de colleges van burgemeester en wethouders en het college van gedeputeerde staten: mr. L. Laansma, [persoon 3] , [persoon 4] , mr. H.C. Borgers, [persoon 5] , mr. C.F. Geerdes, [persoon 6] ( [bedrijf 1] ) en mr. S.J. van Winzum, Namens de Maatschap: [persoon 7] , gemachtigde [gemachtigde] en [advies en ingenieursbureau] . Op de zitting is ook dr. ir. [deskundige] van Wageningen Livestock Research (WLR) als deskundige gehoord. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht 5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op de omgevingsvergunning die in deze procedure voorligt is nog het oude recht (onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Crisis- en herstelwet (Chw) en de Wet natuurbescherming (Wnb)) van toepassing omdat de aanvraag voor de omgevingsverg
Bronpassage s0007
unning vóór 1 januari 2024 is ingediend. Leeswijzer 6. Eisers hebben in hun beroepschrift de beroepsgronden ingedeeld in “algemene gronden”, gronden die betrekking hebben op de milieuvergunning en de milieueffectrapportage (MER) en gronden die betrekking hebben op de VVGB (natuur). De rechtbank zal eerst ingaan op enkele formele punten (belanghebbendheid en relativiteit) en daarna op de gronden die zien op de milieuvergunning en de MER. Vervolgens zullen de gronden die zijn aangevoerd tegen de VVGB aan bod komen. De vergunningvoorschriften over het meetplan en de monitoring van de ammoniakemissie zijn opgenomen in de bijlage achter de uitspraak. Belanghebbendheid [eiser 3] 7. Het besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Eiser [eiser 3] heeft geen zienswijze ingediend op de ontwerp-omgevingsvergunning. Op grond van artikel 6:13 van de Awb is het beroep dan niet-ontvankelijk. 7.1. Naar aanleiding van het Varkens in Nood-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021 is de rechtspraak over de ontvankelijkheid van de beroepen tegen omgevingsrechtelijke besluiten die zijn voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb gewijzigd. Aan belanghebbenden zal in dergelijke omgevingsrechtelijke zaken niet langer worden tegengeworpen dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit. Dit betekent dus dat bij omgevingsrechtelijke besluiten die zijn voorbereid met afdeli
Bronpassage s0008
ng 3.4 van de Awb, artikel 6:13 van de Awb alleen nog zal worden tegengeworpen aan niet-belanghebbenden die verwijtbaar geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit. 7.2. Eiser [eiser 3] is dus alleen ontvankelijk in zijn beroep tegen de omgevingsvergunning als hij belanghebbende is. Voor de vraag of hij belanghebbende is, is van belang of rechtstreeks feitelijke gevolgen van de veehouderij worden ondervonden. Het moet daarbij gaan om gevolgen van enige betekenis. 7.3. Eiser [eiser 3] woont op ongeveer 420 meter van de varkenshouderij. De berekende geurbelasting van een woning in de buurt van eiser ( [adres ] ) bedraagt 8,9 odour units. De geurbelasting op zijn woning zal waarschijnlijk vergelijkbaar zijn. Door deze hoge geurbelasting is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van gevolgen van enige betekenis en is eiser aan te merken als belanghebbende. Zijn beroep is dus ontvankelijk. Relativiteitsvereiste 8. Het relativiteitsvereiste staat in artikel 8:69a van de Awb en luidt: “De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.” 8.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tus
Bronpassage s0009
sen een beroepsgrond en het belang waarin een appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. De normen waarop eisers zich in hun beroepschrift beroepen, moeten dus strekken tot bescherming van hun belangen. Als dat niet zo is, dan gaat de rechtbank niet inhoudelijk op de beroepsgrond in. 8.2. Voor rechtspersonen geldt verder dat zij enige feitelijke werkzaamheden moeten verrichten. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024. Is dat niet het geval, dan wordt niet inhoudelijk op de beroepsgronden ingegaan. Beroep MOB en omwonenden 8.3. Voor wat betreft MOB heeft de rechtbank in de uitspraak van 29 december 2025 geoordeeld dat zij voldoende feitelijke werkzaamheden verricht. Er is geen reden om aan te nemen dat de situatie in de tussentijd zodanig is gewijzigd dat hierover nu anders geoordeeld zou moeten worden. Voor MOB bestaat dus geen reden om niet inhoudelijk in te gaan op de beroepsgronden. Omdat het relativiteitsvereiste niet aan MOB kan worden tegengeworpen, laat de rechtbank in het midden of aan de omwonenden die samen met MOB procederen het relativiteitsvereiste wel kan worden tegengeworpen, bijvoorbeeld voor wat betreft de beroepsgronden met betrekking tot de activiteit “natuur”. Beroep Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland 8.4. In een andere zaak
Bronpassage s0010
bij de rechtbank over een wijziging van een veehouderij in de gemeente Oost-Gelre speelde de vraag of Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland feitelijke werkzaamheden verricht (naast het procederen) en of zij dus als belanghebbende kon worden aangemerkt. In de uitspraak in die zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat eiseres feitelijke werkzaamheden verricht. Belanghebbendheid is in deze zaak niet van belang omdat eiseres een zienswijze heeft ingediend en zij daarom ontvankelijk is in haar beroep. Het vereiste van feitelijke werkzaamheden kan op grond van de onder overweging 8.2 aangehaalde uitspraak echter ook van belang zijn voor het aspect “relativiteit”. Er is geen reden om aan te nemen dat de situatie in de tussentijd zodanig is gewijzigd dat hierover nu anders geoordeeld zou moeten worden. Dat betekent dat in deze zaak het relativiteitsvereiste ook voor wat betreft de Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland niet aan inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden in de weg staat. Omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” Is artikel 7ae BuChw in strijd met de Wnb en de Habitatrichtlijn? 9. Eisers betogen dat de mogelijkheden die artikel 7ae BuChw biedt voor experimentele of innovatieve staltechnieken in strijd zijn met artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb en artikel 6 van de Habitatrichtlijn, omdat niet op voorhand vast staat dat deze stikstofreductie bewerkstelligen. 9.1. De rechtbank overweegt dat in het kader van de milieuvergunning die in deze zaak voorligt g
Bronpassage s0011
een toetsing aan de Wnb en de Habitatrichtlijn plaatsvindt. Deze toetsing vindt plaats in het kader van de natuurvergunning. De beroepsgrond slaagt niet. Is de vergunning ten onrechte voor onbepaalde tijd verleend? 10. Eisers betogen dat uit artikel 7ae BuChw volgt dat het niet de bedoeling is dat op basis van het gebruik van deze tijdelijke regeling een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend. Volgens eisers is de experimenteerbepaling bedoeld om alvast met de Omgevingswet te werken, zodat de aanvraag ook aan artikel 23.3 van de Omgevingswet had moeten worden getoetst. 10.1. Zoals de rechtbank in overweging 5 heeft aangegeven is in deze procedure het oude recht van toepassing en niet de Omgevingswet. Gelet daarop is er geen grond om de aanvraag ook te toetsen aan de Omgevingswet. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet. 10.2. Uit artikel 7ae, eerste lid, van het BuChw volgt dat dit artikel tot 1 januari 2025 van toepassing was in (onder meer) de provincie Gelderland. Dat betekent dat in milieuvergunningen die vóór die datum zijn verleend gebruik kon worden gemaakt van deze bepaling. Uit dit artikel volgt niet dat bij de toepassing van deze experimenteerbepaling alleen tijdelijke milieuvergunningen kunnen worden verleend. Omdat door vergunninghouder ook geen tijdelijke milieuvergunning is aangevraagd bestond er geen bevoegdheid voor het college om een tijdelijke milieuvergunning te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet. Beste beschikbare technieken – stal 2 Toe
Bronpassage s0012
tsingskader 11. Op grond van artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 1°, van de Wabo neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. In een veehouderij worden de BBT ter voorkoming of beperking van ammoniakemissie toegepast wanneer de maximale emissiewaarden, bedoeld in het Besluit emissiearme huisvesting (Beh), niet worden overschreden. Uit artikel 5 van het Beh in samenhang met bijlage 1 volgt dat nieuwe varkensstallen moeten voldoen aan een maximale emissiewaarde voor ammoniak van 1,1 kg per vleesvarken. Uit artikel 6 van het Beh volgt dat bij de toepassing van artikel 3, 4 en 5 van het Beh de emissiefactoren voor ammoniak uit artikel 2, eerste lid, van de Rav worden gehanteerd. Deze emissiefactor wordt vermeerderd met het aantal dieren dat in een stal wordt gehouden. 11.1. Artikel 7ae van het BuChw bevat een mogelijkheid om van deze systematiek af te wijken. In dit geval is gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 7ae, derde lid, van het BuChw biedt om in plaats van emissiefactoren gebruik te maken van meetsensoren om te beoordelen of voldaan wordt aan de grenswaarde voor ammoniakemissie. In de milieuvergunning dient op grond van het vijfde lid dan wel het emissieplafond en de wijze waarop daaraan wordt voldaan te worden aangetoond. Ook dient te worden opgenomen dat de emissies worden gemeten ove
Bronpassage s0013
reenkomstig het Protocol. Wat staat er in de milieuvergunning? 12. Het college heeft in het bestreden besluit over BBT en ammoniak overwogen dat de aanvraag is getoetst aan het Beh en dat voor de nieuwe varkensstal (stal 2) op grond van artikel 5 uit het Beh een maximale ammoniakemissiewaarde geldt van 1,1 kg per vleesvarken per jaar. Het college heeft, onder verwijzing naar een quickscan van de Technisch Advies Pool (hierna: TAP) van 5 april 2023, aangegeven dat de ammoniakemissie per dierplaats van het aangevraagde stalsysteem 1,0 kg ammoniak per varken bedraagt. In de quickscan staat onder het kopje “onderbouwing van de ammoniakemissiereductie” dat het beschreven huisvestingssysteem een doorontwikkeling is van bestaande emissiearme huisvestingssystemen. Gelet op de uitvoering en indeling van het hok komt het systeem in de basis het meest overeen met het huisvestingssysteem 'Gescheiden afvoer van mest en urine door middel van een V-vormige mestband in het mestkanaal met metalen driekant roosters op het mestkanaal' (BWL 2008.11.V1) met een emissiefactor van 1,1 kg per dierplaats per jaar. De TAP gaat onder “Onderbouwing van de extra ammoniakemissiereductie en de onzekerheden hierin” in op de diverse verschillen ten opzichte van deze stal (met een emissiefactor van 1,1 kg ammoniak per vleesvarken) en andere stallen waarvoor een bijzondere emissiefactor (BEF) is vastgesteld (met een emissiefactor van 0,9 kg ammoniak per vleesvarken) en komt voor de aangevraagde stal uit op een
Bronpassage s0014
emissiefactor van 1,0 kg ammoniak per vleesvarken. In het advies van de omgevingsdienst is per stal voor beide aangevraagde varianten de maximale emissiewaarde naast de emissiefactor van het aangevraagde stalsysteem gezet: Stal 2 voldoet met deze emissiefactor voor het onderdeel ammoniak aan de eisen uit het Beh. De ammoniakuitstoot in stal 2 wordt ook real time gemeten, wat wordt geborgd door deze meetverplichting aan de milieuvergunning te verbinden als voorschrift. In voorschrift 3.1.1 en verder zijn deze meetvoorschriften opgenomen. In voorschrift 3.1.3 staat dat de emissie van ammoniak die vanuit stal 2 wordt geëmitteerd naar de buitenlucht maximaal 1.990 kg NH3 per stal per kalenderjaar mag bedragen. In voorschrift 3.1.2 is opgenomen dat dit moet worden gemeten volgens het meetplan van 9 december 2024. Is de ammoniakreductie voor het emissiearme stalsysteem afdoende gemotiveerd? 12.1. Eisers betogen dat ten onrechte is uitgegaan van een ammoniakemissiefactor van 1,0 en 0,9 kg per dierplaats. Zij verwijzen naar de notitie “Kritische evaluatie van de RvO / TAP team omtrent de quickscan ter bepaling van voorlopige Rav-factor voor vergunningverlening [adres 2] te Neede”, die is opgesteld door [persoon 1] , de [functie] van Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland. In deze notitie wordt aangegeven dat de TAP de emissiefactor ten onrechte (mede) heeft bepaald aan de hand van emissiearme stalsystemen die in de praktijk niet lijken te werken en wordt verwezen naar de uitspra
Bronpassage s0015
ak van de Afdeling van 4 oktober 2023. Verder gaat het college ten onrechte uit van het theoretische ammoniak opvang rendement en van de aanname dat het stalsysteem optimaal functioneert. 12.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de verwijzing naar de quickscan afdoende onderbouwd dat stal 2 aan het Beh voldoen en dat de varkenshouderij daarom voor wat betreft het aspect “ammoniak” voldoet aan BBT. In het deskundigenrapport is gemotiveerd dat de ammoniakemissie 1,0 kg per varken gaat bedragen. Dit is onder de norm van 1,1 kg. In de notitie van [persoon 1] worden weliswaar kanttekeningen geplaatst bij de conclusies in het rapport, maar uit de notitie blijkt niet dat de norm van 1,1 kg niet wordt gehaald en dat er dus niet wordt voldaan aan BBT. De rechtbank stelt verder vast dat in de vergunningvoorschriften het emissieplafond van 1.990 kg ammoniak is geborgd, evenals de wijze waarop de emissies worden gemeten, zodat ook geen sprake is van strijdigheid met artikel 7ae, vijfde lid, van het BuChw. De beroepsgrond slaagt niet. Geur en fijnstof 13. Eisers betogen dat geur en fijnstof, anders dan de ammoniakemissie, niet worden gemeten door middel van continu meten en dat uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat emissiearme stalsystemen niet doen wat ze beloven. Zij verwijzen daarvoor naar het rapport “Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen, deel 2: steekproef rendement luchtwassers in de praktijk” van maart 2018. 13.1. Het college is i
Bronpassage s0016
n het bestreden besluit ingegaan op de milieugevolgen van de varkenshouderij in de nieuwe situatie, onder meer met betrekking tot de aspecten “geur” en “fijnstof”. Over het aspect “geur” staat in het besluit dat uit geurberekeningen met het verspreidingsmodel ‘V-stacks vergunning’ volgt dat de hoogst berekende geurbelasting op een geurgevoelig object voor de variant zonder luchtwasser 10,4 odour units bedraagt. Bij de variant met combiscraper én biologische luchtwasser neemt de geur in odour units per seconde voor stal 2 af van 45.770 OU/seconden naar 25.273 OU/seconden, maar neemt de geurbelasting op alle geurgevoelige locaties die zijn meegenomen in de berekening echter toe. De hoogst berekende geurbelasting op een geurgevoelig object bedraagt 11,4 odour units. 13.2. Op de zitting heeft de gemachtigde van de maatschap, op de vraag hoe het kan dat de geurbelasting door de luchtwasser stijgt in plaats van daalt, aangegeven dat dit komt doordat de uitstroomsnelheid bij een luchtwasser naar beneden gaat. 13.3. De rechtbank stelt allereerst vast dat het betoog ziet op de variant met luchtwasser. Door eisers is niet betwist dat de variant zonder luchtwasser voldoet aan de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). 13.4. De luchtwasser die is vergund betreft een biologische luchtwasser (BWL 2004.01). Voor deze luchtwasser is in de Regeling geurhinder en veehouderij een geuremissiereductie van 45 % opgenomen waarmee ook is gerekend in de geurberekening. In het door eise
Bronpassage s0017
rs aangehaalde rapport zijn metingen verricht aan bepaalde biologische, chemische en combi-luchtwassers. Daaruit blijkt dat met name bepaalde combi-luchtwassers hun geurverwijderingsrendement niet haalden. In het rapport zijn geen metingen verricht aan de in deze zaak vergunde biologische luchtwasser. Uit het rapport kan dus niet worden afgeleid dat de vergunde biologische luchtwasser het geurverwijderingsrendement niet haalt. De beroepsgrond slaagt niet. (vormvrije) MER-beoordeling 14. In het bestreden besluit staat dat de activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd betrekking heeft op het wijzigen van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met 3.950 dierplaatsen voor vleesvarkens. De drempelwaarde voor de diercategorie mestvarkens is 2.000 stuks. De wijziging betreft het oprichten van een stal voor 1.990 vleesvarkens. Dit leidt niet tot een overschrijding van de drempelwaarden van onderdeel D14 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Wel is sprake van een activiteit die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Daarom moet toch een milieueffectrapport worden opgesteld wanneer de voorgenomen activiteit daadwerkelijk leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. 14.1. In het MER-beoordelingsbesluit van 19 juli 2023 heeft het college besloten dat het niet noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen. In dit besluit is aan de hand van het toetsingskader uit de MER-richtlijn ingegaan op de milieugevolg
Bronpassage s0018
en van de inrichting ten opzichte van de vergunde situatie. Daarbij is onder meer gekeken naar (cumulatie van) geurhinder, fijnstof/luchtkwaliteit, gezondheid en stikstofdepositie (in het bijzonder ammoniak). Voor wat betreft de milieueffecten is een vergelijking gemaakt tussen de vergunde situatie (tabel 1) en de aangevraagde varianten (tabel 2 en 2a): 14.2. Over geur (achtergrondbelasting) is overwogen dat in de omgeving in hoofdzaak paarden- en rundveehouderijen aanwezig zijn. Dit zijn dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, zodat er geen cumulatieve geureffecten zijn. Over de voorgrondbelasting is overwogen dat in de omgeving diverse geurgevoelige objecten (woningen) aanwezig zijn. Met het rekenprogramma “V-stacks vergunning” is de geurbelasting berekend voor beide vergunde varianten, waarbij de variant met luchtwasser zorgt voor de hoogste geurbelasting (zie de onderstaande tabel). (de geurnorm van 6 odour units geldt voor woningen binnen de bebouwde kom, de geurnorm van 14 odour units voor woningen buiten de bebouwde kom) 14.3. Er wordt voldaan aan de minimale afstandsnormen uit de Wgv omdat de dichtstbijzijnde woning op 145 meter ligt. Ook wordt voldaan aan de geurnormen uit de Wgv zodat er voor wat betreft de geurbelasting geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er is daarom voor wat betreft geur geen reden om een MER op te stellen. 14.4. Over stikstof is overwogen dat door de voorgenomen wijziging binnen het bedrijf de emissie
Bronpassage s0019
van stikstofverbindingen iets afneemt ten opzichte van de referentiesituatie, zodat er geen reden is om een MER op te stellen. Over de uitstoot van fijnstof is verder overwogen dat deze uitstoot bij de variant zonder luchtwasser toeneemt van 280.205 tot 400.775 g/jaar. 14.5. Uit de ISL3A-berekening blijkt dat de emissieconcentratie op de dichtstbijzijnde woning ruim onder de wettelijke grenswaarde ligt en dat ook wordt voldaan aan de normen van de WHO over fijnstof. Volgens het college wordt voldaan aan de wettelijke normen voor fijnstof. Het college concludeert dat de grenswaarden niet worden overschreden en dat er samen met de naar verhouding goede luchtkwaliteit in de Achterhoek voor de individuele beoordeling van fijnstof/luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige gevolgen zijn voor de omgeving. Voor het aspect fijnstof hoeft er geen MER te worden opgesteld. 14.6. Over het aspect gezondheid heeft het college overwogen dat in de stallen gebruik wordt gemaakt van een gecombineerde luchtwasser. Hierdoor vermindert de uitstoot van ammoniak, geur en zwevende deeltjes (fijn stof). Maar ook wordt de uitstoot van zoönosen of endotoxinen uit deze stal voorkomen of zeer sterk verminderd. Omdat er voor het aspect “gezondheid” voor de omgeving geen negatieve gevolgen zijn te verwachten is het opstellen van een MER daarom voor dit aspect niet nodig. 14.6.1. Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de aanvraag op enkele punten afwijkt van het m.e.r-beoordelingsbesluit.
Bronpassage s0020
De belangrijkste wijziging is dat in stal 3 geen 285 vleesvarkens maar 260 vleesvarkens worden gehouden. De wijzigingen hebben volgens het college geen invloed op het genomen besluit dat geen milieueffectrapport opgemaakt hoeft te worden. Standpunt eisers over (vormvrije) MER-beoordeling en beoordeling rechtbank Ammoniak 15. Eisers betogen dat de redenering in het MER-beoordelingsbesluit dat een MER niet nodig is omdat de (ammoniak)emissie afneemt, achterhaald is door de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024. De 18 december-uitspraak geldt volgens eisers ook voor MER-beoordelingsbesluiten. 15.1. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat de milieugevolgen vanwege de inrichting in de al vergunde situatie als uitgangspunt dienen te worden genomen bij de vraag of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Als de wijziging er ten opzichte van de al vergunde situatie toe leidt dat de milieugevolgen vanwege de inrichting afnemen, althans niet toenemen, bestaat geen ruimte voor het oordeel dat de wijziging belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. 15.2. De rechtbank is van oordeel dat de 18 december-uitspraken, waaruit volgt dat het gehele gewijzigde project (inclusief de al vergunde situatie) aan het additionaliteitsvereiste getoetst moet worden, geen betrekking heeft op de projectMER-beoordeling. Het college heeft dus terecht de milieugevolgen ten opzichte van de milieuvergunning van 29 oktober 2014 beoordeeld volgens het in overweg
Bronpassage s0021
ing 15.1 aangegeven beoordelingskader. Omdat de stikstofdepositie afneemt ten opzichte van de vergunde situatie en de maximale depositie is geborgd in de vergunningvoorschriften, heeft het college zich ook terecht op het standpunt gesteld dat de stikstofdepositie geen aanleiding vormt om een MER te verlangen. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet. Op de gevolgen van de 18 december-uitspraken zal de rechtbank verder ingaan in het kader van de VVGB voor de activiteit “natuur”. Geur, fijnstof, luchtkwaliteit en gezondheid 16. Eisers betogen daarnaast dat het college ook ten aanzien van de aspecten “geur”, “fijnstof”, “luchtkwaliteit” en “gezondheid” ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat geen MER hoeft te worden opgesteld. Volgens eisers leidt de combi-scraper niet tot minder fijnstof en geur. Voor wat betreft gezondheid geven eisers aan dat luchtwassers een deel van de micro-organismen, zoals bacteriën, schimmels, gisten en virussen, of bestanddelen daarvan zoals endotoxinen en zoönosen opvangen. Dit zijn stoffen die zich makkelijk hechten aan fijn- en ultrafijnstof. Daarmee vormen ze een verhoogd risico voor de volksgezondheid en het milieu. In de MER-beoordeling wordt niet ingegaan op dit verhoogde risico. 16.1. De rechtbank stelt vast dat het college twee varianten heeft vergund. Beide varianten kunnen worden gerealiseerd. Bij de beoordeling van de milieugevolgen in de nieuwe situatie dient uitgegaan te worden van de worst-case variant. Dat kan bij het ene milieugevol
Bronpassage s0022
g (zoals fijnstof en gezondheid) de variant met alleen combi-scraper zijn en voor het andere milieugevolg (zoals geur) de variant met combi-scraper en biologische luchtwasser. Fijnstof/luchtkwaliteit 16.1.1. De rechtbank overweegt dat het college met betrekking tot het aspect “fijnstof” heeft onderbouwd dat, ondanks de toename van fijnstof in de variant met alleen combi-scraper, geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu omdat ruimschoots aan de wettelijke fijnstofnormen wordt voldaan en de luchtkwaliteit in de Achterhoek naar verhouding goed is. Deze motivering hebben eisers niet gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich voor wat betreft het aspect “fijnstof/luchtkwaliteit” terecht op het standpunt gesteld dat in zoverre geen reden bestond om op dit punt een MER te verlangen. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet. Gezondheid 16.1.2. De rechtbank stelt vast dat het college met betrekking tot het aspect “gezondheid” in de MER-beoordeling alleen heeft gekeken naar de variant met luchtwasser. In die variant is er sprake van een afname van fijnstof en daarmee ook van een afname van het risico op zoönosen en endotoxinen. Voor die variant is de rechtbank het met het college eens dat er geen aanleiding bestaat om een MER te verlangen. Voor de variant met alleen een combi-scraper is er echter sprake van een toename van fijnstof met 120.570 gram per jaar (van 280.205 tot 400.775 g/jaar). De concentratie van zoönosen en endotox
Bronpassage s0023
inen hangt samen met de emissie van fijnstof. Gelet op de toename van fijnstof, en daarmee ook de toename van de concentratie van zoönosen en endotoxinen, had het op de weg van het college gelegen om nader te motiveren waarom er ook voor deze variant geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. In de omgevingsvergunning is voor wat betreft endotoxinen weliswaar aangegeven dat de Gezondheidsraad een aanbeveling doet om de gezondheidskundige advieswaarde voor werknemers te verlagen naar 30 endotoxine units per kubieke meter lucht als advieswaarde voor de algemene bevolking, maar er is niet aangegeven of het college deze advieswaarde hanteert en of hieraan ten opzichte van de omliggende woningen wordt voldaan. Op dit punt bevat de MER-beoordeling een gebrek. De verwijzing naar hygiënemaatregelen die worden getroffen is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen, omdat die maatregelen geen betrekking hebben op de uitstoot van lucht uit de stal. De beroepsgrond slaagt. Geur 16.1.3. De rechtbank stelt vast dat voor beide varianten de geurbelasting toeneemt op omliggende geurgevoelige objecten ten opzichte van de vergunde situatie. In de variant met luchtwasser tot respectievelijk 10,7, 11,1 en 11,5 odour units voor de drie dichtstbijzijnde woningen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 25 november 2020 , kan de vraag of de veehouderij zal kunnen voldoen aan de daarvoor geldende milieuregels niet worden gelijkgesteld met de vraag of zich b
Bronpassage s0024
elangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen, die nopen tot het maken van een milieueffectrapport. De omstandigheid dat wordt voldaan aan de milieuregels kan echter wel worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Omdat de geurbelasting voor de voorgrondbelasting in beide varianten binnen de geurnormen blijft en er geen sprake is van achtergrondbelasting, heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de geurbelasting op omliggende woningen niet zodanig hoog is dat die noopt tot het maken van een milieueffectrapport. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet. Tussenconclusie 17. Eisers voeren terecht aan dat het aspect “gezondheid” in het MER-beoordelingsbesluit onvoldoende is gemotiveerd. De overige beroepsgronden tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” slagen niet. Verklaring van geen bedenkingen (VVGB) 18. De maatschap heeft er voor gekozen om de vergunning voor de activiteit “natuur” tegelijk aan te vragen met de omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu”. In dat geval dient het college van gedeputeerde staten op grond artikel 6.10a van het Besluit omgevingsrecht een VVGB te verlenen. Op 11 december 2024 hebben gedeputeerde staten van Gelderland (GS) deze VVGB verleend. 18.1. In de VVGB hebben GS naar aanleiding van de Logtsebaan-uitspraak van 20 januari 2021 de referentiesituatie vergeleken met de aangevraagde situatie, het zogenaamde in
Bronpassage s0025
tern salderen. In de AERIUS-berekening van 2 oktober 2024 staat dat het gaat om de volgende deposities: (combi-scraper) (combi-scraper én luchtwasser) 18.2. Volgens GS nemen de stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden niet toe als gevolg van de aangevraagde activiteiten. Met een ‘technische’ passende beoordeling is beoogd te garanderen dat de stalsystemen de ammoniakemissiereductie halen die ze beloven. GS hebben daarom in hoofdstuk 3 van de VVGB voorschriften opgenomen die de maximale ammoniakemissie en het continu meten van deze emissie borgen (zogeheten doelsturing). Door deze voorschriften kan met zekerheid worden uitgesloten dat het project een significant effect heeft op Natura 2000-gebieden en hoeft er geen ‘ecologische’ passende beoordeling te worden verricht, aldus GS. Het toetsingskader 19. Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb luidt als volgt: “Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.” 19.1. Artikel 2.8 van de Wnb luidt als volgt: “1 Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de
Bronpassage s0026
instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. (…) 3 Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.” Gewijzigde rechtspraak 20. Enkele dagen nadat GS de VVGB hebben verleend heeft de Afdeling op 18 december 2024 haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een vergunning is vereist (voortoets), maar alleen nog als mitigerende maatregel in een passende beoordeling. Ook dient er een toets aan het additionaliteitsvereiste plaats te vinden. Dit houdt in dat een maatregel die naar zijn aard ook als instandhoudings- of passende maatregel zou kunnen worden ingezet, alleen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als de maatregel niet nodig is krachtens artikel 6, eerste of tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De wijziging van de rechtspraak is direct van toepassing in lopende procedures en geldt dus ook in deze zaak. 20.1. Nu partijen het erover eens zijn dat de motivering in de VVGB niet aan het kader uit de 18 december-uitspraken voldoet, is er op dit punt sprake van een motiveringsgebrek. Beoordeling finale geschilbeslechting en conclusie 21. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank ve
Bronpassage s0027
rnietigt het bestreden besluit. Het college heeft in het verweerschrift van 15 augustus 2025 en de daarbij behorende bijlagen een aanvullende motivering voor de VVGB aangeleverd die volgens het college voldoet aan de gewijzigde rechtspraak. Het college heeft de rechtbank verzocht om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen in stand te laten. Finale geschilbeslechting 21.1. In artikel 8:41a van de Awb staat dat de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht. 21.2. Als een besluit wordt vernietigd, dan dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken. Daarbij dient zij onder meer te beoordelen of er grond is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn de rechtsgevolgen in stand te laten, als het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit, het besluit alsnog voldoende is gemotiveerd en de andere partij zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank dient daarbij uit te gaan van de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het doen van de uitspraak. Bij de toepassing van artikel
Bronpassage s0028
8:72, derde lid, van de Awb heeft de rechtbank beoordelingsvrijheid. Kunnen de rechtsgevolgen in stand blijven? 22. Het college heeft in het verweerschrift aangegeven dat er sprake is van een besluit waaraan een passende beoordeling ten grondslag ligt. De passende beoordeling bestaat uit de bij de aanvraag overgelegde documenten, waaronder het meetplan van [advies en ingenieursbureau] en de staltekeningen, de opgenomen vergunningvoorschriften en de AERIUS-berekeningen. Op basis van al deze documenten tezamen hebben GS de zekerheid verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden door het beoogde project niet zullen worden aangetast. Volgens GS is, om te voldoen aan de gewijzigde rechtspraak over interne saldering, vereist dat: een AERIUS-verschilberekening is overgelegd; een motivering van het bevoegde gezag wat betreft het additionaliteitsvereiste is gegeven en; voldaan wordt aan de overige voorwaarden die gelden voor de inzet van een mitigerende maatregel. AERIUS-verschilberekening 22.1. Aan deze voorwaarde is volgens GS al voldaan omdat de AERIUS-verschilberekening onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Additionaliteitsvereiste 22.2. Aan deze voorwaarde is nog niet voldaan omdat in de VVGB nog geen toets aan het additionaliteitsvereiste heeft plaatsgevonden. In het verweerschrift hebben GS een nadere onderbouwing opgenomen. Overige voorwaarden inzet mitigerende maatregel 22.3. Voor wat betreft de overige voorwaarden verzoeken GS de rechtb
Bronpassage s0029
ank om gelet op overwegingen 20.2 en 20.3 van de uitspraak van 18 december 2024 het volgende vergunningvoorschrift toe te voegen om te borgen dat de positieve gevolgen van de interne saldering voor de Natura 2000-gebieden zijn opgetreden vóórdat de negatieve gevolgen als gevolg van het vergunde project kunnen optreden: “de benodigde wijzigingen van de bestaande situatie en het daarmee gepaard gaande positieve effect op de Natura 2000-gebieden moeten gerealiseerd zijn voordat de gevolgen van het beoogde project zich in de aanleg- en/of gebruiksfase voordoen.” De beroepsgronden van eisers 23. Eisers hebben in hun beroepschrift aangegeven dat zij niet tegen natuurvergunningen zijn waarin doelsturing wordt toegepast. De motivering van de vergunning schiet volgens eisers echter wel op enkele punten tekort en ook de voorschriften die zijn opgenomen ter borging voldoen op bepaalde punten niet of moeten worden aangescherpt. Het betoog van eisers ziet op de volgende onderdelen: de berekende emissiegrenswaarde (waaronder ook het rendement van de biologische luchtwasser); de borging van de werking van de mestschuif; het meetplan en de meetsensor; de voorschriften. Eisers zijn het daarnaast niet eens met de aanvullende motivering voor de stelling dat is voldaan aan het additionaliteitsvereiste. Zij betogen – kort samengevat – dat GS onvoldoende hebben aangetoond dat de maatregelen die worden genoemd om de stikstofdepositie terug te brengen voldoende zijn om af te kunnen zien van intrekki
Bronpassage s0030
ng van de natuurvergunning als passende maatregel. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de emissiegrenswaarden en de mitigerende maatregelen om daarna toe te komen aan het additionaliteitsvereiste. Is de emissiegrenswaarde afdoende gemotiveerd? 24. Eisers betogen dat ten onrechte is uitgegaan van een ammoniakemissiefactor van 1,0 kg per dierplaats. Zij verwijzen naar de notitie “Kritische evaluatie van de RvO / TAP team omtrent de quickscan ter bepaling van voorlopige Rav-factor voor vergunningverlening [adres 2] te Neede”, die is opgesteld door [persoon 1] , de [functie] van Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland. In deze notitie wordt aangegeven dat de TAP de emissiefactor ten onrechte (mede) heeft bepaald aan de hand van emissiearme stalsystemen die in de praktijk niet lijken te werken en verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2023. Verder gaan GS ten onrechte uit van het theoretische ammoniak opvang rendement van de luchtwasser en van de aanname dat het stalsysteem optimaal functioneert. Eisers betogen daarnaast dat in het rapport van de WLR van maart 2018 voor wat betreft de biologische luchtwassers slechts drie locaties zijn onderzocht en dat slechts één van deze bedrijven voldeed aan de correcte pH en EC instellingen zoals voorgeschreven in de BWL. Volgens eisers is er geen degelijk onderbouwd onderzoek gedaan naar de praktijkwerking van de biologische luchtwassers. Er wordt volgens eisers ten onrechte van uitgegaan dat de biologische luchtwass
Bronpassage s0031
ers voldoen, maar vanwege het voorzorgsbeginsel en omdat het mitigerende maatregelen zijn hadden deze slechts meegenomen mogen worden als de werking daarvan vaststaat. 24.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 7 september 2022 , moeten in de passende beoordeling op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied in gevaar kunnen brengen, worden geïnventariseerd. Toestemming kan op basis van een passende beoordeling worden verleend als de zekerheid is verkregen dat de activiteit de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Daarvan is volgens het Hof van Justitie sprake als er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn. Het Hof van Justitie heeft meermalen geoordeeld dat het voorzorgbeginsel ten grondslag ligt aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Het voorgaande betekent dat de emissie uit stallen in de passende beoordeling met de vereiste zekerheid in kaart moet worden gebracht. 24.2. De rechtbank is in overweging 12.2 in het kader van de milieuvergunning al ingegaan op het betoog van eisers over de emissiefactor voor het stalsysteem. Zoals de rechtbank daarin heeft overwogen, is in het deskundigenrapport van TAP afdoende gemotiveerd dat de ammoniakemissie 1,0 kg per varken bedraagt. In de notiti
Bronpassage s0032
e van [persoon 1] worden weliswaar kanttekeningen geplaatst bij de conclusies in het rapport, maar uit de notitie blijkt niet dat de norm niet wordt gehaald. GS hebben bovendien terecht aangegeven dat de door de veehouderij aangevraagde luchtwasser een ander type luchtwasser is dan de luchtwasser die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2023 en dat er geen rapporten zijn waaruit blijkt dat de beoogde emissiereductie door het vergunde biologische luchtwassysteem niet wordt behaald. Dat volgens eisers in het rapport van de WLR slechts onderzoek is uitgevoerd bij drie biologische luchtwassers is ook onvoldoende voor het oordeel dat deze luchtwassers de ammoniakemissiereductie van 70% niet halen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben GS de emissie uit de stallen met de vereiste zekerheid in kaart gebracht. De beroepsgrond slaagt niet. Mitigerende maatregelen/doelsturing Voorschriften mestschuif 25. Eisers betogen dat de TAP in haar rapport heeft aangegeven dat een goede borging en registratie nodig is op de volgende punten: 1. de schuiffrequentie; 2. het sproeien van water bij elke keer schuiven en het één keer per dag toedienen van de ureaseremmer EOW via het sproeisysteem; 3. de hoeveelheid water die per keer schuiven per mestkanaal wordt toegediend. Dit geldt ook voor het gebruik van het ureaseremmende middel in hoeveelheid en concentratie; 4. het moment en de duur van inschakeling van de (mestkelder- en lig-)vloerkoeling evenals de aanvoer- en retour
Bronpassage s0033
temperatuur van het koelwater. In de VVGB is volgens eisers niet opgenomen welke maatregelen en voorzieningen zijn getroffen om dit te meten en registreren. 25.1. In het aanvullende verweerschrift hebben GS hierover het volgende aangegeven: “Het klopt dat in de TAP-notitie staat dat moet worden vastgelegd welke maatregelen en voorzieningen zijn getroffen om de beoogde emissiereductie te realiseren. Dit kan als volgt worden verklaard. De notitie van de TAP is een document om een wetenschappelijk afgeleide emissiefactor af te geven. Deze wetenschappelijke afleiding wordt vaak ook gebruikt om een voorlopige emissiefactor te bepalen. Deze factor is nodig om de eerste stal(len) te kunnen vergunnen en bouwen, om vervolgens te bemeten voor een definitieve emissiefactor. In dat geval is het relevant om te weten hoe vaak en in welke frequentie de verschillende onderdelen van de brontechniek gebruikt worden. Deze moeten dan namelijk in de zogeheten ‘Leaflet’ worden voorgeschreven en is voor de borging van toekomstige gebruikers via het reguliere spoor van middelvoorschriftvergunningen relevant. In het geval van de onderhavige omgevingsvergunning is er echter geen doelstelling om een definitieve emissiefactor vast te leggen, omdat gekozen is voor de systematiek van doelsturing met een emissiegrenswaarde in het voorliggende geval. De naleving van die grenswaarde door de veehouder wordt gecontroleerd via het continu meten van de ammoniakemissie met sensoren, inclusief het monitoren en rap
Bronpassage s0034
porteren van de meetresultaten. Hoe de vergunninghouder de verschillende (sub)technieken van de brontechniek gebruikt, mag zelf bepaald worden. Dit is daarom ook niet opgenomen in de voorschriften. Op voorhand staat wel vast dat de veehouder concrete effectieve mogelijkheden heeft om te voldoen aan de emissiegrenswaarde.” 25.2. De rechtbank is het met GS eens dat in dit geval kan worden afgezien van een voorschrift dat de werking van de mestschuif borgt, nu deze werking met de andere voorschriften over de maximale emissiegrenswaarde en de meetverplichtingen (indirect) wordt geborgd. Zoals GS verder terecht hebben aangegeven kan de veehouderij als hij de mestschuif niet gebruikt zoals voorgeschreven, en er dus een hogere ammoniakemissie is, er voor kiezen om andere maatregelen te nemen om de emissie terug te brengen tot de maximale emissiegrenswaarde om te voldoen aan de maximale emissiegrenswaarde die geldt voor de stal. De beroepsgrond slaagt niet. Bezwaren meetplan en meetsensor 26. In voorschrift 3.2.1 is voorgeschreven dat de metingen conform het meetplan van [advies en ingenieursbureau] van 9 december 2024 moeten plaatsvinden. In dit meetplan is beschreven waar de sensoren moeten worden geplaatst (hoofdstuk 4), hoe de kwaliteit van de sensoren wordt geborgd (hoofdstuk 5), hoe de ammoniakemissie wordt berekend (hoofdstuk 6), hoe er wordt gehandeld als er sprake is van uitval van meetdata (hoofdstuk 8) en hoe de rapportage dient plaats te vinden (hoofdstuk 9). 26.1. Partij
Bronpassage s0035
en hebben over het meetplan en het meten met sensoren de volgende stukken ingebracht: de notitie “Evaluatie van ammoniak metingen met sensoren in gesloten stalsystemen” van Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland van 31 oktober 2024; de notitie “Evaluatie van ammoniak metingen met sensoren in gesloten Stalsystemen - versie 2” van 23 januari 2025; de notitie “Inhoudelijke reactie op het document 'Evaluatie van ammoniak metingen met sensoren in gesloten stalsystemen” van [persoon 8] en [deskundige] van de Wageningen Livestock Research (WLR) van 12 augustus 2025; de notitie “Evaluatie van omgevingsvergunning [adres ] , Vragender fase 1 van 24 december 2024” van [persoon 2] van 23 januari 2026; de notitie van de WLR van 9 maart 2026; een reactie van Dräger van 9 maart 2026. 26.2. De eerste notitie van eisers zag (grotendeels) op de DOL 53-sensor. Tussen partijen is niet langer in geschil dat deze sensor niet gevalideerd en dus niet geschikt is om de ammoniakemissie te meten. Omdat de overige gronden die in dit stuk zijn aangevoerd in de nieuwe notitie van [persoon 2] , de [functie] van de stichting MOB en coöperatie MOB, van 23 januari 2026 ook zijn benoemd, gaat de rechtbank net als eisers in hun aanvullende beroepschrift uit van dit stuk, en laat de rechtbank wat in de eerdere notitie van Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland staat buiten beschouwing. 26.3. In de notitie van [persoon 2] van 23 januari 2026 wordt ingegaan op een nieuwe ammoniaksensor, de Dräger Polytron
Bronpassage s0036
A500 (hierna: DOL 51). In de notitie worden de volgende punten benoemd: de DOL 51 sensor van fabrikant Dräger is niet geschikt om in de lucht na de wassers betrouwbare ammoniakmetingen te doen vanwege de moeilijke meetomstandigheden die zich dan voordoen. Dit heeft de fabrikant volgens [persoon 2] ook aangegeven in de reactie op een e-mail; de sensoren moeten na uiterlijk 1 jaar gebruik worden vervangen, zoals het WLR-rapport adviseert en niet pas na 3 jaar zoals in het vergunning is opgenomen; de frequentie van de controlemetingen is te laag. De beide sensoren dienen in het eerste jaar minimaal maandelijks te worden gecontroleerd op herhaalbaarheid en nauwkeurigheid en zo nodig bijgesteld. De resultaten dienen maandelijks te worden gerapporteerd naar het bevoegd gezag zodat in een vroeg stadium duidelijkheid wordt verkregen over de meetnauwkeurigheid van de sensoren na de luchtwasser; een voorschrift moet worden opgenomen dat minimaal 90% van de meetresultaten beschikbaar is. 26.4. In de notitie worden met betrekking tot de voorschriften daarnaast de volgende vragen/punten opgeworpen: hoe wordt omgegaan met data onder de detectielimiet? Zijn die nul of worden die gelijk gesteld aan de detectielimiet bij het berekenen van de vrachten? Op dit punt zijn de voorschriften niet duidelijk. bij een meetonzekerheid van 30% mag de uitkomst van de monitoring en jaarlijkse vrachtberekening maximaal 295 kg/jaar mag zijn, geen 384 kg/jaar. Ook op dit punt dienen de voorschriften te worden
Bronpassage s0037
aangevuld. in de voorschriften ontbreekt een bepaling hoe de vergunde emissie van 384 kg/jaar ammoniak gaat worden getoetst. Is dit een kalender jaargemiddelde? Of is dit een voortschrijdend jaargemiddelde? Ook op dit punt is een aanvulling op de voorschriften vereist. de emissie zonder luchtwassers is 1.408 kg en met luchtwassers 384 kg, dit komt overeen met 72,7% ammoniakverwijdering in plaats van 70%. 26.5. Eisers geven aan dat in voorschrift 3.2.2 staat dat als twee achtereenvolgende jaren geen (dreigende) overschrijding heeft plaatsgevonden het meetrapport niet meer hoeft te worden opgestuurd aan het bevoegd gezag. Dat betekent dat er dan dus geen enkele zekerheid is dat het emissieplafond niet wordt overschreden. Zoals eerder is aangegeven, kan het zo zijn dat de sensoren en de staltechniek na een tijdje gebruikt te zijn minder goed werken en het bevoegd gezag heeft daarop dan niet direct (toe)zicht. Hiermee wordt in het bestreden besluit ogenschijnlijk geen enkele rekening gehouden. Het ammoniakplafond is dus niet goed geborgd volgens eisers. Eisers betogen voor wat betreft voorschrift 3.2.7 en 3.2.8 dat de voorschriften niet duidelijk maken wat er gebeurt als de kwartaalmetingen laten zien dat afgekoerst wordt op jaaroverschrijding. Dan moet er binnen een kort tijdsbestek een plan van aanpak worden opgesteld en goedgekeurd. Daarnaast zal een wijziging van het bedrijf ook niet van de ene op de andere dag geregeld kunnen zijn. Hierin schuilt een groot risico op oversch
Bronpassage s0038
rijding van de emissiegrenswaarde. Dit voorschrift biedt volgens eisers dan ook onvoldoende zekerheid dat de emissiegrenswaarden niet zullen worden overschreden. Standpunt GS over bezwaren meetplan en meetsensor 26.6. GS hebben in het aanvullende verweerschrift aangegeven dat in het meetplan staat omschreven dat de gebruikte sensoren moeten voldoen aan deel D van “Richtlijnen voor het bepalen van emissies uit veestallen” van de WLR, in de praktijk ook wel meetprotocol D genoemd. Deel D is gebaseerd op het rapport “Ontwikkel- en validatieprotocol meetinstrumenten voor gasconcentraties in bedrijfsmonitoring van NH3 en CH4 uit veehouderijen: Toepassing bij sensorsystemen voor vaststellen van stalemissies” van de WLR uit 2021. In het meetplan is er bewust voor gekozen om het specifieke sensortype niet vast te leggen, maar te definiëren op basis van wetenschappelijke criteria (meetrichtlijn D). De metingen vinden namelijk voor onbepaalde tijd plaats. Het kan zo zijn dat er in de loop van de tijd bepaalde sensortypes op de markt komen of verdwijnen. Dit maakt het wisselen van de sensor mogelijk, binnen het kader van meetprotocol D, zonder dat er een nieuw meetplan aan het bevoegd gezag hoeft te worden voorgelegd. Er is nu één sensor, namelijk de A500 (ook wel DOL 51 genoemd), die wetenschappelijk gevalideerd is volgens deze eisen; voor zowel het meten voor als achter de luchtwasser in varkensstallen. Dit volgt uit het rapport “Validatie van de Dräger Polytron® A500 (DOL 51) sensor
Bronpassage s0039
voor het meten van luchtconcentraties van ammoniak: lab- en veldtests bij luchtwassers op vier varkensstallen” van de WLR van december 2025. Volgens GS volgt uit dit rapport dat de DOL 51 geschikt is om op een betrouwbare wijze de ammoniakemissie in varkensstallen te meten, zowel voor als achter de luchtwasser. De citaten die [persoon 2] in zijn notitie aanhaalt uit de email van de fabrikant maken dit volgens GS niet anders. Dräger heeft in de reactie van 9 maart 2026 aangegeven dat er sprake is geweest van miscommunicatie nu via het algemene contactformulier vragen zijn gesteld. Omdat vragen over sensoren bij agrarisch gebruik weinig voorkomen, is de vraag verkeerd beantwoord. In de beantwoording is ten onrechte aangegeven dat de ammoniaksensor hygroscopisch is, maar dat klopt niet. Eisers hebben volgens GS wel terecht opgemerkt dat in het meetplan is voorgesteld de sensor na drie jaar preventief te vervangen, terwijl de WLR adviseert om de sensor na één jaar preventief te vervangen. Zoals echter aangegeven in het meetplan is voor de vraag voor welke sensor wordt gekozen de toetsing aan meetrichtlijn D leidend”. GS lezen het meetplan dan ook zo dat het sensorelement achter de wasser na één jaar preventief moet worden vervangen. Daarmee voldoet het meetplan nog steeds aan de wetenschappelijke eisen. Als de rechtbank dit standpunt niet volgt, dan verzoeken GS om in zoverre zelf in de zaak te voorzien door voorschriften 3.1.2 en 3.2.1 aan te passen. Beoordeling rechtbank meetpl
Bronpassage s0040
an en meetsensor 27. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd. 27.1. Zoals GS terecht hebben aangegeven, is in voorschriften 3.1.2 en 3.2.1 niet het gebruik van de DOL 51-sensor voorgeschreven. Uit de voorschriften volgt enkel dat een meetsensor moet worden gebruikt die voldoet aan het meetplan. Dit meetplan vindt op zijn beurt weer zijn grondslag in een richtlijn die is opgesteld door de WLR. Ook als de DOL 51-sensor niet zou voldoen aan het meetplan, dan raakt dat dus niet direct het besluit. De rechtbank begrijpt het betoog van eisers zo dat voorschrift 3.2.1 niet uitvoerbaar is omdat er geen geschikte meetsensoren zijn. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de DOL 51-sensor inmiddels is gevalideerd door de WLR. De rechtb
Bronpassage s0041
ank ziet in wat eisers hebben aangevoerd ook geen aanleiding om te twijfelen aan de onderbouwing van de geschiktheid van deze sensor om de ammoniakemissie te meten. 27.2. Dat neemt niet weg dat ook een geschikte meetsensor na verloop van tijd en door de omstandigheden in de stal afwijkingen kan gaan vertonen. Eisers hebben aangegeven dat de sensor volgens hun elke maand zou moeten worden gekalibreerd om meetafwijkingen te voorkomen. In hoofdstuk 5 van het meetplan staat een stappenplan voor de kwaliteitsborging van de sensoren. Stap 1 is de validatie van de sensor, stap 2 is de ingangscontrole van de sensor, stap 3 is de controlemeting bij het plaatsen, stap 4 zijn de periodieke controlemetingen en stap 5 is de controle op drift. Over stap 4 staat in het meetplan het volgende: “ Om de juiste werking van de sensoren te controleren wordt in het 1e jaar naast de controle metingen na het plaatsen nog 1 keer per jaar, en bij vervolgmetingen tweemaal per jaar, een controle meting uitgevoerd van de sensor en het bemonsteringssysteem. Deze controle is gelijk aan stap 3 voor de sensor in de uittredende lucht. De overige sensoren (de sensoren in de afdelingen) worden getest door gedurende 1 uur per sensor een vergelijkingsmeting te doen met 2 nieuwe sensoren (duplo controle). Bij afwijking van de afdelingssensor t.o.v. van het gemiddelde van de controle sensor of SRM < 10% is er geen actie nodig. Wanneer het verschil ligt tussen 10 en 20% van de SRM waarde moet het meetsysteem op alle
Bronpassage s0042
relevante aspecten worden gecontroleerd en de controlemeting op zo kort mogelijke termijn herhaald worden. Dit verschil blijft wordt een correctiefactor ingevoerd voor de afdelingssensor(en). Wanneer het verschil groter is dan 20% van de SRM waarde of de controle sensor wordt de sensor vervangen. Hierna wordt opnieuw een SRM meting uitgevoerd.” 27.3. In hoofdstuk 5 staat het volgende over “vervanging sensorelementen”: “De sensoren worden permanent geplaatst, [advies en ingenieursbureau] stelt voor om na 3 jaar de elementen preventief te vervangen. Het vervangen van de sensoren zal plaats vinden tijdens het reguliere onderhoud waarna altijd controlemetingen dienen te worden uitgevoerd.” Vervangingstermijn 27.4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit hoofdstuk 2 van het meetplan volgt dat er in elke stal twee ammoniaksensoren worden geplaatst. Bij het uitvallen van één sensor is er dus nog een back-up. In hoofdstuk 5 staat dat de sensoren na drie jaar worden vervangen. De rechtbank volgt niet het betoog van GS dat uit de richtlijn volgt dat vervanging eerder, dus na een jaar, plaats moet vinden. In het voorschrift wordt verwezen naar het meetplan en in hoofdstuk 5 staat dat vervanging van sensoren pas na drie jaar aan de orde is. Nu tussen partijen niet in geschil is dat dit een jaar moet zijn, is er in zoverre sprake van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. De beroepsgrond slaagt. Frequentie controle metingen 27.5. Wanneer de vervangingstermijn is teruggebracht tot 1 jaar
Bronpassage s0043
, is de vervolgvraag of het nodig is om binnen deze termijn van één jaar de sensoren maandelijks te controleren, zoals eisers verlangen. GS hebben hierover in het aanvullende verweerschrift aangegeven dat in het meetplan staat dat er twee keer per jaar controlemetingen plaatsvinden, ook wel referentiemetingen genoemd. Twee referentiemetingen is volgens GS in lijn met de wetenschappelijke richtlijn die hier speciaal voor is opgesteld (deel C van de meetrichtlijn). 27.5.1. De rechtbank leest stap 4 in het meetplan zo dat in het eerste jaar één controle plaatsvindt van de sensoren (uitgaande van de vervanging na één jaar, wordt de sensor dan dus om het half jaar gecontroleerd). Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat het nodig is om meer controles te verrichten naar de werking van de sensoren. Op de zitting heeft de deskundige van vergunninghouder aangegeven dat op dit moment bij 80 stallen, waarvan de meeste een DOL 51-sensor hebben, wordt gemeten en dat meetproblemen niet optreden binnen één jaar maar later. Dat acht de rechtbank, gelet op de conclusies van de WLR in het validatierapport voor de DOL 51, waar staat dat de sensoren achter de luchtwassers een levensduur van circa 1,5 jaar hebben, niet onaannemelijk. Uit de meetrichtlijn van het WLR en uit het validatierapport van de DOL 51 volgt ook niet dat het nodig is om maandelijks controles of kalibraties te verrichten en ook de deskundigen van de WLR geven in de notitie van 9 maart 2026 aa
Bronpassage s0044
n dat wanneer de DOL 51-sensor gaat worden toegepast, waarbij het sensorelement volgens de aanbeveling uit dit rapport jaarlijks preventief wordt vervangen, er geen reden bestaat om de controlemetingen vaker uit te voeren dan beschreven. Zoals de deskundige van vergunninghouder heeft aangegeven, is er ook sprake van twee sensoren, zodat als er één sensor uitvalt er nog steeds een back-up is. In hoofdstuk 8 van het meetplan is verder aangegeven hoe er wordt omgegaan met uitval van meetdata. Daaruit volgt dat bij 8 of meer aaneengesloten dagen zonder valide meetdata een worst-case waarde voor de ontbrekende dagemissies wordt ingevuld. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de sensoren maandelijks, in plaats van halfjaarlijks, moeten worden gecontroleerd. De beroepsgrond slaagt niet. Beschikbaarheid meetresultaten 27.6. In hoofdstuk 8 van het meetplan wordt ingegaan op de beschikbaarheid van meetdata en in de voorschriften is aangegeven hoe met de meetdata moet worden omgegaan. De meetdata kunnen volledig worden opgevraagd door GS zodat er geen aanleiding bestaat om in een voorschrift op te nemen dat minimaal 90% van de meetresultaten beschikbaar is. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. Detectielimiet 27.7. In de notie van de WLR van 9 maart 2026 is ingegaan op de detectielimiet. Daarin is aangegeven dat in de situaties waarin de uitgaande lucht een lagere ammoniakconcentratie heeft dan de detectielimiet dan wel kwantificatieli
Bronpassage s0045
miet, wordt geadviseerd om de detectie- of kwantificatielimiet te hanteren. Dit zal naar verwachting in versie 3 van de richtlijn worden opgenomen. Omdat eisers verder niet hebben onderbouwd op welk punt de voorschriften en het meetplan voor wat betreft de detectielimiet tekort schieten, slaagt de beroepsgrond niet. Meetonzekerheid 27.8. In de notie van de WLR van 9 maart 2026 wordt ingegaan op de meetonzekerheid. Daarin staat het volgende: “de meetonzekerheid van een sensor is het concentratiebereik rond de meetwaarde waarin de werkelijke concentratie met een bepaalde mate van zekerheid (doorgaans 95%) ligt. Dat concentratiebereik kan bijvoorbeeld worden uitgedrukt als een 95%-betrouwbaarheidsinterval rond de meetwaarde (de meetwaarde ligt in het centrum van de ondergrens en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval) of als ± een standaardafwijking (absoluut of procentueel) ten opzichte van de meetwaarde. Belangrijk is: a) de meetonzekerheid is een toevallige afwijking van de werkelijke waarde dat in richting zowel positief als negatief kan zijn, en b) de meetonzekerheid gaat over één meting (hier een ammoniakconcentratie in een luchtstroom gedurende bijvoorbeeld een seconde of minuut op een bepaalde dag in de tijd). Een jaarvracht is gebaseerd op potentieel 365 dagwaarden, bestaande uit potentieel (365*24=) 8760 uurwaarden, en zo verder, tot de initiële metingen op bijvoorbeeld minuutbasis. Omdat de toevallige afwijking in de meetwaarde de ene keer naar boven gericht
Bronpassage s0046
is en de andere keer naar beneden, en zo vaak herhaald wordt uitgevoerd, tendeert de meetonzekerheid in de jaarvracht naar een zeer lage waarde (nabij nul). Kortom: de vermeende meetonzekerheid van 30% gaat over één meting, de meetonzekerheid in de jaarvracht is zeer klein.” 27.8.1. Omdat eisers verder niet hebben onderbouwd op welk punt de voorschriften en het meetplan voor wat betreft de meetonzekerheid tekort schieten, slaagt de beroepsgrond niet. Jaargemiddelde 27.9. GS hebben verder aangegeven dat de emissiegrenswaarde een kalender jaargemiddelde betreft. In het voorschrift staat ook dat de emissie maximaal 384 kg NH3 per kalenderjaar mag bedragen. Omdat eisers verder niet hebben onderbouwd op welk punt de voorschriften en het meetplan op dit punt tekort schieten, slaagt de beroepsgrond niet. Emissiereductie luchtwasser 27.10. De deposities die [persoon 2] in zijn notitie noemt zien op een andere veehouderij. Omdat deze beroepsgrond niet ziet op de voorliggende zaak, laat de rechtbank deze buiten beschouwing. De beroepsgrond slaagt niet. Rapportageplicht na 2 jaar (voorschrift 3.2.2) 27.11. Het vervallen van de actieve rapportageplicht betekent niet dat GS niet langer kunnen controleren of de emissiegrenswaarde wordt overschreden. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de actieve rapportageplicht van twee jaar in voorschrift 3.2.2 maakt dat het ammoniakplafond niet goed geborgd is. De beroepsgrond slaagt niet. Plan van aanpak (voorschrift 3.2
Bronpassage s0047
.7 en 3.2.8) 27.12. GS hebben in het verweerschrift het volgende aangegeven: “Verweerders stellen voorop dat de veehouder er te allen tijde voor moet zorgen dat de emissiegrenswaarde niet wordt overschreden. Vergunningvoorschrift 3.1.3 is hier duidelijk over. Daarin is bepaald dat de emissie van ammoniak die vanuit stal 3 en 4 wordt geëmitteerd naar de buitenlucht maximaal 1.990,0 kg NH3 per stal per kalenderjaar bedragen (de emissiegrenswaarde). Dit is een hard vereiste, dat te allen tijde geldt. De veehouder kan dit goed controleren, want de veehouderij moet beschikken over een navigatiesysteem (dashboard/monitoring) waarin de resultaten van de metingen direct zichtbaar zijn. Daarbij moet het navigatiesysteem de mogelijkheid hebben om een prognose of trendlijn te berekenen (vergunningvoorschrift 3.3.2). Ook het bevoegd gezag kan hier op elk gewild moment toezicht op houden, want de resultaten van de metingen op het navigatiesysteem zijn (vanzelfsprekend) ook voor de toezichthouder direct zichtbaar wanneer de toezichthouder op controle komt. Bovendien moeten de meetgegevens en de (ruwe) data te allen tijde opvraagbaar zijn door het bevoegd gezag (vergunningvoorschrift 3.2.6). Verweerders benadrukken dat voorschrift 3.1.3 in zichzelf dus reeds de verplichting met zich meebrengt dat als overschrijding van de emissiegrenswaarde dreigt, onmiddellijk maatregelen moeten worden getroffen (zie ook vergunningvoorschrift 3.3.1). Het bevoegd gezag kan hier op elk moment toezicht op hou
Bronpassage s0048
den. Hiermee is op zichzelf reeds geborgd dat er geen overschrijding van de emissiegrenswaarde zal plaatsvinden. In het kader van een nóg betere toetsing en controle zijn aan de omgevingsvergunning echter nog meer voorschriften verbonden. De veehouderij moet na afloop van elk kalenderjaar, en ook gedurende het kalenderjaar, de resultaten van de ammoniakmetingen aan het bevoegd gezag toezenden (vergunningvoorschrift 3.2.7). Mocht daaruit onverhoopt blijken dat de emissiegrenswaarde overschreden dreigt te worden, dan moet binnen een kort tijdsbestek een plan van aanpak worden opgesteld met daarin passende reducerende maatregelen die ertoe leiden dat de grenswaarde niet wordt overschreden (vergunningvoorschrift 3.2.8). Dit plan van aanpak moet door het bevoegd gezag worden goedgekeurd. Als het niet wordt goedgekeurd, moet de veehouder minder dieren houden (vergunningvoorschrift 3.2.9). Verweerders wijzen erop dat dit plan van aanpak geruime tijd voor de daadwerkelijke overschrijding van de emissiegrenswaarde moet worden opgesteld en ingediend. De situatie die eisers vrezen, dat tijdens het opstellen van het plan van aanpak de emissiegrenswaarde zal worden overschreden, zal zich dan ook niet voordoen. Verweerders benadrukken echter dat ook wanneer op grond van de vergunningvoorschriften de verplichting geldt om een plan van aanpak op te stellen, de emissiegrenswaarde (vergunningvoorschrift 3.1.3) gewoon van kracht blijft (zie hiervoor) alsook de verplichting om maatregelen te tre
Bronpassage s0049
ffen. De vergunningvoorschriften zitten derhalve zo in elkaar dat, mocht overschrijding van de emissiegrenswaarde zich onverhoopt wel op korte termijn dreigen voor te doen, de veehouder, gedurende het proces van het opstellen van het plan van aanpak, onmiddellijk maatregelen moet treffen waardoor onderschrijding gewaarborgd blijft. En er is altijd een maatregel mogelijk die op korte termijn kan worden getroffen en die er met zekerheid voor zorgt dat er geen overschrijding zal plaatsvinden: het minder aanvoeren van dieren waarmee de bijbehorende emissie ophoudt. Het samenstel van deze vergunningvoorschriften geeft concreet uitvoering aan het voorzorgbeginsel, omdat te allen tijde sprake is van effectieve borging van de naleving van de emissiegrenswaarde (jaarvracht): per direct op basis van het dashboard met prognose, volgens een plan van aanpak als daar aanleiding toe is, of in dieraantallen als het plan geen goedkeuring krijgt. Het bevoegd gezag kan en zal hier op controleren. Verweerders verzetten zich aldus ferm tegen de stelling van eisers, dat met de voorschriften niet gewaarborgd is dat er nimmer een overschrijding van de emissiegrenswaarde zal plaatsvinden.” 27.13. Zoals de rechtbank hiervoor heeft aangegeven, is met het meetplan inclusief een daaraan toe te voegen voorschrift dat de sensoren binnen een jaar moeten worden vervangen en om het half jaar moeten worden gecontroleerd, afdoende geborgd dat de sensoren goed werken. De rechtbank is verder van oordeel dat met d
Bronpassage s0050
e opgenomen vergunningvoorschriften afdoende is geborgd dat de in voorschrift 3.1.3 opgenomen emissiegrenswaarde niet wordt overschreden. Met de verplichting om (ruim) voor het einde van het jaar een rapportage in te dienen en een plan van aanpak in te dienen kan tijdig worden bijgestuurd, en zonodig kan met toepassing van voorschrift 3.2.9 vergunninghouder worden gelast om geen dieren meer te houden in de stal. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat GS zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat voldoende geborgd is dat een overschrijding van de vergunde emissiegrenswaarde niet zal plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet. 27.14. Samengevat concludeert de rechtbank dat in de voorschriften moet staan dat de meetsensoren binnen één jaar moeten worden vervangen. Indien de vergunning in zoverre wordt aangepast zijn het meetplan in combinatie met de vergunningvoorschriften voldoende om te borgen dat de emissiegrenswaarde niet wordt overschreden. Is de natuurvergunning ten onrechte voor onbepaalde tijd verleend? 28. Eisers betogen dat een tijdelijke natuurvergunning had moeten worden verleend vanwege de onzekerheid over de werkelijk optredende stikstofemissies gelet op de beoogde bedrijfsvoering, in combinatie met de onzekere periode waarin de ongunstige staat van instandhouding van nabije beschermde natuurwaarden zal blijven voortduren. 28.1. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is met de voorschriften afdoende geborgd dat de ammoniakemissie niet meer zal bedra
Bronpassage s0051
gen dan vergund. Er is daarom geen onzekerheid over de werkelijk optredende emissies. De omstandigheid dat voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden sprake is van een ongunstige staat van instandhouding maakt niet dat GS op grond van artikel 5.3, derde lid, van de Wnb in dit geval een geldigheidsduur aan de natuurvergunning hadden moeten verbinden. De beroepsgrond slaagt niet. Additionaliteitsvereiste 29. Eisers betogen dat de nadere motivering niet voldoet aan het kader dat is opgenomen in de rechtspraak. Volgens eiseres hebben GS onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de noodzakelijke stikstofdaling voor de verschillende habitattypen in de Natura 2000-gebieden is. Het gaat bovendien veelal om stikstofgevoelige habitattypen die op de rode lijst staan. Zij verwijzen in dat verband naar overweging 10.7 uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025. Eisers betogen daarnaast dat GS niet bevoegd waren om de VVGB te verlenen, omdat er geen overeenstemming is met het college van GS van Overijssel. Overijsselse Natura 2000-gebieden 29.1. Op grond van artikel 1.3, derde lid, van de Wnb is overeenstemming vereist als een handeling nadelige gevolgen heeft voor een in een andere provincie gelegen Natura 2000-gebied. In dit geval neemt door intern salderen de stikstofdepositie af. Omdat de stikstofdepositie afneemt is er geen sprake van nadelige gevolgen en is naar het oordeel van de rechtbank ook geen overeenstemming van het college van GS van Overijssel vereist. De uitspraak van de recht
Bronpassage s0052
bank van 31 oktober 2025 is niet vergelijkbaar, want in die zaak ging het om extern salderen. De beroepsgrond slaagt niet. De toestemming van GS van Overijssel die in de beroepsprocedure alsnog is overgelegd was naar het oordeel van de rechtbank dus niet nodig. Maatregelenpakket 29.2. Uit de 18 december-uitspraken volgt dat GS kunnen voldoen aan de motiveringsplicht met betrekking tot het additionaliteitsvereiste door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad deze maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn. In de uitspraak van 2 juli 2025 heeft de Afdeling deze motiveringsplicht verder verduidelijkt. In deze uitspraak staat het volgende: “10.6. De te hoge stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van (veel) verschillende activiteiten afkomstig van verschillende bronnen. Daar waar een beperking van een hoge stikstofbelasting nodig is om de verslechtering van natuurwaarden te voorkomen, zijn passende maatregelen nodig, die onder meer gericht zijn op een daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. De intrekking of een wijziging van natuurvergunningen voor activiteiten die bijdragen aan die verslechtering is een passende maatregel, maar zal in de regel niet de enige mogelijke passende maatregel zijn ter beperking van de stikstofdepositie. Het college kan, als het niet voor de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning kiest
Bronpassage s0053
terwijl dat wel zou kunnen, niet volstaan met de enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen, en al zijn of nog zullen worden getroffen. Het college moet ook inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Als er een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op een daling van stikstofdepositie en dat zo nodig vergezeld gaat van een monitoring van de uitvoering en effecten daarvan en het betrokken pakket of programma voorziet in een bijsturing of een aanvulling indien nodig, dan kan het college daar naar verwijzen. Vergelijk 28.2 van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 (hierna: de PAS-uitspraak). Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstofdepositiereducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning nadrukkelijk in beeld, waarbij ook de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen in de afweging kan worden betrokken. Het bovenstaande geldt in het bijzonder als dergelijke intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot een relevante verbetering kan of kunnen leiden. 10.7. Het bovenstaande betekent dat het college niet alleen de te treffen maatregelen in beeld moet brengen, maar ook moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van het college noodzakelijk is,
Bronpassage s0054
en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Aangezien deze onderbouwing per Natura 2000-gebied moet worden gegeven, hoeft het college daarbij niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij de generieke omgevingswaarden die in art. 1.12a van de Wnb zijn opgenomen en het bijbehorende tijdpad, maar kan het college voor het betreffende Natura 2000-gebied een gebiedsspecifieke onderbouwing hanteren. Het college zal vervolgens moeten motiveren waarom de daling van stikstofdepositie door de voorgestelde maatregelen voldoende is om verslechtering tegen te gaan. Daarbij kan helpend zijn dat het college inzichtelijk maakt wat de kenmerken zijn van het gebied en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor het betreffende Natura 2000-gebied om invulling te geven aan art. 6, tweede lid, van de Hrl. De passende maatregelen moeten vervolgens zijn gericht op het tegengaan van de (dreigende) verslechtering.” 29.3. GS hebben in het verweerschrift verwezen naar de aanvullende maatregelen die worden genomen, zoals de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (LBV en LBV+), de Maatregel Gerichte Opkoop (MGO)-regeling, de Vrijwillige opkoopregeling Kalverhouderijen Gld (VOKG) en het afschaffen van de derogatie, welke zorgen voor een aangescherpte en blijvende daling van stikstofdepositie. In de memo die is gevoegd als bijlage 3 bij het verweerschrift hebben GS het effect van deze maatregelen uitgewerkt. Daarin staat het volgende: • nog niet alle (opk
Bronpassage s0055
oop)maatregelen, zoals de Lbv, Lbv+, de Maatregel gerichte opkoop (MGO) en de Vrijwillige Opkoop Kalverhouderijen provincie Gelderland zijn verwerkt in AERIUS-monitor 2024. De prognoses van AERIUS Monitor 2024 zijn gebaseerd op uitgangspunten uit de Klimaat- en Energieverkenning 2022 (hierna: KEV) van het Planbureau voor de Leefomgeving. Op basis van de KEV 2022, was de LBV+ maatregel nog geen vastgesteld beleid, maar geagendeerd beleid. Deze effecten zitten dus nog niet in AERIUS Monitor. In de recente KEV 2024 zijn deze effecten wel opgenomen, maar dit is nog niet verwerkt in AERIUS-monitor. GS veronderstellen dat voor de provincie Gelderland sprake is van een forse onderschatting omdat de Lbv en Lbv+ landelijke regelingen betreffen waarvoor het PBL een gemiddeld effect per provincie toekent. Uit RVO-cijfers blijkt echter dat Gelderland het hoogste aantal Lbv(+) aanmeldingen heeft van alle provincies (circa 50%). Van de Vrijwillige Opkoop Kalverhouderijen provincie Gelderland zijn 4 van de 5 opgekochte bedrijven meegenomen. De omvang van deze bedrijven blijkt veel groter en daarom is dit in de KEV 2024 gecorrigeerd en dit zal worden meegenomen in toekomstige effecten van AERIUS-monitor. De afschaffing van derogatie was nog niet meegenomen in de raming van de KEV 2022. De Universiteit van Wageningen heeft becijferd dat dit een daling van l,6 kiloton N/jr oplevert. • De KEV de effecten per provincie prognosticeert. De emissie-effecten van maatregelen voor de toekomstjaren wor
Bronpassage s0056
den daarbij ruimtelijk over de gehele provincie uitgespreid, terwijl de hier onderzochte maatregelen, in zoverre wel verwerkt in de toekomstprognoses van AERIUS, juist rondom overbelaste N2000-gebieden zijn gerealiseerd. Doordat NH3 neerslaat in de directe omgeving zijn de werkelijke effecten op de N2000 gebieden veel groter dan wanneer de emissies over de gehele provincie worden uitgespreid. • De uitstoot per hectare van natuurinclusieve landbouw lager is, als gevolg van beweiden en bemesten, ten opzichte van traditionele landbouw. De recente KEV 2024 doet hierover prognoses, maar is nog niet opgenomen in AERIUS-monitor. GS hebben het voorgaande in de onderstaande tabel gekwantificeerd: GS hebben berekend wat de effecten zijn van deze maatregelen per Natura 2000-gebied binnen een straal van 25 kilometer van de veehouderij en ook berekend wat de stikstofwinst is als de natuurvergunning van vergunninghouder wordt ingetrokken. Voor het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Stelkampsveld, wordt aangegeven dat voor 2025 een totale reductie van de maatregelen op de depositievracht wordt verwacht van 436,9 mol/N/jaar en voor 2030 een reductie van 1.240,8 mol N/jaar. De maatschap heeft een depositievracht van 11,9 mol N/jaar op dit natuurgebied. Voor het Natura 2000-gebied met de hoogste stikstofdepositie door deze veehouderij, Buurserzand en Haaksbergerveen , wordt aangegeven dat voor 2025 een totale reductie van de maatregelen op de depositievracht wordt verwacht van 2.177,6 mol/N/
Bronpassage s0057
jaar en voor 2030 een reductie van 6.184,4 mol N/jaar. De maatschap heeft een depositievracht van 186,1 mol N/jaar op dit natuurgebied. Het effect van de maatregelen is volgens GS voor deze Natura 2000-gebieden, maar ook voor de andere Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer van de veehouderij, vele malen groter dan intrekking van de natuurvergunning. GS hebben verder voor de overbelaste habitats met een “nee, tenzij-status” uit de onderzochte Natura 2000-gebieden naast de trendlijn uit AERIUS (paars) ook de extra daling van de depositie als gevolg van de gekwantificeerde maatregelen in beeld gebracht (blauw). Deze extra dalende trendlijn is nog niet verwerkt in de NDA’s en in die daling is nog geen rekening gehouden met de effecten van derogatie. 29.4. Uit de berekeningen die GS hebben overgelegd blijkt dat het effect van de aanvullende maatregelen verschilt per Natura 2000-gebied. In de Natura 2000-gebieden Bekendelle, Borkeld, Buurserzand & Haaksbergerveen (Overijssel), Korenburgerveen, Lonnekermeer (Overijssel), Sallandse Heuvelrug (Overijssel), Wierdense Veld (Overijssel), Willinks Weust en Witteveen (Overijssel) liggen de paarse en blauwe lijnen voor de diverse habitattypen dicht bij elkaar. Voor “Stelkampsveld” is er sprake van een groter effect van de maatregelen. In het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Stelkampsveld” gaat het ter illustratie om de volgende stikstofdeposities: voor het habitattype “H4030: Droge heiden (NT)” is de stikstofdepositie in 2020 1540,1
Bronpassage s0058
mol/N/ha/jaar en neemt de stikstofdepositie in 2030 af naar 1343,7 mol/N/ha/jaar (paarse lijn) en 1309,9 mol/N/ha/jaar (blauwe lijn). De KDW voor dit habitattype is 714 mol/N/ha/jaar. voor het habitattype “H9120: Beuken-eikenbossen met hulst (NT)” bossen” is de stikstofdepositie in 2020 1509,5 mol/N/ha/jaar en neemt de stikstofdepositie in 2030 af naar 1314,1 mol/N/ha/jaar (paarse lijn) en 1259,1 mol/N/ha/jaar (blauwe lijn). De KDW voor dit habitattype is 1071 mol/N/ha/jaar. (ter illustratie) Uit de berekeningen blijkt dat voor alle habitattypes sprake is van een afname van de stikstofdepositie, maar dat voor een groot aantal habitattypes ook in 2030 (en later) met de aanvullende maatregelen nog steeds sprake is van een (forse) overschrijding van de KDW. Met deze berekening is niet inzichtelijk gemaakt dat met de maatregelen uitvoering wordt gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Ook het rapport van [bedrijf 1] biedt dat inzicht niet. De stelling dat het in dit geval om een geringe depositie gaat - waarbij de rechtbank in het midden laat of daar in deze zaak sprake van is - is geen toereikende motivering, omdat daarmee niet aannemelijk en inzichtelijk wordt gemaakt met welke andere maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijk reductie van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn. De rechtbank is het daarom met eisers eens dat GS onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt dat de genoemde maatregelen
Bronpassage s0059
voorzien in de noodzakelijke daling van stikstofdepositie om verslechtering van natuurwaarden tegen te gaan. De beroepsgrond slaagt. 29.5. De nadere motivering van GS kan al om deze reden het motiveringsgebrek niet herstellen. 29.6. GS hebben zich in het (aanvullende) verweerschrift op het subsidiaire standpunt gesteld dat zij in de rechtspraak van de Afdeling ruimte zien om ook in gevallen waarin er nog geen volwaardig maatregelenpakket is waarmee verslechtering wordt voorkomen, tot de conclusie te komen dat de ingezette mitigerende maatregel (in dit geval het intern salderen) niet hoeft te worden ingezet als passende maatregel. Meer subsidiair hebben GS zich onder verwijzing naar artikelen die naar aanleiding van de uitspraken van 18 december 2024 in de literatuur zijn verschenen op het standpunt gesteld dat de Afdeling in haar jurisprudentie een verkeerde uitleg geeft van de arresten van het Hof van Justitie met betrekking tot artikel 6 van de Habitatrichtlijn en ten onrechte het additionaliteitsvereiste van toepassing heeft verklaard op intern salderen. 29.7. De rechtbank is van oordeel dat in het kader van finale geschilbeslechting en ná de conclusie dat het gebrek niet alsnog is hersteld te ver voert om op dit subsidiaire en meer subsidiaire betoog in te gaan. De rechtbank laat deze betogen dan ook verder onbesproken. Overigens heeft de Afdeling op 16 juli 2026 bekend gemaakt dat eind oktober 2026 een rechtszitting wordt gehouden over verzoeken om over deze onderwerpen
Bronpassage s0060
prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Conclusie en gevolgen 30. Het college heeft voor wat betreft het aspect “gezondheid” onvoldoende gemotiveerd dat de wijziging van de veehouderij geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben die nopen tot het maken van een milieueffectrapport. De rechtbank is verder van oordeel dat met de aanvullende motivering voor de VVGB het motiveringsgebrek met betrekking tot het additionaliteitsvereiste niet is hersteld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet geen aanleiding om een tussenuitspraak te doen. GS hebben inmiddels nieuwe maatregelen genomen, die zijn uitgewerkt in de Versnelling Aanpak Stikstof. Die voorziet onder meer in een stikstofzone rondom “Bekendelle” en “Willinks Weust”. Daarnaast heeft de minister ook een nieuw maatregelenpakket aangekondigd dat onder meer voorziet in zones van 500 of 1000 meter rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze maatregelen en de daaruit voortvloeiende extra stikstofdepositievermindering kan het college meenemen in een nieuw besluit. Daarin kan het college ook een voorschrift aanpassen zodat wordt geborgd dat de sensoren elk jaar vervangen worden. Proceskosten en griffierecht 31. Omdat de beroepen van eisers gegrond zijn moet het college hun griffierecht vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De rechtbank s
Bronpassage s0061
telt de kosten van de door gemachtigde van eisers verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 2.335,-, omdat de gemachtigden een beroepschrift hebben ingediend, aan de zitting hebben deelgenomen en een nadere reactie hebben ingediend (2,5 punten x € 934 per punt). Ook de door MOB gemaakte deskundigenkosten van € 484,- voor de notitie van [persoon 9] , welke is ingediend als reactie op het rapport van [bedrijf 1] , komen voor vergoeding in aanmerking. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - veroordeelt het college in de proceskosten van Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland voor een bedrag van € 2.335,-; - veroordeelt het college in de proceskosten van MOB, [eiser 2] en [eiser 3] voor een bedrag van € 2.819,-; - draagt het college op de griffiekosten van € 371,- aan Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland te vergoeden; - draagt het college op de griffiekosten van € 371,- aan MOB, [eiser 2] en [eiser 3] te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzitter, en mr. M. van Harten en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026 griffier Voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van d
Bronpassage s0062
e Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage voorschriften bij VVGB 3.1 Algemeen 3.1.1 De omgevingsvergunning met deze vvgb en de bijbehorende AERIUS-berekeningen (bijlage 2) met kenmerk RvKKBTVKTVdo, S3aFu7D8WQyQ, S2436SzNLpfm en RYrBTuet66wU, meetplan en de tekeningen moet aanwezig zijn op het bedrijf. 3.1.2 Stal 2 wordt voorzien van een combiscraper en bemeten volgens het meetplan d.d. 9 december 2024 (meetplan voor ammoniakonderzoek bij varkensstal met combiscraper systeem/Poo1-1291541WME-Vo7). 3.1.3 De emissie van ammoniak die vanuit stal 2 wordt geëmitteerd naar de buitenlucht mag maximaal 1.990 kg NH3 per kalenderjaar bedragen. Als het jaar van oprichting en ingebruikname van stal 2 niet gelijk loopt met een volledig kalenderjaar wordt deze emissiegrenswaarde vermenigvuldigd met de volgende breuk: het aantal dagen vanaf de dag van ingebruikname van stal 2 tot en met 31 december van dat jaar gedeeld door 365. 3.1.4 Er mogen geen lekverliezen in stal 2 plaatsvinden waardoor de uitkomsten van de ammoniakmetingen onzeker zijn. 3.1.5 Er dient
Bronpassage s0063
een logboek te worden bijgehouden waarin wordt vermeld welke bijzonderheden zich hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn op de metingen, welke stappen zijn ondernomen om deze bijzonderheden op te lossen en na welk tijdsbestek ze opgelost zijn. 3.2 Metingen en rapportage 3.2.1 De metingen en de rapportages moeten conform hoofdstukken 2 en 4 t/m 9 inclusief bijbehorende bijlagen van het goedgekeurde meetplan d.d. 9 december 2024 plaatsvinden (afgeleid van “Richtlijnen voor het bepalen van emissies uit veestallen (versie 2)” (WLR Rapport 1525)) dat bij de aanvraag is gevoegd. De metingen vinden, in tegenstelling tot wat in het meetplan vermeld staat, plaats voor een onbepaalde tijd. 3.2.2 Uiterlijk twee maanden na het verstrijken van een kalenderjaar worden de meetresultaten in een jaar- meetrapport vastgelegd en omvat: - De berekeningswijze, ijk- en validatiegegevens en meetresultaten; - Jaaremissie NH3 in kg/jaar en NH3 kg/dierplaats/jaar. De eerste 2 jaar startend het kalenderjaar nadat de eerste vleesvarkens in stal 2 zijn opgelegd moeten de resultaten van deze rapportage naar het bevoegd gezag opgestuurd worden. Indien 2 achtereenvolgende jaren geen (dreigende) overschrijding heeft plaatsgevonden hoeft het meetrapport niet meer aan het bevoegd gezag te worden opgestuurd. 3.2.3 De rapportages uit voorschrift 3.2.2 dienen in een logboek minimaal 5 jaar bewaard te worden. 3.2.4 Binnen de inrichting moet een verklaring van de meetinstantie aanwezig zijn waaruit blijkt da
Bronpassage s0064
t de meetsensoren conform het goedgekeurde meetplan geplaatst en operationeel zijn. 3.2.5 Het meetplan kan worden aangepast na overleg en goedkeuring van het bevoegd gezag, gedurende de looptijd van de vergunning. In de inrichting moet altijd een actueel meetplan aanwezig zijn. Indien dit van toepassing is dan geldt voorschrift 3.1.2 voor het gewijzigde meetplan. 3.2.6 De meetgegevens en de (ruwe) data moeten opvraagbaar zijn door het bevoegd gezag. Deze gegevens kunnen voorgelegd worden aan een onafhankelijke expert om de kwaliteit van de emissiemetingen te controleren. 3.2.7 Binnen twee weken na afloop van de zesde en negende maand van ieder kalenderjaar moeten de resultaten van de ammoniakmetingen aan het bevoegd gezag ter evaluatie worden gezonden, de halfjaar- en driekwart jaar rapportage. Deze halfjaar- en driekwart jaar rapportage moeten elk kalenderjaar worden herhaald en naar het bevoegd gezag opgestuurd worden. Indien 2 achtereenvolgende jaren geen (dreigende) overschrijding heeft plaatsgevonden hoeven de halfjaar- en driekwartjaarrapportage niet meer aan het bevoegd gezag opgestuurd te worden. De rapportages moeten dan pas weer te worden opgestuurd bij een dreigende overschrijding. 3.2.8 De halfjaar- en driekwart jaar rapportage uit voorschrift 3.2.7 dient in een logboek minimaal 5 jaar bewaard te worden. Deze halfjaar- en driekwart jaar rapportage dienen ten minste te zijn voorzien van de volgende informatie: - Prognose van de ammoniakemissies voor de opvolgende m
Bronpassage s0065
aanden na indiening van de halfjaar en driekwart jaar rapportage. - Indien volgens die prognose een overschrijding van de emissiegrenswaarde volgens voorschrift 3.1.3 voor ammoniak is te verwachten moet een plan van aanpak worden opgesteld en bijgevoegd bij de rapportage met de evaluatie van de ammoniakmetingen, met daarin passende reducerende maatregelen die ertoe leiden dat de grenswaarde alsnog niet wordt overschreden. - Onderbouwing van de effectiviteit van de reducerende maatregelen. 3.2.9 Vergunninghouder moet, na goedkeuring van het plan van aanpak volgens voorschrift 3.2.8 door het bevoegd gezag, het voorgelegde plan van aanpak uitvoeren. Indien het bevoegd gezag niet akkoord gaat met het voorgelegd plan wordt de maatregel ‘plaatsen van de luchtwasser conform BWL 2004.01.V8’ binnen zes maanden in werking gebracht en gehouden. Zolang de luchtwasser niet in gebruik is mogen in stal 2 geen dieren gehouden worden. 3.2.10 Indien volgens voorschrift 3.2.9 de luchtwasser wordt geplaatst moet er voorafgaand aan de termijn, gesteld in voorschrift 3.2.9, een nieuwe meetplan aan het bevoegd gezag worden voorgelegd ter goedkeuring. Dit meetplan moet tevens aan externe experts (WUR of TAP) worden voorgelegd om de kwaliteit van het plan te bekrachtigen. De emissiegrenswaarde uit voorschrift 3.1.3 wordt bij toepassen van de luchtwasser uit voorschrift 3.2.9 gewijzigd naar 1.791 kg NH3 per kalenderjaar. 3.2.11 De voorschriften in paragraaf 3.1 en 3.2 zijn ook van toepassing op de luc
Bronpassage s0066
htwasser wanneer deze wordt toegepast met uitzondering van de emissiegrenswaarde gesteld in voorschrift 3.1.3 (zie hiervoor voorschrift 3.2.10) De verwijzingen naar het meetplan wordt dan bedoeld het nieuw ingediende en goedgekeurde meetplan voor de luchtwasser. 3.3 Resultaten van metingen betreffende stal 2 3.3.1 De ondernemer moet beschikken over een navigatiesysteem (dashboard/monitoring) waarin de resultaten van de metingen direct zichtbaar zijn, zodat direct kan worden bijgesteld bij dreigende overschrijdingen van emissiegrenswaarden of bij storingen. 3.3.2 Het navigatiesysteem moet de mogelijkheid hebben om een prognose of trendlijn te berekenen. Artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo en artikel 2.2aa, onder a, van het Besluit omgevingsrecht. Zie voorschrift 2.1.1 van de vergunning. Onderdeel van de Wageningen University & Research (WUR). ECLI:EU:C:2021:7. Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786. Zie overweging 7 van de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1983. Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, p. 18-20. ECLI:NL:RVS:2024:1139. ECLI:NL:RBGEL:2025:11375. Uitspraak van 2 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6792. Zie de rechtspraak in overweging 7.1. Zie de uitspraak van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2522. Dit is een commissie bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland die ook adviseert bij het vaststellen van emissiefactoren op grond van de Rav. ECLI:NL:R
Bronpassage s0067
VS:2023:3699. Naar aanleiding van dit onderzoek zijn bepaalde geuremissiefactoren ook aangepast, zie de Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 17 juli 2018, nr. IENW/BSK-2018/147628, tot wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij (wijzigingen rendement geur voor bepaalde luchtwassystemen en periodieke actualisatie emissiefactoren voor ammoniak en geur). Zie onder meer de uitspraak van 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3072. ECLI:NL:RVS:2020:2819. ECLI:NL:RVS:2021:71. Dat is de natuurvergunning van 10 mei 2017. Deze voorschriften zijn opgenomen in de bijlage bij de uitspraak. ECLI:NL:RVS:2024:4923 en ECLI:NL:RVS:2024:4909. Zie overweging 6.2 van de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:232. Zie overweging 2.4.1 van de uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0267. Zie overweging 2.6.1 van de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL0742. Het college verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2404. ECLI:NL:RVS:2024:4923. ECLI:NL:RVS:2023:3699. ECLI:NL:RVS:2022:2557. Zie p. 27 van het rapport. GS verwijzen in dit kader naar bladzijde 6 waar het volgende staat: “Voor NH3 zal een Polytron 8000 worden ingezet of een ander type sensor gevalideerd volgens deel D van de richtlijnen (ref 7.) . standaard referentie methode. ECLI:NL:RVS:2025:2969. ECLI:NL:RBGEL:2025:9167. Bekendelle, Bork
Bronpassage s0068
eld, Buurserzand & Haaksbergerveen (Overijssel), Korenburgerveen, Lonnekermeer (Overijssel), Rijntakken, Sallandse Heuvelrug (Overijssel), Stelkampsveld, Wierdense Veld (Overijssel), Willinks Weust en Witteveen (Overijssel). De afstand bedraagt ongeveer 13 kilometer. Zie de uitspraak van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3651.
Vergunning vernietigd wegens onvoldoende additionaliteitsmotivering; doelsturing kan volstaan mits jaarlijkse sensorvervanging wordt voorgeschreven.s0051, s0062, s0063
Beide beroepen gegrond; vergunning vernietigd zonder behoud van rechtsgevolgen; milieugronden falen, doelsturing vereist jaarlijkse sensorvervanging.s0025, s0051, s0062, s0063
Rechtbank Gelderland · 28 september 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7322
De rechtbank verklaart beide beroepen gegrond en vernietigt de omgevingsvergunning voor milieu en natuur, zonder de rechtsgevolgen in stand te laten. De aanvullende motivering van gedeputeerde staten toont onvoldoende aan dat andere maatregelen de noodzakelijke stikstofdaling binnen afzienbare termijn realiseren. Een verwachte daling is daarvoor niet genoeg. De beroepsgronden tegen het milieuonderdeel slagen niet. Ook doelsturing met sensoren acht de rechtbank voldoende geborgd, mits de vergunning jaarlijkse sensorvervanging voorschrijft. Het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre moet een nieuw besluit nemen en kan daarin nieuwe maatregelen betrekken en de vervangingstermijn aanpassen.s0025, s0043, s0051, s0060, s0062, s0063
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De beroepen van Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland, Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Stichting Mobilisation for the Environment zijn gegrond. De rechtbank vernietigt de door het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre verleende vergunning voor milieu en natuur. De beroepsgronden tegen het milieuonderdeel slagen niet, maar dat betekent niet dat dit onderdeel afzonderlijk in stand blijft. De rechtbank behoudt de rechtsgevolgen van het besluit niet. Het college moet de proceskosten en het griffierecht van eisers vergoeden. Omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 is ingediend, past de rechtbank het oude recht toe.s0001, s0025, s0062, s0063, s0006
Uit de uitspraak
Voor de doelsturing acht de rechtbank de geschiktheid van de gevalideerde DOL 51-sensor voldoende onderbouwd. De voorschriften schrijven overigens een sensor voor die aan het meetplan voldoet, geen specifiek type. Wel moet de vervangingstermijn van drie jaar worden teruggebracht tot één jaar. Maandelijkse controles acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd; halfjaarlijkse controles volstaan hier. Het meetplan en de voorschriften bieden na aanpassing voldoende borging van het emissieplafond. Bij afwijzing van een plan van aanpak mogen in de betrokken stal geen dieren worden gehouden.s0041, s0043, s0044, s0050, s0051, s0067
Duiding
Voor de gemeentelijke dossierbeoordeling laat deze zaak zien waarom technische emissieborging en de onderbouwing van intern salderen afzonderlijke aandacht verdienen. Dat metingen en voorschriften het emissieplafond voldoende kunnen bewaken, beantwoordt nog niet de vraag of de ingezette salderingsmaatregel beschikbaar is voor het project. Ook een verwachte depositiedaling bewijst hier niet dat de noodzakelijke daling binnen afzienbare termijn wordt bereikt. Een bruikbaar aandachtspunt is daarom de verbinding tussen gebiedsspecifieke noodzaak, maatregelen, effecten en tijdpad. De uitspraak biedt geen algemene goedkeuring van doelsturing of garantie dat nieuwe maatregelen een volgend besluit kunnen dragen.s0022, s0023, s0054, s0060, s0061, s0062
Grenzen van deze toelichting
- De rechtbank past het oude recht toe omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 is ingediend; de uitspraak beoordeelt deze vergunning niet onder de Omgevingswet.
- De genoemde rapporten, eerdere uitspraken en processtukken zijn niet afzonderlijk aangeleverd; hun inhoud is alleen beschikbaar voor zover de uitspraak die weergeeft.
- De alinea-opmaak is afgevlakt en de oorspronkelijke tabel-, voetnoot- en beeldstructuur is niet vastgesteld; de segment-ID’s verwijzen naar exacte tekstbereiken.
- De rechtbank laat de subsidiaire betogen van gedeputeerde staten over het additionaliteitsvereiste onbesproken en beoordeelt de genoemde nieuwe maatregelenpakketten niet inhoudelijk.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Omgevingsvergunning voor het wijzigen en uitbreiden van een veehouderij met nieuwe stallen die beschikken over meetsensoren. Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Milieueffectrapport. BBT. De rechtbank oordeelt dat de vergunning voor wat betreft de doelsturing deugt. De meetsensoren zijn geschikt om de ammoniakuitstoot te meten en met de voorschriften is geborgd dat de meetsensoren goed blijven functioneren. Op een punt dient de vergunning nog wel te worden aangepast. Uit onderzoek blijkt dat de meetsensor na verloop van tijd slechter kan functioneren. Daarom dient in de voorschriften te zijn geborgd dat de meetsensoren niet na 3 jaar maar na 1 jaar wordt vervangen. Het beroep is gegrond voor wat betreft de motivering van het additionaliteitsvereiste. De rechtbank ziet geen aanleiding om naar aanleiding van de nieuwe motivering de rechtsgevolgen in stand te laten.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 25/586 en 25/607 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 september 2026 in de zaken tussen Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland , uit Groenlo, (25/586) (gemachtigde: mr. D. Delibes-Vermeulen), Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Stichting Mobilisation for the Environment , uit Nijmegen (gemachtigde: mr. M. Woudwijk) (25/607) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oost Gelre , het college (gemachtigde: mr. S.J. van Winzum). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij] uit [vestigingsplaats] (gemachtigde: ing. [gemachtigde] ) en het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland (gemachtigde: mr. S.J. van Winzum). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die is verleend om na de sloop van oude stallen twee nieuwe stallen te bouwen. De nieuwe stallen beschikken over een mestschuif en een luchtwasser die zorgen voor minder ammoniakuitstoot. Deze ammoniakuitstoot wordt gemeten met sensoren. Dit wordt ook wel doelsturing genoemd. Doelsturing is één van de maatregelen waar de regering op inzet om doelen op het gebied van stikstof, klimaat en waterkwaliteit te behalen. Omdat deze omgevingsvergunning inhoudelijk erg lijkt op een omgevingsvergunning die is verleend door het college van burgemeester en wethouders van Berkelland zijn de beroepen behandeld op dezelfde zitting en wordt tegelijk uitspraak gedaan. 2. De rec
Bronpassage s0002
htbank oordeelt dat de vergunning voor wat betreft de doelsturing deugt. De meetsensoren zijn geschikt om de ammoniakuitstoot te meten en met de voorschriften is geborgd dat de meetsensoren goed blijven functioneren. Op één punt dient de vergunning nog wel te worden aangepast. Uit onderzoek blijkt dat de meetsensor na verloop van tijd slechter kan functioneren. Daarom dient in de voorschriften te zijn geborgd dat de meetsensor niet na drie jaar maar na één jaar wordt vervangen. 3. De verleende vergunningen staan ook toe dat stikstof wordt uitgestoten. Deze hoeveelheid stikstof is lager dan in de oude situatie. Dit wordt intern salderen genoemd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 18 december 2024 haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd. De motivering in de omgevingsvergunningen was nog gebaseerd op de oude rechtspraak. De beroepen zijn daarom op dit punt wel gegrond. Tijdens de procedure is een nieuwe motivering aangeleverd. Deze motivering is naar het oordeel van de rechtbank nog onvoldoende. Daarom moet een nieuw besluit worden genomen met inachtneming van deze uitspraak. Daarin moet worden gemotiveerd dat de vergunde stikstofuitstoot niet nodig is voor herstel van Natura 2000-gebieden. Procesverloop 4. De maatschap exploiteert op het perceel [adres] in [vestigingsplaats] een varkenshouderij. Deze varkenshouderij ligt op ongeveer 1,45 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied “Korenburgerveen” en beschikt over vijf stallen
Bronpassage s0003
waarin biggen en varkens worden gehouden. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oost-Gelre heeft aan de varkenshouderij op 29 oktober 2014 een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) verleend. In deze OBM-vergunning was het volgende vergund: In de vergunning zijn in de stallen 5 en 6 dus 1.764 vleesvarkens vergund. Op 9 oktober 2014 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan de maatschap ook een natuurvergunning verleend. 4.1. De maatschap heeft op 22 december 2023 een aanvraag ingediend om het bedrijf te wijzigen. Onderdeel van deze aanvraag vormt de bijlage “Integrale milieu-informatie”, waarin de maatschap een onderbouwing geeft van de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het milieu. De aangevraagde wijziging houdt in dat drie oude stallen worden gesloopt: Daarvoor in de plaats komen twee nieuwe stallen (stal 3 en 4, zie onderstaande tekening). 4.2. De aanvraag ziet op de volgende aantallen dieren: Stal 3 en 4 worden voorzien van een dubbel systeem bestaande uit een biologische luchtwasser (D 3.2.8) en een Trac Reno-mestschuif (innovatie 2308). Stal 5 en 6 (voorheen stal E en G) blijven staan. De aanvraag ziet dus op een aantal van 4.408 vleesvarkens. Er wordt gestopt met het houden van biggen en zeugen. 4.3. De maatschap heeft het college in de aanvraag verzocht om toepassing te geven aan artikel 7ae van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) omdat voor de Trac Reno-mestschuif in de Regeling ammoniak e
Bronpassage s0004
n veehouderij (Rav) geen emissiefactor is vastgesteld. Daarom wil zij in plaats van de in de Rav-gehanteerde emissiefactoren gebruik maken van meetsensoren die de feitelijke emissies meten voor het beoordelen of wordt voldaan aan artikel 3, 4 of 5 van het Besluit emissiearme huisvesting. In de toelichting bij de aanvraag staat de volgende systeembeschrijving: “De ondernemers willen een stal bouwen met mestschuiven gecombineerd met een luchtwasser, de schuiven verwijderen de mest meerdere keren per dag. De urine en de mest wordt zo veel mogelijk bij de bron gescheiden. De mest valt in de kelder op de aanwezige hellende vloer, de urine komt ook op de hellende keldervloer en loopt in een lager gelegen urine goot, vervolgens stroomt dit naar het aflaatpunt. De mest wordt middels een schuif onder de roosters weggeschoven naar de afstort. De mest wordt door een schuif uit de stal verwijderd. Een vijzel draait de mest in een afgedekte container buiten de stal. De container wordt al naar gelang productie geleegd. De urine wordt in een aparte afgesloten vlakbodemsilo opgeslagen. Het systeem wordt geleverd door Vereijken stalinrichting en is bekend onder de naam Trac Reno mestschuif. Door RVO is aan de hand van de beschrijving van het systeem een inschatting gemaakt van de te verwachten uitstoot, deze is vastgesteld op 0,3 kg NH3 per dier per jaar. Gezien de discussie over de totstandkoming van de RAV-factoren zien we ons genoodzaakt om in de ontstane situatie voor het traject via de C
Bronpassage s0005
risis- en herstelwet (artikel 7ae) te kiezen. Om uit de RAV discussie te komen wordt er nu een aanvraag gedaan met real-time meten.” 4.4. Bij de aanvraag is het rapport “Meetplan voor ammoniakonderzoek bij varkensstallen met Trac-Reno mestschuif, vleesvarkensbedrijf [derde-partij] ” van [advies en ingenieursbureau] van 9 december 2024 gevoegd. In dit rapport is beschreven hoe de ammoniakuitstoot met sensoren wordt gemeten. 4.5. De aanvraag betreft een gefaseerde aanvraag die alleen ziet op de activiteiten “milieu” en “natuur” . Op een later moment wordt de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” aangevraagd. 4.6. Op 4 oktober 2024 heeft het college van gedeputeerde staten een ontwerp-verklaring van geen bedenkingen (VVGB) verleend. 4.7. De ontwerp-omgevingsvergunning heeft vanaf 18 oktober 2024 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Eisers hebben een zienswijze ingediend. 4.8. Op 13 december 2024 heeft het college van gedeputeerde staten een VVGB verleend. 4.9. In het bestreden besluit van 24 december 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “milieu” (oprichtingsvergunning) en “natuur”. 4.10. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De maatschap heeft ook een reactie ingediend. 4.11. De rechtbank heeft de beroepen op 25 maart 2026 op zitting behandeld, samen met twee andere beroepen tegen een andere omgevingsvergunning voor een veehouderij in Berkelland w
Bronpassage s0006
aarin ook toepassing is gegeven aan doelsturing (zaaknummers 25/581 en 25/608). In die zaken wordt apart uitspraak gedaan. Aan de zitting hebben deelgenomen: Namens Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland: [persoon 1] , mr. D. Delibes-Vermeulen; Namens MOB: [persoon 2] en mr. M. Woudwijk; Namens de colleges van burgemeester en wethouders en het college van gedeputeerde staten: mr. L. Laansma, [persoon 3] , [persoon 4] , mr. H.C. Borgers, [persoon 5] , mr. C.F. Geerdes, [persoon 6] ( [bedrijf] ) en mr. S.J. van Winzum, Namens de Maatschap: [persoon 7] en [persoon 8] , gemachtigde ing. [gemachtigde] en [persoon 9] ( [advies en ingenieursbureau] ). Op de zitting is ook dr. ir. [deskundige] van Wageningen Livestock Research (WLR) als deskundige gehoord. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht 5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op de omgevingsvergunning die in deze procedure voorligt is nog het oude recht (onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Crisis- en herstelwet (Chw) en de Wet natuurbescherming (Wnb)) van toepassing omdat de aanvraag voor de omgevingsvergunning vóór 1 januari 2024 is ingediend. Leeswijzer 6. Eisers hebben in hun beroepschrift de beroepsgronden ingedeeld in “algemene gronden”, gronden die betrekking hebben op de milieuvergunning en de milieueffectrapportage (MER) en gronden die betrekking hebben op de VVGB (natuur). De rechtbank zal eerst ingaan op een formeel punt (het relativiteitsvereiste) en daar
Bronpassage s0007
na op de gronden die zien op de milieuvergunning en de MER. Vervolgens zullen de gronden die zijn aangevoerd tegen de VVGB aan bod komen. De vergunningvoorschriften over het meetplan en de monitoring van de ammoniakemissie zijn opgenomen in de bijlage achter de uitspraak. Relativiteitsvereiste 7. Het relativiteitsvereiste staat in artikel 8:69a van de Awb en luidt: “De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.” 7.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin een appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. De normen waarop eisers zich in hun beroepschrift beroepen, moet dus strekken tot bescherming van hun belangen. Als dat niet zo is, dan gaat de rechtbank niet inhoudelijk op de beroepsgrond in. 7.2. Voor rechtspersonen geldt verder dat zij feitelijke werkzaamheden moeten verrichten. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024. Is dat niet
Bronpassage s0008
het geval, dan wordt niet inhoudelijk op de beroepsgronden ingegaan. Beroep MOB 7.3. Voor wat betreft MOB heeft de rechtbank recent in de uitspraak van 29 december 2025 geoordeeld dat zij voldoende feitelijke werkzaamheden verricht. Er is geen reden om aan te nemen dat de situatie in de tussentijd zodanig is gewijzigd dat hierover nu anders geoordeeld zou moeten worden. Voor MOB bestaat dus geen reden om niet inhoudelijk in te gaan op de beroepsgronden. Beroep Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland 7.4. Het college heeft zich in een andere zaak bij de rechtbank voor wat betreft de Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland op het standpunt gesteld dat deze stichting geen feitelijke werkzaamheden verricht, maar alleen procedeert. In die zaak is dat aangevoerd in het kader van de vraag of de stichting als belanghebbende kan worden aangemerkt. Belanghebbendheid is in deze zaak niet van belang omdat de stichting een zienswijze heeft ingediend en zij daarom ontvankelijk is in haar beroep. Dit vereiste kan op grond van de onder overweging 7 aangehaalde uitspraak echter ook van belang zijn voor het aspect “relativiteit”. In de uitspraak van 2 september 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat de Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland feitelijke werkzaamheden verricht. Er is geen reden om aan te nemen dat de situatie in de tussentijd zodanig is gewijzigd dat hierover nu anders geoordeeld zou moeten worden. Dat betekent dat in deze zaak het relativiteitsvereiste ook voor wat bet
Bronpassage s0009
reft de Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland niet aan inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden in de weg staat. Omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” Is artikel 7ae BuChw in strijd met de Wnb en de Habitatrichtlijn? 8. Eisers betogen dat de mogelijkheden die artikel 7ae BuChw biedt voor experimentele of innovatieve staltechnieken in strijd zijn met artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb en artikel 6 van de Habitatrichtlijn, omdat niet op voorhand vast staat dat deze stikstofreductie bewerkstelligen. 8.1. De rechtbank overweegt dat in het kader van de milieuvergunning die in deze zaak voorligt geen toetsing aan de Wnb en de Habitatrichtlijn plaatsvindt. Deze toetsing vindt plaats in het kader van de natuurvergunning. De beroepsgrond slaagt niet. Is de vergunning ten onrechte voor onbepaalde tijd verleend? 9. Eisers betogen dat uit artikel 7ae BuChw volgt dat het niet de bedoeling is dat op basis van het gebruik van deze tijdelijke regeling een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend. Volgens eisers is de experimenteerbepaling bedoeld om alvast met de Omgevingswet te werken, zodat de aanvraag ook aan artikel 23.3 van de Omgevingswet had moeten worden getoetst. 9.1. Zoals de rechtbank in overweging 5 heeft aangegeven is in deze procedure het oude recht van toepassing en niet de Omgevingswet. Gelet daarop is er geen grond om de aanvraag ook te toetsen aan de Omgevingswet. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet. 9.2. Uit artikel 7ae, eerste lid,
Bronpassage s0010
van het BuChw volgt dat dit artikel tot 1 januari 2025 van toepassing was in (onder meer) de provincie Gelderland. Dat betekent dat in milieuvergunningen die vóór die datum zijn verleend gebruik kon worden gemaakt van deze bepaling. Uit dit artikel volgt niet dat bij de toepassing van deze experimenteerbepaling alleen tijdelijke milieuvergunningen kunnen worden verleend. Omdat door vergunninghouder ook geen tijdelijke milieuvergunning is aangevraagd bestond er geen bevoegdheid voor het college om een tijdelijke milieuvergunning te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet. Groene ontwikkelingszone 10. Eisers betogen dat de ligging van het bedrijf in het gebied dat in de Omgevingsverordening is aangewezen als “Groene ontwikkelingszone” had moeten worden betrokken in de milieuvergunning. Zij verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juni 2025. 10.1. Een milieuvergunning kan op grond van artikel 2.14, derde lid, van de Wabo alleen worden geweigerd als dat in het belang van de bescherming van het milieu is. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de vraag wat in het belang van de bescherming van het milieu nodig is. 10.2. De rechtbank overweegt dat instructieregels uit de Omgevingsverordening, waaronder die over de Groene ontwikkelingszone , aan bod kunnen komen als het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en er daarom een omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” is
Bronpassage s0011
vereist. Een dergelijke omgevingsvergunning ligt in deze procedure niet voor. Dat neemt niet weg dat op grond van artikel 2.14 van de Wabo ook in het kader van de milieuvergunning moet worden gekeken naar de gevolgen van de veranderingen op het milieu. In het bestreden besluit is, onder meer in het advies van de Omgevingsdienst, ingegaan op deze milieugevolgen. Daaruit volgt dat de milieugevolgen, waaronder de stikstofdepositie, afnemen ten opzichte van de vergunde situatie. Dat het college in de milieuvergunning is ingegaan op de gevolgen voor de omwonenden, de natuur in de Natura 2000-gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en niet expliciet op de gevolgen voor de Groene ontwikkelingszone, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er sprake is van een motiveringsgebrek. Eisers hebben namelijk ook niet nader onderbouwd welke negatieve gevolgen de veranderingen zouden hebben op de Groene ontwikkelingszone en waarom het, zoals in de zaak bij de rechtbank Noord-Nederland, nodig zou zijn om in dit geval ook een ecologisch onderzoek te verrichten. De beroepsgrond slaagt niet. Beste beschikbare technieken – ammoniakemissie stal 3 en 4 Toetsingskader 11. Op grond van artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 1°, van de Wabo neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. In een veehouderij worden de BBT ter vo
Bronpassage s0012
orkoming of beperking van ammoniakemissie toegepast wanneer de maximale emissiewaarden, bedoeld in het Besluit emissiearme huisvesting (Beh), niet worden overschreden. Uit artikel 5 van het Beh in samenhang met bijlage 1 volgt dat nieuwe varkensstallen moeten voldoen aan een maximale emissiewaarde voor ammoniak van 1,1 kg per vleesvarken. Uit artikel 6 van het Beh volgt dat bij de toepassing van artikel 3, 4 en 5 van het Beh de emissiefactoren voor ammoniak uit artikel 2, eerste lid, van de Rav worden gehanteerd. Deze emissiefactor wordt vermeerderd met het aantal dieren dat in een stal wordt gehouden. 11.1. Artikel 7ae van het BuChw bevat een mogelijkheid om van deze systematiek af te wijken. In dit geval is gebruikt gemaakt van de mogelijkheid die artikel 7ae, derde lid, van het BuChw biedt om in plaats van emissiefactoren gebruik te maken van meetsensoren om te beoordelen of voldaan wordt aan de grenswaarde voor ammoniakemissie. In de milieuvergunning dient op grond van het vijfde lid dan wel het emissieplafond en de wijze waarop daaraan wordt voldaan te worden aangetoond. Ook dient te worden opgenomen dat de emissies worden gemeten overeenkomstig het Protocol. Wat staat er in de milieuvergunning? 12. Het college heeft in het bestreden besluit over BBT en ammoniak overwogen dat de aanvraag is getoetst aan het Beh en dat voor de nieuwe varkensstallen (3 en 4) op grond van artikel 5 uit het Beh een maximale ammoniakemissiewaarde geldt van 1,1 kg per vleesvarken per jaar. Het
Bronpassage s0013
college heeft, onder verwijzing naar een quickscan van de Technisch Advies Pool (hierna: TAP) van 15 augustus 2023, aangegeven dat de ammoniakemissie per dierplaats van het aangevraagde stalsysteem 0,3 kg ammoniak per varken bedraagt. In de quickscan staat onder het kopje “onderbouwing van de ammoniakemissiereductie” dat het beschreven huisvestingssysteem een doorontwikkeling is van bestaande emissiearme huisvestingssystemen. Gelet op de uitvoering en indeling van het hok komt het systeem in de basis het meest overeen met het huisvestingssysteem 'Gescheiden afvoer van mest en urine door middel van een V-vormige mestband in het mestkanaal met metalen driekant roosters op het mestkanaal' (BWL 2008.11.V1) met een emissiefactor van 1,1 kg per dierplaats per jaar. De TAP gaat onder “Onderbouwing van de extra ammoniakemissiereductie en de onzekerheden hierin” in op de diverse verschillen ten opzichte van deze stal (met een emissiefactor van 1,1 kg ammoniak per vleesvarken) en andere stallen waarvoor een bijzondere emissiefactor (BEF) is vastgesteld (met een emissiefactor van 0,9 kg ammoniak per vleesvarken) en komt voor de aangevraagde stal uit op een emissiefactor van 1,0 kg ammoniak per vleesvarken. In combinatie met de biologische luchtwasser met een ammoniakreductie van 70% komt de emissiefactor dan uit op 0,3 kg ammoniak per vleesvarken, aldus TAP. Omdat in stal 3 en 4 in totaal 2.560 varkens worden gehouden bedraagt de ammoniakemissie volgens het college (2.560 x 0,3 =) 768
Bronpassage s0014
kg voor beide stallen en dus 384 kg per stal. De dierenverblijven voldoen met deze emissiefactor voor het onderdeel ammoniak aan de eisen uit het Beh. De ammoniakuitstoot in stal 3 en 4 wordt ook real time gemeten, wat wordt geborgd door deze meetverplichting aan de milieuvergunning te verbinden als voorschrift. In voorschrift 3.1.1 en verder zijn deze meetvoorschriften opgenomen. In voorschrift 3.1.3 staat dat de emissie van ammoniak die vanuit stal 3 en 4 wordt geëmitteerd naar de buitenlucht maximaal 384,0 kg NH3 per stal per kalenderjaar mag bedragen. In voorschrift 3.1.2 is opgenomen dat dit moet worden gemeten volgens het meetplan van 9 december 2024. Is de ammoniakreductie voor het emissiearme stalsysteem afdoende gemotiveerd? 12.1. Eisers betogen dat ten onrechte is uitgegaan van een ammoniakemissiefactor van 0,3 kg per dierplaats. Zij verwijzen naar de notitie “Kritische evaluatie van de RvO / TAP team omtrent de quickscan ter bepaling van voorlopige Rav-factor voor vergunningverlening [adres] Vragender”, die is opgesteld door [persoon 1] , de [functie 1] van Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland. In deze notitie wordt aangegeven dat de TAP de emissiefactor ten onrechte (mede) heeft bepaald aan de hand van emissiearme stalsystemen die in de praktijk niet lijken te werken en wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2023. Verder gaat het college ten onrechte uit van het theoretische ammoniak opvang rendement van de luchtwasser en van de aanna
Bronpassage s0015
me dat het stalsysteem optimaal functioneert. 12.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de verwijzing naar de quickscan afdoende onderbouwd dat stallen 3 en 4 aan het Beh voldoen en dat de varkenshouderij daarom voor wat betreft het aspect “ammoniak” voldoet aan BBT. In het deskundigenrapport is gemotiveerd dat de ammoniakemissie 0,3 kg per varken gaat bedragen. Dit is ruimschoots onder de norm van 1,1 kg. In de notitie van [persoon 1] worden weliswaar kanttekeningen geplaatst bij de conclusies in het rapport, maar uit de notitie blijkt niet dat de norm van 1,1 kg niet wordt gehaald en dat er dus niet wordt voldaan aan BBT. Het college heeft bovendien terecht aangegeven dat de door de veehouderij aangevraagde luchtwasser een ander type luchtwasser is dan de luchtwasser die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2023 en dat er geen rapporten zijn waaruit blijkt dat de beoogde emissiereductie door het nu vergunde luchtwassysteem niet wordt behaald. De rechtbank stelt verder vast dat in de vergunningvoorschriften het emissieplafond van 384 kg ammoniak is geborgd, evenals de wijze waarop de emissies worden gemeten, zodat ook geen sprake is van strijdigheid met artikel 7ae, vijfde lid, van het BuChw. De beroepsgrond slaagt niet. Milieueffectrapportage 13. Op grond van artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer (Wm) gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) worden als
Bronpassage s0016
activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven. Op grond van artikel 7.2, tweede en derde lid, van de Wm moet bij de voorbereiding van de daarbij aangewezen plannen en besluiten een MER worden gemaakt. Op grond van artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wm gelezen in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Besluit mer worden als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven. Op grond van artikel 7.2, vierde lid, van de Wm moet bij de voorbereiding van de daarbij aangewezen besluiten een MER worden gemaakt als uit de verrichte beoordeling van de activiteit is gebleken dat die daadwerkelijk belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Artikel 2, eerste lid, van het Besluit mer luidt als volgt: “Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven, met uitzondering van activiteiten die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.” In categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer is al
Bronpassage s0017
s activiteit waarvoor bij de voorbereiding van een besluit het maken van een MER verplicht is, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van mestvarkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens. In onderdeel A, onder 1 en 2, van de bijlage behorende bij het Besluit mer staat het volgende: “1. In deze bijlage wordt verstaan onder: (…) installatie: een of meer installaties binnen een inrichting voor zover het de activiteit betreft als bedoeld in kolom 1 van de onderdelen C en D; (…) 2. In deze bijlage wordt mede verstaan onder: wijziging: een reconstructie of verandering anderszins van bestaande inrichtingen; uitbreiding: het opnieuw in gebruik nemen van bestaande inrichtingen; oprichting van een inrichting: een uitbreiding van een inrichting door de oprichting van een nieuwe installatie.” Wat staat er in de omgevingsvergunning? 13.1. Het college heeft aangegeven dat de activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd betrekking heeft op het wijzigen van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met 2.644 dierplaatsen voor vleesvarkens. Dit leidt tot een overschrijding van de drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld wanneer de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. 13.1
Bronpassage s0018
.1. Bij besluit van 19 december 2023 heeft het college besloten dat het niet noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen. In dit m.e.r-beoordelingsbesluit is aan de hand van het toetsingskader uit de MER-richtlijn ingegaan op de milieugevolgen van de inrichting ten opzichte van de vergunde situatie. Daarbij is onder meer gekeken naar (cumulatie van) geurhinder, luchtkwaliteit (fijnstof) en stikstofdepositie (in het bijzonder ammoniak). Over stikstofdepositie staat in het besluit het volgende: “Ammoniak (NH3) uit stallen is één van de bronnen van stikstof (stikstofverbinding). De stookinstallaties die binnen het bedrijf worden gebruikt zijn ook een bron van stikstof (NOx). Vervoersbewegingen binnen de inrichting kunnen ook een bron van stikstof (NOx) zijn. De depositie van stikstofverbindingen kan belangrijke negatieve effecten hebben voor Natura 2000-gebieden. Die effecten kunnen het opstellen van een MER nodig maken. Om een indruk te krijgen van die effecten, moeten we bepalen wat de depositie-effecten zijn van de nieuwe activiteiten binnen het bedrijf. Die effecten moeten we vergelijken met de effecten van de toegestane activiteiten (referentie). Op 6 oktober 2014 is door de provincie Gelderland voor het bedrijf een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet verleend. De vergunning vormt daarmee de referentie. Door de voorgenomen wijziging binnen het bedrijf neemt de emissie van stikstofverbindingen af ten opzichte van de referentie met 1.684,6 kg (ammoniak)
Bronpassage s0019
per jaar. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Korenburgerveen. Door de sterke afname van ammoniak is het zeer aannemelijk dat er geen toename is van de depositie van stikstofverbindingen op dat gebied. We concluderen daarom dat er, voor wat betreft de depositie van stikstofverbindingen, geen MER hoeft te worden opgesteld.” Het college heeft in het m.e.r-beoordelingsbesluit geconcludeerd dat ook de overige milieugevolgen als gevolg van de voorgenomen uitbreiding van het bedrijf niet zodanig zijn dat een milieueffectrapport nodig is. 13.1.2. Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de aanvraag op enkele punten afwijkt van het m.e.r-beoordelingsbesluit. In stal 5 worden 72 vleesvarkens minder gehouden. Ook zijn de goot- en nokhoogte en de emissieopeningen van stal 3 en 4 verhoogd. Omdat deze wijzigingen een positief gevolg hebben voor het milieu geven deze geen aanleiding om een nieuw m.e.r-beoordelingsbesluit te nemen. Is een MER vereist? 13.2. Eisers betogen dat, gelet op de definitie van “wijziging” in onderdeel A als bijlage bij het besluit m.e.r, de wijziging als een oprichting moet worden aangemerkt. Daarom dient niet te worden uitgegaan van een toename van 2.716 (lees: 2.644) vleesvarkens, maar van een toename van 3.568 (lees: 4.408) vleesvarkens. In dat geval is er sprake van een MER-plicht en niet van een MER-beoordelingsplicht. Zij betogen dat de jurisprudentie van de Afdeling in de uitspraken van 16 september 2009 en 8 september 2010 over
Bronpassage s0020
het begrip “wijziging” in strijd is met de bedoeling van zowel het Besluit m.e.r. als de MER-richtlijn. Deze jurisprudentielijn doet volgens eisers ook afbreuk aan de beoogde strikte bescherming van het milieu. 13.3. De uitspraak van de Afdeling van 16 september 2009 ging over een milieuvergunning van een legkippen- en nertsenhouderij waarbij een bestaande stal werd gewijzigd maar het aantal dieren niet toenam. Volgens de Afdeling was er door de beperkte aanpassingen aan de stal geen sprake van een wijziging en gold daarom geen MER-beoordelingsplicht op grond van categorie D14. De uitspraak van 8 september 2010 ging over een milieuvergunning voor een pluimveebedrijf waarbij er sprake was van een wijziging van pluimveestallen, waaronder het toevoegen van (chemische) luchtwassers. De aanpassingen in deze stallen waren naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig dat moest worden gesproken van de oprichting van een nieuwe installatie als bedoeld in onderdeel A, onder 2, van de bijlage bij het Besluit mer, zodat voor de aangevraagde verandering geen MER-plicht en evenmin een MER-beoordelingsplicht gold. 13.4. De rechtbank overweegt dat de uitspraken waar eisers naar hebben verwezen gaan over de uitleg van de begrippen “wijziging” en “oprichting”. In die zaken was er volgens de Afdeling geen sprake van een wijziging of oprichting en daarom was er ook geen sprake van een MER(beoordelings)-plicht. Dat er sprake is van een wijziging c.q. oprichting is in deze zaak echter niet in ges
Bronpassage s0021
chil, nu het college in deze zaak wél heeft aangenomen dat er vanwege de bouw van nieuwe stallen en de toename met 2.644 vleesvarkens sprake is van een wijziging c.q. oprichting van een inrichting, en dat vanwege de toename met meer dan 2.000 vleesvarkens een MER-beoordelingsplicht geldt. Het college is naar het oordeel van de rechtbank ook terecht uitgegaan van een toename van 2.644 varkens voor de toets aan de drempelwaarde, omdat op grond van jurisprudentie van de Afdeling voor het bepalen van de drempelwaarde gekeken dient te worden naar de toename van het vergunde aantal dieren. De rechtbank overweegt verder dat, anders dan in de aangehaalde uitspraken, er voor de bestaande stallen 5 en 6 geen sprake is van wijzigingen. Het college heeft dezelfde stallen met dezelfde stalsystemen vergund. In zoverre is er dus geen sprake van een wijziging of van het oprichten van een nieuwe installatie. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er sprake was van een MER-beoordelingsplicht en niet van een MER-plicht. Verder merkt de rechtbank op dat in het MER-beoordelingsbesluit de te verwachten milieubelasting van de gehele inrichting in ogenschouw is genomen en niet alleen gekeken is naar de milieubelasting van het toegenomen aantal varkens. De beroepsgrond slaagt niet. MER-beoordeling 13.5. Eisers betogen dat de redenering in het MER-beoordelingsbesluit dat een MER niet nodig is omdat de (ammoniak)emissie afneemt achterhaald is door de uitspraken van de Afdeli
Bronpassage s0022
ng van 18 december 2024. De 18 december-uitspraak geldt volgens eisers ook voor MER-beoordelingsbesluiten. Volgens eisers is in de MER-beoordeling verder ten onrechte niet ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en is deze daarom niet volledig. Ter onderbouwing van dit betoog verwijzen eisers naar overweging 11.7 uit de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juni 2025 . 13.6. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat de milieugevolgen vanwege de inrichting in de al vergunde situatie als uitgangspunt dienen te worden genomen bij de vraag of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Als de wijziging er ten opzichte van de al vergunde situatie toe leidt dat de milieugevolgen vanwege de inrichting afnemen, althans niet toenemen, bestaat geen ruimte voor het oordeel dat de wijziging belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. 13.7. De rechtbank is van oordeel dat de 18 december-uitspraken, waaruit volgt dat het gehele gewijzigde project (inclusief de al vergunde situatie) aan het additionaliteitsvereiste getoetst moet worden, geen betrekking heeft op de projectMER-beoordeling. Het college heeft dus terecht de milieugevolgen ten opzichte van de milieuvergunning van 29 oktober 2014 beoordeeld volgens het in overweging 13.6 aangegeven beoordelingskader. Omdat de stikstofdepositie afneemt ten opzichte van de vergunde situatie en de maximale depositie is geborgd in de vergunningvoorschriften, heeft het college zich
Bronpassage s0023
ook terecht op het standpunt gesteld dat de stikstofdepositie geen aanleiding vormt om een MER te verlangen. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet. Op de gevolgen van de 18 december-uitspraken zal de rechtbank verder ingaan in het kader van de VVGB voor de activiteit “natuur”. 13.8. Het voorgaande neemt niet weg dat, zoals de rechtbank ook heeft overwogen in de door eisers aangehaalde uitspraak van 27 mei 2025 , bij de beoordeling van de mogelijke nadelige milieueffecten ook de aantasting van natuurwaarden beoordeeld dient te worden en dat niet kan worden volstaan met een verwijzing naar de mogelijke uitkomst van de besluitvorming op een aanvraag voor een natuurvergunning. Het college heeft in dit geval ook niet verwezen naar de natuurvergunning, maar in de MER-beoordeling een motivering opgenomen voor wat betreft de stikstofdepositie. De rechtbank is van oordeel dat het college zich gelet op de afname van stikstofdepositie ten opzichte van de voorheen vergunde situatie op het standpunt heeft kunnen stellen dat de milieugevolgen in zoverre niet toenemen en dat er daarom geen aanleiding bestond om op dit punt een MER te verlangen. De beroepsgrond slaagt niet. 13.9. Het college is in het MER-beoordelingsbesluit ingegaan op de milieugevolgen van het project, in het bijzonder op de aspecten ammoniak, geur, fijnstof, geluid, endotoxinen en bodem. Verder is aangegeven dat de veehouderij niet ligt in een natuurgebied (Habitat- of Vogelrichtlijngebied / Natuurnetwerk Nederland) en d
Bronpassage s0024
at de planlocatie momenteel reeds bestaat uit een veehouderij met daaromheen graslanden en op afstand een bosrand en dat de effecten van de aanleg beperkt zijn. De rechtbank stelt vast dat het college niet expliciet is ingegaan op de aanwezigheid van beschermde diersoorten, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval ook niet nodig. Er zijn namelijk gelet op de ligging van de veehouderij en de aangevraagde (bouw)activiteiten geen aanwijzingen dat de uitbreiding van de veehouderij gevolgen heeft voor beschermde soorten en dat daarom nader onderzoek naar beschermde soorten nodig is. Dat in de zaak bij de rechtbank Noord-Nederland wel nader onderzoek is verricht in de vorm van een ecologische quickscan, maakt dat niet anders. Het is mogelijk dat er in die zaak wel aanwijzingen waren voor aantasting van beschermde soorten, bijvoorbeeld vanwege de ligging in ganzenfourageergebied, en dat daarom nader onderzoek nodig was. In deze zaak zijn die aanwijzingen er niet. Eisers hebben ook niet onderbouwd dat wel beschermde soorten aanwezig zijn of welke gevolgen de wijziging van de veehouderij en de bouw van de stallen zouden hebben op beschermde soorten en waarom die maken dat in deze zaak nader onderzoek nodig zou zijn. Het college heeft tot slot terecht aangegeven dat het bij de MER-beoordeling gaat om aanzienlijke milieueffecten. Ook als in de te slopen stallen bijvoorbeeld beschermde vogels aanwezig zouden zijn, dan maakt dat niet zonder meer dat er sprake is van een
Bronpassage s0025
aanzienlijk milieueffect dat niet gemitigeerd kan worden, zodat een MER opgesteld moet worden. De beroepsgrond slaagt niet. Tussenconclusie 14. De beroepsgronden tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” slagen niet. Verklaring van geen bedenkingen (VVGB) 15. De maatschap heeft er voor gekozen om de vergunning voor de activiteit “natuur” tegelijk aan te vragen met de omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu”. In dat geval dient het college van gedeputeerde staten op grond artikel 6.10a van het Besluit omgevingsrecht een VVGB te verlenen. Op 13 december 2024 hebben gedeputeerde staten van Gelderland (GS) deze VVGB verleend. 15.1. In de VVGB hebben GS naar aanleiding van de Logtsebaan-uitspraak van 20 januari 2021 de referentiesituatie vergeleken met de aangevraagde situatie, het zogenaamde intern salderen. In de AERIUS-berekening van 2 oktober 2024 staat dat het gaat om de volgende deposities: 15.2. Volgens GS nemen de stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden niet toe als gevolg van de aangevraagde activiteiten. Met een ‘technische’ passende beoordeling is beoogd te garanderen dat de stalsystemen de ammoniakemissiereductie halen die ze beloven. GS hebben daarom in hoofdstuk 3 van de VVGB voorschriften opgenomen die de maximale ammoniakemissie en het continu meten van deze emissie borgen (zogeheten doelsturing). Door deze voorschriften kan met zekerheid worden uitgesloten dat het project een significant effect heeft op Natura 2000-gebieden en hoeft er gee
Bronpassage s0026
n ‘ecologische’ passende beoordeling te worden verricht, aldus GS. Het toetsingskader 16. Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb luidt als volgt: “Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.” 16.1. Artikel 2.8 van de Wnb luidt als volgt: “1 Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. (…) 3 Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.” Gewijzigde rechtspraak 17. Enkele dagen nadat GS de VVGB hebben verleend heeft de Afdeling op 18 december 2024 haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een vergunning is vereist (voortoets), maar alleen nog als mitigerende maatregel in een passende
Bronpassage s0027
beoordeling. Ook dient er een toets aan het additionaliteitsvereiste plaats te vinden. Dit houdt in dat een maatregel die naar zijn aard ook als instandhoudings- of passende maatregel zou kunnen worden ingezet, alleen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als de maatregel niet nodig is krachtens artikel 6, eerste of tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De wijziging van de rechtspraak is direct van toepassing in lopende procedures en geldt dus ook in deze zaak. 17.1. Nu partijen het erover eens zijn dat de motivering in de VVGB niet aan het kader uit de 18 december-uitspraken voldoet, is er op dit punt sprake van een motiveringsgebrek. Beoordeling finale geschilbeslechting en conclusie 18. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het college heeft in het verweerschrift van 15 augustus 2025 en de daarbij behorende bijlagen een aanvullende motivering voor de VVGB aangeleverd die volgens het college voldoet aan de gewijzigde rechtspraak. Het college heeft de rechtbank verzocht om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen in stand te laten. Finale geschilbeslechting 18.1. In artikel 8:41a van de Awb staat dat de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht. 18.2. Als een besluit wordt vernietigd, dan dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken. Daarbij dient zij onder meer te beoordelen of er grond is o
Bronpassage s0028
m met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn de rechtsgevolgen in stand te laten, als het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit, het besluit alsnog voldoende is gemotiveerd en de andere partij zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank dient daarbij uit te gaan van de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het doen van de uitspraak. Bij de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb heeft de rechtbank beoordelingsvrijheid. Kunnen de rechtsgevolgen in stand blijven? 19. Het college heeft in het verweerschrift aangegeven dat er sprake is van een besluit waaraan een passende beoordeling ten grondslag ligt. De passende beoordeling bestaat uit de bij de aanvraag overgelegde documenten, waaronder het meetplan van [advies en ingenieursbureau] en de staltekeningen, de opgenomen vergunningvoorschriften en de AERIUS-berekeningen. Op basis van al deze documenten tezamen hebben GS de zekerheid verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden door het beoogde project niet zullen worden aangetast. Volgens GS is, om te voldoen aan de gewijzigde rechtspr
Bronpassage s0029
aak over interne saldering, vereist dat: een AERIUS-verschilberekening is overgelegd; een motivering van het bevoegde gezag wat betreft het additionaliteitsvereiste is gegeven en; voldaan wordt aan de overige voorwaarden die gelden voor de inzet van een mitigerende maatregel. AERIUS-verschilberekening 19.1. Aan deze voorwaarde is volgens GS al voldaan omdat de AERIUS-verschilberekening onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Additionaliteitsvereiste 19.2. Aan deze voorwaarde is nog niet voldaan omdat in de VVGB nog geen toets aan het additionaliteitsvereiste heeft plaatsgevonden. In het verweerschrift hebben GS een nadere onderbouwing opgenomen. Overige voorwaarden inzet mitigerende maatregel 19.3. Voor wat betreft de overige voorwaarden verzoeken GS de rechtbank om gelet op overwegingen 20.2 en 20.3 van de uitspraak van 18 december 2024 het volgende vergunningvoorschrift toe te voegen om te borgen dat de positieve gevolgen van de interne saldering voor de Natura 2000-gebieden zijn opgetreden vóórdat de negatieve gevolgen als gevolg van het vergunde project kunnen optreden: “de benodigde wijzigingen van de bestaande situatie en het daarmee gepaard gaande positieve effect op de Natura 2000-gebieden moeten gerealiseerd zijn voordat de gevolgen van het beoogde project zich in de aanleg- en/of gebruiksfase voordoen.” De beroepsgronden van eisers 20. Eisers hebben in hun beroepschrift aangegeven dat zij niet tegen natuurvergunningen zijn waarin doelsturing wordt toegepast. D
Bronpassage s0030
e motivering van de vergunning schiet volgens eisers echter wel op enkele punten tekort en ook de voorschriften die zijn opgenomen ter borging voldoen op bepaalde punten niet of moeten worden aangescherpt. Het betoog van eisers ziet op de volgende onderdelen: de berekende emissiegrenswaarde (waaronder ook het rendement van de biologische luchtwasser); de borging van de werking van de mestschuif; het meetplan en de meetsensor; de voorschriften. Eisers zijn het daarnaast niet eens met de aanvullende motivering voor de stelling dat is voldaan aan het additionaliteitsvereiste. Zij betogen – kort samengevat – dat GS onvoldoende hebben aangetoond dat de maatregelen die worden genoemd om de stikstofdepositie terug te brengen voldoende zijn om af te kunnen zien van intrekking van de natuurvergunning als passende maatregel. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de emissiegrenswaarden en de mitigerende maatregelen om daarna toe te komen aan het additionaliteitsvereiste. Is de emissiegrenswaarde afdoende gemotiveerd? 21. Eisers betogen dat ten onrechte is uitgegaan van een ammoniakemissiefactor van 0,3 kg per dierplaats. Zij verwijzen naar de notitie “Kritische evaluatie van de RvO / TAP team omtrent de quickscan ter bepaling van voorlopige Rav-factor voor vergunningverlening [adres] Vragender”, die is opgesteld door [persoon 1] , de [functie 1] van Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland. In deze notitie wordt aangegeven dat de TAP de emissiefactor ten onrechte (mede) heeft bepaal
Bronpassage s0031
d aan de hand van emissiearme stalsystemen die in de praktijk niet lijken te werken en verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2023. Verder gaan GS ten onrechte uit van het theoretische ammoniak opvang rendement van de luchtwasser en van de aanname dat het stalsysteem optimaal functioneert. Eisers betogen daarnaast dat in het rapport van de WLR van maart 2018 voor wat betreft de biologische luchtwassers slechts drie locaties zijn onderzocht en dat slechts één van deze bedrijven voldeed aan de correcte pH en EC instellingen zoals voorgeschreven in de BWL. Volgens eisers is er geen degelijk onderbouwd onderzoek gedaan naar de praktijkwerking van de biologische luchtwassers. Er wordt volgens eisers ten onrechte van uitgegaan dat de biologische luchtwassers voldoen, maar vanwege het voorzorgsbeginsel en omdat het mitigerende maatregelen zijn hadden deze slechts meegenomen mogen worden als de werking daarvan vaststaat. 21.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 7 september 2022 , moeten in de passende beoordeling op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied in gevaar kunnen brengen, worden geïnventariseerd. Toestemming kan op basis van een passende beoordeling worden verleend als de zekerheid is verkregen dat de activiteit de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebi
Bronpassage s0032
ed niet zal aantasten. Daarvan is volgens het Hof van Justitie sprake als er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn. Het Hof van Justitie heeft meermalen geoordeeld dat het voorzorgbeginsel ten grondslag ligt aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Het voorgaande betekent dat de emissie uit stallen in de passende beoordeling met de vereiste zekerheid in kaart moet worden gebracht. 21.2. De rechtbank is in overweging 12.2 in het kader van de milieuvergunning al ingegaan op het betoog van eisers over de emissiefactor voor het stalsysteem. Zoals de rechtbank daarin heeft overwogen, is in het deskundigenrapport van TAP afdoende gemotiveerd dat de ammoniakemissie 0,3 kg per varken bedraagt. In de notitie van [persoon 1] worden weliswaar kanttekeningen geplaatst bij de conclusies in het rapport, maar uit de notitie blijkt niet dat de norm niet wordt gehaald. GS hebben bovendien terecht aangegeven dat de door de veehouderij aangevraagde luchtwasser een ander type luchtwasser is dan de luchtwasser die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2023 en dat er geen rapporten zijn waaruit blijkt dat de beoogde emissiereductie door het vergunde biologische luchtwassysteem niet wordt behaald. Dat volgens eisers in het rapport van de WLR slechts onderzoek is uitgevoerd bij drie biologische luchtwassers is ook onvoldoende voor het oordeel dat deze luchtwassers de ammoniakemissiereductie van 70 % niet hale
Bronpassage s0033
n. Naar het oordeel van de rechtbank hebben GS de emissie uit de stallen met de vereiste zekerheid in kaart gebracht. De beroepsgrond slaagt niet. Mitigerende maatregelen/doelsturing Voorschriften mestschuif 22. Eisers betogen dat de TAP in haar rapport heeft aangegeven dat een goede borging en registratie nodig is op de volgende punten: 1. de schuiffrequentie; 2. het sproeien van water bij elke keer schuiven en het één keer per dag toedienen van de ureaseremmer EOW via het sproeisysteem; 3. de hoeveelheid water die per keer schuiven per mestkanaal wordt toegediend. Dit geldt ook voor het gebruik van het ureaseremmende middel in hoeveelheid en concentratie; 4. het moment en de duur van inschakeling van de (mestkelder- en lig-)vloerkoeling evenals de aanvoer- en retourtemperatuur van het koelwater. In de VVGB is volgens eisers niet opgenomen welke maatregelen en voorzieningen zijn getroffen om dit te meten en registreren. 22.1. In het aanvullende verweerschrift hebben GS hierover het volgende aangegeven: “Het klopt dat in de TAP-notitie staat dat moet worden vastgelegd welke maatregelen en voorzieningen zijn getroffen om de beoogde emissiereductie te realiseren. Dit kan als volgt worden verklaard. De notitie van de TAP is een document om een wetenschappelijk afgeleide emissiefactor af te geven. Deze wetenschappelijke afleiding wordt vaak ook gebruikt om een voorlopige emissiefactor te bepalen. Deze factor is nodig om de eerste stal(len) te kunnen vergunnen en bouwen, om vervol
Bronpassage s0034
gens te bemeten voor een definitieve emissiefactor. In dat geval is het relevant om te weten hoe vaak en in welke frequentie de verschillende onderdelen van de brontechniek gebruikt worden. Deze moeten dan namelijk in de zogeheten ‘Leaflet’ worden voorgeschreven en is voor de borging van toekomstige gebruikers via het reguliere spoor van middelvoorschriftvergunningen relevant. In het geval van de onderhavige omgevingsvergunning is er echter geen doelstelling om een definitieve emissiefactor vast te leggen, omdat gekozen is voor de systematiek van doelsturing met een emissiegrenswaarde in het voorliggende geval. De naleving van die grenswaarde door de veehouder wordt gecontroleerd via het continu meten van de ammoniakemissie met sensoren, inclusief het monitoren en rapporteren van de meetresultaten. Hoe de vergunninghouder de verschillende (sub)technieken van de brontechniek gebruikt, mag zelf bepaald worden. Dit is daarom ook niet opgenomen in de voorschriften. Op voorhand staat wel vast dat de veehouder concrete effectieve mogelijkheden heeft om te voldoen aan de emissiegrenswaarde.” 22.2. De rechtbank is het met GS eens dat in dit geval kan worden afgezien van een voorschrift dat de werking van de mestschuif borgt, nu deze werking met de andere voorschriften over de maximale emissiegrenswaarde en de meetverplichtingen (indirect) wordt geborgd. Zoals GS verder terecht hebben aangegeven kan de veehouderij als hij de mestschuif niet gebruikt zoals voorgeschreven, en er dus een
Bronpassage s0035
hogere ammoniakemissie is, er voor kiezen om andere maatregelen te nemen om de emissie terug te brengen tot de maximale emissiegrenswaarde om te voldoen aan de maximale emissiegrenswaarde die geldt voor de stal. De beroepsgrond slaagt niet. Bezwaren meetplan en meetsensor 23. In voorschrift 3.2.1 is voorgeschreven dat de metingen conform het meetplan van [advies en ingenieursbureau] van 9 december 2024 moeten plaatsvinden. In dit meetplan is beschreven waar de sensoren moeten worden geplaatst (hoofdstuk 4), hoe de kwaliteit van de sensoren wordt geborgd (hoofdstuk 5), hoe de ammoniakemissie wordt berekend (hoofdstuk 6), hoe er wordt gehandeld als er sprake is van uitval van meetdata (hoofdstuk 8) en hoe de rapportage dient plaats te vinden (hoofdstuk 9). 23.1. Partijen hebben over het meetplan en het meten met sensoren de volgende stukken ingebracht: de notitie “Evaluatie van ammoniak metingen met sensoren in gesloten stalsystemen” van Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland van 31 oktober 2024; de notitie “Evaluatie van ammoniak metingen met sensoren in gesloten Stalsystemen - versie 2” van 23 januari 2025; de notitie “Inhoudelijke reactie op het document 'Evaluatie van ammoniak metingen met sensoren in gesloten stalsystemen” van [deskundige 2] en [deskundige] van de Wageningen Livestock Research (WLR) van 12 augustus 2025; de notitie “Evaluatie van omgevingsvergunning [adres] , Vragender fase 1 van 24 december 2024” van drs. [persoon 2] van 23 januari 2026; de notitie v
Bronpassage s0036
an de WLR van 9 maart 2026; een reactie van Dräger van 9 maart 2026. 23.2. De eerste notitie van eisers zag (grotendeels) op de DOL 53-sensor. Tussen partijen is niet langer in geschil dat deze sensor niet gevalideerd en dus niet geschikt is om de ammoniakemissie te meten. Omdat de overige gronden die in dit stuk zijn aangevoerd in de nieuwe notitie van [persoon 2] , de [functie 1] van de stichting MOB en coöperatie MOB, van 23 januari 2026 ook zijn benoemd, gaat de rechtbank net als eisers in hun aanvullende beroepschrift uit van dit stuk, en laat de rechtbank wat in de eerdere notitie van Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland staat buiten beschouwing. 23.3. In de notitie van [persoon 2] van 23 januari 2026 wordt ingegaan op een nieuwe ammoniaksensor, de Dräger Polytron A500 (hierna: DOL 51). In de notitie worden de volgende punten benoemd: de DOL 51 sensor van fabrikant Dräger is niet geschikt om in de lucht na de wassers betrouwbare ammoniakmetingen te doen vanwege de moeilijke meetomstandigheden die zich dan voordoen. Dit heeft de fabrikant volgens [persoon 2] ook aangegeven in de reactie op een e-mail; de sensoren moeten na uiterlijk 1 jaar gebruik worden vervangen, zoals het WLR-rapport adviseert en niet pas na 3 jaar zoals in het vergunning is opgenomen; de frequentie van de controlemetingen is te laag. De beide sensoren dienen in het eerste jaar minimaal maandelijks te worden gecontroleerd op herhaalbaarheid en nauwkeurigheid en zo nodig bijgesteld. De resultaten
Bronpassage s0037
dienen maandelijks te worden gerapporteerd naar het bevoegd gezag zodat in een vroeg stadium duidelijkheid wordt verkregen over de meetnauwkeurigheid van de sensoren na de luchtwasser; een voorschrift moet worden opgenomen dat minimaal 90 % van de meetresultaten beschikbaar is. 23.4. In de notitie worden met betrekking tot de voorschriften daarnaast de volgende vragen/punten opgeworpen: hoe wordt omgegaan met data onder de detectielimiet? Zijn die nul of worden die gelijk gesteld aan de detectielimiet bij het berekenen van de vrachten? Op dit punt zijn de voorschriften niet duidelijk. bij een meetonzekerheid van 30% mag de uitkomst van de monitoring en jaarlijkse vrachtberekening maximaal 295 kg/jaar mag zijn, geen 384 kg/jaar. Ook op dit punt dienen de voorschriften te worden aangevuld. in de voorschriften ontbreekt een bepaling hoe de vergunde emissie van 384 kg/jaar ammoniak gaat worden getoetst. Is dit een kalender jaargemiddelde? Of is dit een voortschrijdend jaargemiddelde? Ook op dit punt is een aanvulling op de voorschriften vereist. de emissie zonder luchtwassers is 1.408 kg en met luchtwassers 384 kg, dit komt overeen met 72,7% ammoniakverwijdering in plaats van 70%. 23.5. Eisers geven aan dat in voorschrift 3.2.2 staat dat als twee achtereenvolgende jaren geen (dreigende) overschrijding heeft plaatsgevonden het meetrapport niet meer hoeft te worden opgestuurd aan het bevoegd gezag. Dat betekent dat er dan dus geen enkele zekerheid is dat het emissieplafond niet wo
Bronpassage s0038
rdt overschreden. Zoals eerder is aangegeven, kan het zo zijn dat de sensoren en de staltechniek na een tijdje gebruikt te zijn minder goed werken en het bevoegd gezag heeft daarop dan niet direct (toe)zicht. Hiermee wordt in het bestreden besluit ogenschijnlijk geen enkele rekening gehouden. Het ammoniakplafond is dus niet goed geborgd volgens eisers. Eisers betogen voor wat betreft voorschrift 3.2.7 en 3.2.8 dat de voorschriften niet duidelijk maken wat er gebeurt als de kwartaalmetingen laten zien dat afgekoerst wordt op jaaroverschrijding. Dan moet er binnen een kort tijdsbestek een plan van aanpak worden opgesteld en goedgekeurd. Daarnaast zal een wijziging van het bedrijf ook niet van de ene op de andere dag geregeld kunnen zijn. Hierin schuilt een groot risico op overschrijding van de emissiegrenswaarde. Dit voorschrift biedt volgens eisers dan ook onvoldoende zekerheid dat de emissiegrenswaarden niet zullen worden overschreden. Standpunt GS over bezwaren meetplan en meetsensor 23.6. GS hebben in het aanvullende verweerschrift aangegeven dat in het meetplan staat omschreven dat de gebruikte sensoren moeten voldoen aan deel D van “Richtlijnen voor het bepalen van emissies uit veestallen” van de WLR, in de praktijk ook wel meetprotocol D genoemd. Deel D is gebaseerd op het rapport “Ontwikkel- en validatieprotocol meetinstrumenten voor gasconcentraties in bedrijfsmonitoring van NH3 en CH4 uit veehouderijen: Toepassing bij sensorsystemen voor vaststellen van stalemissies”
Bronpassage s0039
van de WLR uit 2021. In het meetplan is er bewust voor gekozen om het specifieke sensortype niet vast te leggen, maar te definiëren op basis van wetenschappelijke criteria (meetrichtlijn D). De metingen vinden namelijk voor onbepaalde tijd plaats. Het kan zo zijn dat er in de loop van de tijd bepaalde sensortypes op de markt komen of verdwijnen. Dit maakt het wisselen van de sensor mogelijk, binnen het kader van meetprotocol D, zonder dat er een nieuw meetplan aan het bevoegd gezag hoeft te worden voorgelegd. Er is nu één sensor, namelijk de A500 (ook wel DOL 51 genoemd), die wetenschappelijk gevalideerd is volgens deze eisen; voor zowel het meten voor als achter de luchtwasser in varkensstallen. Dit volgt uit het rapport “Validatie van de Dräger Polytron® A500 (DOL 51) sensor voor het meten van luchtconcentraties van ammoniak: lab- en veldtests bij luchtwassers op vier varkensstallen” van de WLR van december 2025. Volgens GS volgt uit dit rapport dat de DOL 51 geschikt is om op een betrouwbare wijze de ammoniakemissie in varkensstallen te meten, zowel voor als achter de luchtwasser. De citaten die [persoon 2] in zijn notitie aanhaalt uit de email van de fabrikant maken dit volgens GS niet anders. Dräger heeft in de reactie van 9 maart 2026 aangegeven dat er sprake is geweest van miscommunicatie nu via het algemene contactformulier vragen zijn gesteld. Omdat vragen over sensoren bij agrarisch gebruik weinig voorkomen, is de vraag verkeerd beantwoord. In de beantwoording is te
Bronpassage s0040
n onrechte aangegeven dat de ammoniaksensor hygroscopisch is, maar dat klopt niet. Eisers hebben volgens GS wel terecht opgemerkt dat in het meetplan is voorgesteld de sensor na drie jaar preventief te vervangen, terwijl de WLR adviseert om de sensor na één jaar preventief te vervangen. Zoals echter aangegeven in het meetplan is voor de vraag voor welke sensor wordt gekozen de toetsing aan meetrichtlijn D leidend”. GS lezen het meetplan dan ook zo dat het sensorelement achter de wasser na één jaar preventief moet worden vervangen. Daarmee voldoet het meetplan nog steeds aan de wetenschappelijke eisen. Als de rechtbank dit standpunt niet volgt, dan verzoeken GS om in zoverre zelf in de zaak te voorzien door voorschriften 3.1.2 en 3.2.1 aan te passen. Beoordeling rechtbank meetplan en meetsensor 24. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.
Bronpassage s0041
Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd. 24.1. Zoals GS terecht hebben aangegeven is in voorschriften 3.1.2 en 3.2.1 niet het gebruik van de DOL 51-sensor voorgeschreven. Uit de voorschriften volgt enkel dat een meetsensor moet worden gebruikt die voldoet aan het meetplan. Dit meetplan vindt op zijn beurt weer zijn grondslag in een richtlijn die is opgesteld door de WLR. Ook als de DOL 51-sensor niet zou voldoen aan het meetplan, dan raakt dat dus niet direct het besluit. De rechtbank begrijpt het betoog van eisers zo dat voorschrift 3.2.1 niet uitvoerbaar is omdat er geen geschikte meetsensoren zijn. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de DOL 51-sensor inmiddels is gevalideerd door de WLR. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd ook geen aanleiding om te twijfelen aan de onderbouwing van de geschiktheid van deze sensor om de ammoniakemissie te meten. 24.2. Dat neemt niet weg dat ook een geschikte meetsensor na verloop van tijd en door de omstandigheden in de stal afwijkingen kan gaan vertonen. Eisers hebben aangegeven dat de sensor volgens hun elke maand zou moeten worden gekalibreerd om meetafwijkingen te voorkomen. 24.3. In hoofdstuk 5 van het meetplan staat een stappenplan voor de kwaliteitsborging van de sensoren. Stap 1 is de validatie van de sensor, stap 2 is de ingangscontrole van de sensor, stap 3 is de controlemeting bij het plaatsen, stap 4 zijn de periodieke controlemetingen en
Bronpassage s0042
stap 5 is de controle op drift. Over stap 4 staat in het meetplan het volgende: “ Om de juiste werking van de sensoren te controleren wordt in het 1e jaar naast de controle metingen na het plaatsen nog 1 keer per jaar, en bij vervolgmetingen tweemaal per jaar, een controle meting uitgevoerd van de sensor en het bemonsteringssysteem. Deze controle is gelijk aan stap 3 voor de sensor in de uittredende lucht. De overige sensoren (de sensoren in de afdelingen) worden getest door gedurende 1 uur per sensor een vergelijkingsmeting te doen met 2 nieuwe sensoren (duplo controle). Bij afwijking van de afdelingssensor t.o.v. van het gemiddelde van de controle sensor of SRM < 10 % is er geen actie nodig. Wanneer het verschil ligt tussen 10 en 20% van de SRM waarde moet het meetsysteem op alle relevante aspecten worden gecontroleerd en de controlemeting op zo kort mogelijke termijn herhaald worden. Dit verschil blijft wordt een correctiefactor ingevoerd voor de afdelingssensor(en). Wanneer het verschil groter is dan 20% van de SRM waarde of de controle sensor wordt de sensor vervangen. Hierna wordt opnieuw een SRM meting uitgevoerd.” In hoofdstuk 5 staat het volgende over “vervanging sensorelementen”: “De sensoren worden permanent geplaatst, [advies en ingenieursbureau] stelt voor om na 3 jaar de elementen preventief te vervangen. Het vervangen van de sensoren zal plaats vinden tijdens het reguliere onderhoud waarna altijd controlemetingen dienen te worden uitgevoerd.” Vervangingstermij
Bronpassage s0043
n 24.4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit hoofdstuk 2 van het meetplan volgt dat er in elke stal twee ammoniaksensoren worden geplaatst. Bij het uitvallen van één sensor is er dus nog een back-up. In hoofdstuk 5 staat dat de sensoren na drie jaar worden vervangen. De rechtbank volgt niet het betoog van GS dat uit de richtlijn volgt dat vervanging eerder, dus na een jaar, plaats moet vinden. In het voorschrift wordt verwezen naar het meetplan en in hoofdstuk 5 staat dat vervanging van sensoren pas na drie jaar aan de orde is. Nu tussen partijen niet in geschil is dat dit een jaar moet zijn, is er in zoverre sprake van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. De beroepsgrond slaagt. Frequentie controle metingen 24.5. Wanneer de vervangingstermijn is teruggebracht tot 1 jaar, is de vervolgvraag of het nodig is om binnen deze termijn van één jaar de sensoren maandelijks te controleren, zoals eisers verlangen. GS hebben hierover in het aanvullende verweerschrift aangegeven dat in het meetplan staat dat er twee keer per jaar controlemetingen plaatsvinden, ook wel referentiemetingen genoemd. Twee referentiemetingen is volgens GS in lijn met de wetenschappelijke richtlijn die hier speciaal voor is opgesteld (deel C van de meetrichtlijn). 24.5.1. De rechtbank leest stap 4 in het meetplan zo dat in het eerste jaar één controle plaatsvindt van de sensoren (uitgaande van de vervanging na één jaar, wordt de sensor dan dus om het half jaar gecontroleerd). Naar het oordeel van de rech
Bronpassage s0044
tbank hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat het nodig is om meer controles te verrichten naar de werking van de sensoren. Op de zitting heeft de deskundige van vergunninghouder aangegeven dat op dit moment bij 80 stallen, waarvan de meeste een DOL 51 sensor hebben, wordt gemeten en dat meetproblemen niet optreden binnen één jaar maar later. Dat acht de rechtbank, gelet op de conclusies van de WLR in het validatierapport voor de DOL 51, waar staat dat de sensoren achter de luchtwassers een levensduur van circa 1,5 jaar hebben, niet onaannemelijk. Uit de meetrichtlijn van het WLR en uit het validatierapport van de DOL 51 volgt ook niet dat het nodig is om maandelijks controles of kalibraties te verrichten en ook de deskundigen van de WLR geven in de notitie van 9 maart 2026 aan dat wanneer de DOL 51-sensor gaat worden toegepast, waarbij het sensorelement volgens de aanbeveling uit dit rapport jaarlijks preventief wordt vervangen, er geen reden bestaat om de controlemetingen vaker uit te voeren dan beschreven. Zoals de deskundige van vergunninghouder heeft aangegeven, is er ook sprake van twee sensoren, zodat als er één sensor uitvalt er nog steeds een back-up is. In hoofdstuk 8 van het meetplan is verder aangegeven hoe er wordt omgegaan met uitval van meetdata. Daaruit volgt dat bij 8 of meer aaneengesloten dagen zonder valide meetdata een worst-case waarde voor de ontbrekende dagemissies wordt ingevuld. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oord
Bronpassage s0045
eel dat de sensoren maandelijks, in plaats van halfjaarlijks, moeten worden gecontroleerd. De beroepsgrond slaagt niet. Beschikbaarheid meetresultaten 24.6. In hoofdstuk 8 van het meetplan wordt ingegaan op de beschikbaarheid van meetdata en in de voorschriften is aangegeven hoe met de meetdata moet worden omgegaan. De meetdata kunnen volledig worden opgevraagd door GS zodat er geen aanleiding bestaat om in een voorschrift op te nemen dat minimaal 90% van de meetresultaten beschikbaar is. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. Detectielimiet 24.7. In de notie van de WLR van 9 maart 2026 is ingegaan op de detectielimiet. Daarin is aangegeven dat in de situaties waarin de uitgaande lucht een lagere ammoniakconcentratie heeft dan de detectielimiet dan wel kwantificatielimiet, wordt geadviseerd om de detectie- of kwantificatielimiet te hanteren. Dit zal naar verwachting in versie 3 van de richtlijn worden opgenomen. Omdat eisers verder niet hebben onderbouwd op welk punt de voorschriften en het meetplan voor wat betreft de detectielimiet tekort schieten, slaagt de beroepsgrond niet. Meetonzekerheid 24.8. In de notie van de WLR van 9 maart 2026 wordt ingegaan op de meetonzekerheid. Daarin staat het volgende: “de meetonzekerheid van een sensor is het concentratiebereik rond de meetwaarde waarin de werkelijke concentratie met een bepaalde mate van zekerheid (doorgaans 95%) ligt. Dat concentratiebereik kan bijvoorbeeld worden uitgedrukt als een 95%-betrouwbaarheidsinterval
Bronpassage s0046
rond de meetwaarde (de meetwaarde ligt in het centrum van de ondergrens en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval) of als ± een standaardafwijking (absoluut of procentueel) ten opzichte van de meetwaarde. Belangrijk is: a) de meetonzekerheid is een toevallige afwijking van de werkelijke waarde dat in richting zowel positief als negatief kan zijn, en b) de meetonzekerheid gaat over één meting (hier een ammoniakconcentratie in een luchtstroom gedurende bijvoorbeeld een seconde of minuut op een bepaalde dag in de tijd). Een jaarvracht is gebaseerd op potentieel 365 dagwaarden, bestaande uit potentieel (365*24=) 8760 uurwaarden, en zo verder, tot de initiële metingen op bijvoorbeeld minuutbasis. Omdat de toevallige afwijking in de meetwaarde de ene keer naar boven gericht is en de andere keer naar beneden, en zo vaak herhaald wordt uitgevoerd, tendeert de meetonzekerheid in de jaarvracht naar een zeer lage waarde (nabij nul). Kortom: de vermeende meetonzekerheid van 30% gaat over één meting, de meetonzekerheid in de jaarvracht is zeer klein.” 24.8.1. Omdat eisers verder niet hebben onderbouwd op welk punt de voorschriften en het meetplan voor wat betreft de meetonzekerheid tekort schieten, slaagt de beroepsgrond niet. Jaargemiddelde 24.9. GS hebben verder aangegeven dat de emissiegrenswaarde een kalender jaargemiddelde betreft. In het voorschrift staat ook dat de emissie maximaal 384 kg NH3 per kalenderjaar mag bedragen. Omdat eisers verder niet hebben onderbouwd op welk
Bronpassage s0047
punt de voorschriften en het meetplan op dit punt tekort schieten, slaagt de beroepsgrond niet. Emissiereductie luchtwasser 24.10. Zoals GS in het aanvullende verweerschrift hebben toegelicht zorgen de combiscraper/dagontmesting/mestschuiven voor een emissiefactor van 1 kg per varken per jaar. Met een rendement van 70% van de biologische wasser wordt een emissie bereikt van 0,3 kg per varken. Vermenigvuldigd met 1280 is dit 384 kg per jaar per stal. Het door eisers berekende percentage ammoniakemissiereductie van 72,7 % gaat uit van een emissiefactor van 1,1 kg per varken, maar deze emissiefactor is voor dit stalsysteem niet van toepassing. De beroepsgrond slaagt niet. Rapportageplicht na 2 jaar (voorschrift 3.2.2) 24.11. Het vervallen van de actieve rapportageplicht betekent niet dat GS niet langer kunnen controleren of de emissiegrenswaarde wordt overschreden. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de actieve rapportageplicht van twee jaar in voorschrift 3.2.2 maakt dat het ammoniakplafond niet goed geborgd is. De beroepsgrond slaagt niet. Plan van aanpak (voorschrift 3.2.7 en 3.2.8) 24.12. GS hebben in het verweerschrift het volgende aangegeven: “Verweerders stellen voorop dat de veehouder er te allen tijde voor moet zorgen dat de emissiegrenswaarde niet wordt overschreden. Vergunningvoorschrift 3.1.3 is hier duidelijk over. Daarin is bepaald dat de emissie van ammoniak die vanuit stal 3 en 4 wordt geëmitteerd naar de buitenlucht maximaal 384,
Bronpassage s0048
0 kg NH3 per stal per kalenderjaar bedragen (de emissiegrenswaarde). Dit is een hard vereiste, dat te allen tijde geldt. De veehouder kan dit goed controleren, want de veehouderij moet beschikken over een navigatiesysteem (dashboard/monitoring) waarin de resultaten van de metingen direct zichtbaar zijn. Daarbij moet het navigatiesysteem de mogelijkheid hebben om een prognose of trendlijn te berekenen (vergunningvoorschrift 3.3.2). Ook het bevoegd gezag kan hier op elk gewild moment toezicht op houden, want de resultaten van de metingen op het navigatiesysteem zijn (vanzelfsprekend) ook voor de toezichthouder direct zichtbaar wanneer de toezichthouder op controle komt. Bovendien moeten de meetgegevens en de (ruwe) data te allen tijde opvraagbaar zijn door het bevoegd gezag (vergunningvoorschrift 3.2.6). Verweerders benadrukken dat voorschrift 3.1.3 in zichzelf dus reeds de verplichting met zich meebrengt dat als overschrijding van de emissiegrenswaarde dreigt, onmiddellijk maatregelen moeten worden getroffen (zie ook vergunningvoorschrift 3.3.1). Het bevoegd gezag kan hier op elk moment toezicht op houden. Hiermee is op zichzelf reeds geborgd dat er geen overschrijding van de emissiegrenswaarde zal plaatsvinden. In het kader van een nóg betere toetsing en controle zijn aan de omgevingsvergunning echter nog meer voorschriften verbonden. De veehouderij moet na afloop van elk kalenderjaar, en ook gedurende het kalenderjaar, de resultaten van de ammoniakmetingen aan het bevoegd ge
Bronpassage s0049
zag toezenden (vergunningvoorschrift 3.2.7). Mocht daaruit onverhoopt blijken dat de emissiegrenswaarde overschreden dreigt te worden, dan moet binnen een kort tijdsbestek een plan van aanpak worden opgesteld met daarin passende reducerende maatregelen die ertoe leiden dat de grenswaarde niet wordt overschreden (vergunningvoorschrift 3.2.8). Dit plan van aanpak moet door het bevoegd gezag worden goedgekeurd. Als het niet wordt goedgekeurd, moet de veehouder minder dieren houden (vergunningvoorschrift 3.2.9). Verweerders wijzen erop dat dit plan van aanpak geruime tijd voor de daadwerkelijke overschrijding van de emissiegrenswaarde moet worden opgesteld en ingediend. De situatie die eisers vrezen, dat tijdens het opstellen van het plan van aanpak de emissiegrenswaarde zal worden overschreden, zal zich dan ook niet voordoen. Verweerders benadrukken echter dat ook wanneer op grond van de vergunningvoorschriften de verplichting geldt om een plan van aanpak op te stellen, de emissiegrenswaarde (vergunningvoorschrift 3.1.3) gewoon van kracht blijft (zie hiervoor) alsook de verplichting om maatregelen te treffen. De vergunningvoorschriften zitten derhalve zo in elkaar dat, mocht overschrijding van de emissiegrenswaarde zich onverhoopt wel op korte termijn dreigen voor te doen, de veehouder, gedurende het proces van het opstellen van het plan van aanpak, onmiddellijk maatregelen moet treffen waardoor onderschrijding gewaarborgd blijft. En er is altijd een maatregel mogelijk die op ko
Bronpassage s0050
rte termijn kan worden getroffen en die er met zekerheid voor zorgt dat er geen overschrijding zal plaatsvinden: het minder aanvoeren van dieren waarmee de bijbehorende emissie ophoudt. Het samenstel van deze vergunningvoorschriften geeft concreet uitvoering aan het voorzorgbeginsel, omdat te allen tijde sprake is van effectieve borging van de naleving van de emissiegrenswaarde (jaarvracht): per direct op basis van het dashboard met prognose, volgens een plan van aanpak als daar aanleiding toe is, of in dieraantallen als het plan geen goedkeuring krijgt. Het bevoegd gezag kan en zal hier op controleren. Verweerders verzetten zich aldus ferm tegen de stelling van eisers, dat met de voorschriften niet gewaarborgd is dat er nimmer een overschrijding van de emissiegrenswaarde zal plaatsvinden.” 24.13. Zoals de rechtbank hiervoor heeft aangegeven, is met het meetplan inclusief een daaraan toe te voegen voorschrift dat de sensoren binnen een jaar moeten worden vervangen en om het half jaar moeten worden gecontroleerd, afdoende geborgd dat de sensoren goed werken. De rechtbank is verder van oordeel dat met de opgenomen vergunningvoorschriften afdoende is geborgd dat de in voorschrift 3.1.3 opgenomen emissiegrenswaarde niet wordt overschreden. Met de verplichting om (ruim) voor het einde van het jaar een rapportage in te dienen en een plan van aanpak in te dienen kan tijdig worden bijgestuurd, en zonodig kan met toepassing van voorschrift 3.2.9 vergunninghouder worden gelast om geen
Bronpassage s0051
dieren meer te houden in de stal. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat GS zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat voldoende geborgd is dat een overschrijding van de vergunde emissiegrenswaarde niet zal plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet. 24.14. Samengevat concludeert de rechtbank dat in de voorschriften moet staan dat de meetsensoren binnen één jaar moeten worden vervangen. Indien de vergunning in zoverre wordt aangepast zijn het meetplan in combinatie met de vergunningvoorschriften voldoende om te borgen dat de emissiegrenswaarde niet wordt overschreden. Is de natuurvergunning ten onrechte voor onbepaalde tijd verleend? 25. Eisers betogen dat een tijdelijke natuurvergunning had moeten worden verleend vanwege de onzekerheid over de werkelijk optredende stikstofemissies gelet op de beoogde bedrijfsvoering, in combinatie met de onzekere periode waarin de ongunstige staat van instandhouding van nabije beschermde natuurwaarden zal blijven voortduren. 25.1. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is met de voorschriften afdoende geborgd dat de ammoniakemissie niet meer zal bedragen dan vergund. Er is daarom geen onzekerheid over de werkelijk optredende emissies. De omstandigheid dat voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden sprake is van een ongunstige staat van instandhouding maakt niet dat GS op grond van artikel 5.3, derde lid, van de Wnb in dit geval een geldigheidsduur aan de natuurvergunning hadden moeten verbinden. De beroepsgrond slaagt niet. Addit
Bronpassage s0052
ionaliteitsvereiste 26. Eisers betogen dat de nadere motivering niet voldoet aan het kader dat is opgenomen in de rechtspraak. Volgens eiseres hebben GS onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de noodzakelijke stikstofdaling voor de verschillende habitattypen in de Natura 2000-gebieden is. Het gaat bovendien veelal om stikstofgevoelige habitattypen die op de rode lijst staan. Zij verwijzen in dat verband naar overweging 10.7 uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025. Eisers betogen daarnaast dat GS niet bevoegd waren om de VVGB te verlenen, omdat er geen overeenstemming is met het college van GS van Overijssel. Overijsselse Natura 2000-gebieden 26.1. Op grond van artikel 1.3, derde lid, van de Wnb is overeenstemming vereist als een handeling nadelige gevolgen heeft voor een in een andere provincie gelegen Natura 2000-gebied. In dit geval neemt door intern salderen de stikstofdepositie af. Omdat de stikstofdepositie afneemt is er geen sprake van nadelige gevolgen en is naar het oordeel van de rechtbank ook geen overeenstemming van het college van GS van Overijssel vereist. De uitspraak van de rechtbank van 31 oktober 2025 is niet vergelijkbaar, want in die zaak ging het om extern salderen. De beroepsgrond slaagt niet. De toestemming van GS van Overijssel die in de beroepsprocedure alsnog is overgelegd was naar het oordeel van de rechtbank dus niet nodig. Maatregelenpakket 26.2. Uit de 18 december-uitspraken volgt dat GS kunnen voldoen aan de motiveringsplicht met betrekkin
Bronpassage s0053
g tot het additionaliteitsvereiste door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad deze maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn. In de uitspraak van 2 juli 2025 heeft de Afdeling deze motiveringsplicht verder verduidelijkt. In deze uitspraak staat het volgende: “10.6. De te hoge stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van (veel) verschillende activiteiten afkomstig van verschillende bronnen. Daar waar een beperking van een hoge stikstofbelasting nodig is om de verslechtering van natuurwaarden te voorkomen, zijn passende maatregelen nodig, die onder meer gericht zijn op een daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. De intrekking of een wijziging van natuurvergunningen voor activiteiten die bijdragen aan die verslechtering is een passende maatregel, maar zal in de regel niet de enige mogelijke passende maatregel zijn ter beperking van de stikstofdepositie. Het college kan, als het niet voor de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning kiest terwijl dat wel zou kunnen, niet volstaan met de enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen, en al zijn of nog zullen worden getroffen. Het college moet ook inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Als er een pakket van maatregelen of een program
Bronpassage s0054
ma in uitvoering is dat gericht is op een daling van stikstofdepositie en dat zo nodig vergezeld gaat van een monitoring van de uitvoering en effecten daarvan en het betrokken pakket of programma voorziet in een bijsturing of een aanvulling indien nodig, dan kan het college daar naar verwijzen. Vergelijk 28.2 van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 (hierna: de PAS-uitspraak). Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstofdepositiereducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning nadrukkelijk in beeld, waarbij ook de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen in de afweging kan worden betrokken. Het bovenstaande geldt in het bijzonder als dergelijke intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot een relevante verbetering kan of kunnen leiden. 10.7. Het bovenstaande betekent dat het college niet alleen de te treffen maatregelen in beeld moet brengen, maar ook moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van het college noodzakelijk is, en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Aangezien deze onderbouwing per Natura 2000-gebied moet worden gegeven, hoeft het college daarbij niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij de generieke omgevingswaarden die in art. 1.12a van de Wnb zijn opgenomen en het bijbehorende tijdpad, maar kan het college voor het betreffende Natura 2000-g
Bronpassage s0055
ebied een gebiedsspecifieke onderbouwing hanteren. Het college zal vervolgens moeten motiveren waarom de daling van stikstofdepositie door de voorgestelde maatregelen voldoende is om verslechtering tegen te gaan. Daarbij kan helpend zijn dat het college inzichtelijk maakt wat de kenmerken zijn van het gebied en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor het betreffende Natura 2000-gebied om invulling te geven aan art. 6, tweede lid, van de Hrl. De passende maatregelen moeten vervolgens zijn gericht op het tegengaan van de (dreigende) verslechtering.” 26.3. GS hebben in het verweerschrift verwezen naar de aanvullende maatregelen die worden genomen, zoals de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (LBV en LBV+), de Maatregel Gerichte Opkoop (MGO)-regeling, de Vrijwillige opkoopregeling Kalverhouderijen Gld (VOKG) en het afschaffen van de derogatie, welke zorgen voor een aangescherpte en blijvende daling van stikstofdepositie. In de memo die is gevoegd als bijlage 3 bij het verweerschrift hebben GS het effect van deze maatregelen uitgewerkt. Daarin staat het volgende: • nog niet alle (opkoop)maatregelen, zoals de Lbv, Lbv+, de Maatregel gerichte opkoop (MGO) en de Vrijwillige Opkoop Kalverhouderijen provincie Gelderland zijn verwerkt in AERIUS-monitor 2024. De prognoses van AERIUS Monitor 2024 zijn gebaseerd op uitgangspunten uit de Klimaat- en Energieverkenning 2022 (hierna: KEV) van het Planbureau voor de Leefomgeving. Op basis van de KEV 2022, was de LBV+ maat
Bronpassage s0056
regel nog geen vastgesteld beleid, maar geagendeerd beleid. Deze effecten zitten dus nog niet in AERIUS Monitor. In de recente KEV 2024 zijn deze effecten wel opgenomen, maar dit is nog niet verwerkt in AERIUS-monitor. GS veronderstellen dat voor de provincie Gelderland sprake is van een forse onderschatting omdat de Lbv en Lbv+ landelijke regelingen betreffen waarvoor het PBL een gemiddeld effect per provincie toekent. Uit RVO-cijfers blijkt echter dat Gelderland het hoogste aantal Lbv(+) aanmeldingen heeft van alle provincies (circa 50%). Van de Vrijwillige Opkoop Kalverhouderijen provincie Gelderland zijn 4 van de 5 opgekochte bedrijven meegenomen. De omvang van deze bedrijven blijkt veel groter en daarom is dit in de KEV 2024 gecorrigeerd en dit zal worden meegenomen in toekomstige effecten van AERIUS-monitor. De afschaffing van derogatie was nog niet meegenomen in de raming van de KEV 2022. De Universiteit van Wageningen heeft becijferd dat dit een daling van l,6 kiloton N/jr oplevert. • De KEV de effecten per provincie prognosticeert. De emissie-effecten van maatregelen voor de toekomstjaren worden daarbij ruimtelijk over de gehele provincie uitgespreid, terwijl de hier onderzochte maatregelen, in zoverre wel verwerkt in de toekomstprognoses van AERIUS, juist rondom overbelaste N2000-gebieden zijn gerealiseerd. Doordat NH3 neerslaat in de directe omgeving zijn de werkelijke effecten op de N2000 gebieden veel groter dan wanneer de emissies over de gehele provincie worden
Bronpassage s0057
uitgespreid. • De uitstoot per hectare van natuurinclusieve landbouw lager is, als gevolg van beweiden en bemesten, ten opzichte van traditionele landbouw. De recente KEV 2024 doet hierover prognoses, maar is nog niet opgenomen in AERIUS-monitor. GS hebben het voorgaande in de onderstaande tabel gekwantificeerd: GS hebben berekend wat de effecten zijn van deze maatregelen per Natura 2000-gebied binnen een straal van 25 kilometer van de veehouderij en ook berekend wat de stikstofwinst is als de natuurvergunning van vergunninghouder wordt ingetrokken. Voor het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied waarop de veehouderij het meeste effect heeft, het Korenburgerveen, wordt aangegeven dat voor 2025 een totale reductie van de maatregelen op de depositievracht wordt verwacht van 447,5 mol/N/jaar en voor 2030 een reductie van 1.270,5 mol N/jaar. De veehouderij heeft een depositievracht van 263,4 mol N/jaar op dit natuurgebied. Het effect van de maatregelen is volgens GS voor dit Natura 2000-gebied, maar ook voor de andere Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer van de veehouderij, vele malen groter dan intrekking van de natuurvergunning. GS hebben verder voor de overbelaste habitats met een “nee, tenzij-status” uit de onderzochte Natura 2000-gebieden naast de trendlijn uit AERIUS (paars) ook de extra daling van de depositie als gevolg van de gekwantificeerde maatregelen in beeld gebracht (blauw). Deze extra dalende trendlijn is nog niet verwerkt in de NDA’s en in die daling is nog gee
Bronpassage s0058
n rekening gehouden met de effecten van derogatie. 26.4. Uit de berekeningen die GS hebben overgelegd blijkt dat het effect van de aanvullende maatregelen verschilt per Natura 2000-gebied. In de Natura 2000-gebieden “Bekendelle”, “Buurserzand & Haaksbergerveen”, “Willinks Weust”, “Witte veen”, “Wooldse Veen” en “Korenburgerveen” liggen de paarse en blauwe lijnen voor de diverse habitattypen dicht bij elkaar. Voor “Stelkampsveld” is er sprake van een groter effect van de maatregelen. In het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Korenburgerveen”, waarop sprake is van de grootste stikstofdepositie door de veehouderij, gaat het ter illustratie om de volgende stikstofdeposities: voor het habitattype “H91D0 Hoogveenbossen” is de stikstofdepositie in 2020 1424,8 mol/N/ha/jaar en neemt de stikstofdepositie in 2030 af naar 1216,8 mol/N/ha/jaar (paarse lijn) en 1210,7 mol/N/ha/jaar (blauwe lijn). De KDW voor dit habitattype is 1786 mol/N/ha/jaar. voor het habitattype “H91E0C Vochtige alluviale bossen” is de stikstofdepositie in 2020 1779,6 mol/N/ha/jaar en neemt de stikstofdepositie in 2030 af naar 1515,9 mol/N/ha/jaar (paarse lijn) en 1508,3 mol/N/ha/jaar (blauwe lijn). De KDW voor dit habitattype is 1857 mol/N/ha/jaar. voor het habitattype “H3130 Zwakgebufferde vennen” is de stikstofdepositie in 2020 1412,5 mol/N/ha/jaar en neemt de stikstofdepositie in 2030 af naar 1204,4 mol/N/ha/jaar (paarse lijn) en 1197,9 mol/N/ha/jaar (blauwe lijn). De KDW voor dit habitattype is 500 mol/N/ha/ja
Bronpassage s0059
ar. (ter illustratie) voor het habitattype “H6230vka: Heischrale graslanden, vochtig kalkarm” is de stikstofdepositie in 2020 1486,2 mol/N/ha/jaar en neemt de stikstofdepositie in 2030 af naar 1266,7 mol/N/ha/jaar (paarse lijn) en 1260 mol/N/ha/jaar (blauwe lijn). De KDW voor dit habitattype is 714 mol/N/ha/jaar. voor het habitattype “H6410: Blauwgraslanden” is de stikstofdepositie in 2020 1535,5 mol/N/ha/jaar en neemt de stikstofdepositie in 2030 af naar 1310,4 mol/N/ha/jaar (paarse lijn) en 1303,4 mol/N/ha/jaar (blauwe lijn). De KDW voor dit habitattype is 786 mol/N/ha/jaar. voor het habitattype “H7110A: Actieve hoogvenen (hoogveenlandschap)” is de stikstofdepositie in 2020 1249,8 mol/N/ha/jaar en neemt de stikstofdepositie in 2030 af naar 1061,3 mol/N/ha/jaar (paarse lijn) en 1055,6 mol/N/ha/jaar (blauwe lijn). De KDW voor dit habitattype is 500 mol/N/ha/jaar. voor het habitattype “H7120ah: Herstellende hoogvenen, actief hoogveen” is de stikstofdepositie in 2020 1404,8 mol/N/ha/jaar en neemt de stikstofdepositie in 2030 af naar 1195,9 mol/N/ha/jaar (paarse lijn) en 1189,5 mol/N/ha/jaar (blauwe lijn). De KDW voor dit habitattype is 500 mol/N/ha/jaar. voor het habitattype “H7140A: Overgangs- en trilvenen (trilvenen)” is de stikstofdepositie in 2020 1534,4 mol/N/ha/jaar en neemt de stikstofdepositie in 2030 af naar 1310,4 mol/ha/jaar (paarse lijn) en 1303,4 mol/N/ha/jaar (blauwe lijn). De KDW voor dit habitattype is 1214 mol/N/ha/jaar. voor het habitattype “H7210: Galigaanmoe
Bronpassage s0060
rassen” is de stikstofdepositie in 2020 1299,7 mol/N/ha/jaar en neemt de stikstofdepositie in 2030 af naar 1106,2 mol/N/ha/jaar (paarse lijn) en 1100,2 mol/N/ha/jaar (blauwe lijn). De KDW voor dit habitattype is 1429 mol/N/ha/jaar. voor het habitattype “ZGH7140A: Overgangs- en trilvenen (trilvenen)” is de stikstofdepositie in 2020 1412,5 mol/N/ha/jaar en neemt de stikstofdepositie in 2030 af naar 1204,4 mol/N/ha/jaar (paarse lijn) en 1197,9 mol/N/ha/jaar (blauwe lijn). De KDW voor dit habitattype is 1214 mol/N/ha/jaar. Uit de berekeningen blijkt dat voor alle habitattypes sprake is van een afname van de stikstofdepositie, maar dat voor een groot aantal habitattypes ook in 2030 (en later) met de aanvullende maatregelen nog steeds sprake is van een (forse) overschrijding van de KDW. Met deze berekening is niet inzichtelijk gemaakt dat met de maatregelen uitvoering wordt gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Ook het rapport van [bedrijf] biedt dat inzicht niet. De rechtbank stelt namelijk vast dat dit rapport niet ziet op de voorliggende veehouderij, maar op de veehouderij in de andere zaken die gelijktijdig zijn behandeld. De stelling dat het in dit geval om een geringe depositie gaat - waarbij de rechtbank in het midden laat of daar in deze zaak sprake van is - is geen toereikende motivering, omdat daarmee niet aannemelijk en inzichtelijk wordt gemaakt met welke andere maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan
Bronpassage s0061
de noodzakelijk reductie van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn. De rechtbank is het daarom met eisers eens dat GS onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt dat de genoemde maatregelen voorzien in de noodzakelijke daling van stikstofdepositie om verslechtering van natuurwaarden tegen te gaan. De beroepsgrond slaagt. 26.5. De nadere motivering van GS kan al om deze reden het motiveringsgebrek niet herstellen. 26.6. GS hebben zich in het (aanvullende) verweerschrift op het subsidiaire standpunt gesteld dat zij in de rechtspraak van de Afdeling ruimte zien om ook in gevallen waarin er nog geen volwaardig maatregelenpakket is waarmee verslechtering wordt voorkomen, tot de conclusie te komen dat de ingezette mitigerende maatregel (in dit geval het intern salderen) niet hoeft te worden ingezet als passende maatregel. Meer subsidiair hebben GS zich onder verwijzing naar artikelen die naar aanleiding van de uitspraken van 18 december 2024 in de literatuur zijn verschenen op het standpunt gesteld dat de Afdeling in haar jurisprudentie een verkeerde uitleg geeft van de arresten van het Hof van Justitie met betrekking tot artikel 6 van de Habitatrichtlijn en ten onrechte het additionaliteitsvereiste van toepassing heeft verklaard op intern salderen. 26.7. De rechtbank is van oordeel dat in het kader van finale geschilbeslechting en ná de conclusie dat het gebrek niet alsnog is hersteld te ver voert om op dit subsidiaire en meer subsidiaire betoog in te gaan. De rechtbank laat dez
Bronpassage s0062
e betogen dan ook verder onbesproken. Overigens heeft de Afdeling op 16 juli 2026 bekend gemaakt dat eind oktober 2026 een rechtszitting wordt gehouden over verzoeken om over deze onderwerpen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Conclusie en gevolgen 27. De rechtbank is van oordeel dat met de aanvullende motivering het motiveringsgebrek met betrekking tot het additionaliteitsvereiste niet is hersteld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet geen aanleiding om een tussenuitspraak te doen. GS hebben inmiddels nieuwe maatregelen genomen, die zijn uitgewerkt in de Versnelling Aanpak Stikstof. Die voorziet onder meer in een stikstofzone rondom “Bekendelle” en “Willinks Weust”. Daarnaast heeft de minister ook een nieuw maatregelenpakket aangekondigd dat onder meer voorziet in zones van 500 of 1000 meter rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze maatregelen en de daaruit voortvloeiende extra stikstofdepositievermindering kan het college meenemen in een nieuw besluit. Daarin kan het college ook een voorschrift aanpassen zodat wordt geborgd dat de sensoren elk jaar vervangen worden. Proceskosten en griffierecht 28. Omdat de beroepen van eisers gegrond zijn moet het college hun griffierecht vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de kosten van de door gemachtigde van eisers verleende rec
Bronpassage s0063
htsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 2.335,-, omdat de gemachtigden een beroepschrift hebben ingediend, aan de zitting hebben deelgenomen en een nadere reactie hebben ingediend (2,5 punten x € 934 per punt). Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - veroordeelt het college in de proceskosten van Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland voor een bedrag van € 2.335,-; - veroordeelt het college in de proceskosten van MOB voor een bedrag van € 2.335,-; - draagt het college op de griffiekosten van € 371,- aan Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland te vergoeden; - draagt het college op de griffiekosten van € 371,- aan MOB te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzitter , en mr. M. van Harten en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026 Griffier Voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, d
Bronpassage s0064
an kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage voorschriften bij VVGB 3.1 Algemeen 3.1.1 De omgevingsvergunning met deze vvgb en de bijbehorende AERIUS-berekeningen (bijlage 2) met kenmerk RyuVXFaKbFDn en S1NgVU8mKne6 en de tekeningen moet aanwezig zijn op het bedrijf. 3.1.2 Stal 3 en 4 wordt voorzien van een mestschuif in combinatie met een luchtwasser (BWL 2006.02.V6). Zij worden ieder voor zich bemeten volgens het meetplan d.d. 9 december 2024 (meetplan voor ammoniakonderzoek bij varkensstal met Trac-Reno mestschuif/P001 292851 WME-V07). 3.1.3 De emissie van ammoniak die vanuit stal 3 en 4 wordt geëmitteerd naar de buitenlucht mag maximaal 384,0 kg NH3 per stal per kalenderjaar bedragen. Als het jaar van oprichting en ingebruikname van stal 3 of stal 4 niet gelijk loopt met een volledig kalenderjaar wordt deze emissiegrenswaarde vermenigvuldigd met de volgende breuk: het aantal dagen vanaf de dag van ingebruikname van stal 3 of stal 42 tot en met 31 december van dat jaar gedeeld door 365 (366 in een schrikkeljaar). 3.1.4 Er mogen geen lekverliezen in stal 3 en 4 plaatsvinden waardoor de uitkomsten van de ammoniakmetingen onzeker zijn. 3.1.5 Er dient een logboek te worden bijgehouden waarin wordt vermeld welke bijzonderheden zich hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn op de metingen, welke stappen zijn ondernomen om deze bijzonderh
Bronpassage s0065
eden op te lossen en na welk tijdsbestek ze opgelost zijn. 3.2 Metingen en rapportage 3.2.1 De metingen en de rapportages moeten conform hoofdstukken 2 en 4 t/m 9 inclusief bijbehorende bijlagen van het goedgekeurde meetplan d.d. 9 december 2024 plaatsvinden (afgeleid van “Richtlijnen voor het bepalen van emissies uit veestallen (versie 2)” (WLR Rapport 1525)) dat bij de aanvraag is gevoegd. De metingen vinden, in tegenstelling tot wat in het meetplan vermeld staat, plaats voor een onbepaalde tijd. 3.2.2 Uiterlijk twee maanden na het verstrijken van een kalenderjaar worden de meetresultaten in een jaar- meetrapport per stal vastgelegd en omvat: - De berekeningswijze, ijk- en validatiegegevens en meetresultaten; - Jaaremissie NH3 in kg/jaar en NH3 kg/dierplaats/jaar. De eerste 2 jaar startend in het eerste onafgebroken kalenderjaar nadat op enig moment de eerste vleesvarkens in stal 3 of stal 4 zijn opgelegd moeten de resultaten van deze rapportage(s) naar het bevoegd gezag opgestuurd worden. Indien 2 achtereenvolgende jaren geen (dreigende) overschrijding in stal 3 of stal 4 heeft plaatsgevonden hoeft het meetrapport niet meer aan het bevoegd gezag te worden opgestuurd. 3.2.3 De rapportages uit voorschrift 3.2.2 dienen in een logboek minimaal 5 jaar bewaard te worden. 3.2.4 Binnen de inrichting moet een verklaring van de meetinstantie aanwezig zijn waaruit blijkt dat de meetsensoren conform het goedgekeurde meetplan geplaatst en operationeel zijn. 3.2.5 Het meetplan kan worde
Bronpassage s0066
n aangepast na overleg en na goedkeuring van het bevoegd gezag, gedurende de looptijd van de vergunning. In de inrichting moet altijd een actueel meetplan aanwezig zijn. Indien dit van toepassing is dan geldt voorschrift 3.1.2 voor het gewijzigde meetplan. 3.2.6 De meetgegevens en de (ruwe) data moeten opvraagbaar zijn door het bevoegd gezag. Deze gegevens kunnen voorgelegd worden aan een onafhankelijke expert om de kwaliteit van de emissiemetingen te controleren. 3.2.7 Binnen twee weken na afloop van de zesde en negende maand van ieder kalenderjaar moeten de resultaten van de ammoniakmetingen aan het bevoegd gezag ter evaluatie worden gezonden, de halfjaar- en driekwart jaar rapportage. Deze halfjaar- en driekwart jaar rapportage moeten elk kalenderjaar worden herhaald en naar het bevoegd gezag opgestuurd worden. Indien 2 achtereenvolgende jaren geen (dreigende) overschrijding heeft plaatsgevonden hoeven de halfjaar- en driekwartjaarrapportage niet meer aan het bevoegd gezag opgestuurd te worden. De halfjaar- en driekwartjaarrapportage rapportages moeten dan pas weer worden opgestuurd indien zich op enig moment een dreigende overschrijding voordoet. Alle genoemde rapportages moeten dan over het dan lopende en het daaropvolgende kalenderjaar worden ingediend binnen de termijn die geldt voor de desbetreffende rapportage. 3.2.8 De halfjaar- en driekwart jaar rapportage uit voorschrift 3.2.7 dient in een logboek minimaal 5 jaar bewaard te worden. Deze halfjaar- en driekwart jaar
Bronpassage s0067
rapportage dienen ten minste te zijn voorzien van de volgende informatie: - Prognose van de ammoniakemissies voor de opvolgende maanden na indiening van de halfjaar en driekwart jaar rapportage. - Indien volgens die prognose een overschrijding van de emissiegrenswaarde volgens voorschrift 3.1.3 voor ammoniak van stal 3 en/of stal 4 is te verwachten, moet een plan van aanpak worden opgesteld en bijgevoegd bij de rapportage met de evaluatie van de ammoniakmetingen, met daarin passende reducerende maatregelen die ertoe leiden dat de grenswaarde alsnog niet wordt overschreden. - Onderbouwing van de effectiviteit van de reducerende maatregelen. 3.2.9 Vergunninghouder moet, na goedkeuring van het plan van aanpak volgens voorschrift 3.2.8 door het bevoegd gezag, het voorgelegde plan van aanpak uitvoeren. Indien het bevoegd gezag niet akkoord gaat met het voorgelegd plan mogen in stal(len) waar de overschrijding dreigt plaats te vinden geen dieren gehouden worden. 3.3 Resultaten van metingen betreffende stal 3 en 4 3.3.1 De ondernemer moet beschikken over een navigatiesysteem (dashboard/monitoring) waarin de resultaten van de metingen direct zichtbaar zijn, zodat direct kan worden bijgesteld bij dreigende overschrijdingen van emissiegrenswaarden of bij storingen. 3.3.2 Het navigatiesysteem moet de mogelijkheid hebben om een prognose of trendlijn te berekenen.” Artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo en artikel 2.2aa, onder a, van
Bronpassage s0068
het Besluit omgevingsrecht. Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Onderdeel van de Wageningen University & Research (WUR). Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, p. 18-20. ECLI:NL:RVS:2024:1139. ECLI:NL:RBGEL:2025:11375. ECLI:NL:RBGEL:2026:6792. ECLI:NL:RBNNE:2025:2577. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3154. Artikel 5.19 en verder van de Omgevingsverordening. In artikel 1.1, tweede lid, van de Wabo en artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Zie de uitspraak van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2522. Dit is een commissie bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland die ook adviseert bij het vaststellen van emissiefactoren op grond van de Rav. ECLI:NL:RVS:2023:3699. 4.408 (nieuwe vergunning) – 2.644 (oude vergunning) = 2.644 vleesvarkens. De nieuwe vergunning geeft toestemming voor 4.408 vleesvarkens. ECLI:NL:RVS:2009:BJ7762. ECLI:NL:RVS:2010:BN6169. Overweging 2.4. Zie de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2012 (ECLI:NL:RVS:BY3064) en 23 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1332). ECLI:NL:RBNNE:2025:2577. Zie onder meer de uitspraak van 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3072. ECLI:NL:RBGEL:2025:4048. ECLI:NL:RVS:2021:71. Dat is de natuurvergunning van 6 oktober 2014. Deze voorschriften zijn opgenomen in de bijlage bij de uitspraak. ECLI:NL:RVS:2024:4923 en ECLI:NL:RVS:2024:4909. Zie overweging 6.2 van de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2325. Zie overweging 2.4.1 van de uitspraak van de
Bronpassage s0069
Afdeling van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0267. Zie overweging 2.6.1 van de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL0742. Het college verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2404. ECLI:NL:RVS:2024:4923. ECLI:NL:RVS:2023:3699. ECLI:NL:RVS:2022:2557. Zie p. 27 van het rapport. GS verwijzen in dit kader naar bladzijde 6 waar het volgende staat: “Voor NH3 zal een Polytron 8000 worden ingezet of een ander type sensor gevalideerd volgens deel D van de richtlijnen (ref 7.) . standaard referentie methode. ECLI:NL:RVS:2025:2969. ECLI:NL:RBGEL:2025:9167. Korenburgerveen, Bekendelle, Wooldse Veen, Willinks Weust, Stelkampsveld Buurserzand & Haaksbergerveen (Overijssel) en Witteveen (Overijssel). Zie de uitspraak van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3651).
De rechter handhaaft de urgentieweigering omdat een persoonlijke noodsituatie niet is aangetoond.s0010, s0015
De rechter verklaart het beroep ongegrond en wijst de voorlopige voorziening af; de urgentieweigering blijft gelden.s0015
Rechtbank Gelderland · 28 september 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7369
De voorzieningenrechter verklaart het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] ongegrond en wijst hun verzoek om een voorlopige voorziening af. De weigering van woonurgentie door het college van Nijmegen blijft daarmee in stand. Volgens de rechter toont de medische informatie geen persoonlijke noodsituatie aan. Er blijkt niet dat de woning de directe oorzaak van de gezondheidsklachten is of dat vier maanden langer verblijf medisch onverantwoord is. Het college hoefde daarom niet te beoordelen of herstelmaatregelen duurzaam helpen. Ook hoefde het de hardheidsclausule niet toe te passen. Eisers krijgen geen griffierecht terug en ontvangen geen proceskostenvergoeding.s0001, s0010, s0011, s0014, s0015
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6 Astra.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De voorzieningenrechter beslist ook op het beroep, omdat nader onderzoek volgens haar niet kan bijdragen aan de beoordeling. Zij aanvaardt het aanvullende medische advies waarop het college de nieuwe beslissing op bezwaar baseert. Volgens de arts is de vastgelegde frequentie van luchtwegklachten en oorpijn bij de kinderen niet afwijkend hoog voor hun leeftijd. De rechter leidt uit het advies af dat niet is gebleken dat vier maanden langer verblijf medisch onverantwoord is. Het college hoefde eisers over dit aanvullende advies niet opnieuw te horen, omdat het voortbouwt op het eerdere advies.s0001, s0007, s0008, s0010
Uit de uitspraak
Omdat een persoonlijke noodsituatie niet is aangetoond, hoefde het college volgens de rechter niet te onderzoeken of de getroffen maatregelen de vocht- en schimmelproblemen duurzaam verhelpen. Het adviesbureau erkent dat zijn eerdere uitspraak over mogelijke maatregelen niet op een bouwkundige beoordeling berustte. Toch acht de rechter een bouwkundige keuring in deze beoordeling niet noodzakelijk. Ook hoefde het college de hardheidsclausule niet toe te passen. De onwenselijke woonsituatie, de moeilijkheden op de woningmarkt en het ontbrekende sociale netwerk onderscheiden dit gezin volgens de rechter onvoldoende van andere woningzoekenden.s0011, s0012, s0014, s0015
Duiding
Voor de onderbouwing van deze aanvraag laat de uitspraak zien hoeveel gewicht de beschikbare medische informatie krijgt. Eisers stellen dat hun kinderen vaker ziek zijn en ook door de huisartsenpost worden geholpen, maar zij hebben daarover niet tijdig aanvullende informatie aangeleverd. De rechter gaat daarom aan die stelling voorbij. De afwijzing betekent niet dat de woning volgens de rechter duurzaam is hersteld. Die technische vraag blijft juist buiten de beoordeling doordat de vereiste persoonlijke noodsituatie niet is aangetoond.s0010, s0011, s0012
Grenzen van deze toelichting
- De beoordeling van de persoonlijke noodsituatie betreft uitsluitend de medische problematiek; het sociale isolement wordt daarbij niet meer betrokken.
- De rechter beoordeelt niet of eisers door de weigering van een eerdere woning zelf verantwoordelijk zijn voor het voortduren van hun situatie.
- De uitspraak geeft geen oordeel over de uitkomst van de inmiddels gestarte civiele procedure tegen de woningcorporatie.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
voorlopige voorziening, beroep, woonurgentie, schimmel in woning, geen persoonlijke noodsituatie
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummers: ARN 26/3992 en 26/3993 uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats 1] , eisers (gemachtigde: mr. Y. Seyran), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (gemachtigden: [gemachtigde] en mr. W.A. van Osch). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een woonurgentieverklaring. Bij beslissing op bezwaar is het besluit in stand gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eisers daartegen. 1.1. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Procesverloop 2. Eisers wonen met drie minderjarige kinderen in een woning aan het [adres 1] in [woonplaats 1] . Kort na de verhuizing ontstonden vocht-, schimmel-, ventilatie- en verwarmingsproblemen en volgens eisers veroorz
Bronpassage s0002
aakt het binnenklimaat in de woning gezondheidsklachten. Eisers hebben daarom een aanvraag voor een woonurgentieverklaring ingediend. Bij besluit van 18 maart 2026 is deze aanvraag afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. 2.1. Bij beslissing op bezwaar van 21 mei 2026 is het bezwaar ongegrond verklaard. 2.2. Eisers hebben beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. 2.3. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 28 mei 2026 (26/2854 en 26/5584) is het besluit van 21 mei 2026 vernietigd en heeft de voorzieningenrechter het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. 2.4. Bij nieuwe beslissing op bezwaar van 23 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. 2.5. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. 2.6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de voorzieningenrechter Toetsingskader 4. Op grond van artikel 10, vierde lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Nijmegen 2024 (hierna: Verordening) kan het college een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt, indien deze noodsituatie: a. niet door betrokkene zelf is veroorzaa
Bronpassage s0003
kt, of kon worden voorkomen; b. niet door betrokkene zelf kan worden opgelost; c. zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze situatie langer dan 4 maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van de aanvraag om een urgentieverklaring. 4.1. Op grond van artikel 28 van de Verordening is het college bevoegd om, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar haar oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van bepalingen in deze verordening. 4.2. In artikel 20 van het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (hierna: Reglement) wordt het vereiste van de persoonlijke noodsituatie verder uitgewerkt. Op grond van dit artikel is sprake van een persoonlijke noodsituatie als: het probleem een directe relatie heeft met de woning of de woonomgeving. Een (andere) woning in de woningmarktregio moet een oplossing zijn voor de huidige noodsituatie; de huidige woning niet geschikt is (te maken) om het probleem, waarin het huishouden verkeert, te verhelpen; en de noodsituatie zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van de behandeling van de aanvraag om een urgentieverklaring. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt de eigen verantwoordelijkheid betrokken. Wat staat er in de uitspraak van de voorzieningenrechter? 5. De voorzieningenrechter heeft in haar uitspraak van 28 mei 2026 geoordeeld dat het besluit tot afwi
Bronpassage s0004
jzing van de aanvraag om urgentie onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De woning vertoont sinds 2021 gebreken vanwege schimmel-, vocht-, verwarmings- en ventilatieproblemen, dat is aannemelijk geworden door de onderbouwing van eiser. Het is in algemene zin bekend dat dit kan leiden tot gezondheidsproblemen bij minderjarige kinderen. Volgens het advies van [adviesbureau] van 9 februari 2026 zijn de medische problemen van de gezinsleden momenteel onvoldoende objectiveerbaar. Het advies gaat niet in op de vraag of het medisch gezien verantwoord is om het gezin, met een jonge baby, nog 4 maanden in de woning in deze staat te laten wonen. De voorzieningenrechter overweegt dat dit wel had gemoeten. 5.1. Verder wordt door het adviesbureau geconcludeerd dat er voldoende maatregelen mogelijk zijn om de luchtvochtigheid in de woning te verminderen en om het binnenklimaat te verbeteren. Het is onduidelijk waar deze conclusie op is gebaseerd. Ter zitting heeft het college niet kunnen toelichten of [adviesbureau] zelf over de (bouwkundige) expertise beschikt om deze conclusie te kunnen trekken. Bovendien is onduidelijk welke maatregelen dan getroffen kunnen worden, of dat duurzame oplossingen zijn en op welke termijn dat gerealiseerd zou kunnen worden. De eerder toegepaste maatregelen hebben volgens eiser namelijk onvoldoende geholpen om het probleem duurzaam te verhelpen. 5.2. Gelet op het voorgaande kon het college volgens de voorzieningenrechter in de besluitvorming niet volled
Bronpassage s0005
ig afgaan op het advies van [adviesbureau] . Er zal dan ook een nieuwe beslissing op bezwaar genomen moeten worden, waarbij de hiervoor genoemde punten nader onderzocht en/of gemotiveerd moeten worden. In de nieuwe beoordeling moet ook betrokken worden in hoeverre de verhuurder überhaupt welwillend is om gebreken aan de woning te herstellen en is het aan eisers om aan het college alle relevante medische informatie ter beschikking te stellen. Het bestreden besluit 6. Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft het college wederom advies gevraagd aan het adviesbureau [adviesbureau] en verzocht te beoordelen of er sprake is van een woonnoodsituatie. In het rapport van 9 februari 2026 staat dat er geen sprake is van een woonnoodsituatie op basis van medische gronden, omdat de gestelde frequente luchtweginfecties bij eisers en de kinderen onvoldoende objectiveerbaar zijn op basis van de aangeleverde informatie. 6.1. Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter hebben eisers een huisartsenjournaal overgelegd. Dit is door het college voorgelegd aan [adviesbureau] . Op 22 juli is daarop gereageerd. Het huisartsenjournaal is beoordeeld door [persoon] , arts bij [adviesbureau] . Voor [adviesbureau] geeft dit geen aanleiding tot het herzien van het eerdere advies. Het college heeft zich onder verwijzing naar het aanvullend advies van 22 juli 2026 in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie.
Bronpassage s0006
Verder heeft het college erop gewezen dat Woonwaarts, de woningcorporatie, verschillende maatregelen heeft genomen waaronder het plaatsen van een extra verwarming, aanvullende luchtroosters en tochtstrips. Niet is gebleken dat deze maatregelen niet toereikend zouden zijn. Ook wordt eisers tegengeworpen dat ze een eerdere woning hebben geweigerd, zodat ze zelf verantwoordelijk worden gehouden voor het voortduren van de huidige situatie. Ze hadden hun woonprobleem immers kunnen oplossen door de woning aan de [adres 2] in Druten te accepteren. Tot slot ziet het college geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Had het college eisers moeten horen alvorens hij het bestreden besluit nam? 7. Eisers stellen zich allereerst op het standpunt dat het college hen op grond van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten horen voordat hij het bestreden besluit nam. Na de eerdere rechterlijke uitspraak hebben eisers op 6 juli 2026 aanvullende medische informatie verstrekt. Het college heeft deze informatie opnieuw aan [adviesbureau] voorgelegd. Het aanvullende deskundigenadvies is gedateerd 22 juli 2026. De beslissing op bezwaar is van één dag later. Eisers zijn niet over het aanvullend deskundigenadvies gehoord. Dit had wel gemoeten. Zij wijzen in dit kader op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 maart 2023. Het gaat niet om een zuivere herhaling van een eerder standpunt. Het advies bevat een nieuw med
Bronpassage s0007
isch deskundigenoordeel over de huisartsgegevens, daarnaast de uitdrukkelijke mededeling dat de eerdere technische conclusie niet op bouwkundige beoordeling berustte en dat voor haalbaarheid, effectiviteit en duurzaamheid bouwkundige expertise nodig is. Het college heeft beide onderdelen in de motivering van het bestreden besluit gebruikt. 7.1. Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. 7.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. De voorzieningenrechter stelt vast dat het advies van [adviesbureau] van 22 juli 2026 voortbouwt op het eerdere advies van 9 februari 2026. Immers [adviesbureau] wordt gevraagd om, onder andere, naar aanleiding van nieuwe medische informatie nogmaals te kijken naar de vraag of sprake is van een persoonlijke noodsituatie en in te gaan op de vraag of het medisch verantwoord is dat het gezin van eisers nog enkele maanden in hun huidige woning verblijft. Hierbij motiveert [adviesbureau] nogmaals en nader waarom er geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat een advies dat voortbouwt op een eerder advies in de regel niet wordt beschouwd als een na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feit als bedoeld in artikel 7:9 de Awb, dat voor het op bez
Bronpassage s0008
waar te nemen besluit van aanmerkelijk belang kan zijn. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2023 leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in de onderhavige zaak, was in die zaak sprake van een geheel nieuw deskundigenadvies in plaats van een advies dat voortbouwt op een eerder advies. Is er sprake van een persoonlijke noodsituatie? 8. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de aanvraag blijkt dat de aanleiding van de aanvraag tweeledig was. Allereerst hebben eisers gewezen op de vocht- en schimmelproblematiek in de woning en de gezondheidsproblemen die dit veroorzaakt bij de kinderen. Daarnaast zitten eisers in hun huidige woning een sociaal isolement. De familie en het sociaal netwerk van eisers bevinden zich voornamelijk in Druten, terwijl eisers in [woonplaats 1] wonen. Bovendien durft eiser nauwelijks auto te rijden door een eerder scooterongeluk. In de huidige procedure gaat het enkel nog over de medische problematiek. Het sociale isolement wordt daarom niet meer bij de beoordeling betrokken. 8.1. Eisers betogen dat het college niet onder verwijzing naar het aanvullend advies van [adviesbureau] van 22 juli 2026 heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. In dit advies is immers niet (expliciet) beoordeeld of het medisch gezien verantwoord is dat het gezin nog vier maanden in de woning in de bestaande staat verblijft. Bovendien legt het college het begrip ‘persoonlijke noodsituatie’ te beperkt uit. Voor he
Bronpassage s0009
t ontstaan van een dergelijke situatie hoeft het causaal verband tussen de luchtwegenklachten en de schimmel- en vochtproblematiek niet te worden aangetoond. De directe relatie die het Reglement verlangt ziet op het woonprobleem en de woning of woonomgeving. Hier staat juist de langdurige vocht-, schimmel-, ventilatie- en verwarmingsproblematiek in de woning centraal. Voor de beoordeling is daarom niet beslissend of uit de huisartsjournaals een rechtstreeks causaal verband tussen de woning en iedere afzonderlijke klacht volgt. Van belang is welke betekenis de gedocumenteerde klachten, in samenhang met het objectief beschreven binnenklimaat, de duur van de problematiek, drie jonge kinderen waaronder een baby en het ontbreken van een aangetoonde duurzame oplossing, hebben voor de viermaandentoets. Dat is ook de vraag die de voorzieningenrechter in de eerdere uitspraak uitdrukkelijk open heeft gelaten. Deze vraag is door [adviesbureau] niet beantwoord. Bovendien is door het college niet beoordeeld of de woning binnen vier maanden duurzaam geschikt kan worden gemaakt. Weliswaar zijn er verschillende maatregelen uitgevoerd, maar daarmee is het probleem niet verholpen. Ook op dit onderdeel is er geen uitvoering gegeven aan de uitspraak van de voorzieningenrechter. 8.2. De door eisers overgelegde medische informatie is beoordeeld door arts [persoon] , werkzaam bij [adviesbureau] . Uit het aanvullend advies van 22 juli 2026 blijkt dat volgens deze arts de frequentie waarmee de kinder
Bronpassage s0010
en van eisers zich met bovenste luchtwegklachten en oorpijnklachten presenteren niet afwijkend hoog is en past bij hetgeen op deze leeftijd redelijkerwijs verwacht mag worden. De uit het huisartsenjournaal op te maken frequentie valt daar zelfs ruim onder. De aangeleverde medische informatie geeft daarom geen reden tot herzien van het eerder gegeven advies. 8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich onder verwijzing naar het aanvullend advies van [adviesbureau] van 22 juli 2026 terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Het college stelt terecht dat uit het advies niet blijkt dat de huidige woning de directe oorzaak is van de gezondheidsklachten van de kinderen en evenmin dat sprake is van een acuut medisch probleem dat enkel kan worden opgelost door verhuizing naar een andere woonruimte. Hieruit volgt ook dat niet is gebleken dat voortzetting van het verblijf in de woning gedurende een periode van vier maanden medisch gezien onverantwoord is. Daarmee is geen sprake van een persoonlijke noodsituatie zoals bedoeld in artikel 20 van het Reglement. Daar is immers pas sprake van als het probleem, in dit geval de gezondheidsproblematiek, een directe relatie heeft met de woonomgeving. Daar is hier niet van gebleken. Op zitting hebben eisers nog aangevoerd dat de frequentie, zoals dit blijkt uit het huisartsenjournaal, niet representatief is voor de gezondheidsklachten van de kinderen. De kinderen zijn veel vake
Bronpassage s0011
r ziek, maar worden dan ook vaak geholpen door de huisartsenpost. Dit wordt niet genoteerd in het huisartsenjournaal. Aan deze stelling gaat de voorzieningenrechter voorbij. Het college heeft terecht opgemerkt dat eisers de kans hebben gekregen om medische informatie aan te leveren. De aangeleverde medische informatie, het huisartsenjournaal, is door [adviesbureau] betrokken in het aanvullend advies van 22 juni 2026. Als er meer informatie zou zijn geweest, dan was het aan eisers om dit (tijdig) aan te leveren. Dit hebben zij niet gedaan. Verder volgt de voorzieningenrechter eisers niet in hun betoog dat het college het begrip persoonlijke noodsituatie te beperkt opvat. Immers uit de aanvraag blijkt dat de medische problematiek van de kinderen de directe aanleiding is voor de aanvraag. Een urgentieverklaring is niet bedoeld om problemen in de sociale huurwoning op te lossen. Deze problemen kunnen eisers eventueel via een civielrechtelijke procedure aan de orde stellen. Op zitting is gebleken dat eisers inmiddels een dergelijke procedure zijn gestart tegen de woningcorporatie. 8.4. Omdat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie heeft het college ook niet hoeven te beoordelen of de getroffen maatregelen de schimmel- en vochtproblematiek kunnen verhelpen dan wel of de al getroffen maatregelen een duurzame oplossing vormen. Immers de vraag of een woning geschikt is te maken is, zo blijkt uit artikel 20 van het Reglement, enkel van belang als sprake is van een persoonlijke
Bronpassage s0012
noodsituatie. Daar is hier niet van gebleken. Dat de voorzieningenrechter het college in haar uitspraak van 26 mei 2026 opdracht heeft gegeven dit nader te onderzoeken leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter heeft het college deze opdracht gegeven, omdat in het eerdere advies van [adviesbureau] van 9 februari 2026 de opmerking is gemaakt dat er afdoende maatregelen mogelijk zijn om het binnenklimaat te verbeteren en de luchtvochtigheid in de woning te reduceren. De voorzieningenrechter merkt op dat niet duidelijk is waarop deze conclusie gebaseerd is. In het aanvullend advies van 22 juli 2026 geeft [adviesbureau] hier duidelijkheid over en stelt dat deze uitspraak niet is gebaseerd op een bouwkundige beoordeling en dat voor een uitspraak over de haalbaarheid, effectiviteit en duurzaamheid van dergelijke maatregelen een bouwkundige expertise is aangewezen. Hieruit volgt, anders dan eisers lijken te stellen, niet dat een dergelijke bouwkundige keuring nog nodig is. Immers, deze keuring is enkel noodzakelijk, als sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Daar is niet van gebleken. 8.5. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. De voorzieningenrechter zal daarom niet ingaan op de vraag of eisers zelf verantwoordelijk zijn voor voortduren van de huidige situatie. Deze vraag is immers alleen relevant als sprake is van een persoonlijke noodsituat
Bronpassage s0013
ie. De hierover naar voren gebrachte gronden laat zij dan ook onbesproken. Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen en toch urgentie moeten verlenen? 9. Eisers stellen dat het college de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 28 van de Verordening, had moeten toepassen. Weliswaar heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) aanvaard dat het college, gelet op de schaarste, een restrictief beleid mag voeren en toepassing van de hardheidsclausule tot zeer uitzonderlijke situaties mag beperken, maar dit neemt niet weg dat de omstandigheden van het concrete huishouden in hun samenhang moeten worden beoordeeld. In de beslissing op bezwaar staat slechts dat de hardheidsclausule wordt toegepast in zeer incidentele, levensbedreigende of daarmee vergelijkbare gevallen en dat de situatie van eisers onvoldoende onderscheidend is van die van vele andere woningzoekenden. Daarmee blijft onbesproken wat de combinatie van de langdurige woonproblematiek, drie minderjarige kinderen, de beperkingen van eiser, de zeer geringe mogelijkheden op de reguliere woningmarkt en het ontbreken van een aantoonbaar duurzame technische oplossing, voor dit gezin betekent. De afzonderlijke omstandigheden hoeven ieder voor zich geen urgentiegrond te vormen. Het beroep op de hardheidsclausule ziet juist op hun gezamenlijke effect. 9.1. Het college heeft in het bestreden besluit gesteld dat de hardheidsclausule enkel wordt toegepast bij zeer incid
Bronpassage s0014
entele noodgevallen waarbij sprake is van levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situaties. Het college acht de situatie van eisers onvoldoende onderscheidend van vele andere woningzoekenden in de regio in een vergelijkbare onwenselijke situatie. Op zitting heeft het college hier nog aan toegevoegd dat de hardheidsclausule, gelet op de grote schaarste aan woningen, slechts wordt toegepast als het langer voortduren van de huidige situatie medisch onverantwoord is. In dit kader heeft het college gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019. Omdat hier geen sprake van is, wordt geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule. 9.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het college een restrictief beleid mag voeren en dat het college daarbij ook tot uitgangspunt mag nemen dat alleen in zeer uitzonderlijke situaties aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule, gelet op het grote tekort aan sociale huurwoningen in de regio en het belang van een rechtvaardige verdeling van de beschikbare woonruimte. Alhoewel de woonsituatie van eisers verre van ideaal is, heeft het college daarin geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Het college wijst er terecht op dat niet is gebleken van een medische noodsituatie. Dat vocht- en schimmelproblematiek niet goed is voor de gezondheid van de kinderen maakt de situatie van eisers, hoe vervelend ook, onvoldoende onderscheidend van andere gezinnen die zich in een onwenselijke woonsituatie
Bronpassage s0015
bevinden. Hetzelfde geldt voor de moeilijkheden op de woningmarkt en het ontbreken van een sociaal netwerk in de directe omgeving. In deze omstandigheden heeft het college dan ook geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed
Bronpassage s0016
heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. ECLI:NL:RVS:2023:1050, r.o. 4.2.. Zie o.a. ABRvS d.d. 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1247. Eiser wijst op een uitspraak van de Afdeling van 3 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1495. ECLI:NL:RVS:2019:2903.
De rechter schorst de woningsluiting tot zes weken na bekendmaking van de bezwaarbeslissing.s0006
De voorzieningenrechter schorst de woningsluiting tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.s0006
Rechtbank Gelderland · 28 september 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7370
De voorzieningenrechter schorst het besluit van de burgemeester van Zutphen om de woning van verzoeker drie maanden te sluiten, tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De burgemeester heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de veiligheid en gezondheid van omwonenden ernstig worden bedreigd. De rechter erkent wel de langdurige, ernstige overlast en de gevoelens van onveiligheid. De beschreven conflicten betreffen verzoeker, zijn dochter en bezoekers; het vermoedelijke gooien van voorwerpen is onvoldoende opgehelderd. Het oordeel is voorlopig. De burgemeester moet verzoeker daarnaast € 1.868 aan proceskosten betalen.s0001, s0005, s0006
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De voorzieningenrechter erkent dat de burgemeester van Zutphen langdurige en ernstige overlast en verstoring van de openbare orde heeft kunnen aannemen. De stukken beschrijven geluidsoverlast, aanloop van drugsgebruikers en conflicten waarbij incidenteel geweld wordt gebruikt. Ook heeft verzoeker zijn dochter tegen haar wil in de woning vastgehouden. Dat incident heeft veel impact gehad op omwonenden. Verzoeker weerspreekt de overlast niet. De schorsing betekent dus niet dat de rechter de beschreven overlast onvoldoende ernstig vindt.s0001, s0004, s0005
Uit de uitspraak
Voor de toegepaste sluitingsbevoegdheid moet volgens de rechter ook sprake zijn van een ernstige bedreiging van de veiligheid en gezondheid van mensen in de directe omgeving. De burgemeester heeft die bedreiging onvoldoende aannemelijk gemaakt. De beschreven conflicten en incidenten betreffen verzoeker, zijn dochter en zijn bezoekers. Over het vermoedelijke gooien van glas of bloempotten bestaat onvoldoende duidelijkheid. De bevrijding van de dochter via balkons van omwonenden heeft die omwonenden volgens de rechter evenmin in een gevaarlijke situatie gebracht.s0004, s0005, s0006
Duiding
Deze zaak laat zien waarom de onderbouwing van een woningsluiting afzonderlijk aandacht vraagt voor de gevolgen voor omwonenden. De erkende overlast en hun begrijpelijke gevoelens van onveiligheid dragen hier niet de conclusie dat hun veiligheid en gezondheid ernstig worden bedreigd. Voor de beoordeling van dit besluit is dat onderscheid doorslaggevend. De rechter geeft daarmee een voorlopig oordeel over deze onderbouwing. De schorsing loopt tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; de uitkomst van dat bezwaar staat in deze uitspraak niet vast.s0001, s0005, s0006
Grenzen van deze toelichting
- Het oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.
- De uitspraak bevat geen beslissing op het bezwaar tegen de woningsluiting.
- De burgemeester heeft niet duidelijk kunnen maken wat er bij het gooien van glas of bloempotten precies is gebeurd en wie de voorwerpen heeft gegooid.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Voorlopige voorziening, sluiting woning, artikel 174a Gemeentewet
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 26/4085 uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. H.W. Omvlee), en de burgemeester van de gemeente Zutphen (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester van 29 juli 2026 om de woning aan de [adres] in [woonplaats] met ingang van 3 augustus 2026 te sluiten voor een periode van drie maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Bij bestreden besluit van 29 juli 2026 heeft de burgemeester besloten de woning aan de [adres] in [woonplaats] op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet, met ingang van 3 augustus 2026 om 11.00 uur te sluiten voor een periode van drie maanden. 2.1. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. 2.2. Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betale
Bronpassage s0002
n. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. Verzoeker is niet op zitting verschenen. Totstandkoming besluit 3. Verzoeker woont, samen met zijn twee kinderen, in een flat aan de [adres] in [woonplaats] . Dit betreft een huurwoning. 3.1. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 21 juni 2026, die aan de burgemeester is gestuurd, blijkt dat verzoeker op dit adres al langere tijd (in ieder geval vanaf begin 2025) dag en nacht zorgt voor ernstige (woon)overlast. Er is veel aanloop van personen naar de woning, waaronder drugsgebruikers. Die aanloop met de daarbij gepaard gaande geluidsoverlast in de woning gaat dag en nacht door. Regelmatig zijn er conflicten in en om de woning tussen verzoeker en zijn bezoekers en tussen bezoekers onderling. Een deel van de conflicten zijn drugsgerelateerd. Op 1 juli 2026 heeft verzoeker zijn meerderjarige dochter vastgehouden en bedreigd in hun woning. De politie besloot de woning tegen de wil van verzoeker te betreden. Omdat het openen van de deur met een zogenaamde 'bonk' niet lukte, is een onderhandelaar en de Dienst Speciale Interventies (DSI) ingezet die uiteindelijk verzoeker in zijn woning heeft aangehouden en de dochter via de achterzijde van de woning via een balkon in veiligheid heeft gebracht. Na afloop van dit incident meldden diverse buren zich bij de politie met de mededeling dat di
Bronpassage s0003
t incident er één was in een reeks van vele incidenten van overlast, conflicten en onveiligheid in en om de flatwoning van verzoeker. 3.2. De burgemeester heeft hierin aanleiding gezien de woning van verzoeker voor de duur van drie maanden te sluiten. 3.3. Op 1 augustus 2026 is een aanvullende bestuurlijke rapportage opgemaakt door de politie naar aanleiding van een gijzelingsincident in de woning. Deze bestuurlijke rapportage is naar de burgemeester gestuurd. Beoordeling door de voorzieningenrechter 4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker of de burgemeester tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden over mocht gaan. Mocht de burgemeester de woning sluiten voor de duur van drie maanden? 5. Op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet, kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf ernstig wordt verstoord. 5.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester op grond van voormeld artikel is overgegaan tot sluiting van de woning vanwege langdurige en ernstige overlast en ver
Bronpassage s0004
storing van de openbare orde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft uitgelegd wanneer de burgemeester dit artikel kan inzetten. Dat kan als aan de hand van concrete, objectieve en verifieerbare gegevens moet worden vastgesteld dat de gedragingen zich in de woning of op het daarbij behorende erf voordoen, er langdurige overlast is die zich met grote regelmaat voordoet en die maatschappelijk onaanvaardbare vormen heeft aangenomen. Verder vergt verstoring van de openbare orde overlast waardoor de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning in ernstige mate worden bedreigd. Zodanige overlast kan slechts plaatsvinden bij gedragingen die op zichzelf ernstig zijn. Deze uitleg van de Afdeling sluit aan bij wat de wetgever wilde toen artikel 174a in de Gemeentewet is opgenomen. 5.2. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat er sprake is van geluidsoverlast, aanloop van drugsgebruikers naar de woning van verzoeker en conflicten tussen bezoekers onderling en met verzoeker, waarbij incidenteel geweld wordt gebruikt. Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat het vermoeden bestaat dat er vanaf het balkon van de zevende verdieping met glas/bloempotten naar beneden is gegooid. Daarnaast heeft verzoeker op 1 juli 2026 zijn dochter tegen haar wil in de woning vastgehouden. De dochter is bevrijd door een arrestatieteam via het balkon van de buren. Deze gijzeling heeft veel impact gehad op de
Bronpassage s0005
omwonenden. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van langdurige en ernstige overlast en verstoring van de openbare orde. Deze overlast wordt door verzoeker ook niet weersproken. 5.3. Voor de bevoegdheid om een woning te sluiten op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet, is blijkens vaste rechtspraak van de Afdeling ook van belang of de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving in ernstige mate wordt bedreigd. Hoewel de overlast langdurig en ernstig is en de voorzieningenrechter volkomen begrijpt dat de overlast en het incident op 1 juli 2026 gevoelens van onveiligheid bij omwonenden opleveren, heeft de burgemeester onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bij de gedragingen en beschreven incident op 1 juli 2026 gaat om een ernstige bedreiging van de veiligheid en gezondheid van mensen in de omgeving van de woning. De voorzieningenrechter stelt op basis van de overgelegde stukken en het besprokene op zitting vast dat alle conflicten en incidenten in en rondom de woning betrekking hebben op verzoeker, de dochter van verzoeker en de bezoekers van verzoeker. Van het incident met het gooien van glas/bloempotten heeft de burgemeester bovendien niet duidelijk kunnen maken wat er precies is gebeurd en wie er voorwerpen naar beneden heeft gegooid. Ook heeft de burgemeester niet onderbouwd dat ten tijde van de gijzeling van de dochter de veiligheid en ge
Bronpassage s0006
zondheid van omwonenden in het geding is geweest. Dat het arrestatieteam via de balkons van omwonenden de dochter van verzoeker heeft bevrijd, maakt dit niet anders. Hierdoor zijn de omwonenden, hoe vervelend die situatie ook was, niet in een gevaarlijke situatie terecht gekomen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter had de burgemeester de woning daarom niet op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet, mogen sluiten. Conclusie en gevolgen 6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. 7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verzoeker een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek toe en schorst het besluit van 29 juli 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzien
Bronpassage s0007
ingenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4697. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5718. Zie Kamerstukken II 1996/97, 24 699, nrs. 5 en 7.
De rechter schorst voorlopig alle lasten tot zes weken na bekendmaking van de bezwaarbeslissing.s0013, s0014
De rechter schorst het lastenbesluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.s0014
Rechtbank Noord-Holland · 28 september 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13039
De voorzieningenrechter schorst het besluit met vier lasten onder dwangsom tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Verzoekers krijgen daarmee tijdelijk ruimte om hun bedrijfsactiviteiten voort te zetten. De lasten betreffen de dierentuin, bouwwerken buiten het bouwvlak, horeca en vogelshows. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met eerdere gemeentelijke uitlatingen over het passend bestemmen van de bestaande bedrijfssituatie. Een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel is voorlopig niet uitgesloten. Of handhaving na zoveel jaren evenredig is, moet in bezwaar nader worden onderzocht. Het college moet € 200 griffierecht vergoeden; de rechter kent geen proceskostenvergoeding toe.s0003, s0004, s0012, s0013, s0014
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De voorzieningenrechter acht het college van burgemeester en wethouders van Texel voorlopig bevoegd om te handhaven. De dierentuin vormt volgens hem de hoofdactiviteit en heeft een zelfstandige publieksaantrekkende werking. Daarmee past het gebruik bij een letterlijke lezing niet binnen de bestemming ‘Detailhandel - Tuincentrum’, die slechts ondergeschikt dagrecreatief gebruik toestaat. Ook de daarmee verbonden horeca is strijdig met de bestemming. Voor de vogelshows en bouwwerken gaat de rechter voorlopig eveneens uit van handhavingsbevoegdheid. Daarnaast beoordeelt hij het gebruiksovergangsrecht: hoewel bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan showtuinen met dieren bestonden, kan hij op basis van de beschikbare informatie niet overtuigend vaststellen welke bescherming verzoekers daaraan nu kunnen ontlenen.s0005, s0009, s0010, s0011
Uit de uitspraak
De reden voor de schorsing ligt in de afweging of handhaving in deze omstandigheden evenredig is. Concreet zicht op legalisatie ontbreekt, omdat het college geen afwijkingsvergunning wil verlenen. De beantwoording van eerdere zienswijzen wijst echter mogelijk op de bedoeling van de gemeenteraad om de toen bestaande bedrijfsactiviteiten passend te bestemmen. Die bedoeling is niet duidelijk in de planregels vastgelegd, maar kan volgens de rechter wel gewicht krijgen bij de belangenafweging. Verzoekers hebben bovendien vooralsnog onweersproken gesteld dat hun plan van aanpak het bedrijf naar aard en omvang heeft teruggebracht naar de situatie van 2013.s0011, s0012, s0013
Duiding
Voor deze zaak betekent dit dat de bezwaarprocedure nader onderzoek moet bieden naar de betekenis van de eerdere gemeentelijke uitlatingen en de evenredigheid van handhaving na zoveel jaren. De schorsing geeft verzoekers tijdelijk ruimte om hun bedrijfsactiviteiten voort te zetten. Zij kunnen daaraan geen definitieve erkenning ontlenen dat hun bedrijf binnen de bestemming past of dat hun beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. De tijdelijke bescherming eindigt zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.s0012, s0013, s0014
Grenzen van deze toelichting
- Het oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.
- De uitkomst van de volledige heroverweging in bezwaar is nog onzeker.
- De beschikbare informatie maakt niet overtuigend duidelijk of en in hoeverre het gebruik overgangsrechtelijke bescherming geniet.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
VOORLOPIGE VOORZIENIING. LASTEN ONDER DWANGSOM. VERTROUWENSBEGINSEL. Uit beantwoording van de ingebrachte zienswijzen moet worden afgeleid dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan kennelijk heeft beoogd de toen bestaande feitelijke bedrijfssituatie positief te bestemmen. Bij de belangenafweging in het kader van de onderhavige handhavingskwestie komt daaraan gewicht toe. Vooralsnog kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden uitgesloten dat verzoekers een gerechtvaardigd beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 26/4009 uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2026 in de zaak tussen [verzoeker] (verzoeker) en [verzoekster] (verzoekster), uit [plaats] , samen: verzoekers (gemachtigde: de stichting Stichting Animalia, namens deze [naam] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel (gemachtigden: mr. M. Oosterdijk en mr. S. Boogert). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een viertal aan verzoekers opgelegde lasten onder dwangsom. Deze lasten hebben alle betrekking op het bedrijf ‘ [naam bedrijf] ’ dat door verzoekers wordt geëxploiteerd op het perceel [adres 1] en het daarnaast gelegen perceel in [plaats] , Texel. Verzoekers zijn het met de aan hen opgelegde lasten niet eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodem
Bronpassage s0002
geding niet. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Een beschrijving van de totstandkoming van het bestreden besluit maakt daarvan onderdeel uit. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 3. Procesverloop De lasten onder dwangsom 2.1. Bij besluit van 8 mei 2018 heeft het college verzoekers gelast: - het gebruik van het perceel [adres 1] als dierentuin te staken en gestaakt te houden; - het gebruik van het agrarische perceel tussen [adres 2] als dierentuin/vogelshow te staken en gestaakt te houden; - het verwijderen en verwijderd houden van alle zonder omgevingsvergunning gebouwde bouwwerken, zoals aangegeven op de bij het besluit behorende tekening. Weigering aanvraag omgevingsvergunning 2.2. Hangende het bezwaar tegen de opgelegde lasten onder dwangsom van 8 mei 2028 is een legalisatieprocedure gestart. De daartoe ingediende aanvraag om omgevingsvergunning is, nadat de raad van de gemeente Texel had geweigerd voor de ontwikkeling een verklaring van geen bedenkingen af te geven, bij besluit van 25 januari 2024 geweigerd. Aan verzoekers is, bij raadsbesluit van 19 april 2024, vervolgens een termijn van twee jaar gegeven om de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met het Omgevingsplan gemeente Texel (waarvan onder meer deel uitmaakt het bestemmingsplan “Buitengebied Texel 2013”). Plan van aanpak 2.3. Op 5 maart 2025 hebben verzoekers een plan van aanpak aan het college gezonden waarin is uiteengezet welke veranderingen zullen worden doorge
Bronpassage s0003
voerd om aan de geldende bestemming te kunnen voldoen. Controle 20 februari 2026 2.4. Nadat verzoekers begin februari 2026 aan het college hadden aangegeven dat eventuele overtredingen zijn opgeheven, hebben toezichthouders op 20 februari 2026 een controle uitgevoerd op het perceel [adres 1] in [plaats] , kadastraal bekend sectie L, nummer [kadastraal nummer 1] , gemeente Texel. Er is geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de regels van het Omgevingsplan (daaronder begrepen het bestemmingsplan “Buitengebied Texel 2013”). Het bestreden besluit 2.5. Bij het bestreden besluit van 15 juni 2026 heeft het college - onder intrekking van de lasten onder dwangsom van 8 mei 2018 - verzoekers naar aanleiding van (onder meer) de controle van 20 februari 2026 gelast: - de overtreding met betrekking tot het strijdige gebruik van het perceel als dierentuin binnen 16 weken na de verzenddatum van het besluit volledig te beëindigen en beëindigd te houden. Verzoekers kunnen dit doen door alle dierentuinactiviteiten te staken, waaronder het tentoonstellen van dieren aan het publiek en het ten behoeve daarvan ontvangen van bezoekers. Voldoen zij niet dan verbeuren verzoekers een dwangsom van € 35.000 ineens; - de overtreding met betrekking tot alle bouwwerken die buiten het bouwvlak op het perceel zijn geplaatst te beëindigen en beëindigd te houden. Verzoekers kunnen dit doen door de bouwwerken, opgenomen in bijlage 2, te verwijderen en verwijderd te houden; - de overtreding met betrekking tot
Bronpassage s0004
de exploitatie van een horecafunctie op het perceel, waaronder de verkoop van thee, koffie, frisdrank, koek en ijs, ter plaatse te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kunnen verzoekers doen door geen gelegenheid meer te bieden om dranken en etenswaren ter plaatse te laten nuttigen; - de overtreding met betrekking tot het houden van vogelshows op het perceel, kadastraal bekend als sectie L, nummer [kadastraal nummer 2] in de gemeente Texel, te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kunnen verzoekers doen door de vogelshows te beëindigen en beëindigd te houden. 2.6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 3.1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter gevraagd het bestreden besluit te schorsen, tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. 3.2. De aan de lasten verbonden begunstigingstermijn loopt af op 5 oktober 2026. Het college heeft zich weliswaar bereid getoond de begunstigingstermijn op te schorten tot zes weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter, maar naar verwachting is op dat moment een beslissing op bezwaar nog niet genomen. Verzoekers hebben aannemelijk gemaakt dat voldoen aan de last om verbeurte te voorkomen voor hen gevolgen heeft die niet eenvoudig zijn terug te draaien dan wel onomkeerbaar zijn. Een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlo
Bronpassage s0005
pige voorziening kan verzoekers dan ook niet worden ontzegd. Planologische situatie 4.1. Het bestemmingsplan “Buitengebied Texel 2013” maakt, net als het “Reparatieplan buitengebied Texel” en het “Tweede Reparatieplan Buitengebied Texel” onderdeel uit van het “Omgevingsplan gemeente Texel” dat op 1 januari 2024 is vastgesteld. Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied Texel 2013” rust op het perceel [adres 1] in [plaats] , Texel de bestemming ‘Detailhandel - Tuincentrum’. Op het naastgelegen perceel rust volgens dit bestemmingplan de bestemming ‘Agrarisch - Zeepolders’. 4.2. Op grond van artikel 25.1 van de planregels van voornoemde bestemmingsplannen zijn de voor Detailhandel – Tuincentrum aangewezen gronden bestemd voor: a. bedrijfsgebouwen waaronder kassen en overkappingen, ten behoeve van detailhandel in planten, struiken, bomen en andere benodigdheden ten behoeve van de inrichting van tuinen en bouwwerken, al dan niet in combinatie met een tuinbouwbedrijf; (..) met daaraan ondergeschikt: c. dagrecreatief gebruik; (..). 4.3. Op grond van artikel 7.1 van de planregels van voornoemde bestemmingsplannen zijn de gronden met de bestemming ‘Agrarisch - Zeepolders’ bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; (..) met daaraan ondergeschikt: (..) Standpunten van partijen 5. Het college heeft de lasten aan verzoekers opgelegd omdat volgens het college wordt gehandeld in strijd met de op percelen rustende bestemmingen, en omdat er meerdere bouwwerken buiten het bouwvlak zijn gepla
Bronpassage s0006
atst. Gebruik als dierentuin Uit de controle van 20 februari 2026 is volgens het college gebleken dat verzoekers het perceel in overwegende mate gebruiken als dierentuin. Dat volgt niet alleen uit de fysieke situatie ter plaatse, maar ook uit de manier waarop de inrichting wordt gepresenteerd en onder de aandacht wordt gebracht. De totale inrichting, de exploitatievorm, de omvang van het aantal dieren en de nadruk op recreatieve bezoekersstromen, maken duidelijk dat sprake is van een zelfstandige dierentuinfunctie. Er is volgens het college geen sprake van een ondergeschikt onderdeel van een tuincentrum, Maar het is de dominante en dragende functie op het perceel. Omdat de bestemming ‘Detailhandel - Tuincentrum’ uitsluitend een tuincentrum toestaat, waarbij slechts ondergeschikt dagrecreatief gebruik is toegestaan, voldoet de huidige exploitatie niet aan de bestemming. Horecafunctie Uit de controles is gebleken dat verzoekers onder andere thee, koffie en ijs verkopen die ter plaatse kunnen worden genuttigd omdat bij de ingang picknicktafels zijn geplaatst. Deze vorm van verkoop van producten heeft het karakter van een ‘horecabedrijf’ als bedoeld in artikel 1.68 van het Omgevingsplan die ter plaatse niet is toegestaan. Vogelshows Het college heeft verder geconstateerd dat verzoekers in het aangrenzende weiland (kadastraal bekend als sectie L, nummer [kadastraal nummer 2] in de gemeente Texel) in het hoogseizoen gemiddeld vier keer per week vogelshows houden. Dit perceel heeft
Bronpassage s0007
de bestemming ‘Agrarisch - Zeepolders’ dat volgens het college een dergelijk gebruik niet toestaat. Bouwwerken buiten bouwvlak Op het perceel bevinden zich verder in strijd met de planregels meerdere bouwwerken die buiten het bouwvalk zijn geplaatst. Voor deze bouwwerken is geen omgevingsvergunning gevraagd of verleend. 6. Verzoekers voeren aan dat het college ten onrechte handhavend heeft opgetreden wegens strijd met de bestemming ‘Detailhandel - Tuincentrum’. Verzoekers hebben met de uitvoering van het plan van aanpak immers hun bedrijfsactiviteiten teruggebracht naar de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten die bestonden ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied Texel 2013”, welke bedrijfsactiviteiten met dat bestemmingsplan ook passend zijn bestemd. Verzoekers verwijzen in dat verband naar de Nota van beantwoording bestemmingsplan Buitengebied Texel (geconsolideerde versie, vaststelling raad van 12 juni 2023), waarin het volgende is opgenomen: “[bedrijf] , [adres 1] , [plaats] Samenvatting van de zienswijzen De in het ontwerp opgenomen bestemming “Detailhandel - tuincentrum” is te beperkend en dekt niet de lading van de activiteiten. Na een aantal rechtszaken is toegezegd dat de bestaande situatie in het nieuwe bestemmingsplan zou worden opgenomen. Het verzoek is ook de activiteiten: agrarisch en maatschappelijk toe te voegen. Er worden nl. ook dieren gekweekt en verkocht (vogels, vissen en kleindieren) en er is gelegenheid de showtuinen te
Bronpassage s0008
bezichtigen. Verzoekt om het bedrijf breder te bestemmen met de juiste bestemming, ook voor de toekomst. Collegestandpunt/wijzigingsvoorstel De bestemming Detailhandel - tuincentrum (artikel 24) is speciaal opgenomen om uw bedrijf van een passende bestemming te voorzien. Het is niet gebruikelijk of noodzakelijk om alle toegestane activiteiten uitvoerig op te sommen. Het kweken en verkopen van kleindieren is daaronder begrepen, voor zover dit onder het normale gebruik als tuincentrum valt. Een agrarische bestemming of activiteit opnemen ligt niet in de lijn, omdat het kweken en verkopen van kleindieren geen grondgebonden agrarische activiteit is. Dagrecreatieve activiteiten zijn reeds opgenomen in de bestemmingsomschrijving, zodat deze functie eveneens in de bestemming is afgedekt. In de nieuwe regels voor bestemmingsplannen is de maatschappelijke bestemming voorbehouden aan o.a. zorgverlening etc. en dus niet van toepassing op een bedrijf zoals dat van u. Het bezichtigen van showtuinen valt reeds onder het dagrecreatieve gebruik. Hiermee vallen alle door u genoemde functies binnen de bestemming “Detailhandel - Tuincentrum”. De zienswijze geeft geen aanleiding tot wijziging van het bestemmingsplan.” Is er sprake van een overtreding? 7.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat naar vaste rechtspraak een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk moet worden uitgelegd. Als de planregels duidelijk zijn, wordt aan een uitleg van de bedoeling van de planwetgever niet toe
Bronpassage s0009
gekomen. De op plankaart dan wel verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels zijn bepalend voor het antwoord op de vraag of een bouwplan of bepaald gebruik in strijd is met het omgevingsplan. De niet bindende toelichting bij dit plan heeft slechts in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven, indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in onderlinge samenhang duidelijk zijn. Er moet dus naar de strikte bewoordingen van het bestemmingsplan worden gekeken. 7.2 Ten aanzien van het gebruik als dierentuin kan de voorzieningenrechter het college volgen dat – wanneer de toepasselijke planvoorschriften naar hun letterlijke tekst in aanmerking worden genomen – de bedrijfsactiviteiten zoals die ten tijde van de controle op 20 februari 2026 ter plaatse plaatsvonden, moeilijk in overeenstemming kunnen worden geacht met de vigerende bestemming. Dat het voor wat betreft het gebruik als dierentuin binnen de bestemming “Detailhandel - Tuincentrum” nog om een ondergeschikte dagrecreatieve functie zou gaan, valt niet in te zien. De dierentuin heeft een zelfstandige publieksaantrekkende werking en vormt ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter binnen het geheel van de bedrijfsactiviteiten de hoofdactiviteit. Het college heeft zich daarom ook niet zonder reden op het standpunt gesteld dat in de bestaande feitelijke situatie ten tijde van het bestreden besluit niet m
Bronpassage s0010
eer gesproken kan worden van een tuincentrum. Daarmee is ten aanzien van de dierentuin bij een letterlijke lezing van de planregels sprake van een met de vigerende bestemming strijdig gebruik. Gesteld noch gebleken is dat de planregels niet of onvoldoende duidelijk zouden zijn. Omdat de horecafunctie in de bestaande feitelijke situatie in overwegende mate is gekoppeld aan de dierentuin is ook in dat opzicht sprake van strijdig gebruik. Overgangsrecht 8. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 17 januari 2024 , rust in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. Het gebruiksovergangsrecht gaat uit van de situatie ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Vast staat dat ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ook sprake was van showtuinen met dieren. Of en in hoeverre daaraan ook daadwerkelijk thans een overgangsrechtelijke bescherming aan verzoekers toekomt kan op basis van de voorhanden zijnde informatie niet overtuigend worden vastgesteld. Op zichzelf komt dit op dit moment voor rekening en risico van verzoekers. Bevoegdheid handhavend optreden 9. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden moet de conclusie vooralsnog zijn dat het college ten aanzien van de dierentuinfunctie en de daaraan gekoppelde horecafunctie bevoegd is om tot handhaving over te gaan. Voorshands gaat de voorzieningenrec
Bronpassage s0011
hter er ook vanuit dat dat het geval is voor de in geding zijnde vogelshows, alsmede voor de illegale bouwwerken. Zijn er redenen om van handhaving af te zien? 10. Uit vaste rechtspraak volgt verder dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, omdat het algemeen belang gediend is met handhaving. Bij de vraag of van handhavend optreden desondanks moet worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat, volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen. Vast staat dat dit het geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. In dat kader acht de voorzieningenrechter het volgende van belang.
Bronpassage s0012
11. Aan verzoekers kan worden toegegeven dat met de hiervoor onder rechtsoverweging 6 opgenomen passage uit de Nota van beantwoording bij het vigerende Omgevingsplan Buitengebied Texel 2013 (naar aanleiding van de zienswijzen van de voormalig eigenaar van het perceel van verzoekers) niet is uitgesloten dat de raad van de gemeente Texel met de vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied Texel 2013” kennelijk heeft beoogd de op dat moment feitelijk bestaande bedrijfsactiviteiten te bestempelen als passend binnen de bestemming “Detailhandel – Tuincentrum” en daarmee dus ook het toenmalige feitelijke gebruik positief te bestemmen. Vast staat dat dit niet als zodanig ook expliciet en duidelijk binnen de vigerende planvoorschriften tot uitdrukking is gebracht, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter laat dit onverlet dat – indien het zo is dat het bestemmingsplan (mede) deze bedoeling heeft gehad (en de voorzieningenrechter ziet voorshands nog onvoldoende reden om hieraan te twijfelen) – dit bij de te maken belangenafweging wel degelijk ook gewicht toekomt, te meer nu de bedrijfssituatie als in geding een jarenlange voorgeschiedenis heeft en zich reeds tientallen jaren voordoet. 12. Onder deze omstandigheden kan vooralsnog naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden uitgesloten dat verzoekers een gerechtvaardigd beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich hiervan in het kader van d
Bronpassage s0013
e onderhavige handhavingsprocedure nog onvoldoende rekenschap gegeven. In zoverre acht de voorzieningenrechter de inhoudelijke motivering welke ten grondslag is gelegd aan de lasten onder dwangsom, op dit moment onvoldoende. De bezwaarprocedure is bij uitstek geschikt om nader te onderzoeken of handhaving na zoveel jaren nog evenredig geacht kan worden, nu verzoekers vooralsnog onweersproken hebben gesteld dat met het plan van aanpak de bedrijfssituatie naar aard en omvang is teruggebracht naar die van 2013. De voorzieningenrechter stelt vast dat de uitkomst van de in het kader van de bezwaarprocedure te maken volledige heroverweging thans dus nog onzeker is. 13. In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om bij de te maken belangenafweging voorshands het belang van verzoekers bij (tijdelijke) voortzetting van hun bedrijfsactiviteiten te laten prevaleren boven het belang van het college om hiertegen op te kunnen treden. In afwachting van de nadere heroverweging in de bezwaarprocedure zal daarom het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening worden geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Conclusie en gevolgen 14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 15 juni 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. 15. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Voor een proceskostenver
Bronpassage s0014
goeding ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding. Ter zitting heeft Stichting Animalia, desgevraagd, niet aannemelijk gemaakt laat staan aangetoond dat het verlenen van rechtsbijstand ook een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst het besluit van 15 juni 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. ECLI:NL:RVS:2024:113
De rechter laat de intrekking van de zonneparkvergunning in stand.s0010, s0011
De rechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.s0011
Rechtbank Overijssel · 28 september 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:5772
De rechter verklaart het beroep van [eiser] ongegrond en wijst zijn verzoek om een voorlopige voorziening af. De intrekking door het college van burgemeester en wethouders van Raalte blijft daardoor gelden. [eiser] is geen vergunninghouder: hij heeft de vergunning niet overgenomen en zijn onderzoeksplannen voor een landgoed met eventueel een zonnepark maken hem niet verantwoordelijk voor de vergunde activiteit. De vergunninghouder wilde het zonnepark niet meer uitvoeren. Het college mocht diens belang en het tegengaan van ongebruikte vergunningen zwaarder laten wegen dan het belang van [eiser]. Intrekking was daarbij een bevoegdheid, geen verplichting.s0006, s0008, s0009, s0010, s0011, s0001
Samenvatting door Ruimtemeesters, opgesteld met GPT-6.1 Sol.
Duiding bij deze uitspraak
Modelduiding bij deze bron, geen afzonderlijk oordeel van de rechter.
Uit de uitspraak
De voorzieningenrechter beslist ook op het beroep, omdat nader onderzoek volgens haar niet kan bijdragen aan de beoordeling. De vergunning was verleend onder de Wabo. Op het verzoek om intrekking zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing. De onherroepelijke vergunning geldt door het overgangsrecht als een omgevingsvergunning onder de Omgevingswet. Volgens de rechter behoudt zij haar zaaksgebonden karakter. Dat maakt [eiser] als grondeigenaar echter niet vanzelf vergunninghouder: daarvoor is bepalend wie verantwoordelijk is voor het verrichten van de vergunde activiteit.s0004, s0006, s0007, s0008
Uit de uitspraak
De vergunning was vóór het intrekkingsbesluit van Energie Salland-West B.V. overgedragen aan de coöperatie. [eiser] had haar niet overgenomen. Het zonnepark was niet gerealiseerd en zijn landgoedplan met een eventueel zonnepark bevond zich nog in de onderzoeksfase. De rechter aanvaardt de e-mail namens ESW als intrekkingsverzoek. Het college mocht intrekken, maar moest de betrokken belangen afwegen. Het mocht het tegengaan van ongebruikte vergunningen en het belang van ESW zwaarder laten wegen dan het belang van [eiser], omdat de vergunninghouder geen uitvoering meer wilde geven aan de vergunning.s0006, s0008, s0009, s0010
Duiding
Voor iemand die in een vergelijkbare positie een bestaande vergunning wil behouden, laat deze zaak zien waarom eigendom en toekomstplannen afzonderlijk aandacht vragen. In deze beoordeling maakten het grondeigendom en de gesprekken met het college [eiser] nog niet verantwoordelijk voor de vergunde activiteit. Ook zijn mogelijke toekomstige bijdrage gaf onvoldoende gewicht aan zijn belang bij behoud. De praktijkles blijft daarmee gebonden aan deze omstandigheden: bij een intrekkingsgeschil verdienen zowel de positie als vergunninghouder als de concreetheid van voorgenomen uitvoering aandacht.s0008, s0009, s0010
Grenzen van deze toelichting
- De uitspraak beoordeelt de intrekking van de bestaande zonneparkvergunning en beslist niet over toestemming voor het voorgenomen landgoed.
- Tegen de beslissing op het beroep kan hoger beroep worden ingesteld; tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Inhoudsindicatie van Rechtspraak
Vovo hangende beroep. Intrekkingsbesluit omgevingsvergunning. Zaaksgebonden omgevingsvergunning Eiser kan niet worden aangemerkt als vergunninghouder op grond van artikel 5.37 van de Omgevingswet (Ow). Heeft geen activiteiten verricht als bedoeld in dat artikel. Verder heeft college in redelijkheid kunnen komen tot intrekking van de omgevingsvergunning.
Bronpassages bij deze tekst
De ankers verwijzen naar de behouden tekstversie. Voor de oorspronkelijke opmaak en bijlagen: bekijk de officiële bron.
Bronpassage s0001
RECHTBANK OVERIJSSEL Bestuursrecht zaaknummers: ZWO 26/2091 en ZWO 26/2094 uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats], hierna: eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Raalte , hierna: het college, (gemachtigde: mr. M. Bastet). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Energie Salland-West B.V. uit Lierderholthuis, hierna: ESW. 1 Samenvatting 1.1. Het college heeft op 19 oktober 2023 een omgevingsvergunning verleend aan ESW voor het realiseren van een klein zonnepark. Dit zonnepark zou op een perceel van eiser worden gerealiseerd. Omdat ESW dit project niet heeft uitgevoerd en niet meer wil uitvoeren heeft ESW het college verzocht de omgevingsvergunning in te trekken. Met het besluit van 16 juni 2026 heeft het college dat gedaan. 1.2. Eiser is in de tussenliggende periode tot het plan gekomen om een landgoed te realiseren, waarvan het zonnepark een onderdeel zou kunnen worden, hetgeen hij aan het onderzoeken is. Met de intrekking van de omgevingsvergunning is hij het om die reden niet eens. Hij heeft daartegen beroep ingesteld. Omdat hij de omgevingsvergunning nodig heeft om op korte termijn deel te nemen aan de laatste ronde voor de SDE++ subsidie verstrekking, hetgeen noodzakelijk is om het mogelijk toekomstige zonnepark te realiseren, heeft hij daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. In deze uitspraak beslist de voor
Bronpassage s0002
zieningenrechter op het verzoek- en beroepschrift. Zij verklaart het beroep ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om een verzoek om voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wijst zij daarom af. 2 Inleiding 2.1. Enkele jaren geleden is, mede vanuit eiser, het initiatief ontstaan om ten behoeve van het dorp [plaats] op het perceel van eiser aan de [adres] in [plaats] een klein zonnepark van twee hectare te realiseren. 2.2. Om dit te realiseren was onder meer een omgevingsvergunning nodig. De aanvraag daartoe is in eerste instantie ingediend door Energie Coöperatie Salland-West (hierna: coöperatie). Later is deze aanvraag overgenomen door ESW die in de tussentijd was opgericht. 2.3. Het college heeft op 19 oktober 2023 de omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark nabij [adres] in [plaats]. De omgevingsvergunning is gericht aan ESW. De omgevingsvergunning is onherroepelijk geworden. 2.4. Ondertussen is er – althans zo begrijpt de voorzieningenrechter uit wat partijen naar voren hebben gebracht – een vertrouwensbreuk ontstaan tussen eiser, ESW en de coöperatie, welke niet is hersteld. 2.5. Eiser heeft het plan opgevat om een nieuw landgoed te vormen, waarbij meer natuurinclusief wordt gewerkt. Daaraan wil hij graag een/het zonnepark van twee hectare toevoegen. Over zijn plan tot het realiseren van het landgoed, de status van de omgevingsvergunning ten aanzien van het zonnepark en zijn wens om het zonnepark mogelijk in e
Bronpassage s0003
igen beheer te realiseren heeft verzoeker in 2025 meerdere gesprekken gevoerd met het college. Op 11 december 2025 heeft hij uiteindelijk een plan ingediend bij het college, waar – op verzoek van het college – het perceel waarop het zonnepark gerealiseerd zou worden buiten valt. 2.6. In de tussentijd is op 9 november 2025 echter namens ESW verzocht tot intrekking van de omgevingsvergunning ten behoeve van het zonnepark. Op 16 december 2025 heeft het college een ontwerpbesluit voor het intrekken van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Eiser was hier hiermee niet eens, mede vanwege het plan om het landgoed inclusief zonnepark te realiseren en de omstandigheid dat hij grondeigenaar is van het perceel waarop het zonnepark gerealiseerd zou worden. Hij heeft daarom een zienswijze ingediend. 2.7. De ingediende zienswijze door eiser heeft het college niet tot een heroverweging van het ontwerpbesluit gebracht. Het college heeft met het besluit van 16 juni 2026 de omgevingsvergunning ingetrokken. Als motivering in het besluit is gegeven dat de vergunninghouder geen uitvoering heeft gegeven aan de omgevingsvergunning, dat ook niet wil en daartoe in bestuursrechtelijke zin ook niet toe kan worden verplicht. Ook is de vergunninghouder niet verplicht de omgevingsvergunning over te dragen aan een ander als hij geen uitvoering wenst te geven aan de omgevingsvergunning. Gezien er geen concreet zicht meer is op uitvoering van de omgevingsvergunning is er geen reden om deze te laten voort
Bronpassage s0004
bestaan. Daarmee kan men niet anders dan het verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning van de vergunninghouder honoreren. In zijn reactie op de zienswijze van eiser vult het college op bovenstaande nog aan dat het zodoende niet aannemelijk is dat met gebruik van deze omgevingsvergunning een zonnepark wordt ontwikkeld op de betreffende locatie. 2.8. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij de omgevingsvergunning nodig heeft. Indien deze niet herleeft, kan hij namelijk niet deelnemen aan de laatste ronde voor de verstrekking van SDE++ subsidie die aanvangt op 27 oktober 2026. Zonder deze subsidie is het voor eiser vrijwel onmogelijk het zonnepark te realiseren. 2.9. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en ESW vertegenwoordigd door [naam]. 2.10. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. 3 Beoordeling door de voorzieningenrechter 3.1. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Besluit tot intrekking 3.2. Op gron
Bronpassage s0005
d van artikel 5.40, tweede lid van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning intrekken: in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, op verzoek van de vergunninghouder; voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid: in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, waarbij artikel 5.31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is, voor een milieubelastende activiteit of een wateractiviteit waarvoor met toepassing van artikel 16.7, eerste lid, aanhef en onder b, gecoördineerd omgevingsvergunningen zijn verleend: als de omgevingsvergunning voor de samenhangende wateractiviteit respectievelijk de milieubelastende activiteit is ingetrokken, voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald. 3.3. Ter zitting heeft het college toegelicht dat hij het bestreden besluit heeft gebaseerd op artikel 5.40, tweede lid, onder b en c, van de Omgevingswet. Eiser is geen vergunninghouder 3.4. De voorzieningenrechter ziet zich gelet op de gronden van eiser eerst voor de vraag gesteld of eiser als vergunninghouder van de omgevingsvergunning waarop het intrekkingsbesluit ziet kan w
Bronpassage s0006
orden aangemerkt, zoals bedoeld in artikel 5.40, tweede lid, onder c, van de Omgevingswet. 3.5. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de omgevingsvergunning van 19 oktober 2023 verleend is aan ESW. Ook is niet in geschil dat tussen het moment van het verzoek tot intrekken van de omgevingsvergunning en het daadwerkelijk besluit daartoe ESW is opgeheven en de omgevingsvergunning is overgedragen aan de coöperatie. In zoverre kan eiser niet worden aangemerkt als vergunninghouder. 3.6. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen partijen geen sprake is geweest van een overname van de omgevingsvergunning door eiser. ESW en eiser staan er ten aanzien van een overname anders is. Op zitting is door partijen bevestigd dat er ten aanzien daarvan ook geen civielrechtelijke procedure loopt. 3.7. In dit geval is sprake van een zaaksgebonden omgevingsvergunning. Eiser heeft in dat kader verwezen naar de Wet algemene bepalingen omgevingswet (hierna: Wabo). In artikel 2.25, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft en dat de vergunninghouder ervoor zorg draagt dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Het college heeft de omgevingsvergunning destijds (mede) op deze bepaling gebaseerd. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Deze regelgeving volgt de Wabo op en is van
Bronpassage s0007
toepassing op het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning. De (onherroepelijke) omgevingsvergunning geldt op grond artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor de activiteiten waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet. In artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet is bepaald dat een omgevingsvergunning geldt voor degene die de activiteit verricht waarop zij betrekking heeft. Diegene is vergunninghouder en draagt zorg voor de naleving van de vergunningvoorschriften. Na lezing van de wetsgeschiedenis ten aanzien van artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet concludeert de voorzieningenrechter dat de wetgever ten opzichte van artikel 2.25, eerste lid van de Wabo geen wijziging heeft willen aanbrengen. De voorzieningenrechter gaat er daarmee van uit dat de omgevingsvergunning onder de Omgevingswet ook een zaaksgebonden karakter heeft. 3.8. De voorzieningenrechter overweegt dat de omgevingsvergunning weliswaar een zaaksgebonden karakter heeft en dat eiser grondeigenaar is van het perceel waarop de omgevingsvergunning ziet, maar is van oordeel dat eiser daarmee niet zonder meer als vergunninghouder kan worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat uit artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet volgt dat de omgevingsvergunning geldt voor degene die de activiteit verricht waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft. Diegene is de vergunninghouder. Uit de wetsges
Bronpassage s0008
chiedenis volgt dat onder ‘degene die de activiteit verricht’ moet worden verstaan degene die voor het verrichten van de activiteit (eind)verantwoordelijk is. De voorzieningenrechter komt op basis van de gedingstukken en hetgeen met partijen op zitting is besproken tot het oordeel dat eiser als zodanig niet kan worden aangemerkt. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter allereerst dat het zonnepark op het perceel van eiser niet is gerealiseerd. Verder volgt uit het betoog van eiser dat hij in de fase na oprichting van ESW zich vanwege een vertrouwensbreuk (ten dele) heeft afgewend van het project, waarbij onder meer de intentieovereenkomst met de looptijd tot 1 januari 2023 niet is verlengd of is vervangen door één met ESW. Uit het overige betoog van eiser volgt daarnaast slechts dat hij vervolgens op den duur tot het plan is gekomen het landgoed met eventueel een zonnepark te realiseren en dat hij in de onderzoeksfase daarnaar daarover in 2025 in gesprek is geweest met het college over onder meer de status van de omgevingsvergunning. Daaruit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat eiser ten tijde van het intrekkingsbesluit op grond van artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet kon worden aangemerkt als vergunninghouder. Het college heeft de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen intrekken 3.9. Eiser heeft voorts gewezen op het feit dat hij grondeigenaar is van het perceel waarop de omgevingsvergunning ziet en de omstandigheid van zijn eigen projec
Bronpassage s0009
t, welke plannen ook bekend zijn bij het college. Daarmee heeft het college bij intrekkingsbesluit ten onrechte onvoldoende (kenbaar) rekening gehouden. Daarnaast betwijfelt hij of de e-mail van 9 november 2025 kan worden aangemerkt als verzoek tot intrekking. 3.10. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de e-mail van 9 november 2025 kan worden aangemerkt als verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning. Daarin wordt (onder meer) vermeld: ‘De vergunning voor de [adres] te [plaats] kan worden ingetrokken en de laatste 25% leges komen hiermee te vervallen.’ Weliswaar wordt ook gesproken over de leges, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende duidelijk dat wordt verzocht tot intrekking van de betreffende omgevingsvergunning. Het college heeft dit dan ook als zodanig mogen opvatten. 3.11. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is de intrekking van een omgevingsvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij de toepassing van deze bevoegdheid komt het college beleidsruimte toe. Daarbij moet het college in een individueel geval een gemotiveerde afweging maken of het gelet op de betrokken belangen wel of geen gebruik wenst te maken van deze bevoegdheid. Het college moet alle relevante belangen inventariseren en afwegen, waaronder de belangen van de vergunninghouder, zoals zijn financiële- en bedrijfsbelangen. De bestuursrechter dient vervolgens te beoordelen of het college tot zijn besluit heeft kunnen komen. 3.12. De voorzieningenre
Bronpassage s0010
chter komt tot het oordeel dat het college in redelijkheid tot intrekking van de omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat eiser – zoals hiervoor is overwogen – niet kan worden aangemerkt als vergunninghouder noch dat hij dat (op korte termijn) alsnog zal worden. Immers, van een mogelijke overname van de omgevingsvergunning of civielrechtelijke procedure daarover is en was geen sprake. Voorts heeft het college kunnen aannemen dat de verantwoordelijkheid voor (de uitvoering van) de omgevingsvergunning ten tijde van het verzoek tot intrekking en het daadwerkelijke intrekkingsbesluit lag bij ESW dan wel de coöperatie en dat vanuit hen als vergunninghouder duidelijk is gemaakt dat geen uitvoering is gegeven aan de omgevingsvergunning en dat dit voornemen ook niet meer bestaat. Dit is ter zitting nogmaals bevestigd. Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter het algemeen belang van het tegengaan van ongebruikte omgevingsvergunningen en het belang van ESW dan ook in redelijkheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser bij het laten voortbestaan van de omgevingsvergunning. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de enkele omstandigheid dat eiser grondeigenaar is en mogelijk in de toekomst met gebruik van de omgevingsvergunning een bijdrage wil leveren aan het ontwikkelen van het zonnepark onvoldoende is om de belangen van eiser zodanig zwaar te laten wegen dat tot intrekk
Bronpassage s0011
ing van het besluit niet kon worden overgegaan. De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel, onder verwijzing naar de reactie op de zienswijze, dat het college dit in het bestreden besluit voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. 4 Conclusie en gevolgen 4.1. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. 4.2. Eiser krijgt om die reden het griffierecht ook niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op: griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieninge
Bronpassage s0012
nrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr.3, pagina 506 en Kamerstukken II 2017/18, 34 986, nr. 3, pagina 197 – 199. Kamerstukken II 2017/18, 34 986, nr. 3, pagina 197. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4812, rechtsoverweging 7.1.